'Wat is de juridische waarde van de soortenstandaard bij ontheffingen op grond van de Flora- en faunawet?'

Bij het uitvoeren van activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- of plantensoorten is het vaak nodig om preventieve maatregelen te treffen. Voor een aantal veel voorkomende diersoorten is op RVO.nl een soortenstandaard gepubliceerd. Hierin staat onder andere informatie over de kenmerkende ecologische aspecten van de soort en maatregelen om de soort te beschermen. De soortenstandaard is een handig hulpmiddel, maar onduidelijk was wat de juridische status van de soortenstandaard is. Op 10 februari 2016 heeft de Afdeling in een uitspraak hierover duidelijkheid gegeven. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG over de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen. HR: art. 81.1 RO.

Hoge Raad 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:204 Verdachte verzorgt het vervoer van goederen over het spoor. Aan verdachte wordt verweten dat zij treinen beladen met gevaarlijke stoffen na het afsluiten van een rangeerproces op een emplacement heeft laten “overstaan” zonder deze te onderwerpen aan controles en van die controles registraties bij te houden (zogenaamde parkeercontroles).

Het Gerechtshof Den Haag, Economische Kamer, heeft bij arrest van 7 mei 2014 de verdachte wegens 1, 2, 4 en 5. opzettelijke overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet Vervoer Gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd veroordeeld tot een geldboete van € 100.000 en de verdachte strafbaar verklaard wegens 3. overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Wet Vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon onder de bepaling dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Het beroep is ingesteld door de verdachte. De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Eerste middel

Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat geen grond bestaat voor het standpunt van de verdediging dat de in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde regelingen onverbindend zijn.

Conclusie AG

De besteden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

“De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotitie, bepleit dat de verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging (…).

Het hof verwerpt bovengenoemde verweren en overweegt hiertoe als volgt.

Voor het standpunt van de raadsman dat de in de tenlastelegging bedoelde regelingen onverbindend zijn, bestaat geen grond. Niet valt in te zien dat de onderhavige controlevoorschriften de tussenstaatse handel direct of indirect, daadwerkelijk of potentieel, kunnen beperken, zoals de raadsman lijkt te stellen. Al hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd, is niet aannemelijk geworden. Zo dit al anders zou zijn, zijn bedoelde eenvoudige voorschriften betreffende onder andere controle op lekkage van gevaarlijke stoffen naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd en proportioneel met het oog op het voorkomen van gevaar, schade of hinder voor mens, dier en omgeving als gevolg van schadelijke stoffen. Voor zover de raadsman het toepasselijke sanctieregime mede kwalificeert als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking verliest hij uit het oog dat het hier betreft een niet-forfaitaire boeteregeling waarbij de hoogte van de boete door de rechter van geval tot geval is te bepalen, zonder onderscheid naar de herkomst van de verdachte.”

In de toelichting op het middel wordt uitvoerig hetgeen verdachtes raadsman in hoger beroep heeft aangevoerd geciteerd en samengevat, zonder dat daarbij wordt gesteld of onderbouwd dat en waarom het Hof onterecht of ontoereikend gemotiveerd van dat aangevoerde is afgeweken. In die herhaling ontwaar ik dan ook geen klachten die zich lenen voor bespreking in cassatie.

Met enige welwillendheid kan in het slot van de toelichting de klacht worden gelezen, dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het in de bewezenverklaring genoemde voorschrift 1.9.5.1 NE uit (artikel 3) van de bijlage 2 bij de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (hierna VSG) verbindend is en het aldus heeft miskend dat de in dat voorschrift geregelde materie uitputtend is geregeld in het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID). Daartoe wordt aangevoerd dat art. 3 RID verdragsstaten slechts toestaat het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen op het eigen grondgebied te regelen of te verbieden “om andere redenen dan die van de veiligheid gedurende het vervoer”

Het RID is bijlage C bij het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF; Trb. 1980, 160). De Nederlandse vertaling is opgenomen als bijlage 1 bij het VSG (vgl. art. 2 onder a van deze regeling). Het RID wordt tweejaarlijks gereviseerd. De bijlage bij het VSG is laatstelijk per 1 mei 2015 vervangen (Stcrt. 2015, 11506). De verplichting het RID in nationale wetgeving te implementeren vloeit voort uit (art. 3, eerste lid, van) Richtlijn 2008/68/EG van het Europees parlement en de raad van 24 september 2008 (PB L 260/13; hierna: de richtlijn), waarbij het RID als bijlage II is opgenomen.

  • Art. 3 van de richtlijn houdt in:

“1. Onverminderd artikel 6 worden gevaarlijke goederen niet vervoerd wanneer zulks is verboden door bijlage I, deel I.1, bijlage II, deel II.1, of bijlage III, deel III.1.

2. Onverminderd de algemene regels inzake markttoegang en de algemeen toepasselijke regels op het vervoer van goederen, is het vervoer van gevaarlijke goederen, overeenkomstig de voorschriften van bijlage I, deel I.1, bijlage II, deel II.1, en bijlage III, deel III.1, toegestaan.”

  • Art. 1, vijfde lid, van de richtlijn luidt:

“De lidstaten kunnen, uitsluitend om andere dan redenen van veiligheid tijdens het vervoer, vervoer van gevaarlijke goederen op hun grondgebied regelen of verbieden.”

De verplichting de in de tenlastelegging en bewezenverklaring bedoelde controles uit te voeren en te registreren, berust op voorschrift 1.9.5.1 NE zoals opgenomen in bijlage 1 bij het VSG:

“1.9.5.1 NE Laten staan van spoorwagens

1. In deze NE-bepaling wordt verstaan onder:

a. laten staan: het feitelijk aanwezig zijn van een wagen of van wagens in stilstand op een spoorweg buiten de inrichting van de afzender of geadresseerde, nadat het rangeerproces op het desbetreffende rangeeremplacement is afgesloten;

b. onregelmatigheid: een voorval waarbij de desbetreffende wagen of de lading niet meer voldoet aan de voorschriften van deze regeling.

2. Het laten staan van wagens met de in de randnummers 1.10.3.1.2 en 1.10.3.1.3 van bijlage 1 bedoelde gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel en wagens waarop zich – conform randnummer 1.1.4.4 van bijlage 1 in het gecombineerde rail/wegvervoer gebruikte – wegvoertuigen met dergelijke goederen bevinden, is slechts toegestaan indien de leden 3 tot en met 6 in acht wordt genomen.

3. Alvorens de in het tweede lid bedoelde wagens te laten staan, worden deze gecontroleerd op onregelmatigheden. Deze controle wordt tijdens het laten staan ten minste elke acht uur herhaald, tenzij de wagens onder voortdurend toezicht staan.

4. Van de controle en het onder toezicht staan wordt een registratie bijgehouden. Hierin worden ten minste de volgende gegevens aangegeven:

a. wagennummer;

b. datum en tijdstip van de controle;

c. geconstateerde onregelmatigheden;

d. eventueel genomen maatregelen.

5. De controle en het onder toezicht staan als bedoeld in het derde lid en de registratie, bedoeld in het vierde lid, geschieden onder verantwoordelijkheid van de vervoerder.

6. De registratie, bedoeld in het vierde lid wordt gedurende ten minste drie maanden bewaard.”

Volgens de steller van het middel gaat het hier om een veiligheidsvoorschrift en staat het Nederland op grond van het hiervoor beschreven juridisch kader niet vrij in aanvulling op het RID dergelijke voorschriften te stellen.

De steller van het middel miskent dat in hoofdstuk 1.9 “beperkingen in het vervoer door de bevoegde autoriteiten” van het RID is opgenomen:

“1.9.5. Niettegenstaande de voorschriften van voorgaande secties kunnen de RID-Verdragsstaten bijzondere veiligheidsvoorschriften voor het internationale vervoer over de spoorweg van gevaarlijke goederen vaststellen - voorzover het betreffende gebied niet wordt afgedekt door het RID - in het bijzonder met betrekking tot:

- het treinverkeer,

- de reglementering van bedrijfsprocessen, die samenhangen met het vervoer, zoals het rangeren of overstaan,

- de registratie van gegevens over de vervoerde gevaarlijke goederen,

onder voorwaarde dat deze voorschriften zijn opgenomen in de nationale wetgeving van de RID-Verdragsstaat en ook van kracht zijn voor het nationale vervoer over de spoorweg van gevaarlijke goederen over het grondgebied van de RID-Verdragsstaat.

Deze bijzondere voorschriften mogen niet betrekking hebben op gebieden, die worden afgedekt door het RID, en meer in het bijzonder niet de gebieden, genoemd in 1.1.2 a) en 1.1.2 b).”

Anders dan de steller van het middel meent, biedt het RID aldus een zekere ruimte om ook om redenen van veiligheid nadere regels te stellen. Door de richtlijn wordt die vrijheid gerespecteerd. Art. 3 verbiedt immers slechts het vervoer in strijd met de regels van het RID en schrijft voor dat vervoer overeenkomstig die regels is toegestaan. Vergelijk in dat verband ook de considerans bij de richtlijn onder 10, waarin uitdrukkelijk naar hoofdstuk 1.9 wordt verwezen:

“Onverminderd de Gemeenschapswetgeving en de bepalingen van bijlage I, deel I.1 (1.9), bijlage II, deel II.1 (1.9), en bijlage III, deel III.1 (1.9), moeten de lidstaten op grond van de veiligheid van het vervoer het recht behouden om bepalingen te handhaven of in te voeren op gebieden die niet onder deze richtlijn vallen. Deze bepalingen moeten duidelijk en specifiek zijn.”

Nederland heeft van bedoelde ruimte gebruik gemaakt door het formuleren van de regeling 1.9.5.1 NE Laten staan van spoorwagens, zoals opgenomen in bijlage 1 bij het VSG.

In de toelichting op het middel wordt (kennelijk met instemming) erop gewezen dat verdachtes raadsman in hoger beroep een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:386) heeft aangehaald en heeft opgemerkt dat daaruit kan blijken dat het RID geen ruimte biedt aanvullende veiligheidsvoorschriften op te nemen in nationale wetgeving. De raadsman vergelijkt hier appels met peren. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft betrekking op nadere veiligheidsvoorschriften die waren verbonden aan een revisievergunning als bedoeld in art. 8.4, eerste lid, Wet milieubeheer. Uit die uitspraak blijkt niet dat de Afdeling bestuursrechtspraak van oordeel is dat het RID eraan in de weg staat dat bij wettelijk voorschrift bijzondere veiligheidsvoorschriften als bedoeld in voorschrift 1.9.5 van het RID worden gesteld. Sterker nog, in overweging 4.5 overweegt zij uitdrukkelijk dat bijlage 2 bij het VSG moet worden opgevat als uitwerking van de in het RID geboden mogelijkheid bijzondere veiligheidsvoorschriften te stellen.

Het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel van het Hof dat het voorschrift 1.9.5.1 NE uit (artikel 3) van de bijlage 2 bij de VSG verbindend is, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt.

Tweede middel

Het tweede middel richt zich tegen de verwerping van een tot bewijsuitsluiting strekkend verweer en klaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof dat het standpunt van verdachtes raadsman in hoger beroep dat sprake is van schending van de verbaliseringsplicht feitelijke grondslag mist.

Conclusie AG

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Voor het standpunt van de raadsman dat er in het vooronderzoek een vormverzuim (als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering) heeft plaatsgevonden wegens schending van de verbaliseringsplicht, met als gevolg bewijsuitsluiting, ontbreekt naar het oordeel van het hof eveneens een feitelijke grondslag. De verbalisanten waren op grond van de Wet op de economische delicten bevoegd onderzoekshandelingen te verrichten, nu er aanwijzingen waren dat de onderhavige regels niet werden nageleefd.

Van schending van de zogenaamde verbaliseerplicht of van waarborgen in het stadium na het ontstaan van verdenking van een strafbaar feit is het hof niet gebleken.”

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2014 en de daaraan gehechte pleitnotitie heeft de raadsman van de verdachte op die terechtzitting het volgende aangevoerd:

“Reeds op de vorige zitting is door de verdediging al gesproken over het feit dat m.b.t. de sfeerovergang van controle naar verdenking er het een en ander mis lijkt te zijn gegaan waar het gaat om de feiten zoals tenlastegelegd onder 1 en 2 en wellicht ook m.b.t de overige feiten. Daarvoor verwijs ik kortheidshalve naar hetgeen ik daarover heb opgemerkt bij de aantekeningen (ten behoeve onderbouwing opgeven getuigen) overgelegd op de zitting van 20 maart 2013, pag. 12 onderaan t/m pag. 16, die onderdeel uitmaken van het proces-verbaal van de zitting van 20 maart 2013.

Daarbij heeft de verdediging haar vermoeden uitgesproken dat de verklaring afgelegd ter zitting in eerste aanleg door getuige [getuige 1] minst genomen doet vermoeden dat er op de achtergrond in ieder geval meer heeft meegespeeld dan te lezen valt in de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal en hij op enig moment (voor zichzelf en in teamverband met IVW) besloten heeft - zonder enige waarschuwing vooraf) om te gaan handhaven.

Het getuigenverhoor van [getuige 2] d.d. 1 oktober 2013 t.o.v. de rechter-commissaris is in dit verband opmerkelijk te noemen, waar staat vermeld (p. 2 en 3):

(...) ‘Er is met 3, respectievelijk 4 inspecteurs gewerkt omdat het aantal te controleren wagens zodanig groot was dat een fatsoenlijke steekproef niet goed met minder personeel kon worden gedaan.’ (...)

En verderop (p. 3 van 6, 3e alinea):

(...) ‘De raadsman houdt mij voor dat [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat ene [betrokkene 1] bepaalde informatie aan [betrokkene 2] heeft verstrekt (onderste alinea op pagina 1 en bovenste deel pagina 2). De naam [betrokkene 1] zegt mij wel iets. Ik weet dat hij bij [verdachte] heeft gewerkt en lid van de OBOC-ploeg was. Ik weet ook dat hij bepaalde zaken bij collega's van mij heeft aangebracht. Ik wist niet dat hij ook specifieke informatie waar het nu om gaat, bij één van de collega's heeft aangebracht. Ik weet niet of die informatie heeft geleid tot verbaliserend optreden van de IVW.’

En verderop (p. 3 van 6 één na laatste alinea):

(...) ‘Intern is er bij ons in het handhavingsoverleg gesproken over de interpretatie van de Parkeerregeling. Het doel hiervan was om binnen de IVW alle neuzen in dezelfde richting te krijgen. Wij hebben daar verder niet actief in de richting van derden over gecommuniceerd, behalve dan in het VSG-overleg. We communiceren wat betreft handhavingsstandpunten niet actief in de richting van vervoerders (...)’

En tenslotte (p. 5 van 6, 3e alinea):

(..) ‘Daar lag een soort beleid onder, in die zin dat we als vakgroep bestaande uit vier inspecteurs tevoren al met elkaar hadden afgesproken dat als de uit de Parkeerregeling voortvloeiende registratieplicht niet werd nageleefd, wij meteen zouden verbaliseren. De aanleiding voor dat beleid lag in het grote aantal druppel lekkages dat op Kijfhoek plaatsvond en bij ons bekend was geworden. (...)’

Een en ander opgeteld bij de verklaring van [getuige 1], afgelegd ten overstaan van de RC op 9 september 2013, waar deze verklaart (p. 1 laatste alinea e.v.):

(...) ‘Een thema dat wij op een bepaald moment hebben opgepakt is de naleving van de parkeerregeling, onder meer op Kijfhoek. De aanleiding daarvoor was dat een medewerker van [verdachte], [betrokkene 1], mijn collega [betrokkene 2] vertelde dat in de nachten van zaterdag op zondag de leden van de OBOG-ploeg lagen te slapen. [betrokkene 1] was lid of was lid geweest van die ploeg en was het niet eens met die gang van zaken. Dit was voor ons aanleiding om te onderzoeken in hoeverre de controles en de registratie die in het kader van de parkeerregeling moesten plaatsvinden, ook daadwerkelijk plaatsvonden. (...)’

En verderop (p. 3 van 7 één na laatste alinea):.

(…) ‘Ik heb het hiervoor gehad over hetgeen [betrokkene 1] van [verdachte] aan mijn collega [betrokkene 2] heeft verteld omtrent de slapende OBOG'ers. Ik weet niet wat [betrokkene 1] precies aan [betrokkene 2] heeft verteld, ik weet wel dat het voor ons de aanleiding was om op de parkeerregeling te gaan controleren. Ik weet niet meer wanneer die melding van [betrokkene 1] werd gedaan.’

En verderop (p. 4 van 7 net onder het midden):

(...) ‘Op 15 april 2009 zijn wij in onze toezichthoudende rol naar [verdachte] op Kijfhoek gegaan. We wisten op dat moment niet of er sprake was van een overtreding van de parkeerregeling. Voor 15 april 2009 gingen wij van IVW er vanuit dat [verdachte] randnummer 1.9.5.1. NE onverkort naleefde omdat dit randnummer in hun eigen bedrijfsinstructies (die golden voor heel Nederland en niet alleen voor Kijfhoek) was opgenomen.(...)

Nadat op 15 april 2009 was gebleken dat er geen registratie voorhanden was, zijn wij het strafrechtelijke traject ingeslagen (...)

In de nacht van 11 april 2009 was [verdachte] echter de enige vervoerder die wij controleerden.’

Naar aanleiding van deze beide ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen en de hiervoor geciteerde passages daaruit, heeft de verdediging van [verdachte] de navolgende opmerkingen:

Blijkens een artikel van september 2005 kopt men: Inspecteur Gevaarlijke Stoffen: Liever veiligheid zonder verbaal (Inspecteur [getuige 1]). In casu wijkt deze modus operandi sterk af. De relatie met [verdachte] lijkt bekoeld en onduidelijk is waarom er niet met [verdachte] is gecommuniceerd op de wijze als gemeld in het artikel, de modus operandi van de Kijfhoeker [getuige 1] (Bijlage 1).

