Vrijspraak voor bedrieglijke bankbreuk

Rechtbank Den Haag 7 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6466 Uit het onderzoek ter terechtzitting komt naar voren dat de verdachte omstreeks 2004/2005 door betrokkene 10 en zijn zoons betrokkene 1 en betrokkene 2 werd aangetrokken om te investeren in de bedrijven bedrijf 1, bedrijf 2 en bedrijf 3, die op dat moment in financieel slecht weer verkeerden. De verdachte heeft vervolgens van 1 februari 2006 tot en met 1 januari 2007 ingeschreven gestaan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als algemeen directeur van alle drie de vennootschappen, welke in de praktijk functioneerden als één bedrijf. Het wijzigingsformulier voor de uitschrijving van de verdachte als algemeen directeur is op 22 maart 2007 bij de Kamer van Koophandel ontvangen.

De rechtbank acht aannemelijk dat de verdachte zich eind 2006 dan wel begin 2007 heeft teruggetrokken uit de vennootschappen om voor zijn zieke vrouw te zorgen. De verklaring van de verdachte daaromtrent vindt niet alleen bevestiging in diverse verklaringen in het dossier, maar past ook bij de uitschrijving uit het handelsregister en het opstellen van een ‘akte van schuldbetekenis’ als zekerheid voor een vordering van de verdachte van € 2.800.000 op onder meer de drie rechtspersonen, hetgeen in de eerste maanden van 2007 heeft plaatsgevonden. Vervolgens is de verdachte zich rond half april 2007 – toen het beter ging met zijn vrouw – weer op de vennootschappen gaan richten, maar dan met name op een mogelijke overname/voortzetting van de drie vennootschappen samen met betrokkene 3, een broer van betrokkene 10, en betrokkene 1 en betrokkene 2. Deze doorstart vond echter geen doorgang vanwege het terugtrekken van betrokkene 3 en daarop is ook de verdachte afgehaakt.

Bedrijf 1 is op 8 augustus 2007 in staat van faillissement verklaard, bedrijf 2 op 24 oktober 2007 en bedrijf 3 op 19 mei 2009. In de maanden april tot en met juli 2007 zijn diverse geldbedragen van de bankrekeningen van de vennootschappen overgemaakt naar derden, onder wie de verdachte, en zijn goederen aangekocht dan wel verkocht. In de tenlastelegging zijn deze overboekingen en transacties aangemerkt als onttrekkingen aan de faillissementsboedel, dan wel als bevoordeling van schuldeisers.

Beoordelingskader feitelijk leidinggeven aan een gedraging van een rechtspersoon

In zijn arrest van 26 april 2016 heeft de Hoge Raad het beslissingskader dat zij eerder had gegeven ten aanzien van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, herhaald en als volgt uiteengezet.

Ten eerste dient te worden vastgesteld of de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

Om proceseconomische redenen passeert de rechtbank in onderhavige zaak de bewijsvraag of de rechtspersonen een strafbaar feit hebben begaan, omdat zij van oordeel is dat er in elk geval onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het feitelijke leidinggeven (opdrachtgeven inbegrepen) door de verdachte.

De Hoge Raad heeft uiteengezet dat bij de beoordeling van de vraag of iemand als feitelijke leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk is voor een door een rechtspersoon begaan strafbaar feit, moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leidinggever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.

In dat kader heeft de Hoge Raad vier omstandigheden uiteengezet waaruit het feitelijke leidinggeven kan worden herleid:

A) actief en effectief gedrag van de verdachte dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven valt;

B) indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid;

C) het door de verdachte leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven;

D) indien door een meer passieve rol een verboden gedraging zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

De rol van de verdachte

De rechtbank ziet, evenals de officier van justitie, geen bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde gedragingen die niet hebben geleid tot een directe bevoordeling van de verdachte (uitgezonderd de € 42.600 ter zake betrokkene 6 (feit2)). De rechtbank beperkt zich in haar motivering dan ook tot de overboekingen van de geldbedragen € 32.339 (feit 1), € 4.000 en € 42.600 (feit 2), € 3.000 en € 50.000 (feit 3), en de aangekochte dan wel verkochte goederen, te weten de Mercedes SL500 (feit 1) en het materieel (feit 2).

