Straf voor drie jaar ten onrechte titel van advocaat voeren en "cliënten" oplichten

Rechtbank Den Haag 11 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1438 Verdachte heeft meer dan drie jaar de titel van advocaat gevoerd zonder daartoe gerechtigd te zijn en verschillende rechtzoekenden op deze wijze opgelicht. In bepaalde gevallen zaten de personen in vreemdelingenbewaring en hadden zij met spoed rechtsbijstand van een advocaat nodig en in andere gevallen waren rechtzoekenden op zoek naar een goede advocaat die hen zou helpen bij hun het aanvragen van een verblijfsvergunning asiel en/of regulier. Verdachte heeft bij deze personen de suggestie gewekt dat hij beter werk zou verrichten dan de sociale advocatuur, niet tegengesproken dat hij advocaat is, in de naam van zijn kantoor het woord “lawyers” vermeld en (grote) bedragen voor zijn werkzaamheden gevraagd.

Dit alles terwijl verdachte geen graad in de rechtsgeleerdheid heeft gehaald, laat staan zich advocaat mag noemen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Voorts heeft de raadsvrouw – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – verzocht om aanhouding van de behandeling voor het horen van [getuige 3] en [kennis slachtoffer 4] als getuigen.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 t/m 4: oplichting van slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en slachtoffer 4

Slachtoffer 1 en slachtoffer 2

In deze twee zaken was sprake van een onmiddellijke noodzaak tot rechtsbijstand van een advocaat omdat er sprake was van vreemdelingenbewaring.

Slachtoffer 1 heeft verklaard dat hij in 2010 een vreemdelingenadvocaat nodig had voor zijn zus zus slachtoffer 1 omdat zij door de politie staande was gehouden. Op 18 mei 2010 is zus slachtoffer 1 in bewaring gesteld. Slachtoffer 1 heeft verklaard dat hij naar verdachte is gegaan, omdat hij dacht dat hij een vreemdelingenadvocaat was. Verdachte wilde de zus van slachtoffer 1 wel vertegenwoordigen en hij wilde daarvoor cash geld. Volgens de factuur van naam kantoor is op 18 mei 2010 een bedrag van €1000,00 ten behoeve van zus slachtoffer 1 aan het kantoor van verdachte in Leiden betaald. Opvallend daarbij is dat het bedrag vrijwel meteen is betaald, nadat slachtoffer 1 bij verdachte is geweest. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld van slachtoffer 1 heeft aangenomen en aan het werk is gegaan voor zijn zus. Ook heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij geen advocaat is.

Net als slachtoffer 1 was slachtoffer 2 op zoek naar een advocaat – in dit geval voor haar partner partner slachtoffer 2 die ook in vreemdelingenbewaring was gesteld. Verdachte zou niet hebben gezegd dat hij geen advocaat is. Uit de verklaring van slachtoffer 2 blijkt dat verdachte haar onder meer heeft verteld dat “sociale advocaten” door de overheid worden betaald en dat deze advocaten niet hun best doen, hij daarentegen werkte voor “zijn naam”. Voorts heeft een verbalisant bij de vreemdelingenpolitie gerelateerd dat verdachte zich zou hebben voorgesteld als “voorkeursadvocaat verdachte ” en gezegd zou hebben, “ik ben de volmacht van mevrouw partner slachtoffer 2 ”. slachtoffer 2 heeft in haar verklaring bij de politie bevestigd dat verdachte telefonisch contact heeft gehad met de vreemdelingenpolitie en heeft gezegd dat hij “de voorkeursadvocaat” was.

Uit de factuur van 11 april 2011 blijkt dat er een bedrag van €2.500,00 in rekening is gebracht. En uit de factuur van 14 april 2011 komt naar voren dat er een bedrag van €100,00 is betaald. Op alle facturen staat de kantoornaam van verdachte vermeld met het woord “lawyers”, gevestigd te Leiden. Ook hier is het bedrag meteen voldaan en heeft verdachte verklaard dat hij het geld heeft aangenomen en aan het werk is gegaan voor partner slachtoffer 2.

Slachtoffer 3 en slachtoffer 4

In de zaken slachtoffer 3 en slachtoffer 4 was er geen sprake van vreemdelingenbewaring en daarmee van onmiddellijke noodzaak tot rechtsbijstand door een advocaat. Wel waren ook slachtoffer 3 en slachtoffer 4 op zoek naar een advocaat.

Slachtoffer 3 heeft verklaard dat hij op zoek was naar een andere advocaat en bij verdachte is terecht gekomen en dat verdachte heeft gezegd dat hij advocaat was. Bij de rechter-commissaris heeft slachtoffer 3 verklaard dat verdachte heeft gezegd dat hij een speciale advocaat is en niet in opdracht van de IND werkt en dat hij een “private lawyer” is. Dit vindt steun in de kwitanties – die in overeenstemming zijn met de bij de vordering benadeelde partij overgelegde factuur – waaruit blijkt dat op 1 april 2011 €2.500,00 en op 11 april 2011 €1.000,00 is betaald. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat slachtoffer 3 hem €3.500,00 euro heeft betaald.

Slachtoffer 4 heeft bij de politie niet met zoveel woorden verklaard dat hij op zoek was naar een advocaat. Wel is ook hij met een verzoek om rechtsbijstand bij verdachte terecht gekomen en heeft hij €4.250,00 aan verdachte betaald. Zijn verklaring vindt steun in de factuur van 28 maart 2011, waarop een bedrag van €3.000,00 staat vermeld, in de factuur van 25 mei 2011 met een bedrag van €750,00 en de factuur van 31 oktober 2011 met een bedrag van €500,00. Op alle facturen staat de kantoornaam van verdachte vermeld met het woord “lawyers” gevestigd te Leiden. Verdachte heeft verklaard dat er door slachtoffer 4 is betaald en dat hij de opdracht heeft aanvaard.

