HR over uitleg begrip “afvalstoffen”

Hoge Raad 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:512 Na terugwijzing door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Den Haag de verdachte veroordeeld tot een geldboete van €10.000, waarvan €5.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren ter zake van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon (feit 1) en opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon (feit 2).

Middel

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte zich ‘heeft ontdaan’ van afvalstoffen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op een arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 december 2013.

Het tweede middel klaagt dat het Hof in zijn arrest van 19 november 2014 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2013, omdat het, anders dan het Hof in zijn arrest van 20 april 2012, tot het oordeel komt dat er in de onderhavige zaak sprake is van ‘afvalstoffen’.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte zich ‘heeft ontdaan’ van afvalstoffen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op een arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 december 2013.

7. De steller van het middel meent dat het bestreden arrest niet in overeenstemming is met de volgende overwegingen van het genoemde arrest van het Europees Hof van Justitie van 12 december 2013:

“52 Daarentegen is de omstandigheid dat Shell de betrokken partij heeft teruggenomen met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt in casu van doorslaggevend belang.

53 Het is immers geenszins gerechtvaardigd om goederen, stoffen of producten die de houder, ongeacht enige nuttige toepassing, onder gunstige omstandigheden wil exploiteren of verhandelen, te onderwerpen aan de bepalingen van richtlijn 2006/12, die beogen ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het licht van de verplichting het begrip afvalstof ruim uit te leggen, moet deze redenering evenwel worden beperkt tot situaties waarin het hergebruik van het goed of de stof in kwestie niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder dat vooraf een van de in bijlage II B bij richtlijn 2006/12 bedoelde procedés voor de nuttige toepassing van afvalstoffen hoeft te worden benut, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat (zie naar analogie arrest Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, punt 36, en arrest van 111september 2003, AvestaPolarit Chrome, C-114/01, Jurispr. blz. 1-8725, punt 36).

54 Gelet op het voorgaande moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 2, sub a, van verordening nr. 259/93 aldus moet worden uitgelegd dat, in een situatie als die in de hoofdgedingen, een partij diesel die onbedoeld vermengd is geraakt met een andere stof niet onder het begrip afvalstof in de zin van deze bepaling valt, mits de houder ervan daadwerkelijk voornemens is deze met een ander product vermengde partij terug te brengen op de markt, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.”

8. In de onderhavige zaak gaat het om elektr(on)ische apparaten die om uiteenlopende redenen -het Hof noemt het oogmerk van retour ontvangen van de koopprijs of het inroepen van garantiebepalingen- door de koper/consument worden geretourneerd aan de verkoper/leverancier. Daarmee is de leverancier de houder van de apparaten geworden. Dit retourneren van de apparaten kan volgens het Hof niet worden aangemerkt als het zich ontdoen van een afvalstof. Dat lijkt mij juist en het middel richt zich ook niet tegen dit oordeel. Dit lijkt mij te betekenen dat het de verkoper/leverancier/houder (verder: houder) vrij staat de geretourneerde apparaten opnieuw aan consumenten ten verkoop aan te bieden. Het zou te ver gaan om het opnieuw ten verkoop aanbieden en verkopen aan consumenten reeds als het zich ontdoen van een afvalstof aan te merken en dat ligt ook in de lijn van het genoemde arrest van het Hof van Justitie.

9. Volgens het (Haagse)Hof waren de apparaten voor het doel waarvoor zij door de houder waren bestemd te weten de verkoop aan consumenten onbruikbaar of overtollig geworden. Dat is een niet onbegrijpelijk oordeel van het Hof nu de houder er niet voor heeft gekozen om de apparaten opnieuw rechtstreeks aan consumenten aan te bieden. De houder heeft de apparaten namelijk overgedragen aan verdachte (groothandel en exporteur). Het oordeel dat de houder zich door aldus te handelen heeft ontdaan van een afvalstof staat anders dan de steller van het middel meent geenszins op gespannen voet met het arrest van het Europese Hof van Justitie uit 2013. In dat geval was immers niet uitgesloten dat het product door de houder conform de oorspronkelijke bestemming opnieuw op de markt zou worden gebracht. In de onderhavige zaak staat juist niet vast dat de houder conform de oorspronkelijke bestemming van apparaten beoogde te handelen. Integendeel: de apparaten waren voor de houder onbruikbaar of overtollig.

