Cursus Afvalstoffen | Vrijdag 3 juni 2016

Op het gebied van het afvalstoffenrecht hebben de ontwikkelingen zich de afgelopen jaren in hoog tempo opgevolgd. Ook de constante stroom jurisprudentie - zowel op nationaal als Europees niveau - zorgt voor nieuwe inzichten over de vraag of een stof moet worden aangemerkt als grondstof dan wel afvalstof. Tijdens deze cursus wordt relevante wet- en regelgeving (op zowel nationaal als Europees niveau) overzichtelijk gepresenteerd en toegelicht aan de hand van praktijkvoorbeelden en jurisprudentie.   

Programma

Ochtend: Het Begrip Afval

De definitie van afvalstof is van groot belang, omdat de reikwijdte van dit begrip bepaalt of de afvalstoffenwetgeving van toepassing is. Het begrip afvalstof is echter tot op heden nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Tijdens de ochtend zal hier dan ook uitgebreid aandacht worden besteed. Daarbij komen voorts onder andere de volgende onderwerpen aan bod:

 

Middag: Bedrijfs- & Gevaarlijk Afval in Hoofdstuk 10 Wet Milieubeheer

In de afvalstoffenregelgeving geldt een zwaarder regime voor bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijk afval.  Tijdens het middagdeel van deze cursus wordt relevante wet- en regelgeving besproken, welke wordt toegelicht aan de hand van rechtspraak en voorbeelden uit de praktijk. In dat kader komen onder meer de volgende onderwerpen aan bod:

  • Inzamelen
  • Vervoer
  • Beheer
  • Mengverbod
  • Zorgplichten

 

Doelgroep

  • Advocaten
  • Leden van de zittende & staande magistratuur
  • (Overheids)juristen
  • Bedrijfsjuristen
  • Beleidsmedewerkers
  • Toezichthouders
  • Handhavers
  • Bijzonder opsporingsambtenaren
  • Juridisch adviseurs
  • Ontdoeners van afvalstoffen

 

Niveau: Verdieping

Vereiste voorkennis: enige kennis van het (bijzonder) strafrecht wordt verondersteld.

 

Docent

  • mr. Luuk Boogert: ervaren milieu-officier van justitie. Hij leidde onder meer de strafzaak tegen Trafigura en ook die tegen Odjfell.

 

Praktische Informatie

Datum & tijd: Vrijdag 3 juni 2016 | 10.00 - 17.00 uur (inloop vanaf 9.30 uur).

Locatie: Plein 15-16 (2511 CR) te Den Haag. Op loopafstand van station Den Haag Centraal (ca. 8 minuten) en nabij Pleingarage (2 minuten).

Kosten: € 375,- excl. BTW Deze prijs is inclusief:

  • Syllabus
  • Lunch
  • Consumpties

Nemen er meerdere personen van uw kantoor of organisatie deel aan de cursus, dan ontvangt u beiden €50,- korting.

 

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

'Kostenverhaal spoedeisende bestuursdwang asbestbrand'

Op 11 mei jl. heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een interessante uitspraak gewezen over de toepassing van spoedeisende bestuursdwang en het verhalen van de kosten van bestuursdwang  op grond van artikel 17.1 Wet milieubeheer (Wm) in het kader van asbest dat is vrijgekomen bij een brand in een loods. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

'Geiten in de regen en ander dierenleed'

Artikel 2.2 lid 8 Wet dieren bepaalt dat een dier niet de nodige zorg mag worden onthouden. Overtreding van deze norm kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. De ‘nodige zorg’ is echter een breed en vaag begrip. In het artikel wordt getracht aan dat begrip nader invulling te geven. Hoe kan nu worden vastgesteld of al dan niet de nodige zorg verleend is. Daartoe worden in de eerste plaats de wetssystematiek en wetsgeschiedenis besproken. Nu artikel 2.2 lid 8 Wet dieren een welzijnsbepaling is, wordt ook het welzijnsbegrip nader ingevuld. Vervolgens wordt het ‘nodige zorg’ begrip besproken aan de hand van jurisprudentie. Geconcludeerd wordt dat de vraag of de nodige zorg is verleend, in sterke mate wordt beantwoord aan de hand van het welzijn van het dier. Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Het hof veroordeelt verdachte ter zake overtredingen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren tot meerdere geldboetes

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3242 Het hof heeft overwogen een gedeelte van de dagvaarding nietig te verklaren. De steller van de tenlastelegging heeft er immers voor gekozen in de tenlastelegging meermalen te volstaan met opname van de zinsnede ‘een hoeveelheid schapen’ en/of ‘een hoeveelheid geiten’. Niet is aangegeven op welk specifiek schaap en/of geit de verdachte verweten gedraging betrekking heeft. De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof aangegeven zich op deze onderdelen van de tenlastelegging niet te kunnen verweren.

Het hof is niettegenstaande het vorenstaande van oordeel dat de dagvaarding in overeenstemming is met de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat geen sprake is van nietigheid van de dagvaarding. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat de tenlastelegging bezien in samenhang met het dossier voldoende begrijpelijk is, waardoor verdachte kan begrijpen welke strafbare gedragingen hem worden verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. Bovendien heeft de raadsman geen beroep op nietigheid van de dagvaarding gedaan maar de onduidelijkheden die voor omschreven wijze van ten laste leggen met zich brengen betrokken in een bewijsverweer.

Tot slot heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat ten aanzien van de feiten 2 en 3 de artikel 47 van de Wet op de economische delicten de mogelijkheid van een verkorte aanduiding van het tenlastegelegde feit biedt.

De wijze waarop de steller van de tenlastelegging deze vorm heeft gegeven, heeft naar het oordeel van het hof wel consequenties voor de bewijs- en kwalificatiebeslissing. Uit het dossier valt immers niet (eenvoudig) af te leiden hoeveel schapen en/of geiten wordt bedoeld met ‘een hoeveelheid’, zodat het in de voorkomende gevallen - gelet op artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht - onmogelijk is om met de voor een veroordeling en strafoplegging vereiste zekerheid vast te stellen hoeveel malen de overtreding is begaan. Het hof zal daarom - ten voordele van verdachte - voor zover het hof komt tot een bewezenverklaring van ‘een hoeveelheid’ hieronder telkens verstaan één schaap dan wel één geit.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt dat de verklaringen van dierenartsen dierenarts 1, dierenarts 2 en dierenarts 3, welke verklaringen, anders dan door de raadsman is betoogd, hebben te gelden als een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4 en 5 van het Wetboek van Strafvordering, elkaar ondersteunen en overigens worden ondersteund door de verklaring(en) van verdachte zelf en/of het proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) inhoudende de waarnemingen van buitengewoon opsporingsambtenaren verbalisant 1 en verbalisant 2 en/of het proces-verbaal van bevindingen van hoofdagent verbalisant 3.

In het bijzonder overweegt het hof nog het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 (tweede gedachtestreepje) tenlastegelegde

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof gesteld dat magerheid een eigenschap is van sommige schapenrassen en, zo begrijpt het hof, dat als er al magere schapen zijn aangetroffen dat niet is te wijten aan een ontoereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer.

Het hof acht dit laatste niet aannemelijk. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat de magerheid voorkomt uit gebrek aan een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voeder. Daarbij wijst het hof op de erbarmelijke gezondheidstoestand van de betreffende schapen en de in de veterinaire verklaring van dierenarts dierenarts 1 vermelde oorzaken van de vermagering.

Ten aanzien van het onder 2 (eerste gedachtestreepje) tenlastegelegde

De raadsman heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, bepleit dat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken aangezien de aanwezige ambtenaren kennelijk de lichtschakelaar niet hebben kunnen vinden.

Uit de veterinaire verklaring van dierenarts 1 in samenhang met de waarneming van verbalisant verbalisant 1 zoals is neergelegd in het proces-verbaal van de NVWA volgt naar het oordeel van het hof dat er lampen kapot waren waardoor er niet voldoende verlichting voor een grondige controle van een dier op elk willekeurig tijdstip aanwezig was.

Ten aanzien van het onder 2 (tweede gedachtestreepje) tenlastegelegde

De raadsman heeft bepleit dat verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken aangezien in onvoldoende mate is geconcretiseerd waar de scherpe randen zich bevonden en op welke wijze deze randen zich manifesteerden. Voorts zijn op de foto’s ook geen scherpe randen te ontwaren. De raadsman heeft in dit verband gewezen op een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 12 december 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:11804).

Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat op sommige plekken op het erf en in een stal materialen/voorwerpen aanwezig waren waar scherpe randen aan zaten. De materialen/voorwerpen zijn in het proces-verbaal van de NVWA nader omschreven. Dat de scherpe randen die aan deze materialen zaten niet precies zijn gespecificeerd of op de bijgevoegde foto’s zijn te zien, maakt dit niet anders.

Ten aanzien van het onder 4 subsidiair (tweede gedachtestreepje) tenlastegelegde

De stelling van verdachte, inhoudende dat hij de schurftachtige aandoening van de schapen en geiten adequaat heeft behandeld, deelt het hof niet. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers het tegendeel. In het bijzonder wijst het hof op de veterinaire verklaring van dierenarts 1 waaruit volgt dat de op schurft lijkende huidaandoeningen dermate ernstig waren dat er vanuit kan worden gegaan dat een adequate behandeling heeft ontbroken. Ook waren de meeste schapen niet geschoren, wat als onderdeel van een adequate behandeling wel had dienen te gebeuren. Dat op het bedrijf van verdachte diergeneesmiddelen zijn aangetroffen waarvan verdachte heeft verklaard die ook te hebben gebruikt tegen de schurft, betekent niet dat verdachte die aandoening goed zou hebben behandeld, zoals door de verdediging is bepleit.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 38 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, tweemaal gepleegd
  • Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 35 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, tweemaal gepleegd
  • Feit 3: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 35 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
  • Feit 4 subsidiair: Overtreding van artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt verdachte:

  • Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde (eerste gedachtestreepje): tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
  • Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde (tweede gedachtestreepje): tot een een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
  • Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde (eerste gedachtestreepje): tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
  • Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde (tweede gedachtestreepje): tot een geldboete van € 250,- (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.
  • Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde: tot een geldboete van € 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
  • Ten aanzien van het onder in de zaak met parketnummer 81-276639-14 onder 4 subsidiair bewezen verklaarde: tot een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis.

Daarnaast bepaalt het hof dat € 5.000 niet ten uitvoer zal worden gelegd met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de economische politierechter te Midden-Nederland van 13 maart 2014, parketnummer 81-225790-13, te weten van: een geldboete van € 700.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG m.b.t. illegale overbrenging. Hof zou ten onrechte als beoordelingskader gekozen voor de Kaderrichtlijn afvalstoffen i.p.v. Verordening dierlijke bijproducten.

Hoge Raad 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:687 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 120 uur wegens het telkens opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.60, tweede lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd (feit 1-3) en het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gesteld verbod, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging (feit 4).

Middel

Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte als beoordelingskader heeft gekozen voor Richtlijn 2008/98/EG van 19 november 2008 (Kaderrichtlijn afvalstoffen), in plaats van de Verordening 1069/2009 van 21 oktober 2009 (Verordening dierlijke bijproducten).

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

5.4. Het hof heeft blijkens bewijsmiddel 3 vastgesteld dat het materiaal dat het bedrijf van verdachte vervoerde uit het afvalwater van D wordt gewonnen. Deze materie voldoet niet aan de omschrijving van dierlijke bijproducten in artikel 3 onder 1 van Verordening 1069/2009. De vervoerde materie is immers verkregen uit afvalwater. Ik zie evenmin hoe deze materie kan worden gelijkgesteld met producten die zijn verkregen door een of meer behandelingen, omzettingen of verwerkingsfasen van dierlijke bijproducten, zoals artikel 3 onder 2 van deze Verordening de zogenaamde afgeleide producten definieert. Dat ligt ook besloten in de overwegingen van het hof, waarin het hof verwijst naar het ontstaan van het zuiveringsslib. Uit de overwegingen van het hof wordt duidelijk dat het hof ook Verordening 1069/2009 in ogenschouw heeft genomen en daarbij tot de conclusie is gekomen dat deze Verordening niet van toepassing is op het zuiveringsslib omdat die materie niet onder de omschrijvingen van dierlijke bijproducten of afgeleide producten van deze Verordening is te begrijpen. Centrifuge- of separatorslib ontstaat bij het standaardiseren van melkproducten teneinde het vetgehalte van melk op een bepaalde waarde te krijgen. Dat is dus wél een resultaat van een behandeling van een product van dierlijke oorsprong. Het genereren van afvalwater kan bezwaarlijk daarmee worden gelijkgesteld, zelfs al zou dat afvalwater ook organische materie bevatten.

