Veroordeling wegens handel in afgedankt wit- en bruingoed, zonder tot die handel bevoegd te zijn. Partiële nietigheid dagvaarding m.b.t. gevaarlijke afvalstoffen. Ontslag van rechtsvervolging ter zake van witwassen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3047 Verdachte heeft zich in de periode van 1 september 2008 tot en met 3 maart 2009 meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van economische misdrijven, gelegen in de sfeer van de handel in afgedankt wit- en bruingoed, zonder tot die handel bevoegd te zijn en zonder over de daarvoor benodigde papieren en vergunningen te beschikken. Verdachte heeft door zijn handelen meermalen bij en krachtens de Wet milieubeheer gestelde voorschriften overtreden, welk voorschriften telkens strekten tot de bescherming van het milieu.

Verdenking

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 3, 5 en 7: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
  • Feit 4, 6 en 8: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
  • Feit 9: Witwassen.

Partiële nietigheid dagvaarding

Het hof is van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde voor zover betrekking hebbende op "gevaarlijke afvalstoffen" telkens niet voldoet aan de in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde vereisten. Immers, is niet vermeld op welke gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer juncto het destijds vigerende artikel 3 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, opgenomen in de lijst van afvalstoffen, zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 28 maart 2002, nr. 62, bladzijde 22, wegens een fout opnieuw gepubliceerd in de Staatscourant van 19 april 2002, nr. 76, pagina 9, de tenlastelegging het oog heeft. Hierdoor is het onder 1 en 2 ten laste gelegde op dit punt onvoldoende feitelijk omschreven. Op grond hiervan zal het hof de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.

Feit 9

Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 3 maart 2009 in Nederland geld ten bedrage van in totaal, volgens verdachtes verklaring ter terechtzitting van het hof, ongeveer € 20.000, en afgedankt wit- en bruingoed heeft verworven en voorhanden heeft gehad, en afgedankt wit- en bruingoed heeft overgedragen terwijl hij wist dat dit geld en afgedankt wit- en bruingoed afkomstig waren uit de onder 1 en 2 ten laste gelegde economische misdrijven.

Het hof stelt met betrekking tot het onder 9 bewezen verklaarde vast, dat het geld en het afgedankt wit- en bruingoed dat verdachte verworven en voorhanden heeft gehad, onmiddellijk afkomstig zijn van door verdachte zelf gepleegde misdrijven, te weten de feiten 1 en 2 Het overdragen van het afgedankte wit- en bruingoed hangt zozeer samen met feit 2 dat verdachte zich daarmee automatisch zou schuldig maken aan witwassen. Van handelingen van verdachte, gericht op het verhullen van de criminele herkomst of verbergen van deze voorwerpen is evenwel niet gebleken. Dit brengt, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2014, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:HR:2014:714 mee dat het onder 9. bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen. Verdachte wordt ter zake ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 3, 5 en 7: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
  • Feit 4, 6 en 8: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Internetconsultatie: zware chemie moet zelf toezicht op arbeidsomstandigheden betalen

Op 28 april 2015 is het Wetsvoorstel doorberekenen toezichtkosten ter consultatie aangeboden. Dit wetsvoorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet maakt het mogelijk om de kosten van het toezicht door te berekenen aan bedrijven waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (BRZO 2015) van toepassing is. 

Bij bedrijven die onder het BRZO 2015 vallen en met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken zijn de gevolgen bij ongevallen vaak ernstig. In de afgelopen jaren zijn een aantal ernstige ongelukken gebeurd bij deze bedrijven met grote gevolgen.

Vanwege de grote gevaren voor de samenleving en het maatschappelijk belang om ongelukken met ernstige gevolgen voor werknemers en omwonenden zoveel mogelijk te voorkomen is overheidsinterventie door intensief en frequent inspectie vereist bij deze bedrijven. Deze inspectie vergt bovendien specialistische kennis van het domein. De toezichtkosten zijn daarmee voor een relatief kleine groep bedrijven relatief hoog. De samenleving betaalt op deze wijze de kosten die veroorzaakt worden door de gevaren in de productie in de zware chemie. Het wordt redelijk en billijk geacht om de hogere kosten die gemoeid zijn met het extra toezicht op de productie van deze bedrijven niet geheel te laten betalen door de samenleving, maar deze kosten door te berekenen aan de veroorzaker.

Het doel van dit wetsvoorstel is de onevenredig hoge kosten van het toezicht te leggen waar deze horen en daarmee de uitgaven uit de algemene middelen te verlagen.

De wetswijziging is als instrument noodzakelijk om de toezichtkosten te kunnen doorbelasten.