10. Het Hof heeft daarmee dus op goede grond geoordeeld dat de aan verdachte overgedragen apparaten afvalstoffen waren. Iets anders is dat in voorkomend geval de apparaten in handen van verdachte de status van afvalstof alsnog kunnen verliezen, maar daarvoor heeft het arrest van het Europees Hof van Justitie uit 2013 geen directe betekenis. Als de steller van het middel echter onder punt 10 in de schriftuur meent dat geen van de in de bijlage van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen van toepassing is en dat dit een indicatie vormt voor de omstandigheid dat niet van een afvalstof sprake is, kan ik dat standpunt zonder nadere toelichting die ontbreekt niet volgen. Zelfs als verdachte de apparaten zelf alsnog rechtstreeks ten verkoop zou aanbieden aan consumenten zou dat niet mogelijk zijn zonder nadere controle en in voorkomend geval reparatie.

11. Het eerste middel faalt.

Tweede middel

12. Het tweede middel klaagt dat het Hof in zijn arrest van 19 november 2014 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2013, omdat het, anders dan het Hof in zijn arrest van 20 april 2012, tot het oordeel komt dat er in de onderhavige zaak sprake is van ‘afvalstoffen’.

13. Het in de eerste cassatieronde bestreden arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 april 2012 houdt, voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, het volgende in:

“Uit voornoemde feiten volgt dat de container geen productie- of consumptieresiduen, noch afgedankte versleten tweedehands goederen bevatte. De container bevatte (nagenoeg) nieuwe producten die in het land van bestemming zonder, voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking konden worden gebruikt. Dat er bij een deel van goederen een kleine reparatie nodig was, doet daaraan niet af.”

14. Het arrest van het Hof Den Haag van 19 november 2014 bevat de overweging zoals opgenomen onder 6.

15. Het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2013 bevat de beslissing tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De steller van het middel ziet kennelijk een beperking voor de berechting door het Hof na terugwijzing tot uitsluitend een nieuw oordeel over de (deel)beslissing(en) die tot cassatie hebben geleid. Aan de hierboven geciteerde passage uit het arrest van het Hof uit 2012 zou het Hof na de verwijzing (min of meer?) gebonden zijn. Ik meen te kunnen volstaan met de opmerking dat hetgeen aan het middel ten grondslag wordt gelegd geen steun vindt in het recht.

16. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, van de Wet RO ontleende bewoordingen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Meer weten? Kom dan op vrijdag 3 juni 2016 naar de Cursus Afvalstoffen.

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

Ongeval bij proef in laboratoriumruimte: vrijspraak van overtreding art. 5 Brzo

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 maart 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:1612 Op 15 juli 2013 heeft in het bedrijf van verdachte een bedrijfsongeval plaatsgevonden. Bij een proef in de zogenoemde RePP (Research and Pilot Plant) afdeling werd in de installatie SA170 (een mengvat) een mengsel (smelt) van vloeibaar ammoniumnitraat van ongeveer 160 graden Celsius aangemaakt. Bij het toevoegen van dolomiet (een verbinding van de stoffen calciumcarbonaat en magnesiumcarbonaat) ontstond er in het mengvat een schuimvorming waarna (door overdruk) een deel van de inhoud van het mengvat met kracht door de vulopening en een opening boven op het vat naar buiten werd gespoten.

Een hoeveelheid van deze smelt kwam terecht op de kleding van een medewerker van de firma naam firma, de heer slachtoffer, die in de RePP ruimte binnen kwam om daar voorbereidende werkzaamheden voor het aanbrengen van een rookmelder te verrichten. Bij het uittrekken van zijn sweater kwam de heer slachtoffer in contact met de smelt en liep hij brandwonden, met name aan zijn handen, op. Hij is ter behandeling van zijn verwondingen naar het ziekenhuis overgebracht en is daar tot 22 juli 2013 ter observatie/in behandeling geweest. Zijn verwondingen zijn volledig hersteld.