Er is door IVW de hand gelicht met het gestelde in art. 152 Sv., waar met zoveel woorden staat vermeld dat ambtenaren, bedoeld in de art. 141 en 142 Sv. ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden.

Uit het ingeleverde proces-verbaal heeft immers de verdediging, noch de rechtbank in eerste aanleg, kunnen afleiden dat IVW in de personen van [betrokkene 2], [getuige 1] en [getuige 2] de beschikking hadden over informatie afkomstig van [betrokkene 1], die een conflict had met [verdachte] c.q. de OBOG-ploeg.

[verdachte] moet het er dan ook voor houden - gelet op bovengenoemde RC- verklaringen - dat IVW, die voorheen er altijd naar haar zeggen, vanuit is gegaan dat [verdachte] uitvoering gaf aan de Parkeerregeling, andersluidende berichtgeving van [betrokkene 1] heeft ontvangen. Dat vervolgens de neuzen binnen IVW dezelfde kant opgezet zijn voor wat betreft de uitleg van die Parkeerregeling in de Kijfhoekse situatie en er vervolgens in de vroege morgen van de tenlastegelegde zondagen is opgespoord i.p.v. gecontroleerd. Immers moet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de van [betrokkene 1] afkomstige informatie dusdanig specifiek zijn geweest dat er voldoende vlees aan het bot was voor IVW om op volle sterkte op nota bene zondag te gaan naar Kijfhoek.

Een en ander impliceert vervolgens dat de vier, dan wel drie heren van IVW die op de tenlastegelegde zondagen hebben ‘gecontroleerd’ feitelijk hebben opgespoord in de zin van het hebben van een concrete verdenking op basis van feiten en/of omstandigheden (afkomstig van voornoemde medewerker [betrokkene 1]).

Kortom, IVW heeft zich in deze niet gehouden aan haar verbaliseringsplicht, hetgeen dient te worden aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv. Onherstelbaar, immers valt thans, zoveel tijd later niet meer na te gaan welke informatie [betrokkene 1] precies op voorhand heeft verstrekt aan [betrokkene 2] C.S.. Wel is duidelijk dat de opsporingspet door IVW c.q. haar ambtenaren reeds gedragen werd voorafgaande aan de eerste ‘controle’ op de Parkeerregeling te Kijfhoek en daarbij de strafvorderlijke waarborgen voor diegenen die aan dit strafvorderlijk onderzoek hebben blootgestaan met voeten zijn getreden, meer in het bijzonder de strafvorderlijke waarborgen van [verdachte].

Consequenties m.b.t. vormverzuimen ex art. 152 Sv jo. onmogelijkheid controle sfeerovergang ten gevolge van het niet verbaliseren c.a.:

Voor wat betreft de hiervoor gememoreerde vormverzuimen in het kader van 359a Sv. dient in de visie van de verdediging het verkregen bewijs, voor zover zulks als zodanig zal hebben te gelden, te worden aangemerkt als zijnde onrechtmatig verkregen. Een bewezenverklaring strandt in dat geval reeds op gebrek aan voldoende overtuigend bewijs, hetgeen moet leiden tot vrijspraak, van hetgeen ten laste is gelegd onder 1 en 2.”

Als bewijsmiddelen 4, 6 en 7 zijn door het Hof processen-verbaal gebezigd, waarin door buitengewoon opsporingsambtenaren van de toenmalige Inspectie Verkeer en Waterstaat de gang van zaken is vastgelegd van hetgeen is voorgevallen en geconstateerd tijdens controles op de juiste naleving van de bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gegeven regels en voorschriften gehouden op 7 juni 2009, 22 november 2009 en 30 mei 2010. Dat ook op 11 april 2009 een controle heeft plaatsgevonden, zoals zou kunnen worden afgeleid uit de door de raadsman aangehaalde verklaring [getuige 1] is door het Hof niet vastgesteld. Als ik het goed begrijp, heeft de raadsman van verdachte in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat op deze data geen, althans niet alleen, sprake is geweest van het uitoefenen van (bestuursrechtelijk) toezicht en dat de ambtenaren van de inspectie (ook) strafvorderlijk zijn opgetreden. Daartoe is aangevoerd dat reeds voorafgaand aan deze controles aanwijzingen bestonden dat genoemde regels en voorschriften niet werden nageleefd.

Laat ik vooropstellen dat de omstandigheid dat aanwijzingen bestaan – of nog sterker: verdenking bestaat – dat sprake is van strafbare overtreding van regels gesteld bij bijzondere wetten de ambtenaren die op grond van die wetten met toezicht zijn belast niet berooft van hun bevoegdheden dat toezicht uit te oefenen. Dat zou anders kunnen zijn, indien sprake is van misbruik van recht en een bepaalde controlebevoegdheid uitsluitend wordt ingezet om een gedraging te onderzoeken die buiten het bereik van de bijzondere wet valt. Dat daarvan in dit geval sprake zou zijn, is – terecht; het gaat hier immers enkel om naleving van de bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gestelde regels – niet aangevoerd of vastgesteld. Het uitoefenen van controlebevoegdheden mag evenwel niet meebrengen dat jegens een verdachte niet de aan deze als zodanig toekomende (strafvorderlijke) waarborgen in acht worden genomen.

Art. 152 Sv schrijft voor dat opsporingsambtenaren proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing, zoals thans gedefinieerd in art. 132a Sv, is verricht of bevonden. Die verplichting kan ook zien op de daaraan voorafgaande fase van het onderzoek. Hoewel een wettelijke voorziening omtrent verslaglegging van de verrichtingen en bevindingen van opsporingsambtenaren in die onderzoeksfase ontbreekt, zal al naar gelang de aard en de omvang van het in die fase verrichte onderzoek verslaglegging in enigerlei vorm nochtans niet achterwege mogen blijven.

Door verdachtes raadsman is in hoger beroep aangevoerd dat bewijsuitsluiting dient plaats te vinden, omdat de inspectie niet, althans niet afdoende, aan deze verbaliseringsplicht heeft voldaan. Het Hof heeft overwogen dat van een schending van die plicht in het stadium na het ontstaan van een verdenking niet is gebleken en heeft geoordeeld dat het verweer feitelijke grondslag mist. Op zichzelf is dat niet onbegrijpelijk. Zoals hiervoor is opgemerkt, is van het uitvoeren van de controles en hetgeen daarbij is geconstateerd proces-verbaal opgemaakt. Als ik het goed begrijp, bedoelt het middel te klagen dat het Hof heeft miskend dat namens verdachte ook (en vooral) is aangevoerd dat reeds voorafgaand aan het ontstaan van een verdenking aanwijzingen bestonden dat strafbare feiten werden gepleegd en dat ook van die aanwijzingen melding in een proces-verbaal had moeten worden gemaakt. Daarover klaagt het middel terecht. Het Hof heeft verzuimd het verweer van verdachtes raadsman in zoverre te bespreken.

Gelet op de wollige formuleringen en weinig heldere conclusie van verdachtes raadsman kan ik daarvoor overigens wel enig begrip opbrengen. Zo is mij onduidelijk gebleven of de raadsman nu meende dat van de door [betrokkene 1] verstrekte informatie en/of de omstandigheid dat [betrokkene 1] die informatie verstrekte afzonderlijk proces-verbaal had moeten worden opgemaakt of dat volgens de raadsman (het verstrekken van) deze informatie (telkens) in de wel opgemaakte processen-verbaal had moeten worden vermeld. Evenmin helder is mij welke processen-verbaal volgens de raadsman precies van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten. Wat daarvan ook zij, tot cassatie behoeft het verzuim van het Hof niet te leiden. Het Hof had het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer slechts kunnen verwerpen.

Op een afzonderlijk proces-verbaal zal het verweer van de raadsman niet hebben gezien. Een niet-opgemaakt proces-verbaal kan niet worden uitgesloten van het bewijs. Ook wanneer het verweer zag op het proces-verbaal van de controle van 11 april 2009, behoeft geen cassatie te volgen. Zo op die datum al een controle heeft plaatsgevonden en daarvan een proces-verbaal is opgemaakt, is dit proces-verbaal immers niet voor het bewijs gebruikt. Voor zover de raadsman meende dat de wel voor het bewijs gebezigde processen-verbaal van het bewijs dienden te worden uitgesloten, omdat verzuimd is een afzonderlijk proces-verbaal als hiervoor bedoeld op te maken of omdat in die processen-verbaal telkens had moeten worden vermeld dat reeds voorafgaand aan de controle een strafrechtelijke verdenking bestond op basis van informatie van [betrokkene 1] (en, zo vul ik maar aan, op basis de eerdere geconstateerde niet-naleving van de voorschriften) is er ook geen reden tot cassatie. In verband met art. 359a Sv kan bewijsuitsluiting immers slechts aan de orde zijn ten aanzien van bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks gevolg van een aannemelijk geacht vormverzuim. Het uitvoeren van controles op 7 juni 2009, 22 november 2009 en 30 mei 2010 en hetgeen daarbij is geconstateerd kunnen bezwaarlijk worden gezien als rechtstreeks gevolg van het niet vermelden van de omstandigheid dat in die processen-verbaal of in een afzonderlijk proces-verbaal niet is vermeld dat reeds voorafgaand aan die controles aanwijzingen of een verdenking bestond dat door verdachte strafbare feiten werden gepleegd.

Het middel faalt.

Derde middel

Het derde middel behelst in combinatie met de toelichting de klacht dat het Hof het beroep op rechtsdwaling ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Daartoe wordt aangevoerd dat het Hof niet is ingegaan op hetgeen namens verdachte is aangevoerd omtrent de specifieke deskundigheid van de door verdachte ingeschakelde adviseur.

Conclusie AG

In het bestreden arrest wordt naar aanleiding van het in het middel bedoelde verweer slechts zeer kort overwogen dat de verdachte niet, “enkel afgaande op haar eigen adviseur, gerechtvaardigd in de veronderstelling [kon] verkeren dat (…) zij dwaalde ten aanzien van de wederrechtelijkheid van haar gedragingen”.

Dat is een vreemde overweging. Wanneer een beroep op rechtsdwaling wordt gedaan, heeft het weinig zin te onderzoeken of een verdachte in de veronderstelling kon verkeren dat hij dwaalde. Het antwoord op die vraag zegt immers weinig over vraag of dat beroep slaagt of niet. De veronderstelling moet niet zijn gericht op het dwalen als zodanig, maar op de geoorloofdheid van de verrichte gedragingen. Ik neem dan ook aan dat het Hof met deze ongelukkige formulering heeft bedoeld te zeggen dat niet aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedragingen.

Van een dergelijke verontschuldigbare onbewustheid kan sprake zijn, indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. De steller van het middel wijst er terecht op dat de specifieke deskundigheid van de ingeschakelde adviseur een aspect is dat door de rechter bij de beoordeling van een beroep op rechtsdwaling kan worden betrokken. Ook onder meer de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur, de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen, alsook de manier waarop en de omstandigheden waaronder het advies is ingewonnen zijn in de rechtspraak als dergelijke aspecten genoemd.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2014 en de daaraan gehechte pleitnotitie heeft de raadsman van de verdachte op die terechtzitting het volgende aangevoerd:

“Al reeds bij monde van de verdediging tijdens de vorige zitting in hoger beroep is gesteld is voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde feit (1 en 2) vereist dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (HR 4 april 2006, LJN AU4664, NJ 2007, 144 en HR 26 februari 2008, LJN BC0813). Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. (HR 13 december 1960, NJ 1961, 416).

De rechtbank Dordrecht heeft in de onderhavige strafzaak tegen [verdachte] in haar vonnis van 27 september 2011 daarover het volgende gezegd: (pag. 6 van 27 onder IV) ‘De verdediging heeft gesteld dat indien de interpretatie van de regelgeving onjuist is, dit niet aan verdachte kan worden tegengeworpen. De rechtbank is van oordeel dat de interpretatie van de regelgeving voldoende toegankelijk en voorzienbaar is. Zij vloeit voor het ‘laten staan’ en ‘voortdurend toezicht’ immers rechtstreeks voort uit de voor verdachte - professioneel vervoerder van gevaarlijke stoffen per spoor - kenbare gedachte achter die regelgeving en het normale spraakgebruik, waar het betreft ‘voortdurend toezicht’. Verdachtes eigen interpretatie van de regels is daarmee duidelijk in strijd. Het moet dus voor haar voorzienbaar zijn geweest dat die interpretatie onjuist is. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.’

In de onderhavige zaak tegen [verdachte] wordt thans - en zo blijkt ook uit de inmiddels gehoorde getuigen ten overstaan van de rechter-commissaris onder wie [getuige 3] en [getuige 4] - door de verdediging gesteld dat zij voorafgaande aan het eerste proces-verbaal opgemaakt door IVW in de persoon van [getuige 1], zich wel degelijk heeft laten informeren door een persoon aan wie zodanig gezag valt toe te kennen dat zij ([verdachte]) in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen c.q. geïnformeerd heeft naar de uitleg van hetgeen is gesteld Randnummer 1.9.5.1. NE in relatie tot de situatie Kijfhoek, waarin in het derde lid, eerste en tweede volzin voorgeschreven is, dat tijdens het laten staan de wagens ten minste elke acht uur worden gecontroleerd op onregelmatigheden. Ook m.b.t. het gestelde in hetzelfde lid, tweede volzin, dat deze controle achterwege kan blijven indien de wagens onder voortdurend toezicht staan.

[verdachte] heeft zich gedurende jaren en aldus ook in de periode voorafgaande aan 11 april 2009 (de eerste datum waarover een proces-verbaal verschijnt) laten raden door wijlen ir. W.J. Visser, samensteller van RID 2011 vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorweg VSG/RID (hét handboek) alsmede Optreden bij ongevallen met gevaarlijke stoffen 704 pagina's (ISBN 9789012132183). Deze te goeder naam en faam bekend staande Visser was reeds ten tijde van de NS periode betrokken bij het goederenvervoer per spoor, met name gevaarlijke stoffen en voorzag NS en later NS Cargo en dienvolgens [verdachte] van Legal opinion's. Zo ook betreffende Randnummer 1.9.5.1. NE en de daarbij behorende uitleg.

Hoewel een schriftelijke versie van deze Legal opinion niet voorhanden is, valt uit de processen-verbaal van de hiervoor gememoreerde verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris duidelijk af te leiden dat het ter zake gegeven advies een weloverwogen advies betreft van een deskundige, zo niet dé deskundige op dit vlak. Ook staat m.i. onbetwist vast dat W.J. Visser bij uitstek op dit onderwerp als deskundige kon worden gezien en dat deze inderdaad adviseur was van NS/NS Cargo en haar rechtsopvolgers Railion en dienvolgens [verdachte] en wel tot aan zijn overlijden in 2011. De heer Visser was bij leven lid van de RID-expertgroep, die ressorteert onder het OTIF (de organisatie die verantwoordelijk is voor het COTIF-verdrag, hiervoor eerdergenoemd).

De praktijk wijst uit dat binnen de meeste organisaties informatie over gevaarlijke stoffen wel aanwezig is, het raadplegen daarvan is echter vers twee. Vaak is de benodigde informatie weggestopt in dikke handboeken die niet zijn gemaakt om u snel te sturen in uw handelen.

De uitleg die de rechtbank eraan geeft in haar vonnis van 27 september 2011 is [verdachte] bekend. Dit is ook de uitleg die [verdachte] er sinds het tweede proces-verbaal (feit 2, 6 juni 2009) er zelf zekerheidshalve aan heeft gegeven, om reden dat [verdachte] het zekere voor het onzekere heeft willen nemen en heeft genomen. [verdachte] begrijpt als geen ander dat zij - hoewel zij beschikt over een ingewonnen advies bij een gedegen adviseur - een eigen verantwoordelijkheid heeft als het gaat om (toezicht op) de naleving van voorschriften in haar bedrijf dat behoort tot de meer risicovolle bedrijven in Nederland als het gaat om het RID, de Wvgs en eventuele tekortkomingen in het toezicht zijdens het bevoegd gezag haar ([verdachte]) niet straffeloos maken. (…)”

Wel beschouwd, houdt hetgeen verdachtes raadsman heeft aangevoerd slechts in dat verdachte zich ook voorafgaand aan 11 april 2009 heeft laten raden ir. W.J. Visser, dat deze Visser uiterst deskundig was op zijn vakgebied en dat diens niet op schrift gestelde advies weloverwogen was. Opvallend is dat verdachtes raadsman uiterst vaag is over de inhoud van de vermeende adviezen. Niet gesteld wordt dat bedoelde Visser heeft geadviseerd om de in de bewezenverklaring bedoelde controles en registraties niet uit te voeren omdat daartoe geen verplichting bestond. De verwijzing naar hetgeen een tweetal getuigen ten overstaan van de rechter-commissaris hebben verklaard wekt weliswaar de suggestie dat van dergelijk advies sprake is geweest, doch ook uit die verklaringen kan daarvan niet blijken.

De verklaring van [getuige 3] houdt in dat Visser geheel achter de inhoud stond van een brief van verdachte aan de inspectie van 9 juni 2009, waarin wordt uiteengezet hoe de toepasselijke regelingen door verdachte (zouden kunnen) worden geïnterpreteerd. Uit die verklaring blijkt niet dat al voorafgaand aan het opstellen van deze brief met Visser is gesproken over de vraag of dergelijke controles moesten plaatsvinden en geregistreerd moesten worden en dat Visser toen heeft geadviseerd die controles niet uit te voeren althans niet te registeren. Wel zou uit de bij de rechter-commissaris door [getuige 4] afgelegde verklaring kunnen worden afgeleid dat Visser de in de brief van 9 juni 2009 weergegeven interpretatie van de regelgeving niet slechts zag als een bepleitbaar standpunt, maar ook daadwerkelijk van oordeel was dat de regelingen op de in de brief weergeven wijze moesten worden geïnterpreteerd. Die verklaring houdt immers in dat Visser aan [getuige 4] heeft verteld dat hij het in de bewezenverklaring genoemde voorschrift 1.9.5.1 NE samen met anderen heeft bedacht en dat de inspectie het voorschrift anders interpreteerde dan dat hijzelf dat destijds bedoeld had. [getuige 4] verklaart daarover: “met die interpretatie van IVW was hij het totaal oneens en hij kon zich daar zichtbaar over opwinden”.

Hetgeen verdachtes raadsman heeft aangevoerd, houdt niet in dat Visser heeft gesteld dat de in de bewezenverklaring bedoelde controles en registraties niet behoefden te worden uitgevoerd. Ook uit de getuigenverklaringen waarnaar door de raadsman wordt verwezen, kan zulks niet blijken. Wel kan daaruit worden afgeleid dat Visser een eigen interpretatie van de geldende regels aanhing, dat volgens die interpretatie geen controles en registraties nodig waren, dat Visser zich ervan bewust was dat zijn interpretatie afweek van die van de inspectie en dat Visser daarover ook open was. Bij die stand van zaken is niet onbegrijpelijk het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedragingen omdat verdachte niet enkel kon afgaan op de interpretatie van Visser. Dat Visser ongetwijfeld zeer kundig was, zoals door de raadsman in hoger beroep is aangevoerd en in de toelichting op het middel nogmaals wordt onderstreept, doet aan dat oordeel niets af en noopte het Hof dan ook niet tot nadere motivering.

Het middel faalt.

Vierde middel

Het vierde middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring van het opzet telkens ontoereikend heeft gemotiveerd.

Conclusie AG

Ik wijs op de als bewijsmiddel 1 gebezigde verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, waaruit het bewezenverklaard opzet zonder meer kan volgen. De bijlage als bedoeld in art. 365a Sv houdt in dat verband in:

“1. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 13 september 2011 verklaard -zakelijk weergegeven - : U vraagt mij of er een registratie werd bijgehouden. Er wordt uitvoering gegeven door middel van voortdurend toezicht; er vindt geen 8 uur controle plaats.”

Ten overvloede merk ik op dat ik mij heb afgevraagd welk belang verdachte heeft bij deze klacht. Zoals hiervoor ten aanzien van het derde middel is besproken, heeft verdachte zich op het standpunt gesteld, dat bewust geen parkeercontroles werden uitgevoerd en dat daarvan geen registraties werden bijgehouden omdat verdachte een andere interpretatie van de regelgeving aanhing. Mij dunkt dat in die opstelling reeds besloten licht dat het niet uitvoeren en bijhouden opzettelijk geschiedde.

Vijfde middel

Het vijfde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

Conclusie AG

Namens verdachte is op 13 mei 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 6 maart 2015 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met 2 maanden is overschreden.

Het middel is terecht voorgesteld. Dat moet leiden tot strafvermindering.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vernietiging vonnis niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in landbouwsubsidiezaak en terugwijzing

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:375 Strafrechtelijke vervolging na eerdere bestuursrechtelijke toepassing randvoorwaardenkorting op subsidie verleend in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie in verband met dezelfde overtreding. Het hof beantwoordt de vraag of de bestuursrechtelijke subsidiekorting een eerdere 'strafrechtelijke procedure' in de zin van art. 50 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie oplevert, en daarmee of sprake is van dubbele vervolging, ontkennend en wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Achtergrond

Verdachte drijft een varkensbedrijf. Op 13 november 2012 heeft op die locatie een controle plaatsgevonden door ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van (wat toen nog heette) het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Bij die controle is een (vermoedelijke) overtreding geconstateerd, te weten het verzorgen van 2697 gebruiksvarkens, alle ouder dan twee weken, die niet permanent kunnen beschikken over voldoende vers water. Dit zou overtreding opleveren van artikel 2, derde lid in combinatie met artikel 13, tweede lid, van het Varkensbesluit.

Bij beschikking van 23 mei 2013 is door de Dienst Regelingen (DR) van het Ministerie van Economische Zaken een zogeheten randvoorwaardenkorting van 5% toegepast op alle subsidies van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) aangevraagd door verdachte in 2012. Die korting is toegepast naar aanleiding van de hiervoor aangehaalde controle op 13 november 2012 en de bij gelegenheid van die controle geconstateerde (vermoedelijke) overtreding. Door de verdediging is gesteld dat tegen deze beschikking geen bezwaar is gemaakt. Nu het hof geen reden heeft aan die mededeling te twijfelen, zal het ervan uitgaan dat deze beschikking en daarmee de toegepaste randvoorwaardenkorting onherroepelijk is.

Namens verdachte zijn geen stukken overgelegd waaruit de precieze hoogte van de aangevraagde subsidie en (daarmee) de omvang van de korting blijkt. Door de advocaat-generaal is ter terechtzitting van 27 januari 2016 medegedeeld dat navraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de opvolger van de Dienst Regelingen, hem heeft geleerd dat verdachte in 2012 één subsidie heeft aangevraagd en daarop is gekort, en dat die subsidiekorting € 138,55 bedroeg. Bij een kortingspercentage van 5% zou dat betekenen dat de aangevraagde en gekorte subsidie in 2012 € 2.771,00 bedroeg. Niettegenstaande zijn niet nader onderbouwde opmerking in de pleitnota dat ‘de korting enkele duizenden euro’s’ betreft, heeft de raadsman van verdachte desgevraagd medegedeeld dat de exacte hoogte van de aangevraagde subsidie en de toegepaste korting hem niet bekend is, maar dat de door de advocaat-generaal genoemde bedragen zouden kunnen kloppen. Het hof gaat derhalve uit van de juistheid van de door de advocaat-generaal genoemde bedragen.

Op 3 maart 2014 is verdachte vervolgens gedagvaard om op 1 mei 2014 te verschijnen bij de economische politierechter ter zake van het thans ten laste gelegde.

Het hof stelt vast dat de randvoorwaardenkorting is toegepast naar aanleiding van hetzelfde feitencomplex dat thans aan verdachte is ten laste gelegd.

In het navolgende zal eerst het juridisch kader van de GLB-subsidie en de randvoorwaardenkorting en het juridisch kader van het ne bis in idem-beginsel uiteen worden gezet, alvorens de hiervoor opgeworpen vraag te beantwoorden.

Juridisch kader GLB-subsidie en randvoorwaardenkorting

De verdachte heeft een subsidie aangevraagd in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de Europese Unie. Dit beleid is vastgelegd in verschillende Europese verordeningen, waarvan de bepalingen rechtstreekse werking hebben in de Nederlandse rechtssfeer. Ten behoeve van de juiste uitvoering en nadere invulling van deze bepalingen is in Nederland een ministeriële regeling getroffen, de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Stcrt. 2 december 2005, nr. 235, p. 15). Hierin staan de criteria voor subsidieverstrekking, de voorwaarden waar subsidieontvangers zich aan moeten houden en de wijze waarop subsidie moet worden aangevraagd.

De toelichting op de regeling houdt (met cursivering door het hof) onder meer in:

“Met het akkoord van juni 2003 hebben de ministers van landbouw van de Europese Unie een fundamentele hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) goedgekeurd. Uitgangspunt van de hervorming is dat de subsidies ter ondersteuning van de inkomens worden ontkoppeld: zij zijn niet langer afhankelijk van de omvang en de aard van de productie van de landbouwer. Doel van de hervorming is om de landbouwsector in de EU concurrerend te laten zijn en duurzame, marktgerichte landbouw te bevorderen.

Met de hervorming is beoogd tegemoet te komen aan de vraag van de consumenten naar gezond voedsel, meer kwaliteit, milieu- en diervriendelijke productiemethoden, het behoud van de natuurlijke levensomstandigheden en de zorg voor het platteland. Alle vormen van rechtstreekse steun zijn met ingang van 2005 afhankelijk gesteld van de naleving van de normen op deze terreinen. […]

Met ingang van 1 januari 2005 gelden randvoorwaarden voor de landbouwer die directe inkomenssteun aanvraagt: hij moet zich houden aan de beheerseisen – de zogenoemde cross compliance –, hij moet het land in goede landbouw- en milieuconditie houden en hij moet in voorkomend geval blijvend grasland in stand houden.

De randvoorwaarden gelden voor het hele bedrijf, dus ook voor bedrijfsonderdelen waarvoor de landbouwer geen subsidie heeft aangevraagd. Indien de landbouwer randvoorwaarden niet naleeft, wordt hij gekort op zijn inkomenssteun.

Met betrekking tot de verstrekking van subsidies en de daaraan verbonden voorwaarden, houdt de regeling onder meer in:

  • Artikel 2 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (tekst geldend op 13 november 2012)

1. Overeenkomstig verordening 73/2009 en met inachtneming van ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen en deze regeling:

1. wijst de minister op aanvraag aan landbouwers toeslagrechten op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, onder ii en iv, van verordening 73/2009 in het kader van de bedrijfstoeslagregeling toe.

2. verstrekt de minister op aanvraag aan landbouwers:

a. een bedrijfstoeslag, of

b. specifieke steun op grond van Hoofdstuk 2a van deze regeling.

2. De Minister beslist op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, onder 2, uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het jaar van indiening van de aanvraag.

3. Vanaf 16 oktober 2011 betaalt de minister op grond van artikel 1 van verordening 784/2011, voorschotten van 50% van de betalingen voor de steunaanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel 2, onder a, die in 2011 zijn gedaan op voorwaarde dat voor die steunaanvragen de toetsing is afgerond van de subsidiabiliteitsvoorwaarden, bedoeld in artikel 20 van verordening 73/2009.

  • Artikel 3 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (tekst geldend op 13 november 2012)

Een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor één van de in artikel 2 genoemde steunregelingen neemt de volgende bepalingen in acht:

a. de in de artikelen 4 en 5 van verordening 73/2009 bedoelde beheerseisen, opgenomen in bijlage 1, en

b. de in artikel 6 van verordening 73/2009 bedoelde minimumeisen inzake de goede landbouw- en milieuconditie, opgenomen in bijlage 2.

Verordening 73/2009 is op 1 februari 2009 in werking ingetreden. Het is de opvolger van Verordening (EG) 1782/2003, waarnaar in de preambule van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 wordt verwezen. Artikel 4 van Verordening (EG) 73/2009 verplicht een landbouwer die betalingen ontvangt om de beheerseisen en eisen inzake goede landbouw- en milieucondities in acht te nemen. Artikel 5 en 6 van Verordening (EG) 73/2009 schrijven voor, waar en op welke wijze de verschillende eisen zijn of moeten worden vastgelegd. Grotendeels staan de eisen in bijlage II en bijlage III van Verordening (EG) 73/2009, al dan niet met een verwijzing naar door de lidstaten te implementeren Europese richtlijnen. Artikel 4 van Verordening (EG) 73/2009 schrijft de nationale autoriteiten voor om de landbouwer te voorzien van een lijst van de in acht te nemen eisen. Nederland doet dat met bijlage 1 en bijlage 2 bij de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

In bijlage 1 bij de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 staat onder 17.29 als beheerseis (bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van de Regeling) vermeld: ‘[d]e verplichting alle varkens ouder dan twee weken permanent van vers water te voorzien’, EU-wetgevingskader: Minimumnormen varkens 2008/120/EG, Nederlands wetgevingskader: artikel 13 lid 2 Varkensbesluit.

Onder omstandigheden kan een landbouwer gekort worden op de aangevraagde of verkregen landbouwsubsidie. Dit is onder meer geregeld in artikel 68 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (tekst geldend op 13 november 2012):

“1. Indien een landbouwer één of meer verplichtingen op grond van artikel 3 niet naleeft, wordt overeenkomstig Deel II, Titel IV, hoofdstuk III van verordening 1122/2009 een korting opgelegd op het totale bedrag dat op grond van de in artikel 2 bedoelde steunregelingen aan de landbouwer is of moet worden toegekend.

2. Onverminderd artikel 77 van verordening 1122/2009, bedraagt de hoogte van de korting 1, 3 of 5% van het totale bedrag dat op grond van de in artikel 3 bedoelde steunregelingen aan de landbouwer is of moet worden toegekend en wordt in geval van herhaalde of opzettelijke niet-naleving verhoogd overeenkomstig artikel 71 en 72 van verordening 1122/2009.”

Verordening (EG) 1122/2009 houdt de bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) 73/2009 wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem. Deel II, Titel IV, hoofdstuk III van Verordening (EG) 1122/2009 heeft als titel ‘Bevindingen met betrekking tot de randvoorwaarden’ en bevat de artikelen 70 tot en met 72 over de verlagingen en uitsluiting van steun. Relevante bepalingen daaruit zijn:

“Artikel 70

Algemene beginselen en definities […]

8. Voor de toepassing van de verlagingen wordt het verlagingspercentage toegepast op het totale bedrag van:

a) de som van de rechtstreekse betalingen die is toegekend of moet worden toegekend aan de betrokken landbouwer op grond van steunaanvragen die hij heeft ingediend of nog zal indienen in de loop van het kalenderjaar van de bevinding […].

Artikel 71

Toepassing van verlagingen in geval van nalatigheid

1. Onverminderd artikel 77, geldt dat, indien een geconstateerd geval van niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de landbouwer, een verlaging wordt toegepast. Deze verlaging bedraagt in de regel 3 % van het in artikel 70, lid 8, bedoelde totale bedrag.

Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van de bevoegde controleautoriteit in het in artikel 54, lid 1, onder c), bedoelde evaluatiegedeelte van het controleverslag besluiten om dat percentage te verlagen tot 1 % of te verhogen tot 5 % van het bovenbedoelde totale bedrag dan wel in de in artikel 54, lid 1, onder c), tweede alinea, bedoelde gevallen, in het geheel geen verlagingen op te leggen.

Artikel 72

Toepassing van verlagingen en uitsluitingen in geval van opzettelijke niet-naleving

1. Onverminderd artikel 77 geldt dat, indien de geconstateerde niet-naleving door de landbouwer met opzet is begaan, de verlaging die moet worden toegepast op het totale bedrag als bedoeld in artikel 70, lid 8, in de regel 20 % van dat totale bedrag bedraagt.

1. Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van de bevoegde controleautoriteit in het in artikel 54, lid 1, onder c), bedoelde evaluatiegedeelte van het controleverslag besluiten om dat percentage te verlagen tot niet minder dan 15 % of, in voorkomend geval, dat percentage te verhogen tot maximaal 100 % van dat totale bedrag.

2. Indien het geval van opzettelijke niet-naleving betrekking heeft op een bepaalde steunregeling, wordt de landbouwer voor het betrokken kalenderjaar van die steunregeling uitgesloten. Is er sprake van een extreem geval wat de omvang, de ernst of het permanente karakter van de betrokken niet-naleving betreft of zijn herhaalde opzettelijke niet-nalevingen geconstateerd, dan wordt de landbouwer bovendien in het daaropvolgende kalenderjaar van de betrokken steunregeling uitgesloten.”

Een relevante bepaling uit Titel IV, hoofdstuk V van Verordening (EG) 1122/2009 is voorts:

“Artikel 77

Cumulatie van verlagingen

Indien een geval van niet-naleving tevens een onregelmatigheid inhoudt en daardoor relevant is voor de toepassing van verlagingen of uitsluitingen overeenkomstig zowel hoofdstuk II als hoofdstuk III van titel IV, geldt het volgende:

a) de verlagingen of uitsluitingen overeenkomstig titel IV, hoofdstuk II, worden toegepast ten aanzien van de betrokken steunregelingen;

b) de verlagingen en uitsluitingen overeenkomstig titel IV, hoofdstuk III, worden toegepast op het totale bedrag aan betalingen die verschuldigd zijn in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling en alle steunregelingen waarvoor geen onder a) bedoelde verlagingen of uitsluitingen worden toegepast.

De in de eerste alinea bedoelde verlagingen en uitsluitingen worden overeenkomstig artikel 78, lid 2, [hof: genoemd artikel bepaalt de berekening en de volgorde van toe te passen verlagingen] toegepast onverminderd verdere sancties op grond van andere bepalingen van communautair of nationaal recht.”

Voor de toepassing van artikel 68 van de Regeling GLB-inkomenssteun zijn beleidsregels vastgesteld (Stcrt. 21 december 2010, nr. 20450). Artikel 5 van de beleidsregels geeft de criteria om te beoordelen of een niet-naleving opzettelijk heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de in artikel 5, tweede lid, van de beleidsregels genoemde niet-nalevingen van de randvoorwaarden wordt het opzet verondersteld.

Juridisch kader ne bis in idem

Artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, dat in het Nederlandse strafrecht in de weg staat aan een tweede vervolging of bestraffing, is in het onderhavige geval niet van toepassing omdat de randvoorwaardenkorting een bestuursrechtelijk besluit is en geen onherroepelijke beslissing van de strafrechter.

Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is wel relevant het ne bis in idem-beginsel zoals dat is vastgelegd in het Handvest.

Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige zaak, gelet op het eerder geschetste juridisch kader aangaande de GLB-subsidie en de randvoorwaardenkorting, evident sprake van het ten uitvoer brengen van het recht van de Europese Unie, zodat artikel 50 Handvest in casu van toepassing is.

Het Europese Hof van Justitie, waarvan de jurisprudentie leidend is wat betreft de uitleg en toepassing van Europese regelgeving, heeft zich in de zaak Bonda (zaak C-489/10) nadrukkelijk uitgelaten over de aard en strekking van maatregelen die worden getroffen in verband met de niet-naleving van randvoorwaarden bij steunverlening. In deze zaak was Verordening (EG) nr. 1973/2004, de voorganger van Verordening (EG) 1122/2009, de basis voor het intrekken van landbouwsteun. Het betrof in het bijzonder de beantwoording van de prejudiciële vraag: „Wat is juridisch gezien de aard van de sanctie van artikel 138 van [verordening nr. 1973/2004], die erin bestaat dat een landbouwer rechtstreekse betalingen worden ontzegd in de jaren volgende op het jaar waarin hij een onjuiste verklaring heeft afgelegd over de grootte van het areaal dat de grondslag vormt voor [de enkele areaalbetaling]?”

De volgende overwegingen van het Europese Hof van Justitie vormen de essentie:

“28. In dat verband zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de door verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid uitgevaardigde sancties, zoals de tijdelijke uitsluiting van de marktdeelnemer van een steunregeling, niet van strafrechtelijke aard zijn (zie arresten van 18 november 1987, Maizena e.a., 137/85, Jurispr. blz. 4587, punt 13; 27 oktober 1992, Duitsland/Commissie, C 240/90, Jurispr. blz. I 5383, punt 25, en 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C 210/00, Jurispr. blz. I 6453, punt 43).

29. Het Hof heeft namelijk vastgesteld dat dergelijke uitsluitingen dienen ter bestrijding van de talrijke onregelmatigheden die in het kader van de landbouwsteun worden begaan en die, doordat zij zwaar drukken op de begroting van de Unie, de maatregelen kunnen ondermijnen die de instellingen op dit gebied hebben getroffen om de markten te stabiliseren en de landbouwers een redelijke levensstandaard en de verbruikers bij de levering redelijke prijzen te verzekeren (zie arrest Käserei Champignon Hofmeister, reeds aangehaald, punt 38).

30. Het Hof heeft ter onderbouwing van zijn oordeel ook vastgesteld dat de overtreden regels uitsluitend gelden voor marktdeelnemers die er in alle vrijheid voor hebben gekozen een beroep te doen op een landbouwsteunregeling (zie reeds aangehaalde arresten Maizena e.a., punt 13; Duitsland/Commissie, punt 26, en Käserei Champignon Hofmeister, punt 41). Hieraan heeft het toegevoegd dat, in het kader van Unierechtelijke steunregelingen, waarin aan steunverlening noodzakelijkerwijs de voorwaarde wordt verbonden dat de rechthebbende alle waarborgen van eerlijkheid en betrouwbaarheid biedt, de sanctie die wordt opgelegd indien niet aan deze eisen wordt voldaan, een specifiek administratief instrument is, dat een bestanddeel van de steunregeling vormt en een goed financieel beheer van de openbare middelen van de Unie moet verzekeren (arrest Käserei Champignon Hofmeister, punt 41).

31. Er is geen enkele reden om een ander antwoord te geven met betrekking tot de maatregelen waarin is voorzien bij artikel 138, lid 1, tweede en derde alinea, van verordening nr. 1973/2004. […]

36. Aan de vaststelling dat de maatregelen bedoeld in artikel 138, lid 1, tweede en derde alinea, van verordening nr. 1973/2004 administratief van aard zijn, wordt niet afgedaan door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake het begrip „strafrechtelijke procedure” in de zin van het door de verwijzende rechter vermelde artikel 4, lid 1, van protocol nr. 7. [Hof: dit protocol is voor NL niet in werking getreden.]

37. Volgens die rechtspraak zijn in dat verband drie criteria relevant: 1) de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht; 2) de aard van de inbreuk, en 3) de aard en de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd (zie met name EHRM, arresten Engel e.a. v Nederland van 8 juni 1976, série A, nr. 22, §§ 80 82, en Zolotoukhine v Rusland van 10 februari 2009, verzoekschrift nr. 14939/03, §§ 52 en 53).

38. Aangaande het eerste criterium moet worden opgemerkt dat de in artikel 138, lid 1, van verordening nr. 1973/2004 vastgestelde maatregelen, in het Unierecht, dat in casu met het „nationale recht” in de zin van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet worden gelijkgesteld, niet worden geacht strafrechtelijk van aard te zijn.

39. Het tweede criterium vereist dat wordt nagegaan of met de aan de marktdeelnemer opgelegde sanctie met name een repressief doel wordt nagestreefd.

40. In casu blijkt uit de analyse in de punten 28 tot en met 32 van het onderhavige arrest dat de in artikel 138, lid 1, tweede en derde alinea, van verordening nr. 1973/2004 vastgestelde maatregelen slechts kunnen worden genomen ten aanzien van marktdeelnemers die een beroep doen op de bij die verordening ingestelde steunregeling, en dat het doel van die maatregelen niet repressief is, maar in essentie bestaat in de bescherming van het beheer van de middelen van de Unie door de tijdelijke uitsluiting van een steunontvanger die in zijn steunaanvraag onjuiste verklaringen heeft gedaan.

41. Zoals de advocaat-generaal in punt 65 van haar conclusie heeft opgemerkt, pleit voorts tegen een repressief karakter van die maatregelen dat de steun die aan de landbouwer kan worden betaald voor de jaren volgend op het jaar waarin een onregelmatigheid is vastgesteld, slechts wordt verlaagd indien voor die jaren een aanvraag wordt ingediend. Dient de landbouwer voor de volgende jaren geen aanvraag in, dan treft de krachtens artikel 138, lid 1, van verordening nr. 1973/2004 aan hem opgelegde sanctie geen doel. Dat is eveneens het geval indien de landbouwer niet meer aan de voorwaarden voor steunverlening voldoet. Ten slotte is de sanctie eveneens gedeeltelijk onwerkzaam indien het bedrag van de steun waarop de landbouwer voor de volgende jaren aanspraak kan maken lager is dan het bedrag dat op die steun moet worden ingehouden uit hoofde van de maatregel tot verlaging van de wederrechtelijk ontvangen steun.

42. Bijgevolg kan op basis van het in punt 37 van het onderhavige arrest vermelde tweede criterium niet worden vastgesteld dat de in artikel 138, lid 1, van verordening nr. 1973/2004 vastgestelde maatregelen van strafrechtelijke aard zijn.

43. Met betrekking tot het derde criterium moet, naast hetgeen reeds is gezegd in punt 41 van het onderhavige arrest, nog worden opgemerkt dat de in artikel 138, lid 1, tweede en derde alinea, van verordening nr. 1973/2004 vastgestelde sancties slechts tot gevolg hebben dat de betrokken landbouwer het vooruitzicht op steun verliest.

44. Bijgevolg kunnen die sancties niet worden gelijkgesteld met strafrechtelijke sancties op grond van het in punt 37 van het onderhavige arrest vermelde derde criterium.”

In het arrest Åkerberg Fransson (C-617/10) heeft het Hof van Justitie herhaald dat de in overweging 37 van het arrest inzake Bonda aangehaalde drie criteria relevant zijn om te beoordelen of een bepaalde sanctie een strafrechtelijke sanctie is .

Beoordeling van de toegepaste randvoorwaardenkorting

In de kern dient, gelet op de overwegingen van het Hof van Justitie in het zojuist aangehaalde arrest inzake Bonda, te worden beoordeeld of de opgelegde randvoorwaardenkorting een strafrechtelijke sanctie is in de zin van artikel 50 Handvest. Voor die beoordeling zijn drie criteria relevant, te weten:

  1. de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht;
  2. de aard van de inbreuk; en
  3. de aard en de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkene kan worden opgelegd.

Ad 1) De verstrekking van subsidie, waarop titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, en de toepassing van kortingen daarop, is naar Nederlands recht geen strafrechtelijke, maar een bestuursrechtelijke aangelegenheid. De verstrekking van GLB-inkomenssteun als in deze zaak aan de orde geschiedt onder verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken (artikel 2 Regeling GLB-inkomenssteun 2006) en is ingevolge artikel 63 Regeling GLB-inkomenssteun 2006 opgedragen aan een uitvoerende dienst (de toenmalige Dienst Regelingen) van het Ministerie van Economische Zaken. Tegen beslissingen van die dienst tot de toepassing van een randvoorwaardenkorting als hier aan de orde, staat, na de bezwaarfase, beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Ad 2) Het tweede criterium vereist volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie dat wordt nagegaan of met de toegepaste subsidiekorting met name een repressief doel wordt nagestreefd. In navolging van hetgeen het Hof van Justitie in het arrest Bonda heeft overwogen, is het hof van oordeel dat zulks niet het geval is. Mede gelet op de toelichting bij de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, gaat het hier, als afgeleide van hetgeen met het Europees landbouwbeleid wordt beoogd, om het waarborgen van diervriendelijke productiemethoden, het behoud van de natuurlijke levensomstandigheden en de zorg voor het platteland. Daartoe zijn blijkens deze toelichting alle vormen van rechtstreekse steun afhankelijk gesteld van de naleving van de normen op deze terreinen. In het verlengde hiervan ziet de regeling van inkomenssteun en korting daarop tevens op de bescherming van het beheer van de middelen van de Unie. Consequentie van het niet-naleven van de randvoorwaarden, is een korting op de inkomenssteun.

In casu is deze korting toegepast op de subsidie die is toegekend voor het jaar waarin de onregelmatigheid is geconstateerd. Onder omstandigheden is ook een korting mogelijk op aangevraagde en nog toe te kennen subsidies. Of van het een of het ander sprake is, is niet doorslaggevend voor de vraag of met de korting een repressief doel wordt nagestreefd. In elk geval is de omstandigheid dat een korting wordt toegepast op een toegekende subsidie geen aanwijzing dat sprake is van een repressief doel. Het hof is van oordeel dat eerder het omgekeerde heeft te gelden: deze omstandigheid onderstreept juist het reparatoire karakter van de korting.

Bij dit alles is relevant dat het gaat om een korting op een eerder toegekende of nog toe te kennen subsidie. Dat brengt met zich dat de vermogenspositie van de betrokkene als gevolg van het totaal van de toegekende of toe te kennen subsidie en de korting daarop niet verslechtert, maar in het voor de betrokkene slechtste geval gelijk blijft (bij een korting van 100%) en in de andere gevallen slechts in mindere mate verbetert, al voelt dat voor de betrokkene uiteraard anders als hij die subsidie als een vaststaan deel van zijn inkomen of vermogen ziet. Het betekent ook dat een korting slechts kan worden toegepast en effect heeft indien en voor zover de betrokkene subsidie heeft aangevraagd.

Ad 3) Met betrekking tot het derde criterium kan in wezen worden herhaald hetgeen hiervoor is overwogen: de korting heeft een reparatoir karakter en beoogt geen leedtoevoeging. Met name de omstandigheid dat de vermogenspositie van de betrokkene als gevolg van de toegekende of toe te kennen subsidie en de korting daarop in haar totaliteit niet verslechtert, maar in het voor de betrokkene slechtste geval gelijk blijft (bij een korting van 100%) en in de andere gevallen slechts in mindere mate verbetert, onderstreept dit. Weliswaar kan sprake zijn van een wezenlijke (terug)betalingsverplichting, maar die is altijd gerelateerd aan en dientengevolge evenredig met de toegekende of toe te kennen subsidie. Dit maakt ook dat de nominale omvang van het kortingsbedrag in het onderhavige geval niet doorslaggevend is. Hoewel niet doorslaggevend komt daar in het onderhavige geval nog bij dat de daadwerkelijk toegepaste randvoorwaardenkorting € 138,55 bedraagt.

Op basis van het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de toegepaste korting van strafrechtelijke aard is.

Dit wordt niet anders doordat in het onderhavige geval, anders dan in de zaak Bonda, geen sprake is van fraude bij de aanvraag van de subsidie. Dit vloeit in essentie reeds voort uit het vorenoverwogene: het gaat ook in dit geval om een reparatoire reactie op een situatie die er samengevat op neerkomt dat de betrokkene een subsidie heeft gekregen waar hij (deels) geen recht op heeft. Dat zulks in het ene geval voortvloeit uit de onjuistheid van de aanvraag (in de zaak Bonda) en in het andere geval voortvloeit uit de (voor de bestuursrechtelijke kortingsbeslissing vaststaande) constatering dat de betrokkene niet steeds aan de aan de subsidie verbonden randvoorwaarden heeft voldaan (de onderhavige zaak), doet niet af aan het reparatoire karakter van de korting.

Evenmin wordt de conclusie anders doordat sprake is van een gedetailleerd stelsel van kortingstarieven met hogere kortingspercentages in geval van opzet of herhaling. Het hof stelt voorop dat een dergelijk stelsel willekeur voorkomt. Zonder een dergelijke regeling blijft het antwoord op de vraag welke korting bij een onregelmatigheid moet worden toegepast arbitrair. Daar komt bij dat in abstracto een systeem dat bijvoorbeeld bij elke onregelmatigheid het recht op subsidie volledig doet vervallen, voorstelbaar is. In vergelijking met een dergelijk stringent systeem bevordert, als gezegd, een systeem als hier aan de orde, waarin bij in kwalitatieve of kwantitatieve zin beperkte onregelmatigheden een relatief beperkte en bij in kwalitatieve of kwantitatieve zin ernstigere onregelmatigheden een relatief hogere korting wordt toegepast, de evenredigheid van de korting. Die kwalitatieve ernst is in systeem van randvoorwaardenkortingen vertaald in het al dan niet opzettelijk zijn begaan van de onregelmatigheid, terwijl de kwantitatieve ernst is terug te zien in de toename van het kortingspercentage bij herhaling. Aldus vormt ook dit geen aanwijzing voor een repressieve sanctie.

Uit het voorgaande vloeit ten slotte voort dat de door de verdediging opgeworpen vergelijking met de jurisprudentie van de Hoge Raad aangaande het alcoholslotprogramma mank gaat. In die jurisprudentie (zie bijv. ECLI:NL:HR:2015:434) zag de Hoge Raad immers juist in de gevolgen voor de betrokkene aanleiding om een strafrechtelijke vervolging ter zake van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 na eerdere oplegging van een alcoholslotprogramma in strijd te achten met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Zoals hiervoor is uiteengezet verslechtert in de landbouwsubsidiezaken de vermogenspositie van de betrokkene onder de streep niet nu in het slechtste geval ten hoogste sprake is van een korting van 100% op een toegekende of toe te kennen subsidie. Bij het alcoholslotprogramma was daarentegen sprake van een (afhankelijk van de situatie: substantiële) betalingsverplichting die de betrokkene in een slechtere vermogenspositie bracht en bovendien van een (opnieuw afhankelijk van de situatie: ingrijpende) beperking van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Daarnaast kent de Hoge Raad, met het oog op het arrest-Nilsson van het EHRM (13 december 2005, 73661/01, Nilsson vs. Zweden) ten aanzien van het alcoholslotprogramma, betekenis toe aan de samenhang in procedures. Naar het oordeel van het hof is deze samenhang bij het alcoholslotprogramma relevant omdat de in het strafrecht mogelijk op te leggen sancties, zoals een ontzegging van de rijbevoegdheid, de verdere tenuitvoerlegging van het alcoholslotprogramma doorkruisten en deze procedures enerzijds nauw samenhingen, maar anderzijds door de wetgever niet goed op elkaar waren afgestemd. Van dergelijke afstemmingsproblemen is in het onderhavige geval geen sprake.

Conclusie

Het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat de economische politierechter het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de strafvervolging. Het beroepen vonnis zal derhalve worden vernietigd omdat het hof zich niet met het vonnis kan verenigen. Nu zulks door de verdediging is verlangd zal het hof de zaak op de voet van artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering terugwijzen naar de rechtbank.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling eigenaar asbestsaneringsbedrijf wegens het op onzorgvuldige wijze verwijderen van asbest en valsheid in geschrifte meermalen gepleegd

Rechtbank Overijssel 1 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:310  

Verdachte heeft op een dermate onzorgvuldige wijze asbesthoudende golfplaten verwijderd van een ligboxstal, dat asbest en asbestvezels op de onderliggende dupanelplaten, spanten en gordingen van de stal zijn achtergebleven. Hoewel verdachte wist van de achtergebleven resten asbest, heeft hij vervolgens welbewust de keuze gemaakt om de dupanelplaten, spanten en gordingen niet schoon te maken. Ten gevolge hiervan konden de achtergebleven asbestresten en de asbestvezels in de lucht vrijkomen en in de ligboxstal en daarbuiten verder verspreiden. Hierdoor konden nadelige gevolgen voor het milieu en gevaar voor de openbare gezondheid ontstaan.

Om zijn strafbare handelen te verhullen heeft verdachte vervolgens een analyserapport gemaild aan de inspecteur bouwzaken, welk rapport een valse voorstelling van zaken geeft omtrent de aanwezigheid van asbest in het dak van voornoemde ligboxstal. Uit het analyserapport volgt dat het monster asbestvrij is, echter is het door verdachte aangeleverde monster niet afkomstig van het dak van voornoemde veestal.

Daarnaast heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door op een vijftal begeleidingsbrieven voor de afvoer van asbest een valse locatie van herkomst in te vullen.

De rechtbank acht de bewezen verklaarde feiten zeer ernstig en rekent het verdachte zwaar aan dat hij in zijn hoedanigheid van eigenaar van een asbestsaneringsbedrijf niet de verantwoordelijkheid heeft genomen die hij als deskundige had bij het verwijderen van asbest. Te meer nu verdachte als gecertificeerd asbestsaneerder op de hoogte is van de wijze waarop asbestsaneringen conform de geldende wet- en regelgeving dienen te worden uitgevoerd en van de gevaren die asbestvezels kunnen opleveren.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 180 uur. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden op met een proeftijd van twee jaren. Gedurende de proeftijd mag de verdachte geen werkzaamheden verrichten die verband houden met asbestsaneringen. De rechtbank ontzet hem uit het recht tot uitoefing van het beroep van asbestsaneerder voor een periode van twee jaar. Tot slot moet hij 5000 euro betalen aan het instituut Asbestslachtoffers.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 juni 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OVV onderzoekt: is haven Rotterdam veiliger?

De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) gaat onderzoeken of zijn aanbevelingen over de veiligheid van tankopslagbedrijf Odfjell in de Rotterdamse haven, ook tot meer veiligheid in de haven hebben geleid. Uit het onderzoek in 2013 bleek dat de verantwoordelijke toezichthouders jarenlang hebben gefaald in het toezicht op Odfjell.

Het ging onder meer om de Milieudienst Rijnmond DCMR. Door het falen van het toezicht op de veiligheid hebben werknemers en de omgeving gevaar gelopen, concludeerde de OVV toen.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^