Valse aangifte (woningoverval) en oplichting (van verzekering)

Rechtbank Overijssel 14 juni 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:2135 De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • Feit 1: de verzekering voor een bedrag van € 3.218,-- heeft opgelicht;
  • Feit 2: een valse aangifte heeft gedaan bij de politie, omdat hij in strijd met de waarheid had verklaard dat hij in zijn woning was overvallen.

Verdachte heeft beide feiten bekend.

Verdachte heeft in strijd met de waarheid aangifte gedaan dat hij in zijn woning was overvallen door twee mannen, van wie er één hem met een mes zou hebben gestoken. Verdachte heeft daarbij een chaos in zijn woning en een wond aan zijn been geënsceneerd. Verdachte heeft, in een tijd waarin politiecapaciteit schaars is, door zijn handelen de politie onnodig belast en aan het werk gezet. Zo heeft de politie sporenonderzoek gedaan in de woning en een buurtonderzoek verricht. Ook heeft hij geprobeerd de politie valselijk op het spoor te zetten van een postbezorger, althans een persoon in kleding van PostNL.

De verzekeringsmaatschappij heeft naar aanleiding van deze valse aangifte, een bedrag van ruim 3.200 euro aan de verdachte betaald. Door zo te handelen heeft de verdachte de politie misleid en de verzekeringsmaatschappij opgelicht. De verdachte heeft daarbij enkel oog gehad voor eigen situatie en geldelijk gewin.

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij lange tijd niet zichzelf is geweest en dat hij ten tijde van de feiten de weg kwijt was. Na zijn aanhouding heeft hij de ernst de feiten ingezien en heeft hij hulp gezocht voor zijn geestelijke en financiële problematiek. Hij wordt nu begeleid door een maatschappelijk werker en is in behandeling bij een psychiater. In verband met zijn schuldenlast staat hij onder toezicht van de Stadsbank. Verdachte heeft een baan bij een schoonmaakbedrijf.

In de jurisprudentie worden voor feiten als die verdachte heeft gepleegd doorgaans werkstraffen van aanzienlijke omvang opgelegd. Daarbij aansluitend is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is om verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 150 uren. De rechtbank heeft weinig zicht kunnen krijgen op wat verdachte heeft bewogen tot het plegen van de feiten en eventuele onderliggende problematiek. Verdachte heeft daarover geen openheid willen of kunnen geven. De rechtbank kan het risico op herhaling dus niet uitsluiten. De rechtbank zal daarom een deel van de straf, te weten 50 uren, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 3 jaren teneinde verdachte er van te weerhouden opnieuw dergelijke of andere strafbare feiten te plegen. Indien hij de werkstraf niet of niet tijdig verricht, dan geldt een hechtenis van 50 dagen voor het onvoorwaardelijke en 25 dagen voor het voorwaardelijke gedeelte van de werkstraf.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF