Vrijspraak van verduistering en diefstal die verdachte zou hebben gepleegd in hoedanigheid van administrateur en/of (mede)testamentair-executeur

Rechtbank Oost-Brabant 27 mei 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:2707 De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde verduistering wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard tot een totaalbedrag van €64.000, zijnde zesmaal €9.000 en éénmaal €10.000, welke bedragen verdachte zich heeft toegeëigend door middel van vervalste ‘schuldbekentenissen’.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte enig geldbedrag van slachtoffer 1 dat hij onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend. Daarnaast heeft de verdediging bepleit dat, gelet op een door slachtoffer 1 afgegeven machtiging, diefstal van een geldbedrag niet kan worden bewezen.

De rechtbank stelt vast dat slachtoffer 1 in het verleden een aanzienlijk geldbedrag in leenvorm heeft ingebracht in betrokken bedrijf Het vermogen van betrokken bedrijf betrof op 1 januari 2003 €94.840 en op de dag van overlijden van slachtoffer 1 was van dit bedrag niet veel meer over. Aan de hand van een berekening van de belastingdienst is komen vast te staan dat een bedrag van €85.686 administratief niet dan wel onduidelijk was verantwoord. Ter zitting heeft de officier van justitie voornoemd bedrag gematigd tot €64.000.

De verdediging is gelet op de inhoud van het dossier van mening dat de €64.000 wel administratief is verantwoord. De verdediging wijst hierbij op de door slachtoffer 1 en verdachte opgemaakte schriftelijke schuldbekentenis in de vorm van een jaarlijkse aflossing van €9.000 gedurende een periode van zes jaar, alsmede op een schriftelijke kwitantie van €11.000. De officier van justitie daarentegen is van mening dat €64.000 administratief niet verantwoord is, aangezien op grond van het technisch rapport is komen vast te staan dat dit bedrag middels valse schuldbekentenissen is opgebouwd. Het betreft hier een kopie van een handgeschreven briefje in de vorm van een jaarlijkse schuldbekentenis van €9.000, welk bedrag zesmaal is uitbetaald, en een handgeschreven kwitantie van €11.000, waarvan is komen vast te staan dat later een 1 is toegevoegd aan het oorspronkelijk vermelde bedrag van €1.000, zodat er €11.000 is komen te staan.

De rechtbank is het met de officier van justitie en de verdediging eens dat indien niet komt vast staan dat verdachte de jaarlijkse schuldbekentenis van €9.000 en de kwitantie van €11.000 heeft vervalst, vrijspraak moet volgen.

Voor de beantwoording van de vraag of de tenlastegelegde verduistering (al dan niet in dienstbetrekking) kan worden bewezen, zal de rechtbank in het midden laten of het briefje, inhoudende de jaarlijkse schuldbekentenis van €9.000 en de kwitantie van €11.000 vervalsingen betreffen, aangezien de rechtbank, ook als zij uit zou gaan van vervalsingen, niet tot een bewezenverklaring kan komen.

De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.

Gelet op het dossier en het verhandelde ter zitting staat vast dat verdachte directeur en enig aandeelhouder was van betrokken bedrijf (hierna te noemen betrokken bedrijf ). Door slachtoffer 1 (hierna te noemen slachtoffer 1 ) is aan betrokken bedrijf een geldlening verstrekt van 200.000 gulden. Daardoor verkreeg slachtoffer 1 een vordering op betrokken bedrijf van 200.000 gulden. Uit de boekhouding van betrokken bedrijf is gebleken dat die vordering op het tijdstip van overlijden van slachtoffer 1 nog slechts €11.154 bedroeg. Verdachte heeft verklaard dat de afname van die vordering in de boekhouding van betrokken bedrijf deels – voor een bedrag van €65.000 – het resultaat is van een door slachtoffer 1 opgemaakte schriftelijke schuldbekentenis van €9.000, gedurende een periode van zes jaar, alsmede op een schriftelijke kwitantie van €11.000. Deze schuldbekentenis en kwitantie heeft verdachte van slachtoffer 1 verkregen uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking met deze slachtoffer 1. Echter, wat er ook zij van de rechtsgeldigheid van de verrekening (van de schuld van de betrokken bedrijf aan slachtoffer 1 met de schuld van slachtoffer 1 aan verdachte persoonlijk) die verdachte in de boekhouding van betrokken bedrijf heeft toegepast, het vermogen van verdachte neemt pas toe door de aanspraken die hij verkrijgt uit hoofde van zijn rechtsverhouding met betrokken bedrijf en niet uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of zijn beroep als administrateur, testamentair-executeur of financieel adviseur Dat verdachte die gelden uit hoofde van die persoonlijke dienstbetrekking of beroep onder zich had, acht de rechtbank dan ook niet bewezen.

Voorts is de vraag aan de orde of bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de hiervoor bedoelde gelden “anders dan door misdrijf” onder zich had. Uitgaande van de valsheid van de schuldbekentenis en de kwitantie moet worden vastgesteld dat verdachte het misdrijf “valsheid in geschrifte” heeft begaan, zodat hij die gelden juist door misdrijf onder zich heeft gekregen. Dit staat aan de bewezenverklaring van verduistering in de weg.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verdachte dient te worden vrijgesproken van verduistering van de door de officier van justitie genoemde €64.000.

Verduistering van het meer tenlastegelegde, zijnde een bedrag groot €21.686, acht de rechtbank evenals de officier van justitie en de verdediging evenmin bewezen.

Verdachte zal daarom van de tenlastegelegde verduistering worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de tenlastegelegde diefstal komt de rechtbank eveneens tot een vrijspraak. Het ontbreekt aan voldoende wettig bewijs om te kunnen vaststellen dat de verdachte geldbedragen van slachtoffer 1 met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. Gelet op de wijze waarop de tenlastelegging is opgesteld, te weten diefstal van geld door middel van een bankpas en zonder machtiging, kan dit verwijt enkel betrekking hebben op de opname van een geldbedrag door de verdachte van de rekening van slachtoffer 1 een aantal uur na haar overlijden. Het staat genoegzaam vast dat de verdachte voor het overlijden volledig door haar gemachtigd was om van haar rekening geld af te halen. Die machtiging kwam door het overlijden van slachtoffer 1 te vervallen. De opname na het overlijden was dan ook niet rechtmatig. Echter, het staat op grond van het dossier ook voldoende vast dat het geldbedrag dat door de verdachte na het overlijden van slachtoffer 1 was opgenomen met de bankpas, onmiddellijk daarna door de verdachte aan betrokkene 1 is overhandigd teneinde onvoorziene kosten bij de uitvaart van slachtoffer 1 te kunnen betalen. Van een oogmerk tot wederrechtelijk toe-eigening is aldus onvoldoende gebleken.

Dat betekent dat de verdachte van het tenlastegelegde integraal moet worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF