Vrijgespraak valsheid in geschrifte & witwassen: onvoldoende bewijs voor het bestaan van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar (toenmalige) partner

Rechtbank Gelderland 14 juni 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3233 De raadsvrouw heeft vrijspraak van feit 1 bepleit. De handtekeningen op twee PGB-formulieren in kwestie zijn niet van verdachte, die zijn nagemaakt door haar (toenmalige) partner, medeverdachte. Verdachte was daar niet van op de hoogte. Het derde formulier is wel door verdachte ondertekend, maar zij heeft een blanco formulier getekend en heeft niet gezien wat er later op is ingevuld.

Ook van feit 2 moet verdachte worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw. Verdachte had geen enkele wetenschap van welk illegaal handelen dan ook. Zij beschikte alleen over legale gelden en inkomsten. Financieel was zij gescheiden van medeverdachte.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat er geen wettig en overtuigend bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring. Daarbij is het volgende van belang.

Over de formulieren DOC/008-75 en 85 (pagina 1139) en DOC/008-19 en 20 (pagina 1078) heeft verdachte verklaard dat haar handtekening is nagemaakt door medeverdachte. Hij heeft dit ook bij de rechter-commissaris bevestigd en verklaard dat verdachte daar niets van af wist. Dat verdachte deze documenten zelf heeft opgemaakt dan wel er gebruik van heeft gemaakt, kan niet worden bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is er evenmin bewijs voor medeplegen door verdachte. Gelet op de verklaringen van verdachte en medeverdachte is van een nauwe en bewuste samenwerking geen sprake geweest. Enig ander bewijsmiddel is daarvoor niet voorhanden.

Ten aanzien van het formulier op pagina 1080 in het dossier (DOC/008-21 en 22) hebben zowel verdachte als medeverdachte verklaard dat verdachte dat formulier heeft ondertekend, maar dat dat op dat moment een blanco formulier was. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze enkele handeling geen opzet op het valselijk opmaken van het formulier dan wel het gebruik maken daarvan worden afgeleid. Hierbij is van belang dat het ging om een verantwoordingsformulier voor het PGB dat verdachte ontving ten behoeve van haar zoon en waar zij in beginsel ook recht op had, zodat bij haar geen argwaan hoefde te ontstaan bij het, op verzoek van medeverdachte, ondertekenen van dat formulier.

Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van feit 1.

Feit 2

De rechtbank overweegt dat het dossier weinig informatie bevat over de financiële situatie van verdachte (en medeverdachte ). Verdachte heeft verklaard dat haar financiën en die van medeverdachte gescheiden waren en dat zij elk hun eigen inkomen hadden. Daarom acht de rechtbank alleen de onder het derde en zesde gedachtestreepje opgenomen inkomsten, te weten de inkomsten uit het PGB van naam 2, de zoon van verdachte, en de inkomsten uit onterecht ontvangen toeslagen van belang. De overige inkomsten zijn van medeverdachte en het ontbreekt de rechtbank aan informatie over of dit geld ooit ter beschikking van verdachte heeft gestaan. Uit het dossier komen onvoldoende aanknopingspunten naar voren om te komen tot medeplegen (van handelingen van medeverdachte ) door verdachte.

Verdachte heeft inkomsten ontvangen uit het PGB dat voor haar zoon naam 2 bestemd was. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de uitkering die zij ontving van misdrijf afkomstig was. Verdachte had, als wettelijk vertegenwoordiger van naam 2, in principe immers recht op een dergelijke vergoeding. Zij heeft zich, zoals hiervoor overwogen, zelf ook niet schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte ter verkrijging van die gelden. Dat verdachte en medeverdachte een omslachtige constructie gebruikten van overboeken, weer terugboeken, contant opnemen en dan uitbetalen, kan weliswaar vragen oproepen maar doet aan het oordeel van de rechtbank niet af. Ten aanzien van de PGB-gelden kan witwassen dan ook niet worden bewezen, ook niet via medeplegen, nu geen bewijs voorhanden is dat duidt op de daarvoor vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

Met betrekking tot de toeslagen overweegt de rechtbank dat het dossier geen enkel inzicht geeft in de besteding van dat geld, voor zover deze aan medeverdachte werden toegekend. Voor zover zij aan verdachte werden toegekend, is er geen bewijs voorhanden dat zij wist of moest vermoeden dat zij hier geen recht op had. Ook hiervoor dient vrijspraak te volgen.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling penningmeester voor verduistering van kerkgelden. Verwerping van beroep op psychische overmacht.

Rechtbank Limburg 22 juni 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:5298

De verdenking komt erop neer dat de verdachte, als penningmeester, € 752.477 van het Kerkbestuur Federatie van de parochies Heilige Christoforus en Heilige Geest te Roermond en Heilige Michael te Herten heeft verduisterd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de verdachte het feit in de periode van 31 maart 2015 tot en met 3 september 2015 heeft gepleegd. De officier van justitie heeft verwezen naar de aangifte van het Kerkbestuur Federatie van de parochies Heilige Christoforus en Heilige Geest te Roermond en Heilige Michael te Herten. Ook heeft de officier van justitie verwezen naar de bekennende verklaringen van de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe primair aangevoerd dat de opzet van de verdachte op de wederrechtelijke toe-eigening van de kerkgelden niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Volgens de raadsman heeft de verdachte nooit de intentie gehad om zich de kerkgelden toe te eigenen, heeft hij die kerkgelden nooit in zijn bezit gehad, is niet gebleken dat de verdachte enig geldelijk gewin heeft gehad en heeft de verdachte zich jarenlang onbezoldigd ingezet voor het bisdom.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de pleegperiode dient te worden ingekort tot de periode van 8 april 2015 tot en met 3 september 2015.

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard:

Ik heb in mijn functie van penningmeester de kerkgelden onrechtmatig gebruikt. De parochie van de Heilige Geest is een paar jaar geleden gefuseerd met de parochie van de Heilige Christoforus. Samen vormen zij één parochie. Deze heb ik benadeeld. Ik was als penningmeester bevoegd tot het doen van alle betalingen.

U, voorzitter, houdt mij voor dat uit het onderzoek naar het bankrekeningnummer van de parochie Heilige Christoforus bleek dat er 14 transacties werden aangetroffen waarbij in de periode van 8 april 2015 tot en met 3 september 2015 gelden werd afgeschreven en overgemaakt naar onbekende rekeningen in het buitenland. Die 14 transacties zijn mij bij mijn politieverhoor voorgehouden en het is juist dat ik die transacties heb doorgevoerd vanaf de computer in mijn woning in Roermond. Ook heb ik van de rekening van de parochie € 10.000,- overgemaakt naar mijn eigen bankrekening en heb ik dat bedrag vervolgens weer overgemaakt naar een rekening in het buitenland. Daarnaast heb ik een bedrag van € 8.470,- op 31 maart 2015 van de rekening van de parochie overgeboekt naar een onbekende rekening in het buitenland. Het klopt dat ik op die manier in totaal € 760.947,- van de kerkgelden heb overgeschreven naar het buitenland.

Ik had hiervoor geen toestemming van de kerk en ik verwachtte dat, als ik die toestemming gevraagd zou hebben aan de kerk, die toestemming niet gekregen zou hebben. Ik heb die gelden aangewend om een vrouw te helpen die ik via facebook had leren kennen.

Verbalisant heeft een analyse gemaakt van de verkregen historische bancaire informatie. Hij heeft daarover gerelateerd:

De bankrekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] betreffen de rekeningen vanaf welke de gelden van de kerkelijke instellingen werden verduisterd in de periode gelegen tussen 31 maart 2015 en 3 september 2015. Rekeninghouder van beide bankrekeningen is de Parochie Heilige Christoforus te Roermond.

Samenvatting bankrekening 1

Resumerend kan worden gesteld dat in de periode tussen 8 april 2015 en 3 september 2015 tot een totaalbedrag van € 752.477,- onrechtmatig van deze bankrekening was afgeschreven (gedebiteerd) en daarmee verduisterd. Dit vond plaats in 15 transacties: 14 maal werden gelden getransfereerd naar buitenlandse bankrekeningen en 1 maal werd geld overgemaakt naar een eigen privébankrekening.

Samenvatting bankrekening 2

Na analyse bleek dat deze bankrekening op 31 maart 2015 een bedrag van € 8.470,- onrechtmatig was afgeschreven (gedebiteerd).

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in zijn hoedanigheid van penningmeester – zonder dat hij daartoe gerechtigd was - een bedrag van in totaal € 760.947,- dat toebehoorde aan de kerk heeft afgeschreven van de rekeningen van de kerk en dat hij die gelden heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor die gelden waren bestemd. Verdachte heeft daardoor als heer en meester heeft over de kerkgelden beschikt en aldus zich de kerkgelden opzettelijk en wederrechtelijk toegeëigend. Het verweer dat er geen sprake zou zijn van opzet, wordt verworpen.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, als penningmeester, van 31 maart 2015 tot en met 3 september 2015 een bedrag van ongeveer € 752.477,- heeft verduisterd. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het aan hem ten laste gelegde medeplegen, nu hiervoor geen wettig en overtuigend bewijs uit het procesdossier voorhanden is.

Psychische overmacht

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens psychische overmacht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte aanvankelijk uit naastenliefde heeft gehandeld en dat hij de alleenstaande en eenzame ‘ [naam] ’ wilde helpen bij, onder meer, het verkrijgen van haar erfenis. Op enig moment voelde de verdachte zich echter, uit angst voor chantage en uit schaamte, gedwongen om door te gaan met het verduisteren van kerkgelden, omdat de verdachte zijn eigen spaargeld had uitgegeven zonder medeweten van zijn echtgenote en omdat hij compromitterend beeldmateriaal met deze [naam] had gedeeld. Daar draagt aan bij dat de documenten uit Ivoorkust die verdachte had gevraagd om enige zekerheid te hebben over de bestemming van de door hem over te maken gelden niet van echt waren te onderscheiden.

Rb: Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij zich schaamde en vreesde voor chantage, maar dat er van daadwerkelijke chantage geen sprake was, zulks in antwoord op een daartoe expliciet door de rechtbank gestelde vraag ter terechtzitting. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het handelen van verdachte, telkens wanneer hij kerkgelden overboekte naar de bankrekeningen in het buitenland, het gevolg is geweest van een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De rechtbank verwerpt mitsdien het beroep op psychische overmacht.

Bewezenverklaring

  • Verduistering, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 14 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel niet erkende afvalverwerker

Rechtbank Amsterdam 25 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3156 Veroordeelde rechtspersoon is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2014 veroordeeld wegens overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 1) en overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 2). Het hoger beroep tegen dit vonnis is op 8 januari 2016 ingetrokken, zodat de uitspraak in eerste aanleg onherroepelijk is geworden.

De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering gesteld tot een bedrag van €1.332.880.

De volgende posten zijn nog in geschil:

  1. Het resterende deel van de externe kosten transport aanvoer;
  2. Kosten transport handling afvoer per vrachtwagen;
  3. Kosten transport handling afvoer per schip;
  4. Analysekosten aanvoer;
  5. Sludge/reinigingskosten;
  6. Kosten administratief personeel;
  7. Gemiste voordeel als met een erkende verwerker was gewerkt;
  8. Bespaarde kosten door brandstof te gebruiken in eigen stookinstallatie.

Ten slotte voert veroordeelde rechtspersoon aan dat aftrek moet plaatsvinden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Ad post 1.

Volgens de officier van justitie dient niet het volledige bedrag van €139.995 dat veroordeelde rechtspersoon in dezen opvoert, in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel omdat het door het Openbaar Ministerie betwiste deel daarvan (€17.429) ziet op kosten die veroordeelde rechtspersoon aan derden heeft doorbelast. Dat volgt uit de verklaringen van de klanten van naam B.V., inhoudende dat aan die klanten de kosten van het transport in rekening zijn gebracht. Dat de vervoerder aan veroordeelde rechtspersoon heeft gefactureerd, betekent dus niet dat die kosten voor rekening van veroordeelde rechtspersoon zijn gebleven.

Daarom houdt het Openbaar Ministerie vast aan de aftrek van externe kosten voor transport ten belope van €122.566.

De rechtbank volgt hier het standpunt van het Openbaar Ministerie aangezien veroordeelde rechtspersoon onvoldoende heeft weersproken dat het zo is gegaan als het Openbaar Ministerie aanvoert.

Ad de posten 2 t/m 6.

Hier volgt de rechtbank het standpunt van veroordeelde rechtspersoon omdat veroordeelde rechtspersoon voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar in overleg met haar accountant opgevoerde kosten rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de illegale activiteiten van veroordeelde rechtspersoon

Ad post 7.

Veroordeelde rechtspersoon voert aan dat zij, indien zij zich op een legale manier van de afvalstoffen zou hebben ontdaan, van een erkende verwerker ruim €110.000 zou hebben ontvangen (zie conclusie van antwoord 7.1 en dupliek 13), een voordeel dat zij heeft gemist. De officier van justitie brengt hier tegenin dat veroordeelde rechtspersoon niet bevoegd was tot inname van de afvalstoffen en dit verweer reeds daarom spaak loopt.

De rechtbank overweegt als volgt. In beginsel zou deze post voor aftrek in aanmerking komen ware het niet dat veroordeelde rechtspersoon eraan voorbij ziet dat zij na de illegale inname van de stoffen allerlei kosten heeft gemaakt, die in deze procedure in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het wederrechtelijk voordeel, om de ingenomen stoffen zodanig te bewerken dat deze, weliswaar illegaal, konden worden doorverkocht of hergebruikt. Het is van tweeën één: ofwel wordt het hier besproken hypothetisch gemiste voordeel in aftrek gebracht ofwel worden de na de inname gemaakte kosten in aftrek gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In dit geval is gekozen voor aftrek van de gemaakte kosten. Dat ligt het meest voor de hand, nu veroordeelde rechtspersoon ervoor heeft gekozen om de door haar ingenomen stoffen niet aan te bieden aan een erkend verwerker. Dit betekent dat het hypothetisch gemiste voordeel niet in de beschouwing mag worden meegenomen.

Het beweerdelijk gemiste voordeel is in dit geval bovendien hypothetisch omdat niet goed denkbaar is dat een erkend verwerker aan de leverancier van gevaarlijke afvalstoffen een vergoeding zou betalen voor het innemen en verwerken van deze gevaarlijke stoffen. Gebruikelijk is immers dat de leverancier/ontdoener voor de verwerking betaalt. Bovendien zou honorering van het standpunt van naam B.V., zoals gezegd, miskennen dat het bedrijf ervoor heeft gekozen gevaarlijke afvalstoffen zelf in te nemen om een deel daarvan aan derden te verkopen en een ander deel in de eigen installatie te verwerken, hetgeen, naar moet worden aangenomen, profijtelijker was dan het aanbieden van de ingenomen stoffen aan een erkend verwerker.

De rechtbank verwerpt dus dit onderdeel van het verweer van veroordeelde rechtspersoon en zal de hier bedoelde post niet in mindering brengen op het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ad post 8.

veroordeelde rechtspersoon stelt zich primair op het standpunt dat zij weliswaar kosten heeft bespaard door de illegaal ingenomen en bewerkte stookolie te gebruiken in de eigen stookinstallatie ten behoeve van het verwarmen van de tanks, maar dat deze besparing niet als een voordeel voor haar mag worden gezien omdat, zou zij voor de verwarming van haar tanks van elders stookolie had betrokken, de daarmee verband houdende kosten in aftrek zou hebben mogen brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank volgt deze redenering niet. Veroordeelde rechtspersoon heeft er nu eenmaal voor gekozen haar tanks met een zelf gemaakt illegaal product te verwarmen. Zij heeft dus doende in het illegale productieproces kosten bespaard.

Subsidiair voert veroordeelde rechtspersoon aan dat haar besparing lager was dan door het Openbaar Ministerie berekend omdat zij aan brandstofleverancier, een erkende brandstofleverancier, een 10 procent lagere prijs zou hebben behoeven betalen dan de prijs van reguliere huisbrandolie. Daarbij ziet veroordeelde rechtspersoon er echter aan voorbij, zoals de officier van justitie aanvoert, dat het aan veroordeelde rechtspersoon niet was toegestaan de zware olie van brandstofleverancier in de eigen installatie te verstoken, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2009. Niet aannemelijk is dus gemaakt dat het betrekken van de olie van brandstofleverancier een reëel alternatief zou hebben gevormd.

De rechtbank verwerpt dus ook dit verweer.

Redelijke termijn

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een relevante overschrijding van de redelijke termijn, ook niet als wordt uitgegaan van de datum van de conservatoire beslaglegging op 11 februari 2011. Gelet op de complexiteit van de zaak kon immers niet worden gevergd dat de ontnemingszaak tegelijkertijd met de hoofdzaak, waarin op 24 april 2014 vonnis is gewezen, zou worden behandeld. Het vonnis in de ontnemingszaak wordt ruim 2 jaar later uitgesproken.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op €1.206.972.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Valse aangifte (woningoverval) en oplichting (van verzekering)

Rechtbank Overijssel 14 juni 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2135 De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • Feit 1: de verzekering voor een bedrag van € 3.218,-- heeft opgelicht;
  • Feit 2: een valse aangifte heeft gedaan bij de politie, omdat hij in strijd met de waarheid had verklaard dat hij in zijn woning was overvallen.

Verdachte heeft beide feiten bekend.

Verdachte heeft in strijd met de waarheid aangifte gedaan dat hij in zijn woning was overvallen door twee mannen, van wie er één hem met een mes zou hebben gestoken. Verdachte heeft daarbij een chaos in zijn woning en een wond aan zijn been geënsceneerd. Verdachte heeft, in een tijd waarin politiecapaciteit schaars is, door zijn handelen de politie onnodig belast en aan het werk gezet. Zo heeft de politie sporenonderzoek gedaan in de woning en een buurtonderzoek verricht. Ook heeft hij geprobeerd de politie valselijk op het spoor te zetten van een postbezorger, althans een persoon in kleding van PostNL.

De verzekeringsmaatschappij heeft naar aanleiding van deze valse aangifte, een bedrag van ruim 3.200 euro aan de verdachte betaald. Door zo te handelen heeft de verdachte de politie misleid en de verzekeringsmaatschappij opgelicht. De verdachte heeft daarbij enkel oog gehad voor eigen situatie en geldelijk gewin.

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij lange tijd niet zichzelf is geweest en dat hij ten tijde van de feiten de weg kwijt was. Na zijn aanhouding heeft hij de ernst de feiten ingezien en heeft hij hulp gezocht voor zijn geestelijke en financiële problematiek. Hij wordt nu begeleid door een maatschappelijk werker en is in behandeling bij een psychiater. In verband met zijn schuldenlast staat hij onder toezicht van de Stadsbank. Verdachte heeft een baan bij een schoonmaakbedrijf.

In de jurisprudentie worden voor feiten als die verdachte heeft gepleegd doorgaans werkstraffen van aanzienlijke omvang opgelegd. Daarbij aansluitend is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is om verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 150 uren. De rechtbank heeft weinig zicht kunnen krijgen op wat verdachte heeft bewogen tot het plegen van de feiten en eventuele onderliggende problematiek. Verdachte heeft daarover geen openheid willen of kunnen geven. De rechtbank kan het risico op herhaling dus niet uitsluiten. De rechtbank zal daarom een deel van de straf, te weten 50 uren, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 3 jaren teneinde verdachte er van te weerhouden opnieuw dergelijke of andere strafbare feiten te plegen. Indien hij de werkstraf niet of niet tijdig verricht, dan geldt een hechtenis van 50 dagen voor het onvoorwaardelijke en 25 dagen voor het voorwaardelijke gedeelte van de werkstraf.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor bedrijfsongeval met dodelijke afloop

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 juni 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:3412

In de periode 2010/2011 werd op het bedrijventerrein van kunstmestfabrikant een nieuwe installatie, genaamd Ureum 7, gebouwd. Kunstmestfabrikant heeft daartoe opdracht gegeven aan de Duitse rechtspersoon medeverdachte te Dortmund. In het contract tussen kunstmestfabrikant en medeverdachte is overeengekomen dat medeverdachte verantwoordelijk is voor het gehele project (een zogenoemd turn-key project), waaronder de installatie, het geven van instructies en het houden van toezicht op het personeel dat werkzaam is bij de bouw van de Ureum 7. Kunstmestfabrikant hield daarbij zelf ook toezicht op alle mensen die werkzaam waren bij de bouw van de Ureum 7.

Medeverdachte heeft als hoofdaannemer van het project een deel van de door haar aangenomen werkzaamheden in onderaanneming uitbesteed aan de Duitse rechtspersoon verdachte te Leipzig. De werkzaamheden van verdachte betroffen met name steigerbouw, aanleg van tanks/ketels en een pijpleidingnetwerk in de Ureum 7. In het contract tussen medeverdachte en verdachte is onder meer overeengekomen dat verdachte geheel verantwoordelijk is voor haar eigen werkzaamheden, dient te zorgen voor eigen materiaal, eigen personeel en toezicht houdt op haar eigen personeel. Ook sloot medeverdachte contracten in onderaanneming met het bedrijf bedrijf 1 (verder bedrijf 1) ten behoeve van controlemetingen in besloten ruimten.

Verdachte heeft op haar beurt bepaalde van de haar in onderaanneming van medeverdachte aangenomen werkzaamheden in onderaanneming uitbesteed aan andere bedrijven, onder andere aan de vennootschap naar het recht van Bosnië-Herzegovina bedrijf 2 te Zenica (verder: bedrijf 2). Bedrijf 2 verrichtte in hoofdzaak specifieke las- en montagewerkzaamheden van buizen van het pijpleidingnetwerk in de Ureum 7.

Op 1 april 2011 heeft slachtoffer 1, die in dienstbetrekking werkzaam was bij bedrijf 2, laswerkzaamheden verricht aan de buitenzijde van een tank (verder: tank SD 7307) in de in aanbouw zijnde installatie. Deze tank bevond zich op een hoogte van ongeveer 25 meter boven de begane grond van het fabrieksterrein. De tank was toegankelijk via een mangat. De tank was te bereiken via een vaste trap op de verdiepingsvloer “23 meter” naar een hoger gelegen platform. Op ongeveer 40 centimeter boven dit platform bevond zich de onderzijde van het mangat in de tank. Naast het mangat was een beugel met daaraan een scharnierend mangatluik gemonteerd. Dit luik kon met bouten worden vastgeschroefd.

Bij het laswerk werd door slachtoffer 1 gebruik gemaakt van formeergas 10, dat was samengesteld uit 90% stikstof en 10% waterstof. Formeergas heeft als eigenschap dat het zuurstof verdringt waardoor er een betere las kan worden verkregen. Aan de binnenkant van de tank was een formeergaskamer gemonteerd, die door slachtoffer 1 op 30 maart 2011 was aangebracht. Deze formeergaskamer bestond uit twee ronde, niet gasdichte schuimstoffen/schuimrubberen schijven/proppen, waarvan één aan de onderzijde en één aan de bovenzijde van de aan te brengen las in de toevoerbuis naar de tank was aangebracht. De lasnaad was aan de buitenzijde van de buis voor het grootste deel afgeplakt met duct tape.

Het formeergas werd toegevoerd via een flexibele kunststof slang van 12 mm dik (gelijkend op een tuinslang) vanaf een batterij met aan elkaar gekoppelde formeergascilinders die op de begane grond van het fabrieksterrein op enige afstand van de Ureum 7 stond opgesteld. Deze slang liep vanaf deze gascilinders - via het mangat van de tank en via de onderste schuimrubberen schijf - tot in de ruimte tussen de twee schuimrubberen schijven (de formeergaskamer). Op deze manier drukte het formeergas tegen de binnenzijde van de buis en kon ter hoogte van de las een zuurstofloze omgeving in de formeergaskamer worden gecreëerd. Er mocht echter geen te hoge druk in de formeergaskamer zijn omdat dit de las nadelig kon beïnvloeden. De bedoeling van dit bij deze laswerkzaamheden gebruikelijke systeem is dat het formeergas bij een te hoge druk uit de formeergaskamer kan wegstromen/lekken. In dit geval kon het formeergas lekken, zowel (naar buiten) door het niet afgetapete deel van de lasnaad van de te lassen buis, als (naar binnen) naar de onderliggende tank SD 7307 door/langs de onderste schuimrubberen schijf en naar de buis boven die tank door/langs de bovenste schuimrubberen schijf.

Aan het einde van de werkdag van 1 april 2011 verzamelde een aantal ploegleden bij de uitgang van het complex van kunstmestfabrikant om gezamenlijk naar huis te rijden. Toen slachtoffer 1 niet kwam opdagen, is zijn ploeggenoot slachtoffer 2 hem gaan zoeken. Slachtoffer 2 was ook in dienstbetrekking werkzaam bij bedrijf 2. Nadat ook slachtoffer 2 niet terugkwam, is de voorman/supervisor van bedrijf 2, naam 1, met een werknemer van bedrijf 2, naam 2, naar hem op zoek gegaan. Toen zij bij tank SD 7307 aankwamen waar slachtoffer 1 aan het werk was, zagen zij het mangat open staan. Naam 1 heeft op 2 april 2011 verklaard dat hij meteen stikstof rook. Zij hebben omstreeks 19.00 uur alarm geslagen. Hulpverleningsdiensten hebben vervolgens tank SD 7307 betreden waar zij de levenloze lichamen van slachtoffer 1 en slachtoffer 2 aantroffen.

Na het ongeval is onder meer naam 3, bevelvoerder van de bedrijfsbrandweer, gehoord als getuige. Naam 3 heeft verklaard dat hij op 1 april 2011 ter plaatse een explosiemeter bij het mangat heeft gehouden. Hij zag dat deze 17% zuurstof aangaf. Hij heeft het apparaat weggehaald omdat het alarm afging. Naam 3 heeft verder verklaard dat hij aannam dat in de tank nog een lager gehalte zuurstof aanwezig moet zijn geweest.

