Straf voor drie jaar ten onrechte titel van advocaat voeren en "cliënten" oplichten

Rechtbank Den Haag 11 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1438 Verdachte heeft meer dan drie jaar de titel van advocaat gevoerd zonder daartoe gerechtigd te zijn en verschillende rechtzoekenden op deze wijze opgelicht. In bepaalde gevallen zaten de personen in vreemdelingenbewaring en hadden zij met spoed rechtsbijstand van een advocaat nodig en in andere gevallen waren rechtzoekenden op zoek naar een goede advocaat die hen zou helpen bij hun het aanvragen van een verblijfsvergunning asiel en/of regulier. Verdachte heeft bij deze personen de suggestie gewekt dat hij beter werk zou verrichten dan de sociale advocatuur, niet tegengesproken dat hij advocaat is, in de naam van zijn kantoor het woord “lawyers” vermeld en (grote) bedragen voor zijn werkzaamheden gevraagd.

Dit alles terwijl verdachte geen graad in de rechtsgeleerdheid heeft gehaald, laat staan zich advocaat mag noemen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Voorts heeft de raadsvrouw – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – verzocht om aanhouding van de behandeling voor het horen van [getuige 3] en [kennis slachtoffer 4] als getuigen.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 t/m 4: oplichting van slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en slachtoffer 4

Slachtoffer 1 en slachtoffer 2

In deze twee zaken was sprake van een onmiddellijke noodzaak tot rechtsbijstand van een advocaat omdat er sprake was van vreemdelingenbewaring.

Slachtoffer 1 heeft verklaard dat hij in 2010 een vreemdelingenadvocaat nodig had voor zijn zus zus slachtoffer 1 omdat zij door de politie staande was gehouden. Op 18 mei 2010 is zus slachtoffer 1 in bewaring gesteld. Slachtoffer 1 heeft verklaard dat hij naar verdachte is gegaan, omdat hij dacht dat hij een vreemdelingenadvocaat was. Verdachte wilde de zus van slachtoffer 1 wel vertegenwoordigen en hij wilde daarvoor cash geld. Volgens de factuur van naam kantoor is op 18 mei 2010 een bedrag van €1000,00 ten behoeve van zus slachtoffer 1 aan het kantoor van verdachte in Leiden betaald. Opvallend daarbij is dat het bedrag vrijwel meteen is betaald, nadat slachtoffer 1 bij verdachte is geweest. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld van slachtoffer 1 heeft aangenomen en aan het werk is gegaan voor zijn zus. Ook heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij geen advocaat is.

Net als slachtoffer 1 was slachtoffer 2 op zoek naar een advocaat – in dit geval voor haar partner partner slachtoffer 2 die ook in vreemdelingenbewaring was gesteld. Verdachte zou niet hebben gezegd dat hij geen advocaat is. Uit de verklaring van slachtoffer 2 blijkt dat verdachte haar onder meer heeft verteld dat “sociale advocaten” door de overheid worden betaald en dat deze advocaten niet hun best doen, hij daarentegen werkte voor “zijn naam”. Voorts heeft een verbalisant bij de vreemdelingenpolitie gerelateerd dat verdachte zich zou hebben voorgesteld als “voorkeursadvocaat verdachte ” en gezegd zou hebben, “ik ben de volmacht van mevrouw partner slachtoffer 2 ”. slachtoffer 2 heeft in haar verklaring bij de politie bevestigd dat verdachte telefonisch contact heeft gehad met de vreemdelingenpolitie en heeft gezegd dat hij “de voorkeursadvocaat” was.

Uit de factuur van 11 april 2011 blijkt dat er een bedrag van €2.500,00 in rekening is gebracht. En uit de factuur van 14 april 2011 komt naar voren dat er een bedrag van €100,00 is betaald. Op alle facturen staat de kantoornaam van verdachte vermeld met het woord “lawyers”, gevestigd te Leiden. Ook hier is het bedrag meteen voldaan en heeft verdachte verklaard dat hij het geld heeft aangenomen en aan het werk is gegaan voor partner slachtoffer 2.

Slachtoffer 3 en slachtoffer 4

In de zaken slachtoffer 3 en slachtoffer 4 was er geen sprake van vreemdelingenbewaring en daarmee van onmiddellijke noodzaak tot rechtsbijstand door een advocaat. Wel waren ook slachtoffer 3 en slachtoffer 4 op zoek naar een advocaat.

Slachtoffer 3 heeft verklaard dat hij op zoek was naar een andere advocaat en bij verdachte is terecht gekomen en dat verdachte heeft gezegd dat hij advocaat was. Bij de rechter-commissaris heeft slachtoffer 3 verklaard dat verdachte heeft gezegd dat hij een speciale advocaat is en niet in opdracht van de IND werkt en dat hij een “private lawyer” is. Dit vindt steun in de kwitanties – die in overeenstemming zijn met de bij de vordering benadeelde partij overgelegde factuur – waaruit blijkt dat op 1 april 2011 €2.500,00 en op 11 april 2011 €1.000,00 is betaald. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat slachtoffer 3 hem €3.500,00 euro heeft betaald.

Slachtoffer 4 heeft bij de politie niet met zoveel woorden verklaard dat hij op zoek was naar een advocaat. Wel is ook hij met een verzoek om rechtsbijstand bij verdachte terecht gekomen en heeft hij €4.250,00 aan verdachte betaald. Zijn verklaring vindt steun in de factuur van 28 maart 2011, waarop een bedrag van €3.000,00 staat vermeld, in de factuur van 25 mei 2011 met een bedrag van €750,00 en de factuur van 31 oktober 2011 met een bedrag van €500,00. Op alle facturen staat de kantoornaam van verdachte vermeld met het woord “lawyers” gevestigd te Leiden. Verdachte heeft verklaard dat er door slachtoffer 4 is betaald en dat hij de opdracht heeft aanvaard.

Voorts heeft slachtoffer 4 verklaard dat een kennis van hem – kennis slachtoffer 4 – navraag ging doen over verdachte. Kennis slachtoffer 4 heeft hierop contact gehad met de Orde van Advocaten en te horen gekregen dat verdachte helemaal geen advocaat is. Ook zou kennis slachtoffer 4 contact hebben gehad met verdachte. Deze verklaring sluit aan bij de verklaring van verdachte dat hij inderdaad contact heeft gehad met kennis slachtoffer 4. Gezien deze verklaring van verdachte – in tegenstelling tot waarvan zij uitging op basis van wat slachtoffer 4 haar gezegd had – is de rechtbank van oordeel dat het niet noodzakelijk is dat kennis slachtoffer 4 – zoals door de verdediging verzocht – alsnog wordt gehoord. Het is immers duidelijk dat ook in de zaak van slachtoffer 4 verdachte werkzaamheden heeft verricht, hiervoor geldbedragen betaald heeft gekregen en dat ook slachtoffer 4 in de veronderstelling verkeerde dat verdachte advocaat was en dat hij – als hij had geweten dat dit niet zo was – hem zijn zaak niet had laten behandelen.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte in de zaak van slachtoffer 4 op dezelfde wijze heeft gehandeld als in de zaken van slachtoffer 1, slachtoffer 2 en slachtoffer 3.

Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van alle vier zaken het volgende.

Het woord lawyer

Uit de factuur en het in die tijd gebruikte briefpapier van het kantoor van verdachte blijkt zoals hiervoor omschreven dat verdachte in het briefhoofd het woord “lawyer” vermeldde. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij zich naar rechtzoekenden toe “lawyer” noemde. De rechtbank stelt vast dat dit woord bij rechtzoekenden de indruk heeft gewekt dat verdachte advocaat is. Weliswaar kunnen taalkundig aan het woord “lawyer” meerdere betekenissen worden toegekend, waarbij aan advocaat maar ook aan jurist kan worden gedacht. De meest gebruikelijke vertaling van “lawyer” is evenwel advocaat. Zeker bij de (niet Engelstalige) rechtzoekende die niet vertrouwd is met het jargon, zal mede door het gebruik van dit woord de indruk zijn gewekt dat verdachte advocaat was. Aldus voedde verdachte de veronderstelling van zijn cliënten dat hij advocaat was.

Het aannemen van een valse hoedanigheid

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zich voor te doen als advocaat/lawyer, dan wel dit niet tegen te spreken, een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Hij heeft zich immers een specifieke kwaliteit aangemeten, namelijk dat hij slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en slachtoffer 4 zou kunnen helpen als advocaat. Alle vier rechtzoekenden waren op zoek naar een advocaat en verdachte heeft hen in de veronderstelling gebracht en gelaten dat hij advocaat zou zijn. Verdachte heeft zich immers als advocaat voorgedaan, terwijl hij dat niet is. De vergelijking die de raadsvrouw heeft gemaakt met de casus waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het zich voordoen als bonafide verkoper op het internet mank gaat. Het gaat in dit geval immers om een heel specifieke hoedanigheid die verdachte zich ten onrecht heeft aangemeten namelijk het zijn van advocaat.

Tot slot is vast komen te staan dat verdachte door het aannemen van deze valse hoedanigheid slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en slachtoffer 4 tot afgifte van geld heeft bewogen. Zij hebben achteraf verklaard dat zij geen gebruik van zijn diensten zouden hebben gemaakt, als zij hadden geweten dat verdachte geen advocaat is.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten.

Feit 5: het onbevoegd voeren van de titel van advocaat

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen in acht nemende en gelet op het onderstaande is de rechtbank van overdeel dat wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voeren van de titel van advocaat zonder dat hij daartoe gerechtigd was.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verbalisant De Jong heeft in het proces-verbaal aangaande de inbewaringstelling van zus slachtoffer 1 gerelateerd dat verdachte telefonisch heeft doorgegeven zus slachtoffer 1 te vertegenwoordigen en dat hij het niet nodig vond om bij het verhoor aanwezig te zijn. Hij zou zijn cliënte in de loop van de dag bezoeken. Op 7 juli 2014 heeft getuige 1 bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte op 25 mei 2010 contact heeft gezocht met het bureau en zich daarbij heeft gemeld als voorkeursadvocaat. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van getuige 2, afgelegd op 7 juli 2014 bij de rechter-commissaris. Onder verwijzing naar haar proces-verbaal van 26 oktober 2010 heeft zij verklaard dat zij intern de mededeling kreeg dat de advocaat van slachtoffer 1 aan de lijn was. Verdachte heeft met haar over zijn cliënte gesproken en ze hebben het over de piketmelding gehad. Verdachte heeft gezegd dat hij de piketmelding zou aannemen.

Het bovenstaande sluit aan bij de verklaring van getuige 3 – de Belgische advocaat van zus slachtoffer 1 – die heeft verklaard dat hij aan verdachte heeft gevraagd of hij advocaat was en dat deze antwoordde, “ja, dat ben ik”.

