Bedoeling Flora- en Faunawet: niet meer dan 2 jachthouders voor dezelfde grond. Verdachte mocht jagen. Vrijspraak.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1862

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2013 te Nagele, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als houder van een jachtakte een geweer heeft gedragen en/of laten dragen op gronden, te weten op de percelen E17 en E18, waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was, immers

a. kwam hem en/of zijn medeverdachte(n) het genot van de jacht daar niet toe, omdat in strijd met artikel 33 en 34 van de Flora- en faunawet het genot van de jacht was verhuurd aan twee huurders en was/waren hij/zij dus niet gerechtigd daar een geweer te (laten) dragen,

en/of

kwam hem en/of zijn medeverdachte(n) het genot van de jacht daar niet toe, omdat in strijd met artikel 49 Flora- en faunawet er werd gejaagd op een jachtveld dat niet voldeed aan de eisen van artikel 10 en 11 van het Jachtbesluit, immers werd er met meerdere jachthouders gejaagd en/of liet(en) verdachte(n) meerder jachthouders jagen op een jachtveld van 45 hectaren.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

In de eerste vier regels en onder sub b is aan verdachte tenlastegelegd - kort weergegeven - dat hij een geweer heeft gedragen op gronden waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was, immers kwam hem als jachthouder het genot van jacht daar niet toe omdat er werd gejaagd op een jachtveld dat niet aan de wettelijke eisen voldeed.

Het hof is van oordeel dat het in de eerste vier regels en onder sub b tenlastegelegde innerlijk tegenstrijdig is. Verdachte was uit hoofde van het jachthouderschap gerechtigd tot het genot van de jacht (art. 1 in samenhang met artikel 33 en 34 van de Flora- en faunawet) op bedoelde percelen. Dat verdachte dat genot mogelijkerwijs niet mocht uitoefenen omdat het jachtveld niet zou voldoen aan de door de wet gestelde eisen, maakt dat niet anders.

Het hof zal de inleidende dagvaarding daarom, voor zover het betreft het onder sub b tenlastegelegde, nietig verklaren.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder sub a tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Bij schriftelijke overeenkomst, gedagtekend 22 maart 2010, hebben verdachte en betrokkene 1 het genot van de jacht van betrokkene 2 gehuurd. Blijkens die huurovereenkomst zijn de huurders gerechtigd tot het genot van de jacht op de gronden J17 en J18, waarvan betrokkene 2 eigenaar is.

Artikel 1 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

jachthouder: degene die overeenkomstig het in de artikelen 33 of 34 bepaalde gerechtigd is tot het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht;

Artikel 33 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Gerechtigd tot het genot van de jacht is:

a. de eigenaar van de grond indien niet ingevolge het in onderdeel b of c bepaalde de erfpachter, vruchtgebruiker, beklemde meier of pachter gerechtigd is tot het genot van de jacht en voorzover het genot van de jacht niet is verhuurd;

de huurder van het genot van de jacht voorzover hij dat overeenkomstig artikel 34, eerste lid, heeft gehuurd (…);

Artikel 34 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

1. Degene die ingevolge het bepaalde in artikel 33, onderdeel a, b of c, gerechtigd is tot het genot van de jacht, kan dat genot geheel of gedeeltelijk aan één ander verhuren, mits bij een schriftelijke en gedagtekende huurovereenkomst.

Uit het eerste lid van artikel 34 volgt dat het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht aan ‘één ander’ kan worden verhuurd. Aangezien zowel verdachte als betrokkene 1 hebben getekend als huurders van het genot van de jacht, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er - in het onderhavige geval - sprake is van een geldige overeenkomst.

Uit de memorie van toelichting volgt het volgende.

‘De jachthouder kan, voor zover hij het genot van de jacht op de betreffende grond niet heeft gehuurd, dat recht geheel of gedeeltelijk overdragen aan één ander door middel van gedagtekende en schriftelijke overeenkomsten van huur en verhuur van de jacht, aangezien het jachtrecht een vermogensrecht in de zin van artikel 1585 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 7A) is. Kiest hij voor gedeeltelijke verhuur van het jachtrecht, dan kan hij daarnaast niet nog een ander gedeelte van het jachthouderschap op de betreffende grond overdragen.

Anders dan thans het geval is, is het degene die het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht heeft gehuurd, niet toegestaan het door hem gehuurde genot van de jacht in gedeelten te verhuren. Wanneer het genot van de jacht in te veel delen wordt opgesplitst, bijvoorbeeld per wildsoort of groep van wildsoorten, per periode of per middel, dan zouden op hetzelfde stuk grond verschillende jachthouders aanwezig zijn met elk een eigen verantwoordelijkheid. Zo'n situatie komt de samenhang in de uitvoering van het wildbeheer niet ten goede. Hij die slechts een gedeeltelijk jachthouderschap bezit, kan het gedeelte dat hij bezit slechts in zijn geheel weder verhuren. Op deze wijze zijn er nooit meer dan twee jachthouders op dezelfde grond. De mogelijkheid van een gedeeltelijke verhuur van het jachthouderschap is gehandhaafd om terreinbeherende instanties de mogelijkheid te bieden

een deel van het wildbeheer te verhuren en een ander deel in eigen beheer te houden’.

Het hof begrijpt de strekking van artikel 34, eerste lid, van de Flora- en faunawet tegen de achtergrond van de memorie van toelichting aldus dat de wetgever het onwenselijk acht dat er meer dan twee jachthouders voor dezelfde grond zijn.

In de onderhavige casus is als gevolg van de huurovereenkomst sprake van twee jachthouders, te weten verdachte en betrokkene 1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1 in samenhang met artikel 33, onder a, is eigenaar betrokkene 2 immers geen jachthouder meer.

Naar het oordeel van het hof verdraagt dit zich met de bedoeling van de wet en moet in een geval als het onderhavige aan het woord “één” in “één ander” niet zodanige betekenis worden toegekend dat niet meer dan één persoon huurder kan zijn. Het hof merkt nog op dat er in de Nota van toelichting op het Jachtbesluit ook van uit wordt gegaan dat er van méér dan één huurder sprake kan zijn in een huurovereenkomst.

Gelet op het vorenstaande acht het hof niet bewezen dat verdachte niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was op de percelen E17 en E18 en hem het genot van de jacht daar niet toekwam. Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het hem onder a tenlastegelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte rechtspersoon heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke milieuverontreiniging (art. 173a Sr) door asbestresten in de lucht te brengen

Gerechtshof Amsterdam 29 oktober 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5050 De verdachte rechtspersoon wordt veroordeeld wegens het opzettelijk en wederrechtelijk een stof (asbest) in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is.

Verweren

De raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft daartoe, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

  1. Niet bewezen kan worden dat de verdachte asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal op de bodem heeft gebracht, nu de vloer van een warenhuis niet valt onder het begrip ‘bodem’ in de zin van de Wet Bodembescherming. Voor het brengen van asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal in de lucht dient in het dossier concreet bewijsmateriaal voorhanden te zijn, hetgeen ontbreekt. Het vaststellen dat op de vloer en op speakers asbest is aangetroffen is daartoe onvoldoende. Evenmin kan dan ook bewezen worden dat de verdachte asbestmateriaal in de lucht heeft gebracht;
  2. Niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op brengen van asbestmateriaal op de bodem, dan wel in de lucht, nu de verdachte hiervan geen wetenschap had. Dat hiervan sprake zou zijn blijkt niet uit de rapporten. Ook van voorwaardelijk opzet is geen sprake geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat asbestmateriaal op de bodem of in de lucht werd gebracht en dat de verdachte deze kans heeft aanvaard.
  3. Van de ten laste gelegde gedragingen kan niet gezegd worden dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid ontstond of te verwachten was. Uitgegaan dient te worden van de situatie zoals deze is aangetroffen op 17 en 21 maart 2008. Verder dient in ogenschouw genomen te worden hetgeen destijds bekend was over de gevaren van asbest. Uit het dossier volgt niet van welk potentieel blootstellingsrisico sprake is geweest. De verdediging leidt uit het dossier af dat dit risico in elk geval niet hoog was. Niet blijkt dat het asbestmateriaal in te hoge onaanvaardbare en ontoelaatbare concentraties aanwezig was.