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte op de data waarop de gedragingen van de rechtspersonen zouden hebben plaatsgevonden geen formele betrokkenheid meer had bij de rechtspersonen. Alhoewel in de brief van 26 april 2007 is vermeld dat de verdachte weer onderdeel zou uitmaken van het bestuur, lijkt de daarop volgende brief van 15 juni 2007, door de zinsnede “per 26 april 2007 is de directie (…) ongewijzigd”, erop te wijzen dat dit enkel een voornemen is geweest dat zich (kennelijk door het terugtrekken van betrokkene 3) niet heeft gerealiseerd, temeer nu deze wijziging in de directie niet is doorgevoerd in handelsregister. Deze brieven vormen dan ook onvoldoende grondslag om de verdachte in de tussenliggende periode als feitelijke leidinggever aan te merken.

Ad A. Uit het onderzoek volgt voorts niet dat er sprake was van “actief en effectief gedrag van de verdachte dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven valt”. Ten aanzien van de overboekingen volgt uit het dossier dat niet de verdachte maar betrokkene 10 de opdracht daartoe heeft gegeven. Van enige betrokkenheid van de verdachte daarbij is niet gebleken. Alleen in het kader van de overboeking van het bedrag van € 42.600 aan betrokkene 6 op 23 juli 2007 (feit 2) komt de verdachte naar voren (D-427). De verdachte heeft dit echter weersproken en ook betrokkene 9 heeft verklaard dat deze overboeking is gedaan in opdracht van betrokkene 10 (en betrokkene 1 en betrokkene 2). Daarmee is de betrokkenheid van de verdachte bij deze overboeking niet komen vast te staan. De omstandigheid dat een aantal overboekingen wel aan hem ten goede is gekomen, doet aan het voorgaande niet af, zeker tegen de achtergrond dat de verdachte een aanzienlijke vordering op de vennootschappen had.

Ad B. Dat er sprake was van enig door de verdachte gevoerd beleid in de ten laste gelegde periode, wordt evenmin ondersteund door enig bewijsmiddel. Zoals hiervoor is overwogen heeft de verdachte zich eind 2006 dan wel begin 2007 teruggetrokken en heeft hij zich na zijn terugkeer in april 2007 gericht op een overname. Dat de verdachte zich in die tijd inhoudelijk heeft bemoeid met de koers van de vennootschappen, is niet gebleken. Dat hij zo nu en dan, al dan niet op verzoek, door hem ingebrachte werken heeft nagelopen, is daarvoor onvoldoende. Hij is bijvoorbeeld ook niet betrokken geweest bij de overdracht van de aandelen van de vennootschappen in juli 2007.

Ad C. In het kader van een bijdrage aan een complex van gedragingen en het nemen van initiatief zijn de aankoop van de Mercedes SL500 en de verkoop van het materieel van belang.

Ten aanzien van de Mercedes geldt dat de verdachte het initiatief heeft genomen tot de aankoop daarvan. Uit de verklaringen van de verdachte en betrokkene 9 volgt echter dat de verdachte hiervoor toestemming had gekregen van betrokkene 10. Dat maakt dat de rol van de verdachte niet van zodanige aard was dat hij geacht moet worden aan die (luxe-)uitgave feitelijke leiding te hebben gegeven.

Ten aanzien van de verkoop van het materieel is de rechtbank van oordeel dat de verdachte bij deze transactie slechts als koper kan worden aangemerkt en niet tegelijkertijd ook als feitelijke leidinggever van de verkopende rechtspersoon/rechtspersonen. De omstandigheid dat hij het initiatief heeft genomen voor een taxatie van het materieel maakt dat niet anders, nu een dergelijk initiatief in het kader van een aankoop niet ongebruikelijk is.

Ad D. Ten slotte biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte in de positie was om de ‘onttrekkingen’ tegen te gaan en dit heeft nagelaten.

Conclusie

De rechtbank concludeert dan ook dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte aan de door de rechtspersonen verrichte gedragingen zoals in de tenlastelegging vermeld feitelijk leiding heeft gegeven, en zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

Vrijspraak feit 4

De verdachte heeft verklaard dat hij de aankoop van de Mercedes SL500 met betrokkene 10 heeft besproken, dat om fiscale redenen ervoor is gekozen om de auto op naam van bedrijf 1 te zetten en dat het bedrag is afgeschreven in de rekening-courant van de verdachte. Gelet op deze gang van zaken, die door betrokkene 9 wordt bevestigd en niet door andere bewijsmiddelen wordt weersproken, kan niet worden bewezen dat de verdachte wist dat de auto uit enig misdrijf afkomstig was (de rechtbank begrijpt: dat de verdachte wist dat de auto werd onttrokken aan de boedel, aangenomen dat van een onttrekking sprake was). De rechtbank zal de verdachte daarom ook vrijspreken van het onder 4 tenlastegelegde witwassen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Sanctie wegens met dieselauto van voor 2001 rijden in milieuzone van de gemeente Utrecht

Rechtbank Midden-Nederland 18 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2918

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 90,00. Het gaat om een gedraging, verricht op 15 juni 2015 om 19:11 uur te Utrecht (Sowetobrug/ Graadt van Roggenweg) met de personenauto, rijden in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990.

Bij inleidende beschikking is betrokkene een administratieve sanctie opgelegd. De officier van justitie heeft op het door betrokkene ingestelde administratief beroep een beslissing genomen. Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de aan betrokkene opgelegde administratieve sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

Betrokkene voert de volgende gronden aan. Het was onbekend waarom zij een beschikking heeft ontvangen. Er was geen sprake van afsluiting in verband met wegwerkzaamheden en zij heeft de rijbaan correct gebruikt.

De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

De op ambtsbelofte opgemaakte aanvullende verklaring van de verbalisant van 4 augustus 2015 vermeldt:

(….) Ter hoogte van Sowetobrug/Gr.v.Roggenwweg te Utrecht is het voertuig met het kenteken [kenteken] waargenomen in de milieuzone door het automatische kentekenregistratiesysteem van de vaste camera’s. (….) De milieuzone van de gemeente Utrecht wordt aangeduid door de borden volgens C6 met onderbord met daarop de tekst ‘voor dieselauto’s van voor 1-1-2001’. Op maandag 15 juni 2015 omstreeks 19:11 uur werd het voertuig door het camerasysteem gefotografeerd. Bij navraag van de gegevens van het betreffende voertuig bij de Rijksdienst voor Wegverkeer is gebleken dat de datum eerste toelating van voor 1-1-2001 was en dat dit een dieselauto betreft. Bij navraag bij de gemeente Utrecht is gebleken dat er geen ontheffing voor het voertuig was verleend. Het voertuig met het kenteken [kenteken] heeft het bord C6 van Bijlage 1 van het RVV genegeerd en was daarmee in overtreding. (….)”.

De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan deze verklaring van de verbalisant. Nu ook uit het dossier geen feiten of omstandigheden blijken die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, is naar de overtuiging van de kantonrechter komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

In wat betrokkene verder nog heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter geen grond voor het oordeel dat de bestreden beslissing van de officier van justitie onrechtmatig is.

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Celstraf voor oplichting en valsheid in geschrift met schip

De rechtbank Zutphen heeft een 63-jarige vrouw uit Tilburg veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voor oplichting en valsheid in geschrift. De vrouw heeft samen met een man oplichting gepleegd en valsheid in geschrift. De vrouw en de man hebben een man bewogen tot de aankoop van een schip voor 240.000 euro. Zij wisten dat het schip niet vaarklaar was en slechts een fractie van de overeengekomen prijs waard was. Zij hadden het schip verkocht onder de mededeling dat het schip verhuurt zou zijn aan een stichting en dat hier 8 jaar lang huurinkomsten van 10.000 euro  per jaar te verkrijgen waren. Maar zij wisten dat dit niet waar was en dat de stichting  niet in staat was huurbetalingen te voldoen.

De vrouw is ook betrokken geweest bij het opstellen van stukken op naam van een niet bestaande accountant om de koper van het schip ervan te overtuigen dat de aankoop van het schip een veilige investering was.

Financieel gewin

De vrouw en de man in kwestie hebben zeer gewiekst gehandeld en hebben zich laten leiden door financieel gewin. Zij hebben geen oog gehad voor de gevolgen voor de koper en zijn echtgenote die hierdoor financieel zijn geruïneerd en veel leed hebben ondervonden. Ook heeft de vrouw met haar handelen het vertrouwen dat men in zijn algemeenheid mag en moet kunnen hebben in officiële stukken op grove wijze geschonden.