Gezien het vorenstaande – in onderling samenhang bezien – ziet de rechtbank geen noodzaak om getuige 3 als getuige horen en wijst zij het verzoek van de verdediging hiertoe derhalve af.

Bewezenverklaring

Feit 1, 2, 3 en 4: oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 5 primair: zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat voeren, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 tot:

  • een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 200 uur;
  • een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar;
ten aanzien van feit 5 tot:
  • een geldboete van € 750,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Beslissing RC over selectie geheimhoudersstukken na beslag bij Officierszoeking: niet aan de verdediging te bepalen op welke wijze het beslag door OM wordt doorzocht, ook niet als daarbij mogelijk geheimhoudermateriaal zal worden aangetroffen

Rechtbank Amsterdam 23 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3330

Op 7 april 2016 heeft bij naam B.V. en naam Trust B.V. een doorzoeking plaatsgevonden door de FIOD onder leiding van officieren van justitie. Daarbij zijn fysieke en digitale stukken in beslag genomen, dit laatste door middel van het maken van een copy van data op de server van naam B.V. (aan de hand van 19 zoektermen op basis van de 6 cases als beschreven in het Aanvangsverbaal d.d. 9 mei 2016). Niet in geschil is dat zich onder dit beslag vermoedelijk stukken bevinden van personen die zich kunnen beroepen op artikel 218 Sv.

In een brief van 2 mei 2016 is door de verdediging van naam B.V. aan de rechter-commissaris “op de voet van artikel 180 Sv” verzocht het ertoe te geleiden dat het verschoningsrecht wordt gerespecteerd, de FIOD en het openbaar ministerie niet langer ongeclausuleerd inzage verkrijgen in data en documenten en dat geheimhouderstukken worden verwijderd uit de data en documenten.

Naar aanleiding van deze brief en de reactie daarop van het openbaar ministerie, zijn partijen door de rechter-commissaris uitgenodigd voor een bijeenkomst op het kabinet met als doel te bezien of tussen het openbaar ministerie en de verdediging afspraken kunnen worden gemaakt over de wijze van doorzoeking van het beslag met inachtneming van het verschoningsrecht. Voorafgaand en na de bijeenkomst is door de verdediging schriftelijk gereageerd.

De bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Afgesproken is onder meer dat door de verdediging een lijst wordt overgelegd met namen en mailadressen van zogeheten geheimhouders waarop de inbeslaggenomen data gefilterd zouden moeten worden. Het nog niet aangevangen onderzoek van het beslagen materiaal door het onderzoeksteam is bevroren tot en met de beslissing van de rechter-commissaris.

Bij schrijven van 17 mei 2016 heeft de verdediging vervolgens op detailniveau aangegeven hoe, wat haar betreft, de onderhavige “filterprocedure” er uit zou moeten zien en verschillende voorstellen gedaan waaromtrent, bij gebreke van instemming door het openbaar ministerie, de rechter-commissaris om een beslissing wordt gevraagd. Tevens is verzocht de bevriezing van het onderzoek door het onderzoeksteam aan de data te laten voortduren totdat definitief, eventueel door een raadkamer ex artikel 552a Sv, over de te volgen procedure is beslist.

De officier van justitie is akkoord gegaan met de voorgestelde lijst met namen en mailadressen van (afgeleide) verschoningsgerechtigden en overige zoektermen.

Thans is vooral nog in debat de vraag wie, en onder wiens leiding, moet selecteren op geheimhouderstukken en, ingeval van een onwelgevallige beslissing, of het onderzoek verder bevroren dient te blijven totdat definitief is beslist.

In essentie komt het standpunt van de verdediging erop neer dat de rechter-commissaris een actieve rol moet hebben vanaf het allereerste begin van de doorzoeking van de stukken en bestanden. Zo dient de selectie op geheimhoudermateriaal plaats te vinden onder leiding van de rechter-commissaris, moet het materiaal bewaard worden bij de rechter-commissaris en een nieuwe door de rechter-commissaris aan te stellen (externe) FIOD-medewerker aan de rechter-commissaris te rapporteren, aldus de verdediging. Hierop is op 20 mei 2016 per mail gereageerd door de officier van justitie die tot dit alles geen aanleiding ziet en daarop zijn vervolgens per mail nadere standpunten uitgewisseld tussen openbaar ministerie en de verdediging.

Overwegingen rechters-commissarissen

Naam B.V. en naam Trust B.V. zijn geen kantoren van personen waarop artikel 218 Sv ziet, het zijn geen notaris- en/of advocatenkantoren. De doorzoekingen zijn hier niet verricht onder leiding van een rechter-commissaris, maar door de FIOD onder leiding van een officier van justitie. Bij de doorzoekingen is door de officier van justitie beslag gelegd op fysieke stukken en op digitale bestanden.

Voorop gesteld moet worden dat deze zoekingen en de wijze van beslaglegging onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie plaatsvindt. Op grond van artikel 552a Sv kunnen belanghebbenden zich bij de raadkamer van de rechtbank schriftelijk beklagen over inbeslagneming.

Indien en voor zover de verdediging bedoeld heeft zich bij de rechter-commissaris te beklagen over inbeslagneming is zij niet-ontvankelijk.