Verdachte drijft een inrichting waarin als hoofdactiviteit stikstofhoudende kunstmeststoffen worden geproduceerd. Het is een inrichting waarin krachtens de vergunning ex artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer gevaarlijke stoffen aanwezig mogen zijn. Door de krachtens deze vergunning toegestane hoeveelheid gevaarlijke stoffen viel verdachte onder de werkingssfeer van het ten tijde van het ten het laste gelegde van kracht zijnde Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo).

Aan verdachte wordt primair verweten dat zij op datum en plaats van het ten laste gelegde niet alle maatregelen had getroffen die nodig waren om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken (zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 Brzo), subsidiair dat zij geen veiligheidsbeheerssysteem had ingevoerd ter identificatie van de gevaren en de beoordeling van de risico's van zware ongevallen ten aanzien van de installatie SA170 in de RePP afdeling (zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 Brzo).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, subsidiair dat verdachte ter zake van beide verwijten zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

Ter zake van het primair ten laste gelegde is de vraag gesteld of er sprake was van een ‘zwaar ongeval’ als bedoeld in het Brzo.

- De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat dit het geval is en dat verdachte niet alles heeft gedaan om dit te voorkomen. In casu was er immers sprake van een onbeheersbare ontwikkeling, omdat onverwacht en vrijwel direct na het openen van de bodemafsluiter van smeltvat SA170 en het starten van de circulatiepomp, de smelt uit het smeltvat in de RePP ruimte is gespoten en daarbij één of meer gevaarlijke stoffen betrokken waren, te weten ammoniumnitraat. Daarover had men geen controle (meer) en dit was een ongewilde gebeurtenis. Als gevolg van die onbeheersbare ontwikkeling is onmiddellijk gevaar voor de gezondheid van een mens binnen de inrichting ontstaan, te weten de in de RePP ruimte aanwezige mensen, waaronder de heer slachtoffer, die ernstige brandwonden heeft opgelopen.

- De verdediging is van mening dat er geen sprake was van een zwaar ongeval in de zin van het Brzo omdat daarvan pas sprake kan zijn wanneer daarbij één of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De vrijgekomen smelt (bekend als KAS 27) was, gelet op de samenstelling van dat mengsel en het daarin aanwezige stikstofgehalte, geen gevaarlijke stof in de zin van het Brzo omdat het ammoniumnitraat niet tot één van de categorieën in de bijlage bij het Brzo behoort.

Voor de beoordeling van de vraag of sprake was van een zwaar ongeval in de zin van het Brzo herhaalt de rechtbank het toetsingskader met betrekking tot artikel 5 Brzo, zoals weergegeven in het vonnis van deze rechtbank van 21 maart 2014 (ECLI:NL:RBZWB:2014:1911), te weten:

“Zwaar ongeval Brzo

  • Het Brzo is de Nederlandse implementatie van de Europese Seveso II-richtlijn (Richtlijn 96/82/EG van de Raad van Europa van 9 december 1996). Het Brzo integreert wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampbestrijding in één juridisch kader. Doelstelling is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Het Brzo stelt hiertoe eisen aan de meest risicovolle bedrijven in Nederland. Daarnaast wordt in het besluit de wijze waarop daarop moet worden toegezien geregeld.
  • In artikel 5, eerste lid, Brzo staat dat de drijver van een inrichting alle nodige maatregelen neemt om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. Dit is een vergaande verplichting omdat er geen beperking is opgenomen met betrekking tot de aard van en de mate waarin maatregelen moeten worden getroffen.
  • De drijver van een inrichting die valt onder de werking van het Brzo moet een gericht beleid voeren teneinde zware ongevallen te voorkomen. Het preventiebeleid moet zijn afgestemd op de risico’s van zware ongevallen die de inrichting veroorzaakt.

In artikel 1, aanhef en onder f, Brzo wordt een zwaar ongeval gedefinieerd als een:

gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een inrichting, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens binnen of buiten de inrichting of voor het milieu ontstaat en waarbij een of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken.

In de Seveso II-richtlijn wordt in artikel 3, aanhef en onder 5, een bijna gelijkluidende definitie gegeven met dien verstande dat daarin wordt gesproken over onbeheerste in plaats van onbeheersbare ontwikkelingen.

In de toelichting op het Brzo staat vermeld:

  • Het hoofddoel van de Seveso II-richtlijn en, in het verlengde daarvan, van het onderhavige besluit, is het voorkomen van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en, indien zij onverhoopt toch gebeuren, het beperken van de gevolgen daarvan voor mens en milieu.
  • Bepalend voor het begrip zwaar ongeval is het ontstaan van ernstig gevaar voor de gezondheid van mensen binnen of buiten de inrichting en/of voor het milieu ten gevolge van calamiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in de bijlage bij dit besluit. De richtlijn noemt in dit verband bij wijze van voorbeeld: een zware emissie, brand of explosie.

Het begrip zwaar ongeval bestaat naar het oordeel van de rechtbank dus uit drie onderdelen:

  1. Een gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare (lees: onbeheerste) ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitvoering in de inrichting. Een onbeheerste, ongecontroleerde ontwikkeling wil zeggen dat de aanvankelijke afwijking dermate escaleert dat ze aan de controlemogelijkheid van het operationele personeel (te weten: de medewerkers op de werkvloer) ontsnapt. Daarbij moet worden gerealiseerd dat het begrip ongeval duidt op een plotse, onverwachte en ongeplande gebeurtenis. In het kader van de Seveso-richtlijn gaat het om een brand, explosie of emissie.
  2. Er ontstaat gevaar voor de gezondheid van de mens (onmiddellijk of later). Chronische effecten van langdurige blootstellingen aan lage concentraties van giftige stoffen zijn niet te beschouwen als zwaar ongeval. De schade aan mens en milieu hoeft zich niet te hebben voorgedaan. Het zijn de potentiële gevolgen en niet de effectieve letsels of schade die bepalen zijn voor de ernst van het ongeval. Het gevaar hoeft zich ook niet uit te strekken tot buiten het terrein van de inrichting.
  3. Bij de gebeurtenis zijn één of meer -bepaalde- gevaarlijke stoffen betrokken. De hoeveelheid gevaarlijke stoffen is van geen enkel belang met dien verstande dat die stoffen gevaar voor mens en milieu moet opleveren.”

Op grond van artikel 1, aanhef, sub b, van het Brzo is sprake van gevaarlijke stoffen indien het gaat om:

“stoffen, mengsels of preparaten, genoemd in bijlage I, deel 1, of behorend tot een categorie, genoemd in bijlage I, deel 2, en aanwezig als grondstof, product, bijproduct, residu of tussenprodukt, met inbegrip van stoffen, mengsels of preparaten waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door het onbeheersbaar worden van een industrieel chemisch proces ontstaan”.

Ammoniumnitraat is een stof, genoemd in bijlage I, deel 1 van het Brzo, die voor de toepassing van het Brzo wordt aangemerkt als een gevaarlijke stof, indien sprake is van:

1. Gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen met fosfaat en/of kaliumcarbonaat;

2. Enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat:

a. hoger is dan 24,5 gewichtsprocent, met uitzondering van mengsels van ammoniumnitraat en dolomiet, kalksteen en/of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90%;

b. hoger is dan 15,75 gewichtsprocent voor mengsels van ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat, en

c. hoger is dan 28 gewichtsprocent (overeen komend met 80% ammoniumnitraat), voor mengsels van ammoniumnitraat en dolomiet, kalksteen of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90%;

3. Een technisch zuivere stof, van toepassing op ammoniumnitraat en ammoniumnitraatpreparaten waarin het stikstofgehalte, afkomstig van het ammoniumnitraat; a. gelegen is tussen 24,5 en 28 gewichtsprocent en die maximaal 0,4% aan brandbare stoffen bevatten;

b. hoger is dan 28 gewichtsprocent en die maximaal 0,2% aan brandbare stoffen bevatten, en c. waterige ammoniumnitraatoplossingen met een ammoniumnitraatconcentratie van meer dan 80 gewichtsprocent.

4. « off-specs-materiaal» en meststoffen die niet voldoen aan de eisen van de detonatietest.

Op grond van deze categorie-indeling is de rechtbank met de verdediging en anders dan de officier van justitie van oordeel dat ammoniumnitraat “an sich” voor de toepassing van het Brzo niet wordt aangemerkt als een gevaarlijke stof.

Ter zitting zijn test- en analyseresultaten van de samenstelling van bedoelde smelt overgelegd. Hieruit blijkt dat:

  • er geen fosfaat en/of kaliumcarbonaat aan de smelt was toegevoegd;
  • de smelt was samengesteld uit 75,65% ammoniumnitraat (hetgeen overeenkomt met een stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat van 26,3 gewichtsprocent) en dolomiet als vulstof, met een zuiverheidsgraad van rond 99%;
  • er geen sprake was van off-specs materiaal, en
  • deze smelt is onderworpen aan een detonatietest met als resultaat dat dit mengsel niet kan detoneren (exploderen).

De officier van justitie heeft deze bevindingen niet weersproken. De rechtbank heeft uit het dossier geen feiten of omstandigheden geconstateerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Een en ander betekent dat het vrijgekomen mengsel van vloeibaar ammoniumnitraat met dolomiet (calciumcarbonaat en magnesiumcarbonaat) niet onder één van de hierboven genoemde categorieën ammoniumnitraat kan worden ingedeeld als voorwaarde voor bewijs dat sprake was van een zwaar ongeval in de zin van het Brzo.

Nu niet bewezen kan worden dat dat bij de gebeurtenis één of meer -bepaalde- gevaarlijke stoffen in de zin van het Brzo betrokken waren, kan naar het oordeel van de rechtbank reeds om die reden niet bewezen worden dat op 15 juli 2013 in de inrichting van verdachte, bij het aanmaken van bedoelde smelt in de installatie SA170 in de RePP afdeling, sprake was van een risico dat zich tijdens die bedrijfsuitoefening een zwaar ongeval in de zin van het Brzo zou kunnen voordoen. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Het subsidiaire verwijt spitst zich toe op de omstandigheid dat verdachte op 15 juli 2013 geen veiligheidsbeheerssysteem had ingevoerd waarin de identificatie van de gevaren en de beoordeling van de risico's van zware ongevallen in de zin van het Brzo aan de orde kwamen ten aanzien van de installatie SA170 in de RePP ruimte.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft vastgesteld was er geen risico dat zich tijdens de bedrijfsuitoefening op 15 juli 2013 een zwaar ongeval in de zin van het Brzo ten aanzien van de installatie SA170 in de RePP ruimte zou kunnen voordoen. Niet is gebleken dat ten aanzien van die installatie op die dag met (andere) gevaarlijke stoffen in de zin van het Brzo werd gewerkt. Er was dan ook naar het oordeel van de rechtbank voor verdachte op de genoemde dag geen verplichting om de identificatie van de gevaren en de beoordeling van de risico's van zware ongevallen als bedoeld in het Brzo vast te leggen.

Verdachte zal daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Daarmee kunnen de overige verweren van de verdediging onbesproken blijven.

De rechtbank zal verdachte van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten vrijspreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Omgevingswet ook in de Eerste Kamer met ruime meerderheid aangenomen

De Eerste Kamer heeft op dinsdag 22 maart met een ruime meerderheid ingestemd met de Omgevingswet. Op 1 juli vorig jaar stemde de Tweede Kamer al in met de wet die een streep zet door complexe en versnipperde regelgeving.