Op 1 april 2011 zijn omstreeks 20.10 uur en 20.20 uur door de brandweer luchtmonsters genomen in tank SD 7307 (AABG4521NL en AABG4520NL). Op 2 april 2011 zijn omstreeks 15.50 uur, 15.57 uur en 16.10 uur luchtmonsters genomen ter hoogte van het steigerplatform waarop de slachtoffers zijn aangetroffen (AAAK9949NL, AABG4523NL en AABG4522NL). Deze monsters zijn onderzocht door het NFI. Het NFI heeft geconcludeerd dat in de monsters AABG4520NL, AABG4521NL, AABG4523NL en AAAK9949NL zuurstof, stikstof en kooldioxide zijn aangetoond. In het monster AABG4522NL is daarnaast waterstof aangetoond. In geen van de monsters is koolmonoxide aangetoond. De gemeten concentraties zuurstof en stikstof in de monsters AABG4520NL, AABG4521NL, AABG4523NL en AAAK9949NL wijken niet meetbaar af van die van buitenlucht. De concentratie zuurstof in monster AABG4522NL is duidelijk lager dan in buitenlucht. Dit monster lijkt 15 tot 20% formeergas te bevatten.

Het NFI heeft verder pathologisch onderzoek uitgevoerd op de lichamen van slachtoffer 1 en slachtoffer 2. Geconcludeerd is dat het overlijden van slachtoffer 1 en slachtoffer 2 goed kan worden verklaard door functiestoornissen van vitale organen door zuurstofgebrek, zoals kan ontstaan door verdringing van zuurstof. Verdringing van zuurstof kan volgens de toxicoloog plaatsvinden bij blootstelling aan een hoge concentratie stikstof of waterstof, maar is volgens de toxicoloog voor zover bekend niet aan te tonen. Een andere oorzaak voor zuurstofgebrek is bij sectie niet gebleken. Functiestoornissen van organen zijn bij sectie niet aantoonbaar.

Veiligheidsmaatregelen project Ureum 7 respectievelijk tank SD 7307

Alle werknemers die arbeid moesten verrichten ten behoeve van het project Ureum 7 kregen van kunstmestfabrikant een algemene voorlichting over de veiligheid op het terrein van kunstmestfabrikant via een poortinstructie. Vervolgens kregen zij een project-specifieke instructie van medeverdachte, gevolgd door een toets. Deze instructies en toets werden gegeven in het Engels, Duits en/of Nederlands. Ook werden wekelijks toolboxmeetingen gehouden door veiligheidsmensen van verdachte en/of medeverdachte waarin onder meer de veiligheid met betrekking tot de laswerkzaamheden en het betreden van besloten ruimten aan de orde kwamen. De betrokken werknemers waren verplicht om deze meetingen bij te wonen. Zij moesten tekenen ten bewijze van hun aanwezigheid. Deze voorlichtingen werden in de Duitse taal gegeven. Voor de Bosnische werknemers die geen Duits spraken of verstonden werd hetgeen bij die meetingen werd besproken door een collega die de Duitse taal wel sprak en verstond in de eigen taal vertolkt.

Alle bij het Ureum 7 project betrokken bedrijven en de daarbij werkzame personen moesten SCC gecertificeerd zijn1. Bedrijf 3 uit Rijswijk heeft examens SCC 018 afgenomen. Medewerkers van bedrijf 2 die alleen over een SCC 016 beschikten hebben hieraan deelgenomen. De twee slachtoffers slachtoffer 1 en slachtoffer 2 hebben op 27 oktober 2010 aan het examen SCC 018 deelgenomen en behaald.

Het toezicht op de werkzaamheden werd gedaan door daartoe (al dan niet ingehuurde) werknemers van kunstmestfabrikant, medeverdachte en verdachte. Elke dag was er overleg van de voormannen van de contractors die op de bouwplaats aanwezig waren.

Aan de beugel van het mangatluik naast het mangat van tank SD 7307 was een geplastificeerd blad aangebracht met daarop een “verboden voor onbevoegden”-pictogram (een afbeelding van een verbodsbord met daarin een stopverbod door middel van een opgeheven vlakke hand) met daaronder in de Nederlandse, Duitse en Engelse taal de tekst: “Besloten ruimte- geen toegang”.

Voor het betreden van de tank SD 7307 (en andere besloten ruimten) was een aparte (veilig-)werkvergunning vereist alsmede een taakrisico analyse (TRA). Tijdens werkzaamheden in een besloten ruimte kreeg men alleen toegang tot die ruimte als er een mangatwacht (van bedrijf 1) aanwezig was. Deze werden ingeleend voor het uitvoeren van metingen (van zuurstof en %LEL) en toezicht op de werkzaamheden in besloten ruimten. Zonder lijn en zuurstofmeter kreeg men van de mangatwacht geen toestemming om een besloten ruimte te betreden. Dit alles is besproken tijdens de toolboxmeetings die door de slachtoffers zijn bezocht.