Het hof heeft dus niet aan de hand van de criteria van de Kaderrichtlijn afvalstoffen vastgesteld dat er geen sprake is van dierlijke bijproducten, maar de vervoerde materie wel degelijk langs de meetlat van Verordening 1069/2009 gehouden. Het heeft niet de criteria van de Kaderrichtlijn afvalstoffen gebruikt om aan deze materie de hoedanigheid van dierlijke bijproducten te ontzeggen, maar om vast te stellen dat wat geen dierlijk bijproduct bleek te zijn wel voldeed aan de omschrijving van afvalstoffen. Dat het hof, zoals de steller van het middel beweert, niet getoetst heeft aan de criteria van Verordening 1069/2009 geeft blijk van een onjuiste lezing van de overwegingen in het arrest. Wellicht is de steller van het middel op het onjuiste spoor gezet door de volgorde waarin het hof de toetsing heeft voltrokken. Het hof heeft eerst de afvalstoffenwetgeving in zijn beschouwingen betrokken en daarna de wetgeving inzake de dierlijke bijproducten. Maar dat neemt niet weg dat het hof heeft geconstateerd dat de vervoerde materie niet voldoet aan de omschrijving die in Verordening 1069/2009 van dierlijke bijproducten worden gegeven. Artikel 10 onder f en g van deze Verordening zijn irrelevant omdat de vervoerde materie naar de vaststelling van het hof nu eenmaal geen dierlijke bijproduct of een daarvan afgeleid product was.

En § 57 van de considerans voor Verordening 1019/2009 biedt mijns inziens ook al geen steun aan het uitgangspunt van de steller van het middel. Daarin is immers het volgende opgetekend:

"Met het oog op de samenhang van de communautaire wetgeving moet het verband tussen de voorschriften van deze verordening en de communautaire afvalstoffenwetgeving worden verduidelijkt. Met name moet worden gezorgd voor samenhang met het verbod op de uitvoer van afvalstoffen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (4). Om eventuele negatieve milieueffecten te voorkomen, moet de uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bestemd zijn om te worden verbrand of gestort, worden verboden. De uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten moet ook worden voorkomen, als de bedoeling is dat zij worden gebruikt in een biogas- of composteerinstallatie in derde landen die geen lid van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn, om eventuele negatieve milieueffecten en risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid te voorkomen. Bij de toepassing van de afwijkingen van het uitvoerverbod moet de Commissie in haar beschikkingen ten volle rekening houden met het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, namens de Gemeenschap gesloten bij Besluit 93/98/EEG van de Raad (5), en de wijzigingen daarvan die zijn vastgesteld in Besluit III/1 van de Conferentie der partijen, namens de Gemeenschap goedgekeurd bij Besluit 97/640/EG (6) van de Raad en ten uitvoer gelegd door Verordening (EG) nr. 1013/2006.

(4) PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1. (AM: de zgn. EVOA.)

(5) PB L 39 van 16.2.1993, blz. 1.

(6) PB L 272 van 4.10.1997, blz. 45."

De steller van het middel ziet er in zijn verwijzing naar deze § 57 aan voorbij dat het begrip 'uitvoer' niet ziet op enig intracommunautair vervoer maar op verplaatsing vanuit de Gemeenschap naar een derde land.7 Nu het in de onderhavige zaak gaat om vervoer van Nederland naar Duitsland zijn aan § 57 van de considerans geen argumenten te ontlenen voor de beoordeling van zulk vervoer.

De conclusies die de steller van het middel trekt uit de overwegingen 40 en 44 van de considerans voor Verordening 1069/2009 zien over het hoofd dat die overwegingen betrekking hebben op dierlijke bijproducten en afgeleide producten, als hoedanig de vervoerde materie volgens het hof nou eenmaal niet was te kwalificeren.

5.5. Subsidiair ga ik ervan uit dat de vervoerde materie inderdaad dierlijke bijproducten zijn van categorie 3. De substantie die door het bedrijf van verdachte werd vervoerd naar Duitsland was bestemd voor gebruik in biogasinstallaties. Artikel 2 lid 2 onder b van de Kaderrichtlijn afvalstoffen sluit zulke dierlijke bijproducten inclusief verwerkte producten uitdrukkelijk niet uit van het toepassingsgebied van de Kaderrichtlijn. Áls het materiaal dat het bedrijf van verdachte naar Duitsland overbracht al bestond uit dierlijke bijproducten van categorie 3 volgens Verordening 1774/2002, dan gelden voor deze overbrenging niet de kennisgevingseisen van deze Verordening. De artikelen 10 tot en met 18 van Verordening 1774/2002 vullen de voorwaarden in waaraan voldaan moet zijn willen verschillende soorten bedrijven door de bevoegde autoriteiten worden erkend. Maar deze artikelen hebben geen betrekking op de overbrenging van de ene lidstaat naar de andere. Dat betekent dat het derde lid van artikel 1 EVOA in ieder geval categorie 3-materiaal wel onder EVOA doet vallen. Verordening 1069/2009 heeft de verhouding tot de Kaderrichtlijn afvalstoffen en tot de EVOA niet gewijzigd. Aangenomen dat het materiaal dat het bedrijf van verdachte vervoerde inderdaad bestond uit dierlijke bijproducten en wel uit categorie 3-materiaal volgens de classificatie van Verordening 1069/2009, dan golden de eisen van de EVOA onverkort nog steeds voor het vervoer van de ene lidstaat naar de andere. Dat dit categorie 3-materiaal geen noemenswaardige risico's voor de gezondheid van mens en dier meebrengt wil nog niet zeggen dat het vervoer en de toepassing of verwijdering daarvan geen implicaties heeft voor het milieu. Vandaar dat deze dierlijke bijproducten wel degelijk onder de Europese milieuwetgeving vallen, al was het maar omdat de ene lidstaat de capaciteit van de andere lidstaat om zulk categorie 3-materiaal te ontvangen en te verwerken en de invloed van die overbrenging op de mogelijkheid tot verdringing van de binnenlandse productie van zulk materiaal in de ontvangende lidstaat niet behoorlijk kan overzien.

Het zou ook ongerijmd zijn om toe te staan dat dierlijke bijproducten waarvan de producenten zich willen ontdoen en die geen of nagenoeg geen risico's opleveren voor de gezondheid van mens en dier, zonder enige beperking van de ene lidstaat naar de andere mogen worden overgebracht, terwijl vergelijkbare andere producten waarvan de producent zich wil ontdoen daarom als afvalstof worden aangemerkt en wel onder het regime van de EVOA terechtkomen. Zo een verschil tussen deze andere afvalstoffen en dierlijke bijproducten/afvalstoffen is niet te verdedigen. De wens om het beschermingsniveau dat de verschillende Europese instrumenten bieden niet uiteen te laten lopen spreekt mijns inziens ook uit artikel 60 van Verordening 1013/2006 (EVOA), waarin het volgende is opgenomen:

"1. De Commissie voltooit uiterlijk op 15 juli 2006 haar evaluatie van de samenhang tussen de bestaande sectorale wetgeving inzake de gezondheid van dieren en de volksgezondheid, met inbegrip van de regeling van afvalstoffenoverbrengingen die vallen onder Verordening (EG) nr. 1774/2002, en de bepalingen van deze verordening. Deze evaluatie gaat zo nodig vergezeld van passende voorstellen teneinde een gelijkwaardig niveau van procedures en controleregelingen voor de overbrenging van dergelijke afvalstoffen te bewerkstelligen."

Ik onderschrijf dus de uitkomst waartoe het hof is gekomen.

Het middel faalt.

6.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat het gaat om een afvalstof en dat het water wordt behandeld met ijzer(III)chloride en een flocculant, zonder in te gaan op het verweer dat niet is vastgesteld waar de mix uit bestaat en welke stoffen uit het productieproces in die mix zijn terecht gekomen. Het productieproces is niet helder geworden en de vervoerde materie is niet onderzocht of bemonsterd.

6.2. Het hof heeft zich voor de beschrijving van de behandeling van het afvalwater gebaseerd op de beschrijving van die behandeling in bewijsmiddel 3. De steller van het middel ziet eraan voorbij dat het hof heeft kunnen oordelen dat de materie die is vervoerd geen product is van dieren en niet het resultaat is van een behandeling van een product van dierlijke oorsprong, maar een substantie is die is verkregen door een bepaalde behandeling van afvalwater. De vraag die dan rijst is of die materie een afvalstof oplevert en daarvoor is de precieze samenstelling niet van belang, maar enkel het door het hof vastgestelde feit dat D zich daarvan wilde ontdoen.

Het middel faalt.

7. Beide voorgestelde middelen falen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8.Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak en hier de conclusie.

 

 

Print Friendly and PDF ^