Minister Schultz van Haegen:

“Dat er nu één wet komt voor de gehele leefomgeving is absoluut een mijlpaal voor Nederland. Ik ben dan ook blij dat na de Tweede Kamer er ook in de Eerste Kamer brede steun is voor de Omgevingswet. Of het nu gaat om een dakkapel of de aanleg van de Tweede Maasvlakte, door regels eenvoudiger te maken geven we bewoners en bedrijven meer ruimte voor innovatie en eigen initiatief. De wet had niet tot stand kunnen komen zonder de betrokkenheid van lokale overheden, de koepels, het bedrijfsleven, wetenschappers en vele anderen partijen. "

Omgevingswet; één wet, één vergunning

In de Omgevingswet worden 26 bestaande wetten opgenomen en het aantal algemene maatregelen van bestuur teruggebracht van 120 naar 4. Deze vermindering van regels moet onder meer leiden tot meer kwaliteit voor de leefomgeving, een grotere keuzevrijheid voor ondernemers, kortere procedures en minder onderzoekslasten. Eén wet, één vergunning.

AMvB’s

De volgende stap in het proces is de uitwerking van de Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s). Hierin worden de afspraken beschreven over bijvoorbeeld het aanvragen van vergunningen, normen over water en geluid en de ruimte om te mogen experimenteren. De AMvB’s gaan op 1 juli in consultatie en worden tegelijkertijd toegestuurd aan de Eerste en Tweede Kamer.

Voordelen Omgevingswet

Met de komst van de Omgevingswet maken de vele bestemmingsplannen plaats voor één omgevingsplan. Een eenvoudig raadpleegbaar plan met alle regels voor de gehele fysieke leefomgeving.

In de Omgevingswet gaat participatie een  belangrijke rol spelen. Door participatie aan het begin van het proces te organiseren ontstaat er meer draagvlak, meer creativiteit en meer betrokkenheid.

Dankzij de Omgevingswet kunnen bewoners en bedrijven eenvoudiger aan- of uitbouwen en bijgebouwen plaatsen of andere kleine bouwwerken aan de achterkant van een het hoofdgebouw neerzetten.  Het vergunningvrij uitbouwen wordt  uitgebreid van 2,5 naar 4 meter.

Dankzij de wet krijgen lokale bestuurders meer ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk.  De Omgevingswet houdt rekening met regionale verschillen, zoals stedelijke groei en bevolkingskrimp. Ook maakt de wet het mogelijk om beter in te spelen op actuele ontwikkelingen, zoals het aanpakken van leegstand.

De Omgevingswet maakt het straks mogelijk om meer te experimenteren, waarmee een oplossing geboden wordt voor nieuwe technische ontwikkelingen die nu vastlopen op  de grenzen van regelgeving.  De  experimenteerbepaling is de wet geeft vernieuwingen een kans door eerst te onderzoeken of ze een verbetering zijn. Positieve ervaringen met het experiment kunnen leiden tot aanpassing van de regelgeving.

 

Documenten

 

Print Friendly and PDF ^

Mulderzaak milieuzone Utrecht. Kantonrechter stelt administratieve sanctie op nihil.

Rechtbank Midden-Nederland 8 februari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1129

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van €90. Het gaat om een gedraging, verricht op 14 mei 2015 om 16:22 uur te Utrecht (Sowetobrug/Graadt van Roggenweg) met een personenauto: rijden in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990.

Betrokkene voert de volgende gronden aan. Betrokkene stelt dat hij op betreffende pleegdatum in Utrecht een persoon wilde ophalen. Bij het inrijden merkte betrokkene een voor hem onbekend bord (C6 met onderbord) op en besloot om het voertuig tot stilstand te brengen om te achterhalen wat het bord inhoudt. Betrokkene stelt dat het hem duidelijk werd, na het lezen van de omschrijving, dat het om een milieuzone gaat en het verbod voor zijn voertuig geldt. Betrokkene stelt dat hij direct is omgekeerd om de milieuzone te verlaten. Betrokkene stelt dat de overheid heeft nagelaten om burgers hiervan op de hoogte te stellen en dat betrokkene dit niet tijdens zijn theorie-examen heeft gehad omdat dit destijds niet van toepassing was. Betrokkene vindt dat hij adequaat gehandeld heeft door uit te zoeken wat het bord inhoudt en hier op juiste wijze heeft gehandeld door de milieuzone te verlaten. Volgens betrokkene is het bord bovendien zeer onduidelijk. Betrokkene verzoekt de kantonrechter om de beslissing van de officier van justitie te herzien.