Voorts is van belang de notie dat voor de waarheidsvinding onderzoek mag worden gedaan aan in beslag genomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Gegevens die op een gegevensdrager zijn opgeslagen, zijn daarvan niet uitgezonderd. Het gaat hier weliswaar om een grote hoeveelheid data, maar computerbestanden of e-mailboxen lenen zich naar hun aard niet eenvoudig voor gespecificeerde inbeslagneming en afzonderlijk onderzoek. Dat onder de gegevens zich ook mogelijk geheimhoudergegevens bevinden is inherent aan de wijze van inbeslagneming, maar dit maakt niet meteen dat sprake is van een inbreuk op rechten. Het is niet aan de verdediging te bepalen op welke wijze het beslag door het openbaar ministerie wordt doorzocht, ook niet als daarbij mogelijk geheimhoudermateriaal zal worden aangetroffen. Het is in zijn algemeenheid prettig indien overleg kan plaatsvinden tussen verdediging en openbaar ministerie over de te volgen werkwijze. Het is echter niet de bedoeling dat de FIOD helemaal geen onderzoek op de data meer kan doen, omdat er mogelijk op geheimhouderstukken wordt gestuit.

Tegen deze achtergrond is het volgende juridische toetsingskader van belang.

Volgens vaste jurisprudentie dient bij een onderzoek als het onderhavige gewaarborgd te zijn dat de in beslag genomen gegevensdragers op de voet van artikel 125l Sv worden onderzocht op een wijze waarbij het verschoningsrecht van de beroepsgeheimhouder niet in het gedrang komt.

Alleen onder zeer bijzondere omstandigheden is inbreuk op het verschoningsrecht toelaatbaar. Het is dan aan de rechter-commissaris om te beoordelen of bepaalde brieven of geschriften redelijkerwijs kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Door het openbaar ministerie is hier (nog) niet gesteld dat sprake zou zijn van zeer bijzondere omstandigheden die maken dat in deze casus de waarheidsvinding moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Toetsingskader voor de beoordeling van het beslag voor zover dat betrekking heeft op verschoningsgerechtigden vormt dan artikel 98 Sv, zoals dat luidt sinds 1 maart 2015, en voor het digitale beslag is dat artikel 125l Sv. Op grond van deze artikelen worden geen stukken in beslag genomen en/of gegevens doorzocht waarop het verschoningsrecht berust, tenzij het gaat om zogeheten corpora en/of instrument delicti (artikel 98, vijfde lid Sv). Brieven en geschriften die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend zijn volgens de Hoge Raad überhaupt geen object van het verschoningsrecht. Dit betekent dat naar corpora en instrumenta delicti steeds mag worden gezocht, tenzij daarbij inbreuk wordt gemaakt op het geheime karakter van andere stukken.

In de praktijk heeft zich een met waarborgen omgeven procedure ontwikkeld – ook door de Hoge Raad meermalen goedgekeurd – waarbij in grote lijnen het erop neerkomt dat in onderzoeken als het onderhavige met een omvangrijk beslag op digitale bestanden eerst gefilterd wordt door een speciaal aangestelde FIOD-medewerker op geheimhoudermateriaal die niet aan het onderzoek verbonden is. Het mogelijke geheimhoudermateriaal wordt vervolgens aangeboden aan de rechter-commissaris, op het kabinet bewaard en vervolgens worden de betrokken geheimhouders uitgenodigd om zich, desgewenst in aanwezigheid van een gezaghebbend lid van de beroepsgroep, uit te laten over de volgende vragen:

  • Is het een stuk/bestand waarop het verschoningsrecht ziet;
  • Zo ja, wordt een beroep gedaan op het verschoningsrecht;
  • Zo ja, is sprake van zogeheten corpora en/of instrumenta delicti.

Vervolgens neemt de rechter-commissaris een beslissing, waartegen door de verschoningsgerechtigde zelf op grond van artikel 98, vierde lid Sv een klaagschrift kan worden ingediend. In die procedure kan ook worden geklaagd over de wijze van doorzoeken.

Beslissingen

Tegen de achtergrond van het hier eerder vooropgestelde en geschetste toetsingskader is in het onderhavige geval de werkwijze die door de officier van justitie wordt voorgestaan en toegelicht in de mail van 20 mei 2016 zorgvuldig te noemen. Deze werkwijze komt naar het oordeel van de rechters-commissarissen meer dan voldoende tegemoet aan de belangen van eventuele verschoningsgerechtigden.

Het verzoek tot aanstelling van een nieuwe (externe) FIOD-medewerker die onder leiding van de rechter-commissaris gaat opereren, wordt afgewezen. Voor het doorzoeken van stukken en bestanden op geheimhoudermateriaal heeft het openbaar ministerie thans een werkwijze voorgesteld, waarin een rol is toebedeeld aan een zogeheten FIOD geheimhoudermedewerker die niet inhoudelijk bij de zaak betrokken is en aan de hand van de door de verdediging aangedragen lijst voor de eerste filtering zal zorgdragen. In dit geval is ook een officier van justitie ingezet die niet bij het onderzoek betrokken is en met wie de FIOD geheimhoudermedewerker kan overleggen. Het inzetten van een dergelijke FIOD geheimhoudermedewerker en/of geheimhouders officier van justitie is, zoals gezegd, niet ongebruikelijk, efficiënt en als zodanig niet in strijd met het doel van de wettelijke bepaling. Het gaat er immers om juist het verschoningsgerechtigde materiaal te (onder)scheiden van het overige.

Daarbij moet worden opgemerkt dat zoekingen als de onderhavige niet uitzonderlijk zijn en er doorgaans veel materiaal te doorzoeken valt. FIOD medewerkers zijn daartoe bij uitstek geschikt. De rechter-commissaris heeft in dit stadium van het strafrechtelijke onderzoek, waarin doorgaans nog geen vordering door het openbaar ministerie is gedaan, geen tot weinig informatie over het lopende strafrechtelijke onderzoek en de verdenking. Ook beschikt hij/zij doorgaans over minder technische mogelijkheden en kennis over het doorzoeken van (zeer) grote digitale bestanden. Waarom, zoals door de verdediging wordt verzocht, genoemde FIOD medewerkers niet, of alleen op het kabinet onder leiding van een rechter-commissaris, zouden moeten selecteren valt niet in te zien. Er zijn tot op heden geen feiten en/of omstandigheden gebleken die de argwaan richting de FIOD, waarvan blijk wordt gegeven met dit verzoek, rechtvaardigen. Overigens is er om dezelfde redenen veel voor te zeggen om de oorspronkelijke image als back-up te bewaren bij de digitale afdeling van de FIOD en buiten het bereik van het onderzoeksteam. Het bewaren van de oorspronkelijke image is gebruikelijk voor het geval het openbaar ministerie nog een vordering wenst te doen. Er is thans geen goede grond aan te wijzen voor een bewaarplicht van dit materiaal in een kluis op het kabinet.

Het verzoek van de verdediging te gelasten dat het onderzoek op het beslag bevroren blijft totdat definitief, eventueel door een raadkamer (van de Hoge Raad) ex artikel 552a Sv, is beslist op voornoemde punten, wordt eveneens afgewezen. Naar ons oordeel is de door de officier van justitie voorgestelde selectieprocedure van het geheimhoudermateriaal zorgvuldig, zodat na ommekomst daarvan het onderzoek naar de beslagen data, dat nog niet is aangevangen, van start kan gaan. Een andersluidend standpunt zou een nodeloze vertraging opleveren en een onacceptabele frustratie van het onderzoek met zich brengen. Een bevriezing van onderzoek op beslag hangende de raadkamerprocedure komt alleen toe aan een verschoningsgerechtigde zelf die ex artikel 552a Sv een klaagschrift indient met een klacht over inbreuk op zijn verschoningsrecht en/of betwisting van corpora/instrumenta delicti. Dan wordt het onderzoek naar het (mogelijke) geheimhouderdeel van het beslag bevroren. Of er materiaal is/wordt aangetroffen waarop het verschoningsrecht ziet, of en zo ja door wie een beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht, of er sprake is van corpora/instrumenta delicti etc., dit zijn allemaal kwesties die nog moeten blijken.

Het is de vraag of tegen de onderhavige beslissingen een rechtsgang open staat. Artikel 180 Sv noch artikel 182 Sv lijkt hier in te voorzien. Mocht de verdediging een bezwaarschrift indienen en de raadkamer dit ontvankelijk achten is naar het oordeel van de rechter-commissaris een bevriezing van het beslag totdat op dit bezwaar definitief is beslist evenmin aan de orde om dezelfde redenen als hiervoor genoemd.

Samengevat komen de rechters-commissarissen tot de volgende conclusies:

  • Voor zover de verdediging zich beklaagt over het beslag is het niet-ontvankelijk;
  • De belanghebbende bij het beslag kan op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift indienen;
  • Het is niet aan de verdediging te bepalen op welke wijze het beslag wordt doorzocht op geheimhoudermateriaal;
  • De door het openbaar ministerie voorgesteld werkwijze doet recht aan het verschoningsrecht;
  • Er bestaat geen aanleiding tot aanstelling van een nieuwe FIOD-medewerker;
  • De oorspronkelijke image kan als back-up bewaard blijven op de digitale afdeling van de FIOD, buiten bereik van het onderzoeksteam;
  • Eventueel geheimhoudermateriaal wordt aangeboden aan de rechter-commissaris en bewaard op het kabinet, waarna de gebruikelijk procedure van uitnodigen van verschoningsgerechtigden wordt gevolgd die (zelf) tegen een beschikking van de rechter-commissaris een rechtsmiddel kunnen aanwenden;
  • De bevriezing van het onderzoek op het beslag wordt opgeheven.

 

Lees hier de volledige uitspraak.
Print Friendly and PDF ^

Afwijzing ontnemingsvordering ivm vrijspraak (ontbreken wettig en overtuigend bewijs) diefstal/verduistering

Rechtbank Oost-Brabant 27 mei 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:2709 De vordering van de officier van justitie d.d. 13 april 2016 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 85.686 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte bij vonnis is vrijgesproken van hetgeen hem ten laste werd gelegd in verband met het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor zijn betrokkenheid bij de verduistering en/of diefstal, kan hem ter zake daarvan niet de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van verduistering en diefstal die verdachte zou hebben gepleegd in hoedanigheid van administrateur en/of (mede)testamentair-executeur

Rechtbank Oost-Brabant 27 mei 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:2707 De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde verduistering wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard tot een totaalbedrag van €64.000, zijnde zesmaal €9.000 en éénmaal €10.000, welke bedragen verdachte zich heeft toegeëigend door middel van vervalste ‘schuldbekentenissen’.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte enig geldbedrag van slachtoffer 1 dat hij onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend. Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat, gelet op een door slachtoffer 1 afgegeven machtiging, diefstal van een geldbedrag niet kan worden bewezen.

De rechtbank stelt vast dat slachtoffer 1 in het verleden een aanzienlijk geldbedrag in leenvorm heeft ingebracht in betrokken bedrijf Het vermogen van betrokken bedrijf betrof op 1 januari 2003 €94.840 en op de dag van overlijden van slachtoffer 1 was van dit bedrag niet veel meer over. Aan de hand van een berekening van de belastingdienst is komen vast te staan dat een bedrag van €85.686 administratief niet dan wel onduidelijk was verantwoord. Ter zitting heeft de officier van justitie voornoemd bedrag gematigd tot €64.000.

De verdediging is gelet op de inhoud van het dossier van mening dat de €64.000 wel administratief is verantwoord. De verdediging wijst hierbij op de door slachtoffer 1 en verdachte opgemaakte schriftelijke schuldbekentenis in de vorm van een jaarlijkse aflossing van €9.000 gedurende een periode van zes jaar, alsmede op een schriftelijke kwitantie van €11.000. De officier van justitie daarentegen is van mening dat €64.000 administratief niet verantwoord is, aangezien op grond van het technisch rapport is komen vast te staan dat dit bedrag middels valse schuldbekentenissen is opgebouwd. Het betreft hier een kopie van een handgeschreven briefje in de vorm van een jaarlijkse schuldbekentenis van €9.000, welk bedrag zesmaal is uitbetaald, en een handgeschreven kwitantie van €11.000, waarvan is komen vast te staan dat later een 1 is toegevoegd aan het oorspronkelijk vermelde bedrag van €1.000, zodat er €11.000 is komen te staan.

De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat indien niet komt vast staan dat verdachte de jaarlijkse schuldbekentenis van €9.000 en de kwitantie van €11.000 heeft vervalst, vrijspraak moet volgen.

Voor de beantwoording van de vraag of de tenlastegelegde verduistering (al dan niet in dienstbetrekking) kan worden bewezen, zal de rechtbank in het midden laten of het briefje, inhoudende de jaarlijkse schuldbekentenis van €9.000 en de kwitantie van €11.000 vervalsingen betreffen, aangezien de rechtbank, ook als zij uit zou gaan van vervalsingen, niet tot een bewezenverklaring kan komen.

De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting staat vast dat verdachte directeur en enig aandeelhouder was van betrokken bedrijf (hierna te noemen betrokken bedrijf ). Door slachtoffer 1 (hierna te noemen slachtoffer 1 ) is aan betrokken bedrijf een geldlening verstrekt van 200.000 gulden. Daardoor verkreeg slachtoffer 1 een vordering op betrokken bedrijf van 200.000 gulden. Uit de boekhouding van betrokken bedrijf is gebleken dat die vordering op het tijdstip van overlijden van slachtoffer 1 nog slechts €11.154 bedroeg. Verdachte heeft verklaard dat de afname van die vordering in de boekhouding van betrokken bedrijf deels – voor een bedrag van €65.000 – het resultaat is van een door slachtoffer 1 opgemaakte schriftelijke schuldbekentenis van €9.000, gedurende een periode van zes jaar, alsmede op een schriftelijke kwitantie van €11.000. Deze schuldbekentenis en kwitantie heeft verdachte van slachtoffer 1 verkregen uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking met deze slachtoffer 1. Echter, wat er ook zij van de rechtsgeldigheid van de verrekening (van de schuld van de betrokken bedrijf aan slachtoffer 1 met de schuld van slachtoffer 1 aan verdachte persoonlijk) die verdachte in de boekhouding van betrokken bedrijf heeft toegepast, het vermogen van verdachte neemt pas toe door de aanspraken die hij verkrijgt uit hoofde van zijn rechtsverhouding met betrokken bedrijf en niet uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of zijn beroep als administrateur, testamentair-executeur of financieel adviseur Dat verdachte die gelden uit hoofde van die persoonlijke dienstbetrekking of beroep onder zich had, acht de rechtbank dan ook niet bewezen.

Voorts is de vraag aan de orde of bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de hiervoor bedoelde gelden “anders dan door misdrijf” onder zich had. Uitgaande van de valsheid van de schuldbekentenis en de kwitantie moet worden vastgesteld dat verdachte het misdrijf “valsheid in geschrifte” heeft begaan, zodat hij die gelden juist door misdrijf onder zich heeft gekregen. Dit staat aan de bewezenverklaring van verduistering in de weg.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verdachte dient te worden vrijgesproken van verduistering van de door de officier van justitie genoemde €64.000.

Verduistering van het meer tenlastegelegde, zijnde een bedrag groot €21.686, acht de rechtbank evenals de officier van justitie en de verdediging evenmin bewezen.

Verdachte zal daarom van de tenlastegelegde verduistering worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de tenlastegelegde diefstal komt de rechtbank eveneens tot een vrijspraak. Het ontbreekt aan voldoende wettig bewijs om te kunnen vaststellen dat de verdachte geldbedragen van slachtoffer 1 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. Gelet op de wijze waarop de tenlastelegging is opgesteld, te weten diefstal van geld door middel van een bankpas en zonder machtiging, kan dit verwijt enkel betrekking hebben op de opname van een geldbedrag door de verdachte van de rekening van slachtoffer 1 een aantal uur na haar overlijden. Het staat genoegzaam vast dat de verdachte voor het overlijden volledig door haar gemachtigd was om van haar rekening geld af te halen. Die machtiging kwam door het overlijden van slachtoffer 1 te vervallen. De opname na het overlijden was dan ook niet rechtmatig. Echter, het staat op grond van het dossier ook voldoende vast dat het geldbedrag dat door de verdachte na het overlijden van slachtoffer 1 was opgenomen met de bankpas, onmiddellijk daarna door de verdachte aan betrokkene 1 is overhandigd teneinde onvoorziene kosten bij de uitvaart van slachtoffer 1 te kunnen betalen. Van een oogmerk tot wederrechtelijk toe-eigening is aldus onvoldoende gebleken.

Dat betekent dat de verdachte van het tenlastegelegde integraal moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Beklag tegen beslag op administratie die door de directeur van een accountantskantoor aan de FIOD is afgegeven n.a.v. Duits rechtshulpverzoek

Rechtbank Overijssel 18 mei 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1806 Deze uitspraak ziet op een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op administratieve bescheiden en CRM-vrachtbrieven van de klager 2 B.V. en de administratie en/of digitaal opgeslagen gegevens betreffende de gebroeders klager 1, thans klager 2 B.V. over de (belasting)jaren 2007 tot en met 2013.

Er wordt geklaagd over:

  • de inbeslagneming
  • het uitblijven van een last tot teruggave

en verzocht de inbeslaggenomen voorwerpen aan klagers te retourneren.

De standpunten van klagers en de officier van justitie

De raadsman heeft namens klagers aangevoerd dat de inbeslagneming onrechtmatig is geweest nu geen sprake zou zijn van de ingevolge artikel 552m Sv vereiste machtiging van de Minister van Veiligheid en Justitie na overleg met de Minister van Financiën.

Ook maken klagers reeds nu bezwaar tegen het in een nog aanhangig te maken procedure ex artikel 552 p Sv verlenen van verlof tot het ter beschikking stellen van de inbeslaggenomen documenten aan de officier van justitie voor overdracht aan de Duitse autoriteiten. Volgens klagers betreffen de inbeslaggenomen documenten voorts geen stukken waarop het onderhavige rechtshulpverzoek van de Duitse autoriteiten betrekking kan hebben. Klagers sub 1 en 2 hebben namelijk in de periode van 2007 tot en met 2013 geen handel gedreven met de heer naam die in Duitsland wordt verdacht van fraude met de omzetbelasting.

Het standpunt van de officier van justitie luidt dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. De inbeslagname heeft plaatsgevonden op verzoek van de Duitse autoriteiten op grond van Europese Rechtshulpverdragen. De officier van justitie heeft daartoe een verweerschrift overgelegd dat eveneens als hier als ingelast dient te worden beschouwd en waarvan eveneens een kopie aan deze beschikking zal worden gehecht.

Beoordeling rechtbank

Maatstaf

Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op administratie van de klager 2 die op 6 oktober 2015 door de directeur van accountantskantoor klager 3 B.V. aan opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD is afgegeven. De opsporingsambtenaren waren voorzien van een vordering ex artikel 126nd Sv ter uitlevering ter inbeslagneming van de zich bij het accountantskantoor bevindende administratie van de klager 2. De directeur van het accountantskantoor heeft de administratie vrijwillig afgegeven aan de opsporingsambtenaren. Diezelfde dag heeft de rechter-commissaris in de woning van klager klager 1 aan de adres 1 te plaats 1 een doorzoeking verricht. De daar inbeslaggenomen stukken zijn inmiddels aan klager teruggegeven vanwege het ontbreken van relevantie voor het Duitse rechtshulpverzoek.

Op het kantooradres van de heer klager 1 aan de adres 3 te plaats 1 heeft met toestemming van de heer klager 1 onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie op grond van artikel 96c Sv een doorzoeking plaatsgevonden. Ter plaatse zijn geen voor het rechtshulpverzoek relevante stukken aangetroffen.

De rechtbank stelt concluderend vast dat het klaagschrift betrekking heeft op de gemaakte kopieën en digitale versie van de inmiddels aan klager 3 B.V. teruggegeven in origineel verstrekte administratie en dat het voor het overige niet ontvankelijk is nu er geen beslag is gelegd op documenten en/of voorwerpen in de woning van klager klager 1 aan de adres 1 te plaats 1 en het kantoor aan de adres 3 te plaats 1.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of a) de in beslagname gebaseerd is op een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse justitiële autoriteit, en b) de inbeslaggenomen stukken van overtuiging de waarheidsvinding kunnen dienen in verband met het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft.

Feiten en omstandigheden

De Leitende Oberstaatsanwalt in Hof (Duitsland) heeft op 25 juni 2015 een aan Nederland gericht rechtshulp gedaan, onder meer strekkende tot het doorzoeken van de woning en het kantoor van klagers en het veiligstellen van bewijsmiddelen. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie op 2 oktober 2015 een vordering ingediend bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Overijssel ertoe strekkende dat aan dit rechtshulpverzoek uitvoering zou worden gegeven. Daarop heeft de rechter-commissaris op 6 oktober 2015 in het kader van een doorzoeking in de woning van klager aan de adres 1 te plaats 1 een doorzoeking uitgevoerd en is onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie een doorzoeking gehouden op het kantooradres van klager aan de adres 3 te plaats 1 en een bevel tot uitlevering ter inbeslagneming gedaan aan de directeur van het accountantskantoor klager 3 B.V. Zoals hiervoor gesteld, heeft het klaagschrift alleen betrekking op de gemaakte kopieën en digitale versie van de inmiddels aan klager 3 B.V. teruggegeven in origineel verstrekte administratie, nu er verder geen sprake meer is van ander inbeslaggenomen materiaal.