Blanco strafblad

De rechtbank vindt de feiten zeer verwerpelijk en vindt - anders dan het openbaar ministerie - alleen een gevangenisstraf op zijn plaats. Op zich zelf zou deze ook van langere duur moeten zijn. De vrouw heeft echter een blanco strafblad en de feiten zijn al enkele jaren oud. Ook is de vrouw al civielrechtelijk veroordeeld tot terugbetaling van het geld aan de koper van het schip. De rechtbank volstaat daarom met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

De man in kwestie is gedurende het strafproces overleden zodat het openbaar ministeriein die zaak niet-ontvankelijk is verklaard.

De volledige uitspraak wordt binnenkort gepubliceerd.

 

Print Friendly and PDF ^

Sanctie opgelegd ter zake van signalen geven in ander gevallen of op andere wijze dan is toegestaan. Beroep gegrond: strijd met het gelijkheidsbeginsel door gedogen “tetteruitlaten” van Hells Angels.

Rechtbank Noord-Holland 8 april 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:4696

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd wegens signalen geven in andere gevallen of op andere wijze dan is toegestaan. Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie.

De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is begaan. Daarbij is naar het oordeel van de kantonrechter het volgende van belang.

Er is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, in verband met het toestaan dan wel gedogen door de overheid van zogeheten “tetteruitlaten” van bijvoorbeeld “Hells Angels”. Dat soort uitlaten, vaak nog uitgerust met een knallende naontsteking maakt een dermate groot lawaai dat de openbare orde en rust veelal ernstig wordt verstoord en gehoorschade bij burgers niet valt uit te sluiten. In een rechtstaat waar zulks is toegestaan is geen ruimte voor het beboeten van een burger die even gebruik maakt van een claxon veelal ter afwering van opdoemend gevaar. Dat een verbalisant achteraf meent dat gevaar niet aanwezig was doet daaraan in het licht van vorenstaande uiteraard niet af.

Het beroep is daarom gegrond en de beslissing van officier van justitie zal worden vernietigd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Enkel voorhanden hebben bedragen als geldkoerier voor Hawala-bankiers niet voldoende voor bewezenverklaring witwassen

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3198 Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich met een ander of anderen in de periode van 10 mei 2010 tot en met 11 april 2012 te Amsterdam en/of Hoofddorp en/of Rozenburg en/of Zoetermeer heeft schuldig gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van grote contante geldbedragen. Daarnaast wordt hij ervan verdacht dat hij op 29 oktober 2011 te Bleiswijk met een ander of anderen een koopovereenkomst van een auto valselijk heeft laten opmaken.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar haar schriftelijk requisitoir, als standpunt naar voren gebracht dat het onder 1 en 2 ten gelaste gelegde kan worden bewezen. Verdachte heeft zich als geldkoerier schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van geld met een criminele herkomst en valsheid in geschrifte gepleegd door een koopovereenkomst van een auto valselijk te laten opmaken.

Verdachte heeft vanaf zijn eerste verhoor verklaard dat het geld toebehoort aan de NCRI, waarvoor hij financiële werkzaamheden verricht. Het geld wordt door sympathisanten van de NCRI ingezameld, via een netwerk van Hawala bankieren naar Nederland gebracht en vervolgens door verdachte naar Parijs gebracht. In het dossier wordt onderscheid gemaakt tussen Hawala bankieren en ondergronds bankieren. Het laatste zou per definitie strafbaar zijn, maar niet uitgesloten kan worden dat via Hawala bankieren crimineel geld rondgaat.

In de winkel van de persoon 2, alwaar verdachte op 11 april 2012 een geldbedrag van € 100.000,00 heeft opgehaald, is een groot geldbedrag aangetroffen. Uit het onderzoek naam 1 is niet gebleken dat persoon 2 aan Hawala bankieren deed, maar bij de transactie op 11 april 2012 is wel gebruik gemaakt van tokens, te weten een € 5-biljet. In de woning van verdachte te plaats zijn grote contante geldbedragen aangetroffen. Als wordt gekeken naar de rol van geldkoeriers bij ondergronds bankieren, blijkt dat een gebruikelijke gang van zaken te zijn. Dan wordt de woning van de geldkoerier anders dan bij Hawala bankieren als een bewaarplaats gebruikt. Uit het onderzoek naam 2 kan worden afgeleid dat verdachte op 10 mei 2010 als geldkoerier heeft gefungeerd voor een ondergronds bankier uit Groot-Brittannië en is gebleken dat dit geld een criminele herkomst heeft.

