Voorlopige maatregelen uit het economisch strafrecht in handen van het openbaar bestuur?

De voorlopige maatregelen ex artikel 28 en 29 Wet op de economische delicten zijn interessant indien daarmee de bestuurlijke reparatoire handhaving zou kunnen worden versterkt. Dwangsom of bestuursdwang zijn immers steeds vaker niet toereikend bij complexe overtredingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verplichten tot het nalaten van bepaalde handelingen. Bij de rechtbank kan de officier van justitie verzoeken om bijvoorbeeld onderbewindstelling of tijdelijke stillegging van een onderneming. Deze maatregelen worden nu zelden opgelegd. De officier van justitie beschikt, anders dan het bestuur, immers vaak niet over de specifieke deskundigheid om te kunnen bepalen of een voorlopige maatregel geoorloofd is, hoe deze precies moet worden geformuleerd en wat de mogelijke impact en risico’s van de maatregel zijn. Wel is een nieuw samenspel tussen bestuur en Openbaar Ministerie vereist indien het bestuur deze bevoegdheid zou krijgen toebedeeld. Lees verder:

 

Dit artikel is los te koop via Boom. 

 

Congres Milieustrafrecht: Trends & Toekomstige Ontwikkelingen.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe editie Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving: Omgevingswet Special

Onlangs is editie 2 van 2016 van het Tijdschrift voor Bijzonder Strafrecht & Handhaving (TBS&H) verschenen. Deze editie staat in het teken van de punitieve handhaving van de nieuw te vormen Omgevingswet. De editie bevat de volgende bijdragen:

 

De punitieve handhaving van het omgevingsrecht

Mr. dr. E. Gritter

 

De bestraffende handhaving van de Omgevingswet: bestuurlijke strafbeschikking of bestuurlijke boete?

Prof. mr. B.F. Keulen en Prof. mr. H.E. Bröring

 

Bestuurlijke boete of bestuurlijke strafbeschikking?

Mr. P.C. Verloop en Mr. M.A.J. West

 

Voorlopige maatregelen uit het economisch strafrecht in handen van het openbaar bestuur?

Mr. ing. B.F. Algera

 

Van feitgecodeerde naar beleidsgebaseerde bestuurlijke strafbeschikkingen

Mr. drs. P.W.S. Boer

 

Bestuurlijke boete of bestuurlijke strafbeschikking?

Als gekozen wordt voor de bestuurlijke strafbeschikking, dan moet de behandeling van het verzet kunnen worden toevertrouwd aan het bestuursorgaan

Mr. B.M. Kocken

 

De sanctionering van wildlife crime

Mr. H.J. van den Noort

 

Trending Topics: Bestuurlijke boetes in de socialezekerheidswetgeving, Achtergrond en stand van zaken

Mr. dr. M.J.A. Duker

 

Noot bij ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3138 (Wet Aanscherping)

Mr. dr. R. Stijnen

 

Klik hier voor meer informatie.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Bestuurlijke boete of bestuurlijke strafbeschikking?

Een bijdrage van mr. Verloop en mr. West naar aanleiding van het WODC-rapport De punitieve handhaving van de Omgevingswet in welk rapport wordt ingegaan op de gewenste opzet en inrichting van de punitieve handhaving van de nieuwe Omgevingswet. Aan de hand van de slotbeschouwing van het rapport gaan de schrijvers in op de stelling of bij de keuze tussen de bestuurlijke strafbeschikking en de bestuurlijke boete, primair te dient worden ingezet op de bestuurlijke strafbeschikking. Lees verder:

 

Dit artikel is los te koop via Boom. 

 

Congres Milieustrafrecht: Trends & Toekomstige Ontwikkelingen.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel niet erkende afvalverwerker

Rechtbank Amsterdam 25 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3156 Veroordeelde rechtspersoon is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2014 veroordeeld wegens overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 1) en overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 2). Het hoger beroep tegen dit vonnis is op 8 januari 2016 ingetrokken, zodat de uitspraak in eerste aanleg onherroepelijk is geworden.

De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering gesteld tot een bedrag van €1.332.880.

De volgende posten zijn nog in geschil:

  1. Het resterende deel van de externe kosten transport aanvoer;
  2. Kosten transport handling afvoer per vrachtwagen;
  3. Kosten transport handling afvoer per schip;
  4. Analysekosten aanvoer;
  5. Sludge/reinigingskosten;
  6. Kosten administratief personeel;
  7. Gemiste voordeel als met een erkende verwerker was gewerkt;
  8. Bespaarde kosten door brandstof te gebruiken in eigen stookinstallatie.

Ten slotte voert veroordeelde rechtspersoon aan dat aftrek moet plaatsvinden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Ad post 1.

Volgens de officier van justitie dient niet het volledige bedrag van €139.995 dat veroordeelde rechtspersoon in dezen opvoert, in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel omdat het door het Openbaar Ministerie betwiste deel daarvan (€17.429) ziet op kosten die veroordeelde rechtspersoon aan derden heeft doorbelast. Dat volgt uit de verklaringen van de klanten van naam B.V., inhoudende dat aan die klanten de kosten van het transport in rekening zijn gebracht. Dat de vervoerder aan veroordeelde rechtspersoon heeft gefactureerd, betekent dus niet dat die kosten voor rekening van veroordeelde rechtspersoon zijn gebleven.

Daarom houdt het Openbaar Ministerie vast aan de aftrek van externe kosten voor transport ten belope van €122.566.

De rechtbank volgt hier het standpunt van het Openbaar Ministerie aangezien veroordeelde rechtspersoon onvoldoende heeft weersproken dat het zo is gegaan als het Openbaar Ministerie aanvoert.

Ad de posten 2 t/m 6.

Hier volgt de rechtbank het standpunt van veroordeelde rechtspersoon omdat veroordeelde rechtspersoon voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar in overleg met haar accountant opgevoerde kosten rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de illegale activiteiten van veroordeelde rechtspersoon

Ad post 7.

Veroordeelde rechtspersoon voert aan dat zij, indien zij zich op een legale manier van de afvalstoffen zou hebben ontdaan, van een erkende verwerker ruim €110.000 zou hebben ontvangen (zie conclusie van antwoord 7.1 en dupliek 13), een voordeel dat zij heeft gemist. De officier van justitie brengt hier tegenin dat veroordeelde rechtspersoon niet bevoegd was tot inname van de afvalstoffen en dit verweer reeds daarom spaak loopt.

De rechtbank overweegt als volgt. In beginsel zou deze post voor aftrek in aanmerking komen ware het niet dat veroordeelde rechtspersoon eraan voorbij ziet dat zij na de illegale inname van de stoffen allerlei kosten heeft gemaakt, die in deze procedure in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het wederrechtelijk voordeel, om de ingenomen stoffen zodanig te bewerken dat deze, weliswaar illegaal, konden worden doorverkocht of hergebruikt. Het is van tweeën één: ofwel wordt het hier besproken hypothetisch gemiste voordeel in aftrek gebracht ofwel worden de na de inname gemaakte kosten in aftrek gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In dit geval is gekozen voor aftrek van de gemaakte kosten. Dat ligt het meest voor de hand, nu veroordeelde rechtspersoon ervoor heeft gekozen om de door haar ingenomen stoffen niet aan te bieden aan een erkend verwerker. Dit betekent dat het hypothetisch gemiste voordeel niet in de beschouwing mag worden meegenomen.

Het beweerdelijk gemiste voordeel is in dit geval bovendien hypothetisch omdat niet goed denkbaar is dat een erkend verwerker aan de leverancier van gevaarlijke afvalstoffen een vergoeding zou betalen voor het innemen en verwerken van deze gevaarlijke stoffen. Gebruikelijk is immers dat de leverancier/ontdoener voor de verwerking betaalt. Bovendien zou honorering van het standpunt van naam B.V., zoals gezegd, miskennen dat het bedrijf ervoor heeft gekozen gevaarlijke afvalstoffen zelf in te nemen om een deel daarvan aan derden te verkopen en een ander deel in de eigen installatie te verwerken, hetgeen, naar moet worden aangenomen, profijtelijker was dan het aanbieden van de ingenomen stoffen aan een erkend verwerker.

De rechtbank verwerpt dus dit onderdeel van het verweer van veroordeelde rechtspersoon en zal de hier bedoelde post niet in mindering brengen op het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ad post 8.

veroordeelde rechtspersoon stelt zich primair op het standpunt dat zij weliswaar kosten heeft bespaard door de illegaal ingenomen en bewerkte stookolie te gebruiken in de eigen stookinstallatie ten behoeve van het verwarmen van de tanks, maar dat deze besparing niet als een voordeel voor haar mag worden gezien omdat, zou zij voor de verwarming van haar tanks van elders stookolie had betrokken, de daarmee verband houdende kosten in aftrek zou hebben mogen brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank volgt deze redenering niet. Veroordeelde rechtspersoon heeft er nu eenmaal voor gekozen haar tanks met een zelf gemaakt illegaal product te verwarmen. Zij heeft dus doende in het illegale productieproces kosten bespaard.

Subsidiair voert veroordeelde rechtspersoon aan dat haar besparing lager was dan door het Openbaar Ministerie berekend omdat zij aan brandstofleverancier, een erkende brandstofleverancier, een 10 procent lagere prijs zou hebben behoeven betalen dan de prijs van reguliere huisbrandolie. Daarbij ziet veroordeelde rechtspersoon er echter aan voorbij, zoals de officier van justitie aanvoert, dat het aan veroordeelde rechtspersoon niet was toegestaan de zware olie van brandstofleverancier in de eigen installatie te verstoken, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2009. Niet aannemelijk is dus gemaakt dat het betrekken van de olie van brandstofleverancier een reëel alternatief zou hebben gevormd.

De rechtbank verwerpt dus ook dit verweer.

Redelijke termijn

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een relevante overschrijding van de redelijke termijn, ook niet als wordt uitgegaan van de datum van de conservatoire beslaglegging op 11 februari 2011. Gelet op de complexiteit van de zaak kon immers niet worden gevergd dat de ontnemingszaak tegelijkertijd met de hoofdzaak, waarin op 24 april 2014 vonnis is gewezen, zou worden behandeld. Het vonnis in de ontnemingszaak wordt ruim 2 jaar later uitgesproken.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op €1.206.972.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Sanctie wegens met dieselauto van voor 2001 rijden in milieuzone van de gemeente Utrecht

Rechtbank Midden-Nederland 18 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2918

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 90,00. Het gaat om een gedraging, verricht op 15 juni 2015 om 19:11 uur te Utrecht (Sowetobrug/ Graadt van Roggenweg) met de personenauto, rijden in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990.

Bij inleidende beschikking is betrokkene een administratieve sanctie opgelegd. De officier van justitie heeft op het door betrokkene ingestelde administratief beroep een beslissing genomen. Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de aan betrokkene opgelegde administratieve sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

Betrokkene voert de volgende gronden aan. Het was onbekend waarom zij een beschikking heeft ontvangen. Er was geen sprake van afsluiting in verband met wegwerkzaamheden en zij heeft de rijbaan correct gebruikt.

De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

De op ambtsbelofte opgemaakte aanvullende verklaring van de verbalisant van 4 augustus 2015 vermeldt:

(….) Ter hoogte van Sowetobrug/Gr.v.Roggenwweg te Utrecht is het voertuig met het kenteken [kenteken] waargenomen in de milieuzone door het automatische kentekenregistratiesysteem van de vaste camera’s. (….) De milieuzone van de gemeente Utrecht wordt aangeduid door de borden volgens C6 met onderbord met daarop de tekst ‘voor dieselauto’s van voor 1-1-2001’. Op maandag 15 juni 2015 omstreeks 19:11 uur werd het voertuig door het camerasysteem gefotografeerd. Bij navraag van de gegevens van het betreffende voertuig bij de Rijksdienst voor Wegverkeer is gebleken dat de datum eerste toelating van voor 1-1-2001 was en dat dit een dieselauto betreft. Bij navraag bij de gemeente Utrecht is gebleken dat er geen ontheffing voor het voertuig was verleend. Het voertuig met het kenteken [kenteken] heeft het bord C6 van Bijlage 1 van het RVV genegeerd en was daarmee in overtreding. (….)”.

De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan deze verklaring van de verbalisant. Nu ook uit het dossier geen feiten of omstandigheden blijken die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, is naar de overtuiging van de kantonrechter komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

In wat betrokkene verder nog heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter geen grond voor het oordeel dat de bestreden beslissing van de officier van justitie onrechtmatig is.

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^