Bestuurlijke boete of bestuurlijke strafbeschikking?

Een bijdrage van mr. Verloop en mr. West naar aanleiding van het WODC-rapport De punitieve handhaving van de Omgevingswet in welk rapport wordt ingegaan op de gewenste opzet en inrichting van de punitieve handhaving van de nieuwe Omgevingswet. Aan de hand van de slotbeschouwing van het rapport gaan de schrijvers in op de stelling of bij de keuze tussen de bestuurlijke strafbeschikking en de bestuurlijke boete, primair te dient worden ingezet op de bestuurlijke strafbeschikking. Lees verder:

 

Dit artikel is los te koop via Boom. 

 

Congres Milieustrafrecht: Trends & Toekomstige Ontwikkelingen.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel niet erkende afvalverwerker

Rechtbank Amsterdam 25 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3156 Veroordeelde rechtspersoon is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2014 veroordeeld wegens overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 1) en overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (feit 2). Het hoger beroep tegen dit vonnis is op 8 januari 2016 ingetrokken, zodat de uitspraak in eerste aanleg onherroepelijk is geworden.

De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering gesteld tot een bedrag van €1.332.880.

De volgende posten zijn nog in geschil:

  1. Het resterende deel van de externe kosten transport aanvoer;
  2. Kosten transport handling afvoer per vrachtwagen;
  3. Kosten transport handling afvoer per schip;
  4. Analysekosten aanvoer;
  5. Sludge/reinigingskosten;
  6. Kosten administratief personeel;
  7. Gemiste voordeel als met een erkende verwerker was gewerkt;
  8. Bespaarde kosten door brandstof te gebruiken in eigen stookinstallatie.

Ten slotte voert veroordeelde rechtspersoon aan dat aftrek moet plaatsvinden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Ad post 1.

Volgens de officier van justitie dient niet het volledige bedrag van €139.995 dat veroordeelde rechtspersoon in dezen opvoert, in mindering te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel omdat het door het Openbaar Ministerie betwiste deel daarvan (€17.429) ziet op kosten die veroordeelde rechtspersoon aan derden heeft doorbelast. Dat volgt uit de verklaringen van de klanten van naam B.V., inhoudende dat aan die klanten de kosten van het transport in rekening zijn gebracht. Dat de vervoerder aan veroordeelde rechtspersoon heeft gefactureerd, betekent dus niet dat die kosten voor rekening van veroordeelde rechtspersoon zijn gebleven.

Daarom houdt het Openbaar Ministerie vast aan de aftrek van externe kosten voor transport ten belope van €122.566.

De rechtbank volgt hier het standpunt van het Openbaar Ministerie aangezien veroordeelde rechtspersoon onvoldoende heeft weersproken dat het zo is gegaan als het Openbaar Ministerie aanvoert.

Ad de posten 2 t/m 6.

Hier volgt de rechtbank het standpunt van veroordeelde rechtspersoon omdat veroordeelde rechtspersoon voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar in overleg met haar accountant opgevoerde kosten rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de illegale activiteiten van veroordeelde rechtspersoon

Ad post 7.

Veroordeelde rechtspersoon voert aan dat zij, indien zij zich op een legale manier van de afvalstoffen zou hebben ontdaan, van een erkende verwerker ruim €110.000 zou hebben ontvangen (zie conclusie van antwoord 7.1 en dupliek 13), een voordeel dat zij heeft gemist. De officier van justitie brengt hier tegenin dat veroordeelde rechtspersoon niet bevoegd was tot inname van de afvalstoffen en dit verweer reeds daarom spaak loopt.

De rechtbank overweegt als volgt. In beginsel zou deze post voor aftrek in aanmerking komen ware het niet dat veroordeelde rechtspersoon eraan voorbij ziet dat zij na de illegale inname van de stoffen allerlei kosten heeft gemaakt, die in deze procedure in aanmerking worden genomen bij de bepaling van het wederrechtelijk voordeel, om de ingenomen stoffen zodanig te bewerken dat deze, weliswaar illegaal, konden worden doorverkocht of hergebruikt. Het is van tweeën één: ofwel wordt het hier besproken hypothetisch gemiste voordeel in aftrek gebracht ofwel worden de na de inname gemaakte kosten in aftrek gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In dit geval is gekozen voor aftrek van de gemaakte kosten. Dat ligt het meest voor de hand, nu veroordeelde rechtspersoon ervoor heeft gekozen om de door haar ingenomen stoffen niet aan te bieden aan een erkend verwerker. Dit betekent dat het hypothetisch gemiste voordeel niet in de beschouwing mag worden meegenomen.

Het beweerdelijk gemiste voordeel is in dit geval bovendien hypothetisch omdat niet goed denkbaar is dat een erkend verwerker aan de leverancier van gevaarlijke afvalstoffen een vergoeding zou betalen voor het innemen en verwerken van deze gevaarlijke stoffen. Gebruikelijk is immers dat de leverancier/ontdoener voor de verwerking betaalt. Bovendien zou honorering van het standpunt van naam B.V., zoals gezegd, miskennen dat het bedrijf ervoor heeft gekozen gevaarlijke afvalstoffen zelf in te nemen om een deel daarvan aan derden te verkopen en een ander deel in de eigen installatie te verwerken, hetgeen, naar moet worden aangenomen, profijtelijker was dan het aanbieden van de ingenomen stoffen aan een erkend verwerker.

De rechtbank verwerpt dus dit onderdeel van het verweer van veroordeelde rechtspersoon en zal de hier bedoelde post niet in mindering brengen op het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ad post 8.

veroordeelde rechtspersoon stelt zich primair op het standpunt dat zij weliswaar kosten heeft bespaard door de illegaal ingenomen en bewerkte stookolie te gebruiken in de eigen stookinstallatie ten behoeve van het verwarmen van de tanks, maar dat deze besparing niet als een voordeel voor haar mag worden gezien omdat, zou zij voor de verwarming van haar tanks van elders stookolie had betrokken, de daarmee verband houdende kosten in aftrek zou hebben mogen brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank volgt deze redenering niet. Veroordeelde rechtspersoon heeft er nu eenmaal voor gekozen haar tanks met een zelf gemaakt illegaal product te verwarmen. Zij heeft dus doende in het illegale productieproces kosten bespaard.

Subsidiair voert veroordeelde rechtspersoon aan dat haar besparing lager was dan door het Openbaar Ministerie berekend omdat zij aan brandstofleverancier, een erkende brandstofleverancier, een 10 procent lagere prijs zou hebben behoeven betalen dan de prijs van reguliere huisbrandolie. Daarbij ziet veroordeelde rechtspersoon er echter aan voorbij, zoals de officier van justitie aanvoert, dat het aan veroordeelde rechtspersoon niet was toegestaan de zware olie van brandstofleverancier in de eigen installatie te verstoken, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2009. Niet aannemelijk is dus gemaakt dat het betrekken van de olie van brandstofleverancier een reëel alternatief zou hebben gevormd.

De rechtbank verwerpt dus ook dit verweer.

Redelijke termijn

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een relevante overschrijding van de redelijke termijn, ook niet als wordt uitgegaan van de datum van de conservatoire beslaglegging op 11 februari 2011. Gelet op de complexiteit van de zaak kon immers niet worden gevergd dat de ontnemingszaak tegelijkertijd met de hoofdzaak, waarin op 24 april 2014 vonnis is gewezen, zou worden behandeld. Het vonnis in de ontnemingszaak wordt ruim 2 jaar later uitgesproken.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op €1.206.972.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Sanctie wegens met dieselauto van voor 2001 rijden in milieuzone van de gemeente Utrecht

Rechtbank Midden-Nederland 18 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2918

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van € 90,00. Het gaat om een gedraging, verricht op 15 juni 2015 om 19:11 uur te Utrecht (Sowetobrug/ Graadt van Roggenweg) met de personenauto, rijden in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990.

Bij inleidende beschikking is betrokkene een administratieve sanctie opgelegd. De officier van justitie heeft op het door betrokkene ingestelde administratief beroep een beslissing genomen. Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de aan betrokkene opgelegde administratieve sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

Betrokkene voert de volgende gronden aan. Het was onbekend waarom zij een beschikking heeft ontvangen. Er was geen sprake van afsluiting in verband met wegwerkzaamheden en zij heeft de rijbaan correct gebruikt.

De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

De op ambtsbelofte opgemaakte aanvullende verklaring van de verbalisant van 4 augustus 2015 vermeldt:

(….) Ter hoogte van Sowetobrug/Gr.v.Roggenwweg te Utrecht is het voertuig met het kenteken [kenteken] waargenomen in de milieuzone door het automatische kentekenregistratiesysteem van de vaste camera’s. (….) De milieuzone van de gemeente Utrecht wordt aangeduid door de borden volgens C6 met onderbord met daarop de tekst ‘voor dieselauto’s van voor 1-1-2001’. Op maandag 15 juni 2015 omstreeks 19:11 uur werd het voertuig door het camerasysteem gefotografeerd. Bij navraag van de gegevens van het betreffende voertuig bij de Rijksdienst voor Wegverkeer is gebleken dat de datum eerste toelating van voor 1-1-2001 was en dat dit een dieselauto betreft. Bij navraag bij de gemeente Utrecht is gebleken dat er geen ontheffing voor het voertuig was verleend. Het voertuig met het kenteken [kenteken] heeft het bord C6 van Bijlage 1 van het RVV genegeerd en was daarmee in overtreding. (….)”.

De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd, geen aanleiding te twijfelen aan deze verklaring van de verbalisant. Nu ook uit het dossier geen feiten of omstandigheden blijken die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, is naar de overtuiging van de kantonrechter komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

In wat betrokkene verder nog heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter geen grond voor het oordeel dat de bestreden beslissing van de officier van justitie onrechtmatig is.

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

ILT publiceert Meerjarenplan 2016-2020

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft op 15 juni haar Meerjarenplan 2016-2020 gepubliceerd. Dit plan beschrijft in grote lijnen de activiteiten die de ILT de komende jaren wil uitvoeren. Met haar werk aan een duurzame en veilige leefomgeving en veilig transport én aan het vertrouwen in de woningcorporaties dient de ILT het publiek belang.

De ILT wil het komende jaar onder meer inzetten op verdergaande efficiency, vermindering van toezichtlasten voor ondertoezichtstaanden en consistentie in de handhaving; samen met andere nationale en internationale inspecties. Ook in 2016 gaat de ILT risicogestuurd te werk, waarbij ze de beschikbare capaciteit inzet waar deze het hardst nodig is. De ILT voert een risicoanalyse uit, waarbij de risico’s voor alle taken en domeinen onderling worden gewogen en gerelateerd aan de inzet van de ILT over de gehele breedte.

De ILT wil zo transparant mogelijk zijn in haar werk en laten zien wat haar bijdrage is aan veilig en duurzaam leven en reizen. Uitgangspunt is om inspectiegegevens zoveel mogelijk openbaar te maken. Daarmee komt de ILT tegemoet aan een maatschappelijke behoefte en politieke wensen.

Met vergunningverlening, toezicht, opsporing en signalering, gebaseerd op vakmanschap en rolvastheid, blijft de ILT zich de komende jaren onverminderd inzetten voor een duurzame en veilige leefomgeving en veilig transport.

 

Print Friendly and PDF ^

Bestraffing van de overheid: stand van zaken sinds 2010

Bestraffing van de overheid door de overheid is aan belangrijke beperkingen onderworpen. Sinds de beroemde Volkel- en Pikmeer-arresten geniet de overheid (gedeeltelijke) immuniteit. Sinds 2010 hebben zich enkele belangwekkende ontwikkelingen voorgedaan op dit terrein, zowel waar het betreft wetgeving als rechtspraak. Waar het betreft wetgeving gaat dit om het uiteindelijk sneuvelen van het jarenlang hangende initiatiefwetsvoorstel tot opheffing van immuniteit in de Eerste Kamer eind 2015. Op het terrein van de rechtspraak betreft dit een aantal recente uitspraken waarin de Volkel en Pikmeer-lijn wordt toegepast en bevestigd, uitspraken van hof en Hoge Raad inzake het al dan niet vervolgen van de Minister van Financiën voor een ambtsmisdrijf (dit naar aanleiding van een aangifte van de president van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden), alsook de toenemende betekenis van het EVRM. Dit laatste zal gevolgen hebben voor de mogelijkheid van toepassing van de Volkel- en Pikmeer-lijn in de toekomst.

Lees verder:

 

Meer weten over de strafrechtelijke immuniteit van de overheid? Kom dan op vrijdag 1 december 2016 naar het Congres Milieustrafrecht: Trends & Toekomstige Ontwikkelingen.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^