De inbeslaggenomen geldbedragen zijn niet van de NCRI en zijn er evenmin voor bestemd. Uit het dossier, waaronder verklaringen van getuigen, blijkt wel dat verdachte actief is voor de NCRI, maar niet dat hij handelde in opdracht van de NCRI of de persoon 6, secretaris van de NCRI. Uit historische verkeersgegevens blijkt niet van contact tussen verdachte en persoon 6. Verdachte heeft geen concrete verklaring afgelegd, geen legale bron van inkomsten aangetoond en, als hij wordt geconfronteerd met onderzoeksresultaten, dan verandert hij zijn verklaringen. De witwastypologieën die in het dossier worden genoemd ondersteunen het onderzoek van de politie en het bewijs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 1en 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar haar pleitaantekeningen, het volgende naar voren gebracht.

Witwassen

Er is onvoldoende bewijs dat verdachte op 10 mei 2010 een geldbedrag van € 286.160,00 heeft opgehaald bij persoon 3. Verdachte heeft uitdrukkelijk verklaard niet met persoon 3 en persoon 4 te hebben samengewerkt. Verdachte was slechts afnemer van donaties die persoon 4, een persoon 5, regelmatig voor de NCRI uit Iran regelde.

De NCRI is een verzetsbeweging tegen het Iraanse regime. Het is een overkoepelende organisatie van diverse democratische verzetsbewegingen, die zowel in Iran, als daarbuiten strijden voor een democratisch Iran. De NCRI moet voorzichtig te werk gaan, omdat weinigen de NCRI openlijk durven te steunen door bijvoorbeeld giraal geld over te maken. Gelet op die achtergrond kon verdachte niet volledig open verklaren over zijn werkzaamheden voor de NCRI, maar hij heeft consistent verklaart over de herkomst en doel van het geld. Ook de getuigen willen gezien deze achtergrond niet zeggen dat zij weten dat verdachte voor de NCRI werkt en voor de persoon 6 is het evenmin gebruikelijk volledige openheid van zaken te geven, voor zover hij al zicht heeft op alle onderdelen van het werk van de NCRI.

Verdachte kreeg van persoon 6 of een van zijn medewerkers de opdracht om het geld bij een persoon 5 in Nederland op te halen en thuis te bewaren. Die opdrachten werden in persoon of telefonisch gegeven. De naam “ naam 3 ” in de telefoon van verdachte was het mobiele nummer van persoon 6, althans zijn kantoormedewerker. Verdachte en de NCRI hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat het in de auto en in de woning van verdachte aangetroffen geld van de NCRI is. Dat daarbij gebruik werd gemaakt van het systeem van persoon 5 of Hawala bankieren, wil niet zeggen dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Verdachte had daar geen weet van of opzet op.

Er is geen vaste definitie voor ondergronds bankieren en Hawala bankieren, en de typologieën voor ondergronds bankieren en Hawala bankieren zijn overeenkomstig. In het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2014 is geoordeeld dat voor witwassen het misdrijf vooraf dient te gaan aan het verwerven van de gelden en dat Hawala bankieren daaraan niet voldoet. Hoewel het Hawala bankieren zelf een misdrijf is, zijn de gelden die daarbij worden doorgegeven niet de opbrengst of verdiensten van het misdrijf. Ook als verdachte als geldkoerier zou hebben gewerkt kan niet zonder meer worden aangenomen dat het aangetroffen geld is witgewassen.