De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is.

De kantonrechter stelt vast dat betrokkene stelt dat er omstandigheden zijn waardoor de administratieve sanctie op nihil of op een lager bedrag had moet worden vastgesteld. De kantonrechter heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van betrokkene dat hij, na het zien van het bord (C6 met onderbord), gelijk heeft onderzocht wat het bord voor hem betekende. Betrokkene is door de opgezochte informatie tot de conclusie gekomen dat het bord voor zijn motorvoertuig geldt en heeft adequaat gereageerd door de milieuzone te verlaten. In de aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter dan ook aanleiding om de sanctie te matigen tot nihil.

Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Eis: 200.000 boete en gevangenisstraffen voor import verboden gewasbeschermingsmiddelen

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op 23 maart voor de rechtbank in Breda gevangenisstraffen van een jaar – waarvan een half jaar voorwaardelijk- geëist tegen een 46-jarige man uit de gemeente Oosterhout en een 43-jarige man uit de gemeente Monster voor het importeren van meer dan 20.000 kilo in Nederland verboden gewasbeschermingsmiddelen en het vervalsen van etiketten en facturen. Tegen een groothandel uit de gemeente Oosterhout eiste de officier van justitie 200.000 euro boete. Daarnaast heeft het OM op zitting een ontneming van circa 1.000.000 euro aangekondigd. De groothandel in de gemeente Oosterhout heeft – zo blijkt uit onderzoek door de NVWA- in totaal circa 20.500 kilo bitoxybacillin (in de volksmond BN3) en lepidocide afgezet bij rozenkwekers. Beide middelen worden gebruikt voor de bestrijding van spint bij rozen. De middelen zijn niet in Nederland toegelaten. De middelen zouden via Rusland zijn geïmporteerd en door de groothandel zijn omgekat naar ‘bladglans’ dan wel ‘bladvoeding’. Ook de bijbehorende facturen zouden zijn vervalst.

Er mogen in Nederland alleen officieel toegelaten gewasbeschermingsmiddelen worden verkocht en gebruikt. En dat is niet voor niets, waarschuwde de officier van justitie op zitting: “Het gebruik van niet-toegestane middelen kan een gevaar opleveren voor mens, dier en milieu. Gewasbeschermingsmiddelen bevatten gevaarlijke stoffen. Wanneer schadelijke stoffen aan planten en gewassen verkeerd worden toegediend, kunnen mensen door inademing of contact met de huid schadelijke stoffen binnen krijgen. Of de stoffen kunnen via dieren of grondwater in onze voedselketen terecht komen. De stoffen zijn vaak niet als gevaarlijke illegale stoffen herkenbaar met alle gevaren van dien.” De verkoopprijs in Nederland van illegale gewasbeschermingsmiddelen ligt vele malen hoger dan de inkoopprijs in landen ver weg. Verder is de toelatingsprocedure om een middel op de markt te mogen brengen een tijdrovende en dure aangelegenheid. De handel in illegale middelen zorgt voor concurrentievervalsing. De officier laakte op zitting de houding van verdachten: “Snel veel geld verdienen is belangrijker dan rekening houden met de gevolgen op de middel en lange termijn voor de leefomgeving van mens en dier. Zoals zo vaak worden de gevolgen afgewenteld op de samenleving.” Mede daarom vindt de officier van justitie een gevangenisstraf van een jaar – waarvan een half jaar voorwaardelijk- passend voor de mannen die leiding hebben gegeven aan de strafbare gedragingen. Tegen de groothandel eiste de officier 200.000 euro boete.

Het OM wil ook dat de verdachten het wederrechtelijk verkregen voordeel terugbetalen aan de staat. Op zitting werd een ontnemingsvordering van 988.865 euro aangekondigd voor de groothandel en de 46-jarige eigenaar. De 43-jarige man uit de gemeente Monster hoorde een ontneming van 169.775 euro aankondigen. Tegen drie rozenkwekers die meer dan 1000 kilo van de verboden middelen afnamen, eiste de officier een boete van 2500 euro.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^