Feit 1

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte schuldig is aan de dood van slachtoffer 1 en slachtoffer 2. Een bevestigend antwoord kan volgen, indien verdachte met een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en/of onzorgvuldigheid heeft gehandeld. De vraag of hier sprake van is geweest, zal worden beantwoord aan de hand van de ten laste gelegde omstandigheden.

  • Verdachte heeft slachtoffer 1 en slachtoffer 2 op 1 april 2011 tank SD 7307 laten betreden

Naar het oordeel van de rechtbank kan dit bestanddeel niet worden bewezen. Niet gebleken is dat verdachte aan slachtoffer 1 en slachtoffer 2 expliciet danwel impliciet opdracht heeft gegeven tot het betreden van de tank. Er was alleen aan slachtoffer 1 opdracht gegeven om aan de buitenzijde van de tank te lassen.

  • Verdachte heeft de gevaren en/of de risico’s van de aanwezigheid van formeergas niet onderkend

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie dit bestanddeel niet met feiten gestaafd. De rechtbank ziet zelf ook geen feiten die dit bestanddeel nader kunnen onderbouwen. De rechtbank acht dit bestanddeel van de tenlastelegging dan ook niet bewezen.

  • Verdachte heeft geen of onvoldoende maatregelen genomen om te voorkomen dat formeergas zich zou bevinden in tank SD7307

De officier van justitie heeft dit bestanddeel niet nader geconcretiseerd. Nu ook de rechtbank dit niet uit het dossier kan afleiden, is dit bestanddeel naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

  • Verdachte heeft niet voldoende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat werknemers tank SD 7307 slechts zouden betreden als er geen gevaar was.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat verdachte onvoldoende maatregelen heeft genomen. Dit bestanddeel kan dan ook niet worden bewezen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat volgens de instructies van verdachte een tank als SD7307 alleen mocht worden betreden als een voorafgaande vergunning en TRA was afgegeven en een externe manwacht aanwezig was. Ten tijde van het ongeval was er bij het mangat een duidelijk zichtbaar (internationaal) waarschuwingsteken met ‘verboden toegang’ geplaatst. Er werd voorlichting gegeven over de gevaren van het werken in een besloten ruimte. Zo zijn slachtoffer 1 en slachtoffer 2 aanwezig geweest bij een toolboxmeeting in februari 2011 waar dit onderwerp is besproken evenals de maatregelen die in zo’n geval moeten worden genomen. Dat werknemers door taalproblemen niet zouden hebben begrepen wat de gevaren zouden zijn is niet gebleken. Dat de gebruikte werkvergunningen geschreven waren voor in werking zijnde fabrieken en niet voor in aanbouw zijnde installaties leidt niet tot een ander oordeel.

De rechtbank stelt vast dat er geen werkvergunning en TRA was afgegeven voor het betreden van tank SD 7307 op 1 april 2011. Er was ook geen externe manwacht aanwezig. Niet vastgesteld is kunnen worden waarom slachtoffer 1 en slachtoffer 2 tegen alle veiligheidsvoorschriften in de tank toch hebben betreden. Beiden waren ervaren lassers en moeten dan ook op de hoogte zijn geweest van de gevaren van formeergas. Naar het oordeel van de rechtbank was het voor verdachte niet te voorzien dat slachtoffer 1 en slachtoffer 2 aan wie de algemene veiligheidsinstructies zijn uitgereikt en die aanwezig zijn geweest bij een toolboxmeeting waar de gevaren van het werken in een besloten ruimte zijn besproken, en die ook geen reden hadden om zonder toepassing van de voorschriften de tank te betreden, dat niettemin toch doen. Van verdachte kon onder de omstandigheden als hiervoor geschetst niet worden gevergd dat zij steeds ter plaatse toezicht hield. Van verdachte mag wel worden gevergd dat zij adequaat optreedt bij overtreding van de veiligheidsinstructies, maar de rechtbank is niet gebleken dat verdachte hierin een verwijt kan worden gemaakt. Uit de reactie van verdachte op het incident van 2 maart 2011 leidt de rechtbank daarentegen af dat het veiligheidsbeleid door verdachte juist streng en adequaat werd gehandhaafd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de dood van slachtoffer 1 en slachtoffer 2 niet aan de schuld van verdachte is te wijten. Dit betekent dat verdachte moet worden vrijgesproken van het haar onder 1 ten laste gelegde.

Feit 2

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte tevens dient te worden vrijgesproken van hetgeen haar onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 juni 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:3406

Ook de medeverdachte is vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^