Beoordeling hof

Het hof verwerpt de verweren en overweegt hieromtrent als volgt.

Search heeft blijkens de stukken in het dossier reeds op 11 juli 2003 een rapport opgemaakt naar aanleiding van de door hen verrichtte asbestinventarisatie met risicoanalyse in het winkelfiliaal van verdachte te Hoorn, waaruit bleek dat er onder meer plaatmateriaal met asbest (amosiet) was aangetroffen (dossierpagina’s 497 e.v.).

Op 19 november 2007 is er een rapport verschenen van Prevend, waaruit eveneens naar voren kwam dat er asbest in het pand was aangetroffen (dossierpagina’s 356 e.v.). Op 29 januari 2008 is er door bedrijf 3 een rapport opgemaakt naar aanleiding van de door hen verrichtte asbestinventarisatie in de winkelpanden van verdachte te Hoorn. Ook daaruit bleek dat er asbest (amosiet) was aangetroffen in het perceel adres 2 op onder meer plaatmateriaal tegen de plafonds, kolommen en wanden, dat emissierisico’s en daarmee ook gezondheidsrisico’s aanwezig waren en er grote saneringsurgentie was (dossierpagina’s 401 e.v.). Op 4 februari 2008 komt er een volledig asbestinventarisatierapport van bedrijf 1.

Hierin is vastgesteld dat er op verschillende plaatsen in het winkelfiliaal adres 2 asbest aanwezig was in de vorm van niet hechtgebonden amosiet. Onder meer is asbest aangetroffen in het plaatmateriaal tegen het plafond, rondom de kolommen en in de etalages. Het gezondheidsrisico wordt geschaald op 28 punten. Voorts zijn stoffen en resten van amosiet in de winkel aangetroffen op het systeemplafond, op de vloer van de etalage en op een speakerbox.

Het gezondheidsrisico hiervan wordt geschaald op 38 punten. Bij meer dan 20 punten dienen op korte termijn maatregelen te worden getroffen en wordt sanering dringend noodzakelijk geacht (dossierpagina’s 322 e.v.). Tot slot blijkt ook uit het analyserapport van bedrijf 2 van 25 januari 2008 dat in het filiaal op kleefmonsters asbest (amosiet) is aangetroffen (dossierpagina’s 462 e.v.).

Gezien het feit dat in het winkelfiliaal op de vloer van de etalage en op een speakerbox stof met asbestresten is aangetroffen kan het niet anders zijn dan dat – nu voor een andere verklaring geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken – de asbestdeeltjes afkomstig zijn van het beschadigde plafond/de plafondplaten en (derhalve) in de lucht zijn gekomen/gebracht. De lucht in een gebouw valt onder ‘lucht’ in de zin van artikel 173a van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van het hof is blootstelling aan asbestvezels zeer onwenselijk vanwege het algemeen erkende gevaar daarvan voor de gezondheid van de mens. Inademing hiervan is ook in geringe hoeveelheid onomkeerbaar en vormt daarmee een gevaar voor de volksgezondheid. Dat amosiet een schadelijk soort asbest is, volgt ook uit de rapportages. Niet kan worden vastgesteld of in dit geval personen in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte zullen ontwikkelen. Wel acht het hof op grond van de rapportages bewezen dat personen aan niet te verwaarlozen asbestvezelconcentraties zijn blootgesteld. Het gevaar van inademing van niet-hechtgebonden asbestvezels, waarvan in casu sprake is, schuilt juist in de cumulatie van die vezels in de longen. Voorkomen moet worden dat personen juist vanwege het risico van cumulatie onnodig dergelijke vezels inademen, nu samen met eerdere of latere blootstelling een kritische waarde kan worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen.

Gelet daarop en gezien het feit dat bij een asbestgerelateerde ziekte als een maligne mesothelioom, naar van algemene bekendheid is, naar de huidige stand van medische kennis geen genezende behandeling mogelijk is, is het hof van oordeel dat het binnenkrijgen van niet te verwaarlozen hoeveelheden asbestvezels doordat dergelijke vezels door luchtcirculatie verplaatst worden per definitie als ‘ernstige schade voor de gezondheid’ onderscheidenlijk ‘levensgevaar’ en afhankelijk van de omstandigheden als ‘gevaar voor de openbare gezondheid’ in de zin van artikel 173a Sr aangemerkt dienen te worden. De gedachte van de verdediging dat onderhavig delict slechts bewijsbaar is indien uit technisch onderzoek blijkt dat de geldende normen ter zake overschreden zijn is dan ook onjuist. Door een groot aantal personen aan deze asbestvezels bloot te stellen, waardoor zij aan meer asbestvezels zijn blootgesteld dan normaal zou zijn geweest, is gevaar voor de openbare gezondheid te duchten.

Uit het dossier volgt verder dat het bij de directie en de medewerkers van verdachte al geruime tijd bekend was dat er asbest in het filiaal aanwezig was en dat sanering met prioriteit moest plaatsvinden. De getuige getuige 1 (floormanager bij de verdachte) heeft verklaard dat alle personeelsleden ervan op de hoogte waren dat er asbest in het perceel zat, dat er na het asbestonderzoek een bijeenkomst voor het personeel is gehouden en dat hij op de hoogte was van de Risico Inventarisatie en Evaluatie (dossierpagina’s 52 e.v.). De getuige getuige 2 (directeur operations en logistiek bij de verdachte) heeft verklaard dat hij bekend was met het asbestinventarisatierapport waarin werd vermeld dat er asbest was aangetroffen en dat er risico was voor asbestbesmetting, waardoor er actie moest worden ondernomen. Daarop is er besloten dat de verwijdering van asbest het best zou kunnen plaatsvinden na het winkel actie, nu er tijdens dit winkel actie circa 20% van de jaarinkomsten wordt gegenereerd. Hij ging er vanuit dat het asbest in de etalage al was opgeruimd (dossierpagina’s 136 e.v.).

De getuige 3 (regionaal manager bij de verdachte), heeft verklaard dat hij bekend was met het asbestinventarisatierapport en dat er asbeststof in de etalage en op de speakerbox werd aangetroffen en dat hij niet weet of het personeel hieromtrent is geïnstrueerd. Hij wist dat het asbesthoudend plafond op diverse plaatsen beschadigd was (dossierpagina’s 114 e.v.).

Aldus was de wetenschap er bij de verdachte dat er beschadigde asbestplaten in de winkel waren en dat er op de vloer van de etalage en op een speakerbox stof met asbestresten waren aangetroffen, die logischerwijs door luchtcirculatie in de lucht kunnen worden gebracht. Ook wist de verdachte dat er risico was voor asbestbesmetting, dat dit niet goed was en dat tot actie moest worden overgegaan. Ondanks dat heeft de verdachte ervoor gekozen te wachten met saneren tot na het winkel actie en ook tot die tijd geen asbestbeschermende maatregelen te treffen. Niet alleen had direct tot sanering overgegaan moeten worden, maar ook hadden er tot de sanering zou plaatsvinden andere maatregelen getroffen moeten worden om te voorkomen dat er asbestdeeltjes in de lucht konden worden gebracht met het risico dat deze konden worden ingeademd door de in het filiaal aanwezig personen.

De inhoud van de rapporten waarop de verdachte zich beroept doet aan vorenstaande niet af. Temeer nu uit (een aantal van) de rapporten juist volgt dat urgente saneringen noodzakelijk waren.

Het verweer dat niet bewezen kan worden dat de verdachte asbest(deeltjes) of asbesthoudend plaatmateriaal op de bodem heeft gebracht, nu de vloer van een warenhuis niet valt onder het begrip ‘bodem’ in de zin van de Wet Bodembescherming behoeft geen bespreking, nu verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Tot slot volgt naar het oordeel van het hof uit de bewijsmiddelen dat de verdachte kan worden aangemerkt als dader van het bewezen verklaarde strafbare feit, nu de betreffende gedragingen redelijkerwijs aan haar kunnen worden toegerekend. De gedragingen hebben immers plaatsgevonden en zijn verricht in de sfeer van de verdachte.

Bewezenverklaring

  • Feit 2 primair: Opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 60.000 waarvan € 20.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De wetenschap dat er asbest is aangetroffen op plaatsen met het risico op verspreiding, wat een gezondheidsrisico voor personen opleverde, diende op zichzelf genomen voor de verdachte directe aanleiding te zijn om tot actie te moeten overgaan. Niet kon worden afgewacht op de expliciete advisering omtrent de saneringsnoodzaak. De verdachte had in deze een eigen verantwoordelijkheid die niet kon worden afgeschoven op haar adviseurs. Zulks klemt temeer nu de verdachte bovendien had besloten eerste winkel actie doorgang te laten vinden alvorens over te gaan tot de saneringswerkzaamheden. De verdachte kan dan ook het verwijt worden gemaakt dat zij geen maatregelen heeft getroffen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Regeling risico's zware ongevallen in werking getreden

Op donderdag 3 maart 2016 is de Regeling risico's zware ongevallen (Rrzo) gepubliceerd in de Staatscourant. De Rrzo treedt op vrijdag 4 maart 2016 in werking.

 

Print Friendly and PDF ^

Besluit risico's zware ongevallen van toepassing op verdachte rechtspersoon

Rechtbank Oost-Brabant 22 februari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:684 Verdachte, een bedrijf uit Hapert, heeft zich schuldig gemaakt aan het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer bij het bevoegde gezag. Door de verdamping van aceton dreigden nadelige gevolgen voor het milieu te ontstaan.

Achtergrond

Verdachte drijft een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wmb) en wordt aangemerkt als een bedrijf waarop het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) van toepassing is. Burgemeester en wethouders hebben als bevoegd gezag hiertoe op aanvraag van verdachte op 14 februari 2012 een omgevingsvergunning verleend.

Tijdens een zogenoemde Brzo-inspectie op 10 september 2014 bleek dat bijna twee maanden daarvoor, op 3 juli 2014, tijdens het lossen van een tankwagen met aceton ongeveer driehonderd liter aceton is uitgestroomd via het ont-/beluchtingsventiel van de opslagtank.

Vast staat dat verdachte de gebeurtenis onmiddellijk heeft gemeld bij de lokale brandweer, die daarop is uitgerukt en maatregelen heeft getroffen. Vast staat ook dat verdachte de gebeurtenis niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld bij de bevoegde autoriteit. Verdachte heeft verder toegelicht dat dit een gebeurtenis was die niet viel onder de normale bedrijfsvoering.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat sprake is van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 Wmb, omdat daaronder moet worden volstaan elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten. Verder moeten door het ongewone voorval nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan. Volgens de officier is aan beide vereisten, die leiden tot een meldingsplicht aan het bevoegd gezag, voldaan. De officier wijst er onder verwijzing naar het veiligheidsinformatieblad op dat aceton een zeer gevaarlijke, giftige en licht ontvlambare stof is, dat er na de lekkage milieugevaarlijke dampen in de lucht zijn vrijgekomen, en dat ook direct werd besloten tot inzet van de brandweer, die is overgegaan tot het aanbrengen van een schuimdeken. De officier stelt zich dan ook op het standpunt dat op zijn minst sprake is van dreigende nadelige gevolgen voor het milieu.

Volgens de officier had verdachte in dit geval daarom direct de bevoegde autoriteit, burgemeester en wethouders dan wel de mandaathouder Omgevingsdienst Midden- en West- Brabant (OMWB) moeten verwittigen, en niet eerst zelfstandig onderzoek of analyse moeten verrichten ter eigen beoordeling of zulks noodzakelijk is.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat weliswaar sprake is geweest van een ongewoon voorval, maar dat hierdoor geen nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan, omdat buiten het bedrijf geen schadelijke effecten zijn ontstaan of konden ontstaan. Volgens de verdediging was daarvoor de hoeveelheid uitgestroomde aceton te weinig. Verdachte wijst in dit verband naar de voor transport van gevaarlijke stoffen geldende ADR, waarin naar haar zeggen een ondergrens van 333 liter aceton is opgenomen. De waarschuwing en aansluitende inzet van de brandweer was louter preventief. Verder vindt de verdediging dat met het bellen van de brandweer als onderdeel van de gemeente in wezen melding is gedaan bij het bevoegde gezag. Verdachte wist niet dat dit burgemeester en wethouders waren. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij haar sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Het oordeel van de rechtbank.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, moet een ongewoon voorval zo spoedig mogelijk worden gemeld indien door dat voorval nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan.

Uit het bepaalde in artikel 1.1, tweede lid van de Wmb blijkt dat onder gevolgen voor het milieu in ieder geval worden verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.

De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke dreiging in dit geval wel degelijk sprake was, nu er 300 liter aceton was uitgestroomd.

Immers, blijkens het veiligheidsinformatieblad van Brenntag betreffen het onder meer gevaren voor de gezondheid: een voor de gezondheid gevaarlijke concentratie in de lucht zal door verdamping van deze stof bij ca. 20 graden Celsius vrij snel worden bereikt; bij vernevelen nog sneller. Verder betreffen het gevaren voor de veiligheid: de dampen kunnen met lucht een explosief mengsel vormen. De rechtbank betrekt in haar oordeel mede dat volgens de weerinformatie van Infoplaza over Bladel op 3 juli 2014 tussen 15:00 uur en 17:00 uur de buitentemperatuur heeft gelegen tussen 26,1 en 27,3 graden Celsius, derhalve nog aanzienlijk boven de in het informatieblad genoemde gevaar indicatie bij 20 graden Celsius.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat verdachte kennelijk zelf eveneens heeft ingeschat dat sprake was van een (dreigende) gevaarlijke situatie, nu zij direct de brandweer heeft gewaarschuwd. Weliswaar heeft de verdediging hieromtrent gesteld dat dit een louter preventieve maatregel betrof, maar ter zitting heeft zij ook naar voren gebracht dat het personeel al ter evacuatie naar buiten was geleid voordat de brandweercommandant daarom had verzocht.

Het standpunt van de verdediging dat uit de regeling omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen, de ADR, voortvloeit dat bij laden en lossen eerst bij een hoeveelheid van meer dan 330 liter aceton sprake is van gevaar doet hier niet aan af: dit betreft een ander beoordelingskader waarin andere feitelijke omstandigheden een rol spelen dan hier aan de orde.

De regelgeving is zodanig, dat bij twijfel aan de ernst van een incident als hoofdregel geldt dat ieder incident waarbij ook maar enige dreiging is van nadelige gevolgen voor het milieu, dit zo spoedig mogelijk moet worden gemeld. In zo‘n geval is het niet aan de inrichting om eerst zelf te onderzoeken of de milieuschade zich al dan niet heeft verwezenlijkt en of er sprake is van reële dreiging. Het is immers voor de overheid van het grootste belang dat indien nodig zo spoedig mogelijk maatregelen kunnen worden getroffen om bij een ongewoon voorval eventuele nadelige effecten op de omgeving te kunnen bestrijden.

Verdachte had dan ook zo spoedig mogelijk melding moeten doen bij de bevoegde autoriteiten, hetgeen niet is gebeurd. Verdachte heeft weliswaar melding gedaan bij de brandweer, maar dit is niet de bevoegde autoriteit. Dat de melding aan de brandweer op zichzelf genomen als adequaat kan worden gekenschetst kan hieraan niet afdoen; het betekent dat onder omstandigheden mogelijk meerdere te verrichten meldingen aan de orde zijn. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent mededelingen aan de gemeentelijke brandweer bij voorgaande gebeurtenissen in de voormalige vestigingsplaats Bergeijk kan evenmin leiden tot het oordeel dat hiermee een melding is verricht aan de bevoegde autoriteit.

Bewezenverklaring

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer bij het bevoegde gezag.

Strafoplegging

Geldboete van EUR 15.000 waarvan EUR 7.500 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Boete voor dakreiniger wegens handelen in strijd met Productenbesluit asbest

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 november 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:8593 Verdachte heeft op ontoelaatbare wijze de leien dakbedekking van een woning met een hogedrukspuit schoongespoten en van mos ontdaan. Door het handelen van verdachte zijn asbestdeeltjes vrijgekomen. Bewoners en bezoekers van de woning zijn als gevolg van het handelen van verdachte blootgesteld aan deze kankerverwekkende stof. Voor hen is het nog onduidelijk of zij gezondheidsschade hebben opgelopen. 

Standpunt OM

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het haar tenlastegelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op verklaringen van getuigen en op documenten die zich in het dossier bevinden, waaronder onder meer twee asbestinventarisatierapporten. Het is verdachte geweest die het bedrag voor verrichte werkzaamheden heeft gefactureerd en opgeëist. De officier van justitie is verder van mening dat verdachte, die aangemerkt kan worden als een gespecialiseerd bedrijf in het ontmossen van daken, dit feit opzettelijk heeft begaan. Verdachte had moeten weten wat de risico’s waren van het met een hogedrukspuit reinigen van de leien.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De werkzaamheden op het dak zijn verricht door onbekend gebleven personen. Het onderzoek heeft volstrekt onvoldoende informatie opgeleverd om te komen tot een strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon. Uit de communicatie en afwikkeling blijkt door de grote variëteit aan presenteerwijzen niet eenduidig op te maken of een rechtspersoon, en zo ja, welke, of dat wellicht gewoon de natuurlijke persoon contractspartij is geweest. Civielrechtelijk is door deze rechtbank uitgemaakt dat het de natuurlijke persoon is geweest die een overeenkomst heeft gesloten met de erven.

De enkele omstandigheid dat door verdachte is gefactureerd is onvoldoende om te komen tot het oordeel dat de gedraging van de onbekend gebleven personen in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden. Daarnaast kan naar de opvatting van de verdediging niet gesproken worden van een opzettelijk handelen. Geconcludeerd is tot vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank

Op verzoek van bedrijf 2 is op 12 mei 2012 een offerte uitgebracht voor het ontmossen en coaten van het dak van de woning gelegen in Ossendrecht. De offerte van “naam bedrijf 3”, is ondertekend door “naam contractpartij voornaam”. Aangegeven is dat de offerte is gemaakt naar aanleiding van zijn beoordeling ter plaatse. De offerte is digitaal verstuurd vanaf het emailadres naam contractpartij, welke mail is ondertekend door naam contractpartij, naam bedrijf 2.nl. Op 10 oktober 2012 is het totaalbedrag van de offerte aangepast. De adresgegevens in deze aangepaste offerte komen overeen met de adresgegevens zoals vermeld in de offerte van 12 mei 2012.

De werkzaamheden aan het dak zijn op 19 oktober 2012 verricht. Door een van de aanwezige personen werd daarbij tegen de bewoonster van de woning gezegd dat het mos van het dak zou worden gespoten waarna ze het mos in de tuin zouden laten liggen. De werklieden hadden geen speciale kleding aan. Vervolgens is met een hogedrukspuit het mos van het dak van de woning afgespoten. Bij thuiskomst zag een van de bewoners dat overal in de tuin mos lag.

Vanwege ongerustheid en naar aanleiding van een via naam bedrijf 2 ontvangen emailwisseling waarin gesproken werd over asbestsanering hebben de bewoners een asbestinventarisatierapport op laten stellen. Het onderzoek is verricht door Witteman Asbestonderzoek. Bij het onderzoek is geconstateerd dat de dakleien, een kleefmonster van een kozijn van de eerste verdieping en een kleefmonster van een buitenscherm asbest bevatten van het type chrysotiel en crocidoliet. Ook in de woning in Ossendrecht werd een asbestbesmetting aangetroffen.

Op grond van het vorenstaande kan wettig en overtuigend bewezen verklaard worden dat op 19 oktober 2012 onderhoudswerkzaamheden zijn verricht aan de woning te Ossendrecht waarbij asbestvezels zijn vrijgekomen terwijl die handelingen niet op zodanige wijze zijn verricht dat gevaar voor mens en/of milieu die door die handelingen konden ontstaan, werd voorkomen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verrichte handelingen zijn toe te rekenen aan verdachte bedrijfsnaam.

Een rechtspersoon is strafrechtelijk aansprakelijk indien een verboden gedraging van een natuurlijk persoon aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Volgens vaste jurisprudentie is toerekening aan de rechtspersoon mogelijk indien die strafrechtelijke gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de volgende omstandigheden heeft voorgedaan:

  • het gaat om handelen of nalaten van iemand die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  • de gedraging past in de normale bedrijfsvoering;
  • de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest;
  • de rechtspersoon kon beslissen of de gedraging wel of niet zou plaatsvinden en dergelijk gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken werd aanvaard. Onder aanvaarden wordt ook begrepen het niet betrachten van zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

De rechtbank is van oordeel dat in een strafzaak, los van de juridische constructie, gekeken dient te worden naar de gang van zaken zoals die zich feitelijk heeft voorgedaan.

Naam contractpartij heeft zich naar derden toe op diverse wijzen gepresenteerd. Zoals hiervoor al aangegeven zijn beide offertes op briefpapier van naam bedrijf 3 geprint. De adresgegevens komen overeen met het adres van verdachte bedrijfsnaam. De eerste offerte is verstuurd vanaf het emailadres naam contractpartij. De werkzaamheden zijn vervolgens gefactureerd door verdachte bedrijfsnaam De offertes en de factuur vermelden ook hetzelfde mobiele telefoonnummer.

Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel houdt verdachte bedrijfsnaam zich onder meer bezig met het reinigen van daken.

Vastgesteld wordt dat de hiervoor beschreven werkzaamheden zijn verricht door onbekend gebleven personen. De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden passen in de normale bedrijfsvoering van verdachte bedrijfsnaam Dat de natuurlijk persoon naam contractpartij zich naar derden toe niet altijd eenduidig heeft gepresenteerd doet daar niets aan af. Verder kan worden vastgesteld dat het gaat om handelingen van personen die werkzaam zijn geweest ten behoeve van de rechtspersoon, immers het is verdachte bedrijfsnaam geweest die de door de onbekend gebleven personen verrichte werkzaamheden heeft gefactureerd.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de handelingen toegerekend kunnen worden aan de rechtspersoon.

Ten aanzien van het opzet overweegt de rechtbank nog het volgende. Opzet van een natuurlijk persoon kan onder omstandigheden worden toegerekend aan de rechtspersoon. Dit is in ieder geval mogelijk wanneer aan een bepaalde functionaris het in het kader van de bedrijfs- of beleidsvoering is opgedragen of overgelaten om activiteiten te verrichten of initiatieven te ontplooien voor de rechtspersoon. Werkzaamheden die medewerkers verrichten binnen hun bevoegdheden vallen daar in ieder geval onder. In een dergelijk geval kan het opzet van een individuele medewerker worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Naam contractpartij presenteert zich naar derden toe als de naamgever en eigenaar van het bedrijf. Voorafgaande aan de ontmossingswerkzaamheden is de situatie ter plaatse beoordeeld door naam contractpartij. Naar aanleiding van deze beoordeling zijn de werkzaamheden uitgevoerd zoals hiervoor al aangegeven.

De rechtbank is van oordeel dat naam contractpartij, gelet op zijn specifieke expertise, namelijk het reinigen van daken, had kunnen en behoren te weten dat een leien dak van een dergelijke woning asbesthoudend materiaal zou kunnen bevatten. Door zijn handelwijze, namelijk het (laten) schoonspuiten van een leien dak met een hogedrukspuit, heeft naam contractpartij voorwaardelijk opzet gehad. Die opzet kan aan de rechtspersoon, bedrijfsnaam, toegerekend. De rechtbank acht daarmee de opzetvariant wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 10.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^