Vervalsen

Er is geen sprake van oogmerk tot misleiding. Verdachte had een auto nodig voor zijn werk voor de NCRI en het maakte voor verdachte, persoon 1 en de NCRI niet uit op wie zijn naam de auto stond. Verdachte heeft zijn rijbewijs overgelegd en de aankoop van de auto geregeld. Verdachte had geen opzet op het vervalsen van de koopakte en verdachte, persoon 1 noch de NCRI beseften dat het een probleem zou kunnen zijn als de ene persoon de koopakte tekende en de ander de auto op zijn naam kreeg. De verkoper van de auto heeft de gegevens op het formulier ingevuld en wist dat verdachte niet persoon 1 was. De verkoper kan daarom niet misleid zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1: vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 1 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp “uit enig misdrijf” afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de legale herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Verdachte heeft verklaard dat het geld dat hij op 11 april 2012 bij de winkel van persoon 2 heeft opgehaald en het geld dat daarna bij hem thuis werd aangetroffen, volledig bestaat uit donaties van sympathisanten van de NCRI, die via Hawala-bankiers (hij spreekt zelf van persoon 5 ) bij hem zijn terechtgekomen, en tijdelijk door hem worden bewaard voor de NCRI. De rechtbank hecht weinig geloof aan deze verklaring. Hoewel verdachte, zo blijkt uit het dossier, onmiskenbaar veel werk voor de NCRI verricht en zich ook bezig houdt met fondsenwerving voor de NCRI, heeft hij niets aangevoerd dat de rechtbank als concreet of verifieerbaar kan aanmerken, waaruit blijkt dat de € 100.000 die hij bij persoon 2 ophaalde, indirect afkomstig is uit Iran en/of van Iraanse sympathisanten van de NCRI. Er is niets meer dan de algemene verklaring van verdachte over een werkwijze van de NCRI, en enkele algemene verklaringen van derden over deze werkwijze. Deze algemene verklaringen zeggen niets over herkomst of bestemming van deze concrete geldbedragen. Precies hetzelfde geldt voor het de grote geldbedragen die na zijn aanhouding bij hem thuis werden aangetroffen.

Verdachte heeft ontkend dat hij op 10 mei 2010 het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag heeft opgehaald. De rechtbank hecht geen geloof aan deze ontkenning. Aan de combinatie van de tapgesprekken tussen persoon 4 en persoon 3 waarbij onder meer over verdachte wordt gesproken ( persoon 7 die net langs is geweest), de observatie van die dag van verdachte die persoon 3 bezoekt, het tapgesprek tussen verdachte en persoon 3 later op die dag waarin over “1.160” wordt gesproken, de aantekening door verdachte in zijn kasboek van 17 mei 2010 “ontvangen van het geld van persoon 3 - € 1.160”, dat dit ongeveer 0,4% is van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag en het feit dat bekend is dat geldkoeriers een provisie ontvangen van tussen de 0,3% en 0,5% van de overgedragen geldbedragen, kan de rechtbank in redelijkheid geen andere conclusie verbinden dat verdachte op 10 mei 2012 als geldkoerier heeft opgetreden voor Hawala-bankiers persoon 4 en persoon 3.

Deze conclusie heeft effect op de duiding van de gebeurtenissen op 11 april 2012. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte, toen hij op 11 april 2012 de € 100.000 ophaalde bij persoon 2, dat ook deed als geldkoerier van Hawala-bankiers. Nu bekend is dat geldkoeriers die werken voor Hawala-bankiers vaak grote geldbedragen in huis bewaren, acht de rechtbank aannemelijk dat hij het geld dat bij hem thuis werd aangetroffen ook onder zich had als geldkoerier van Hawala-bankiers.

De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat verdachte waarschijnlijk alle in de tenlastelegging genoemde bedragen onder zich heeft gehad als geldkoerier van Hawala-bankiers. Daaruit vloeit niet voort, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, dat het niet anders kan zijn dan dat deze gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn. Hawala-bankiers verzenden en ontvangen zowel legale gelden als gelden die uit misdrijf afkomstig zijn. Om in het geval van Hawala-geld te kunnen spreken van geld waarvan het niet anders kan zijn dat het uit enig misdrijf afkomstig is, zullen er - om te beginnen - indicaties in het dossier moeten zijn dat sprake is van misdaadgeld. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer koeriers geld halen of brengen op adressen waar later verdovende middelen worden aangetroffen, of geld halen of brengen bij criminelen. In het onderhavige dossier ontbreken dergelijke aanwijzingen. Het dossier bevat geen enkele concrete aanwijzing over de herkomst van de € 100.000 die verdachte bij persoon 2 heeft opgehaald en het geld dat bij hem thuis lag. Het dossier bevat wel aanwijzingen over de herkomst van het bedrag dat verdachte op 10 mei 2010 bij persoon 3 op heeft gehaald. Uit de tapgesprekken tussen persoon 4 en persoon 3 lijkt voort te vloeien dat dit geld afkomstig is van niet-Iraniërs die oorspronkelijk uit Libanon komen en onder meer tv’s uit China exporteren naar “hier” en vanuit “hier” naar Afrika. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar een criminele herkomst uit af te leiden.

Het algemene betoog van de officier van justitie dat er een verschil zou bestaan tussen enerzijds Hawala-bankieren en anderzijds ondergronds bankieren, en dat in het tweede geval per definitie sprake is van een criminele herkomst, volgt de rechtbank niet. Het gaat om een en hetzelfde systeem waarin zowel legale als criminele gelden omgaan. Ook bij zendingen van legale gelden worden veelal tokens gebruikt. Men kan niet louter op basis van algemeenheden concluderen dat Hawala-geld een criminele herkomst heeft.

Gelet hierop is de rechtbank, nu er geen aanwijzingen zijn dat de gelden die verdachte als koerier onder zich heeft gehad uit misdrijf afkomstig waren, van oordeel dat niet is bewezen dat hij het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij dat vermogensbestanddelen slechts worden aangemerkt als “afkomstig (…) uit enig misdrijf” in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht indien zij afkomstig zijn uit een misdrijf dat is gepleegd voorafgaand aan het plegen van witwashandelingen daarmee. Dat een geldbedrag wordt aangetroffen in het kader van Hawala bankieren (of ondergronds bankieren), maakt het wel voorwerp van een strafbaar feit, maar niet noodzakelijkwijs ook afkomstig uit enig misdrijf (ECLI:NL:HR:2014:3046).

Aan de vraag of en in hoeverre verdachte en/of zijn mededaders zich hebben schuldig gemaakt aan deelneming aan het economisch delict “zonder vergunning verrichten van financiële transacties”, komt de rechtbank niet toe, nu dit niet is ten laste gelegd.

Feit 2

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit1.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 mei 2016 verklaard dat hij de auto, met kenteken kenteken 1, op 29 oktober 2011 heeft gekocht. Verdachte heeft de koopovereenkomst getekend en tegen de verkoper gezegd dat de auto op naam van zijn vriend persoon 1 moest worden gezet. Verdachte heeft met de verkoper afgesproken dat zijn vorige auto, een Opel Astra, zou worden ingeruild. Verdachte mocht de auto pas meenemen nadat persoon 1 voor de overdracht van deze auto had getekend.

De verkoper van de Volkswagen Golf, met kenteken kenteken 1, heeft verklaard dat hij de auto heeft verkocht aan persoon 1. De eerste keer kwamen persoon 1 en verdachte naar Bleiswijk en de tweede keer kwam verdachte alleen. Dit was op 29 oktober 2011. verdachte heeft de koop toen rond gemaakt. Er is door de verkoper en verdachte een koopovereenkomst op naam van persoon 1 opgesteld, maar deze is ondertekend door verdachte.

Op 1 november 2011 kwamen verdachte en persoon 1 met zijn tweeën vanwege de overschrijving van de tenaamstelling. Bij de verkoop werd een Opel Astra, met kenteken kenteken 2, ingeruild. De verkoper zag aan het kentekenbewijs dat deze op 5 maart 2010 door persoon 1 was gekocht. verdachte heeft op 29 oktober 2011 contant € 500,00 betaald. Op 1 november 2011 heeft verdachte € 9.500,00 betaald en de Opel ingeleverd.

persoon 1 heeft verklaard dat de Opel Astra, met kenteken kenteken 2, en de Volkswagen Golf op verzoek van verdachte op zijn naam zijn gezet. verdachte mocht niet een auto op zijn naam hebben, omdat anders de sociale dienst zou vragen hoe hij aan geld komt voor een auto. verdachte had controle gehad van de sociale dienst. De Volkswagen Golf is betaald door verdachte. verdachte heeft ook de inruil van de Opel Astra gedaan. Hij moest van verdachte naar het autobedrijf komen om zijn rijbewijs te laten zien. Hij heeft het koopcontract voor de auto niet getekend, dat heeft verdachte gedaan.

Oogmerk tot misleiding

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake is van een oogmerk tot misleiding. Verdachte heeft een geschrift laten opmaken waarvan de inhoud in strijd is met de waarheid. Hij wist dat de gegevens in de koopovereenkomst van de auto niet juist waren en wilde zo voorkomen dat de auto op zijn naam werd gesteld met als gevolg dat derden, in het bijzonder de sociale dienst, door het verhullen van vermogen op zijn naam kunnen worden misleid.

Bewezenverklaring

  • Valsheid in geschrift.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^