Voorts heeft slachtoffer 4 verklaard dat een kennis van hem – kennis slachtoffer 4 – navraag ging doen over verdachte. Kennis slachtoffer 4 heeft hierop contact gehad met de Orde van Advocaten en te horen gekregen dat verdachte helemaal geen advocaat is. Ook zou kennis slachtoffer 4 contact hebben gehad met verdachte. Deze verklaring sluit aan bij de verklaring van verdachte dat hij inderdaad contact heeft gehad met kennis slachtoffer 4. Gezien deze verklaring van verdachte – in tegenstelling tot waarvan zij uitging op basis van wat slachtoffer 4 haar gezegd had – is de rechtbank van oordeel dat het niet noodzakelijk is dat kennis slachtoffer 4 – zoals door de verdediging verzocht – alsnog wordt gehoord. Het is immers duidelijk dat ook in de zaak van slachtoffer 4 verdachte werkzaamheden heeft verricht, hiervoor geldbedragen betaald heeft gekregen en dat ook slachtoffer 4 in de veronderstelling verkeerde dat verdachte advocaat was en dat hij – als hij had geweten dat dit niet zo was – hem zijn zaak niet had laten behandelen.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte in de zaak van slachtoffer 4 op dezelfde wijze heeft gehandeld als in de zaken van slachtoffer 1, slachtoffer 2 en slachtoffer 3.

Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van alle vier zaken het volgende.

Het woord lawyer

Uit de factuur en het in die tijd gebruikte briefpapier van het kantoor van verdachte blijkt zoals hiervoor omschreven dat verdachte in het briefhoofd het woord “lawyer” vermeldde. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij zich naar rechtzoekenden toe “lawyer” noemde. De rechtbank stelt vast dat dit woord bij rechtzoekenden de indruk heeft gewekt dat verdachte advocaat is. Weliswaar kunnen taalkundig aan het woord “lawyer” meerdere betekenissen worden toegekend, waarbij aan advocaat maar ook aan jurist kan worden gedacht. De meest gebruikelijke vertaling van “lawyer” is evenwel advocaat. Zeker bij de (niet Engelstalige) rechtzoekende die niet vertrouwd is met het jargon, zal mede door het gebruik van dit woord de indruk zijn gewekt dat verdachte advocaat was. Aldus voedde verdachte de veronderstelling van zijn cliënten dat hij advocaat was.

Het aannemen van een valse hoedanigheid

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zich voor te doen als advocaat/lawyer, dan wel dit niet tegen te spreken, een valse hoedanigheid heeft aangenomen. Hij heeft zich immers een specifieke kwaliteit aangemeten, namelijk dat hij slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en slachtoffer 4 zou kunnen helpen als advocaat. Alle vier rechtzoekenden waren op zoek naar een advocaat en verdachte heeft hen in de veronderstelling gebracht en gelaten dat hij advocaat zou zijn. Verdachte heeft zich immers als advocaat voorgedaan, terwijl hij dat niet is. De vergelijking die de raadsvrouw heeft gemaakt met de casus waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het zich voordoen als bonafide verkoper op het internet mank gaat. Het gaat in dit geval immers om een heel specifieke hoedanigheid die verdachte zich ten onrecht heeft aangemeten namelijk het zijn van advocaat.

Tot slot is vast komen te staan dat verdachte door het aannemen van deze valse hoedanigheid slachtoffer 1, slachtoffer 2, slachtoffer 3 en slachtoffer 4 tot afgifte van geld heeft bewogen. Zij hebben achteraf verklaard dat zij geen gebruik van zijn diensten zouden hebben gemaakt, als zij hadden geweten dat verdachte geen advocaat is.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten.

Feit 5: het onbevoegd voeren van de titel van advocaat

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen in acht nemende en gelet op het onderstaande is de rechtbank van overdeel dat wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voeren van de titel van advocaat zonder dat hij daartoe gerechtigd was.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verbalisant De Jong heeft in het proces-verbaal aangaande de inbewaringstelling van zus slachtoffer 1 gerelateerd dat verdachte telefonisch heeft doorgegeven zus slachtoffer 1 te vertegenwoordigen en dat hij het niet nodig vond om bij het verhoor aanwezig te zijn. Hij zou zijn cliënte in de loop van de dag bezoeken. Op 7 juli 2014 heeft getuige 1 bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte op 25 mei 2010 contact heeft gezocht met het bureau en zich daarbij heeft gemeld als voorkeursadvocaat. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van getuige 2, afgelegd op 7 juli 2014 bij de rechter-commissaris. Onder verwijzing naar haar proces-verbaal van 26 oktober 2010 heeft zij verklaard dat zij intern de mededeling kreeg dat de advocaat van slachtoffer 1 aan de lijn was. Verdachte heeft met haar over zijn cliënte gesproken en ze hebben het over de piketmelding gehad. Verdachte heeft gezegd dat hij de piketmelding zou aannemen.

Het bovenstaande sluit aan bij de verklaring van getuige 3 – de Belgische advocaat van zus slachtoffer 1 – die heeft verklaard dat hij aan verdachte heeft gevraagd of hij advocaat was en dat deze antwoordde, “ja, dat ben ik”.

Gezien het vorenstaande – in onderling samenhang bezien – ziet de rechtbank geen noodzaak om getuige 3 als getuige horen en wijst zij het verzoek van de verdediging hiertoe derhalve af.

Bewezenverklaring

Feit 1, 2, 3 en 4: oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 5 primair: zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat voeren, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4 tot:

  • een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 200 uur;
  • een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar;
ten aanzien van feit 5 tot:
  • een geldboete van € 750,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF