Beklag tegen beslag op administratie die door de directeur van een accountantskantoor aan de FIOD is afgegeven n.a.v. Duits rechtshulpverzoek

Rechtbank Overijssel 18 mei 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1806 Deze uitspraak ziet op een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op administratieve bescheiden en CRM-vrachtbrieven van de klager 2 B.V. en de administratie en/of digitaal opgeslagen gegevens betreffende de gebroeders klager 1, thans klager 2 B.V. over de (belasting)jaren 2007 tot en met 2013.

Er wordt geklaagd over:

  • de inbeslagneming
  • het uitblijven van een last tot teruggave

en verzocht de inbeslaggenomen voorwerpen aan klagers te retourneren.

De standpunten van klagers en de officier van justitie

De raadsman heeft namens klagers aangevoerd dat de inbeslagneming onrechtmatig is geweest nu geen sprake zou zijn van de ingevolge artikel 552m Sv vereiste machtiging van de Minister van Veiligheid en Justitie na overleg met de Minister van Financiën.

Ook maken klagers reeds nu bezwaar tegen het in een nog aanhangig te maken procedure ex artikel 552 p Sv verlenen van verlof tot het ter beschikking stellen van de inbeslaggenomen documenten aan de officier van justitie voor overdracht aan de Duitse autoriteiten. Volgens klagers betreffen de inbeslaggenomen documenten voorts geen stukken waarop het onderhavige rechtshulpverzoek van de Duitse autoriteiten betrekking kan hebben. Klagers sub 1 en 2 hebben namelijk in de periode van 2007 tot en met 2013 geen handel gedreven met de heer naam die in Duitsland wordt verdacht van fraude met de omzetbelasting.

Het standpunt van de officier van justitie luidt dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. De inbeslagname heeft plaatsgevonden op verzoek van de Duitse autoriteiten op grond van Europese Rechtshulpverdragen. De officier van justitie heeft daartoe een verweerschrift overgelegd dat eveneens als hier als ingelast dient te worden beschouwd en waarvan eveneens een kopie aan deze beschikking zal worden gehecht.

Beoordeling rechtbank

Maatstaf

Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op administratie van de klager 2 die op 6 oktober 2015 door de directeur van accountantskantoor klager 3 B.V. aan opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD is afgegeven. De opsporingsambtenaren waren voorzien van een vordering ex artikel 126nd Sv ter uitlevering ter inbeslagneming van de zich bij het accountantskantoor bevindende administratie van de klager 2. De directeur van het accountantskantoor heeft de administratie vrijwillig afgegeven aan de opsporingsambtenaren. Diezelfde dag heeft de rechter-commissaris in de woning van klager klager 1 aan de adres 1 te plaats 1 een doorzoeking verricht. De daar inbeslaggenomen stukken zijn inmiddels aan klager teruggegeven vanwege het ontbreken van relevantie voor het Duitse rechtshulpverzoek.

Op het kantooradres van de heer klager 1 aan de adres 3 te plaats 1 heeft met toestemming van de heer klager 1 onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie op grond van artikel 96c Sv een doorzoeking plaatsgevonden. Ter plaatse zijn geen voor het rechtshulpverzoek relevante stukken aangetroffen.

De rechtbank stelt concluderend vast dat het klaagschrift betrekking heeft op de gemaakte kopieën en digitale versie van de inmiddels aan klager 3 B.V. teruggegeven in origineel verstrekte administratie en dat het voor het overige niet ontvankelijk is nu er geen beslag is gelegd op documenten en/of voorwerpen in de woning van klager klager 1 aan de adres 1 te plaats 1 en het kantoor aan de adres 3 te plaats 1.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of a) de in beslagname gebaseerd is op een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse justitiële autoriteit, en b) de inbeslaggenomen stukken van overtuiging de waarheidsvinding kunnen dienen in verband met het feit waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft.

Feiten en omstandigheden

De Leitende Oberstaatsanwalt in Hof (Duitsland) heeft op 25 juni 2015 een aan Nederland gericht rechtshulp gedaan, onder meer strekkende tot het doorzoeken van de woning en het kantoor van klagers en het veiligstellen van bewijsmiddelen. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie op 2 oktober 2015 een vordering ingediend bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Overijssel ertoe strekkende dat aan dit rechtshulpverzoek uitvoering zou worden gegeven. Daarop heeft de rechter-commissaris op 6 oktober 2015 in het kader van een doorzoeking in de woning van klager aan de adres 1 te plaats 1 een doorzoeking uitgevoerd en is onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie een doorzoeking gehouden op het kantooradres van klager aan de adres 3 te plaats 1 en een bevel tot uitlevering ter inbeslagneming gedaan aan de directeur van het accountantskantoor klager 3 B.V. Zoals hiervoor gesteld, heeft het klaagschrift alleen betrekking op de gemaakte kopieën en digitale versie van de inmiddels aan klager 3 B.V. teruggegeven in origineel verstrekte administratie, nu er verder geen sprake meer is van ander inbeslaggenomen materiaal.

Overwegingen

Namens klagers is door de verdediging gesteld dat de inbeslagneming onrechtmatig is.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van de stukken en de behandeling op de zitting vaststaat dat het rechtshulpverzoek en de daaruit voortvloeiende inbeslagname van administratie is gebaseerd op de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie en het als integraal onderdeel hiervan afgesloten Protocol. Het rechtshulpverzoek is uitgegaan van een bevoegde autoriteit en voldoet aan de ter zake geldende wet- en regelgeving. Op 16 juli 2015 is door de Minister van Veiligheid en Justitie na verkregen advies van de Minister van Financiën machtiging verleend om aan het verzoek het nodige gevolg te geven.