 

Print Friendly and PDF ^

'Na Chemie-Pack minder fragmentatie in milieutoezicht'

  De hevige brand bij Chemie-Pack in Moerdijk vier jaar geleden maakte opnieuw duidelijk dat het stelsel van milieuvergunningen beter moet. Dit voorjaar buigt de Tweede Kamer zich over een wetsvoorstel daartoe. Dat legt in grote lijnen vast hoe de nieuwe regionale uitvoeringsdiensten moeten werken.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak intermediair categorie 3-bedrijf voor het afgeven van categorie 3-materiaal (vossenvet) aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft. Gedraging levert geen overtreding van ten laste gelegde bepaling op.

Rechtbank Rotterdam 23 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2863 De verdachte rechtspersoon, een intermediair categorie 3-bedrijf uit Lexmond, wordt onder feit 1 t/3 verweten dat zij meermalen in strijd met artikel 6, derde lid Verordening (EG) nr. 1774/2002, categorie 3-materiaal, te weten vossenvet, heeft afgegeven aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft. 

Standpunt OM

De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gerekwireerd tot:

    • bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde in de opzetvariant;
    • veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 20.000, waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vrijspraak

Namens de verdachte rechtspersoon heeft de raadsman bepleit dat de verdachte rechtspersoon moet worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het door de officier van justitie aan de verdachte rechtspersoon gestelde verwijt op een verkeerde grondslag is gebaseerd. Het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1774/2002,  beoogt een regeling te bieden voor de activiteiten die plaatsvinden in intermediaire categorie 3-bedrijven waarin het betrokken materiaal, in casu het vossenvet, tussentijds wordt gehanteerd of tijdelijk wordt opgeslagen.  Deze bepaling ziet bijgevolg niet op het afgeven van het vossenvet, aan een niet ex artikel 10 van genoemde Verordening erkend bedrijf.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte rechtspersoon een intermediair categorie 3-bedrijf is dat overeenkomstig artikel 10 van de Verordening is erkend. Aan haar wordt verweten dat zij  meermalen in strijd met artikel 6, derde lid van de Verordening, categorie 3-materiaal, te weten vossenvet, heeft afgegeven aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft.

De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog dat de afgifte van vossenvet door de verdachte rechtspersoon aan de rechtspersoon, ook al is dat bedrijf niet overeenkomstig artikel 10 van de Verordening erkend, geen overtreding oplevert van artikel 6, derde lid van de Verordening. In artikel 6, derde lid, van de Verordening is bepaald dat tussentijds hanteren of tijdelijk opslaan van categorie 3-materiaal uitsluitend mag geschieden in intermediaire categorie 3-bedrijven die overeenkomstig artikel 10 zijn erkend.

Voor zover de afgifte van het vossenvet is aan te merken als het hanteren daarvan, heeft dit binnen de inrichting van de verdachte rechtspersoon plaatsgevonden en valt daarmee onder haar erkenning. Na afgifte van het vossenvet is de ontvanger, de rechtspersoon, aan te wijzen als verantwoordelijke om te voldoen aan de eisen die overeenkomstig de Verordening worden gesteld aan het hanteren en opslaan van het categorie 3- materiaal. Dat de rechtspersoon daaraan niet voldoet kan in dit geval aan de verdachte rechtspersoon niet worden verweten met een beroep op artikel 6, derde lid, van de Verordening.

De rechtbank verklaart niet bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'De curator als overtreder'

Na jaren een goed lopend bedrijf te zijn geweest, is onderneming X recente jaren in zwaar weer geraakt. Onderneming X drijft al meerdere decennia een zwaar industrieel bedrijf met bijhorende milieubelasting. Over de jaren heen is het bedrijf verouderd en door gebrek aan financiële middelen, dan wel een gebrek aan prioritering van de beschikbare middelen, bestond geen ruimte om te investeren in betere, milieuvriendelijkere technieken dan wel beheersing van de milieubelasting. Kortom, over de jaren heen heeft onderneming X de omgeving vervuild. Zolang de onderneming in bedrijf bleef en banen bood aan de omgeving waren weinigen geïnteresseerd in de vervuiling, voor zover er al inzicht in de vervuiling bestond. Onderneming X is echter failliet gegaan. In de boedel zit nu een zwaar verontreinigd industrieel terrein en tussen de curator en verschillende overheidsinstanties is discussie over de verantwoordelijkheden voor de milieuverontreiniging.

In de hiervoor omschreven situatie lopen de overheidsinstanties aan tegen de curator als beheerder van de boedel. Kunnen de overheidsinstanties die bevoegd zijn om tegen bepaalde overtredingen op te treden nu de curator aanspreken tot naleving van de wettelijke verplichtingen ten aanzien van de milieuverontreiniging die voorheen op de onderneming rustten? In andere woorden: is de curator een overtreder waartegen handhavingsacties kunnen worden genomen? Dit artikel geeft antwoord op deze vraag, waarbij primair wordt gekeken naar het milieurecht.

Lees verder:

  • De curator als overtreder door E.M.N. Noordover in TvI 2015, afl. 1a

 

Print Friendly and PDF ^