Overwegingen

Namens klagers is door de verdediging gesteld dat de inbeslagneming onrechtmatig is.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van de stukken en de behandeling op de zitting vaststaat dat het rechtshulpverzoek en de daaruit voortvloeiende inbeslagname van administratie is gebaseerd op de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie en het als integraal onderdeel hiervan afgesloten Protocol. Het rechtshulpverzoek is uitgegaan van een bevoegde autoriteit en voldoet aan de ter zake geldende wet- en regelgeving. Op 16 juli 2015 is door de Minister van Veiligheid en Justitie na verkregen advies van de Minister van Financiën machtiging verleend om aan het verzoek het nodige gevolg te geven.

Wat betreft het verweer van de verdediging dat de inbeslagneming onrechtmatig is, oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken van ongenoegzaamheid van het ingediende rechtshulpverzoek en de daarbij gevoegde bescheiden. Ook overigens is niet van omissies gebleken.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat de inbeslaggenomen documenten geen stukken betreffen waarop het onderhavige rechtshulpverzoek van de Duitse autoriteiten betrekking kan hebben, nu klagers sub 1 en 2 in de periode van 2007 tot en met 2013 geen handel hebben gedreven met de heer naam, overweegt de rechtbank als volgt.

Het uitgangspunt dat aan een op een Verdrag gebaseerd rechtshulpverzoek dat ook overigens voldoet aan de daaraan door wet en verdragen gestelde eisen, zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, brengt mee dat de rechter in het kader van de beklagprocedure ex artikel 552a Sv bij zijn oordeel of het beslag gehandhaafd moet blijven in het belang van de waarheidsvinding van een in het buitenland lopend onderzoek, als regel mag vertrouwen op het oordeel dienaangaande van de justitiële autoriteiten van de verzoekende staat. De beklagrechter zal zich ook bij deze uitleg in het kader van de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv een eigen oordeel moeten vormen over de vraag of aannemelijk is dat de inbeslaggenomen stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Onder omstandigheden, mede afhankelijk van hetgeen door de klager is aangevoerd, zal daarbij niet met een globaal oordeel kunnen worden volstaan en zal een kaal beroep op het vertrouwensbeginsel het oordeel van de rechtbank niet kunnen dragen.

Met inachtneming van dat toetsingskader stelt de rechtbank vast dat verdachte in Duitsland wordt vervolgd ter zake verdenking van ontduiken van omzetbelasting in de periode van 2007 tot en met 2013. Meer concreet blijkt uit dat rechtshulpverzoek dat verdachte naam schrootleveringen heeft gedaan aan de klager 2 in plaats 1 die mogelijk niet, althans niet volledig zijn verantwoord aan de Duitse belastingdienst in het kader van de omzetbelasting. Verzocht wordt om in het kader van doorzoekingen bij de klager 2 bewijsmateriaal in beslag te nemen.

Het is de rechtbank bekend dat onderzoeken naar belastingontduiking in het algemeen uitgebreid administratief onderzoek vergen waardoor niet zonder meer gesteld kan worden dat inbeslaggenomen stukken niet van belang zouden kunnen zijn voor de waarheidsvinding in het Duitse onderzoek. Het is in de eerste plaats aan de Duitse autoriteiten en niet aan klagers om in het kader van het onderzoek de relevantie daarvan voor het onderzoek te beoordelen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de inbeslaggenomen administratie redelijkerwijze van belang kan zijn voor het Duitse strafrechtelijke onderzoek en daarom de waarheidsvinding met betrekking tot de door de Duitse autoriteiten geformuleerde verdenking kan dienen.

Voor zover de verdediging op voorhand bezwaar maakt tegen het in een nog aanhangig te maken procedure tot het verlenen van verlof tot het ter beschikking stellen van de inbeslaggenomen documenten door de rechter-commissaris aan de officier van justitie voor overdracht aan de Duitse autoriteiten, overweegt de rechtbank dat van door de rechter-commissaris inbeslaggenomen stukken geen sprake is nu de door de rechter-commissaris op 6 oktober 2015 in de woning van klager klager 1 inbeslaggenomen stukken zijn teruggegeven aan klager klager 1.

De rechtbank heeft overigens kennis genomen van de mededeling van de officier van justitie dat hij niet voornemens is om op grond van artikel 552p Sv verlof te vragen aan de rechtbank voor afgifte aan de Duitse autoriteiten van de door de officier van justitie inbeslaggenomen stukken van overtuiging en de onder hem berustende gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van strafvorderlijke bevoegdheden ter inbeslagneming, omdat artikel 552p Sv alleen van toepassing zou zijn op door de rechter-commissaris ingevolge artikel 552n Sv inbeslaggenomen stukken officier. Wat daarvan ook zij, nu van een vordering op grond van artikel 552p Sv op dit moment geen sprake is, kan het op voorhand met betrekking tot dit onderdeel gevoerde verweer in het kader van de beoordeling van het onderhavige klaagschrift ex artikel 552a Sv buiten bespreking blijven.

Conclusie

Voor zover het beklag betrekking heeft op de doorzoekingen in de percelen adres 1 en adres 3 te plaats 1, worden klagers niet ontvankelijk verklaard nu van beslag geen sprake is.

Het beklag, voor zover dat betrekking heeft op de gemaakte kopieën en digitale versie van de bij accountantskantoor klager 3 aanwezige administratie van de klager 2 B.V. wordt ongegrond verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart

  • het klaagschrift voor zover dat betrekking heeft op de doorzoekingen in de percelen adres 1 en adres 3 te plaats 1, niet ontvankelijk;
  • het klaagschrift overigens ongegrond voor zover het betrekking heeft op de gemaakte kopieën en digitale versie van de bij accountantskantoor klager 3 aanwezige administratie van de klager 2 B.V.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

Print Friendly and PDF ^