Wat betreft het verweer van de verdediging dat de inbeslagneming onrechtmatig is, oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken van ongenoegzaamheid van het ingediende rechtshulpverzoek en de daarbij gevoegde bescheiden. Ook overigens is niet van omissies gebleken.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat de inbeslaggenomen documenten geen stukken betreffen waarop het onderhavige rechtshulpverzoek van de Duitse autoriteiten betrekking kan hebben, nu klagers sub 1 en 2 in de periode van 2007 tot en met 2013 geen handel hebben gedreven met de heer naam, overweegt de rechtbank als volgt.

Het uitgangspunt dat aan een op een Verdrag gebaseerd rechtshulpverzoek dat ook overigens voldoet aan de daaraan door wet en verdragen gestelde eisen, zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, brengt mee dat de rechter in het kader van de beklagprocedure ex artikel 552a Sv bij zijn oordeel of het beslag gehandhaafd moet blijven in het belang van de waarheidsvinding van een in het buitenland lopend onderzoek, als regel mag vertrouwen op het oordeel dienaangaande van de justitiële autoriteiten van de verzoekende staat. De beklagrechter zal zich ook bij deze uitleg in het kader van de klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv een eigen oordeel moeten vormen over de vraag of aannemelijk is dat de inbeslaggenomen stukken kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding. Onder omstandigheden, mede afhankelijk van hetgeen door de klager is aangevoerd, zal daarbij niet met een globaal oordeel kunnen worden volstaan en zal een kaal beroep op het vertrouwensbeginsel het oordeel van de rechtbank niet kunnen dragen.

Met inachtneming van dat toetsingskader stelt de rechtbank vast dat verdachte in Duitsland wordt vervolgd ter zake verdenking van ontduiken van omzetbelasting in de periode van 2007 tot en met 2013. Meer concreet blijkt uit dat rechtshulpverzoek dat verdachte naam schrootleveringen heeft gedaan aan de klager 2 in plaats 1 die mogelijk niet, althans niet volledig zijn verantwoord aan de Duitse belastingdienst in het kader van de omzetbelasting. Verzocht wordt om in het kader van doorzoekingen bij de klager 2 bewijsmateriaal in beslag te nemen.

Het is de rechtbank bekend dat onderzoeken naar belastingontduiking in het algemeen uitgebreid administratief onderzoek vergen waardoor niet zonder meer gesteld kan worden dat inbeslaggenomen stukken niet van belang zouden kunnen zijn voor de waarheidsvinding in het Duitse onderzoek. Het is in de eerste plaats aan de Duitse autoriteiten en niet aan klagers om in het kader van het onderzoek de relevantie daarvan voor het onderzoek te beoordelen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de inbeslaggenomen administratie redelijkerwijze van belang kan zijn voor het Duitse strafrechtelijke onderzoek en daarom de waarheidsvinding met betrekking tot de door de Duitse autoriteiten geformuleerde verdenking kan dienen.

Voor zover de verdediging op voorhand bezwaar maakt tegen het in een nog aanhangig te maken procedure tot het verlenen van verlof tot het ter beschikking stellen van de inbeslaggenomen documenten door de rechter-commissaris aan de officier van justitie voor overdracht aan de Duitse autoriteiten, overweegt de rechtbank dat van door de rechter-commissaris inbeslaggenomen stukken geen sprake is nu de door de rechter-commissaris op 6 oktober 2015 in de woning van klager klager 1 inbeslaggenomen stukken zijn teruggegeven aan klager klager 1.

De rechtbank heeft overigens kennis genomen van de mededeling van de officier van justitie dat hij niet voornemens is om op grond van artikel 552p Sv verlof te vragen aan de rechtbank voor afgifte aan de Duitse autoriteiten van de door de officier van justitie inbeslaggenomen stukken van overtuiging en de onder hem berustende gegevensdragers waarop gegevens zijn opgenomen die zijn vergaard met gebruikmaking van strafvorderlijke bevoegdheden ter inbeslagneming, omdat artikel 552p Sv alleen van toepassing zou zijn op door de rechter-commissaris ingevolge artikel 552n Sv inbeslaggenomen stukken officier. Wat daarvan ook zij, nu van een vordering op grond van artikel 552p Sv op dit moment geen sprake is, kan het op voorhand met betrekking tot dit onderdeel gevoerde verweer in het kader van de beoordeling van het onderhavige klaagschrift ex artikel 552a Sv buiten bespreking blijven.

Conclusie

Voor zover het beklag betrekking heeft op de doorzoekingen in de percelen adres 1 en adres 3 te plaats 1, worden klagers niet ontvankelijk verklaard nu van beslag geen sprake is.

Het beklag, voor zover dat betrekking heeft op de gemaakte kopieën en digitale versie van de bij accountantskantoor klager 3 aanwezige administratie van de klager 2 B.V. wordt ongegrond verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart

  • het klaagschrift voor zover dat betrekking heeft op de doorzoekingen in de percelen adres 1 en adres 3 te plaats 1, niet ontvankelijk;
  • het klaagschrift overigens ongegrond voor zover het betrekking heeft op de gemaakte kopieën en digitale versie van de bij accountantskantoor klager 3 aanwezige administratie van de klager 2 B.V.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

Print Friendly and PDF