Verdachte heeft zich samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan het storten van bouw- en sloopafval

Rechtbank Midden-Nederland 8 september 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3980

De verdenking komt er op neer dat verdacht in de periode van 1 september 2008 tot en met 5 maart 2012 te Loosdrecht samen met een ander of anderen bedrijfsmatig grond en/of bagger en/of stenen en/of beton en/of (ander) bouw- en sloopafval heeft gestort terwijl hij en/of zijn mededader(s) wisten of redelijkerwijs hadden kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Beoordeling rechtbank

Afvalstoffen

De raadsman heeft betoogd dat verdachte geen afvalstoffen op het eiland Elleman heeft gestort.

Uit jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie leidt de rechtbank het volgende af.

Het begrip afvalstof moet niet zo beperkt worden opgevat dat daaronder niet de stoffen vallen die voor hergebruik geschikt zijn. De enkele omstandigheid dat stoffen waarvan afstand wordt gedaan nog commerciële waarde hebben, betekent niet dat die stoffen niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt samen met de betekenis van de term zich ontdoen. Bij de uitleg van die term moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van de Richtlijn 75/442/EEG; voorkomen moet worden dat daaraan afbreuk wordt gedaan.

Het zwaartepunt ligt derhalve bij de intentie en de gedragingen van de houder van de stoffen die daarvan afstand doet. Daaraan doet niet af of de ontvanger van de stoffen die stoffen al dan niet als afvalstoffen ziet en of die er nog iets mee kan. Een andere opvatting zou een effectieve controle op de naleving van de onderhavige regelgeving illusoir maken.

In dit geval is het bouw- en sloopafval vrijgekomen bij het verbouwen of slopen van een pand. Verdachte heeft in opdracht van medeverdachte stoffen naar het eiland Elleman afgevoerd die waren vrijgekomen bij de bouw van woningen waar een kelder moest worden uitgegraven. Hiermee heeft verdachte afvalstoffen op het eiland Elleman gestort.

Nadelige gevolgen voor het milieu

Volgens de verdediging hebben de materialen die verdachte op eiland Elleman heeft gestort geen nadelige gevolgen gehad voor het milieu.

Niet is vastgesteld dat het ten laste gelegde feit daadwerkelijk nadelige consequenties voor het milieu heeft gehad. Wel is komen vast te staan dat door de stortingen die verdachte namens medeverdachte op het eiland Elleman heeft verricht milieuvreemde stoffen in het milieu terecht zijn gekomen. De rechtbank merkt dit aan als nadelig gevolg dat voor het milieu kon ontstaan in de zin van artikel 10.1 van de Wet milieubeheer.

Ontbreken van materiële wederrechtelijkheid

De verdediging heeft een beroep gedaan op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid omdat verdachte zijn medeverdachte heeft geholpen met het ophogen van het eiland Elleman om dit eiland te redden. Volgens verdachte zou het eiland anders verdwijnen als gevolg van afkalving.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat het doel om het eiland te redden, niet rechtvaardigt dat medeverdachte en verdachte hierbij, zoals uit het dossier is gebleken, een aanzienlijk deel van de natuurlijke habitat van de grote karekiet hebben doen verdwijnen en nadelige gevolgen voor het milieu hebben kunnen veroorzaken. De rechtbank verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van €3.600, waarvan €1.800 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Medeverdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €13.500 waarvan €4.500 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, wegens:

Feit 1: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd. Feit 2: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd. Feit 3: Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 6 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Milieustrafrecht: naar een breder gebruik van het sanctiearsenaal'

Wanneer afval illegaal de Nederlandse grens overgaat en in het buitenland niet op een behoorlijke manier wordt verwerkt, kan dit aanzienlijke milieuverontreiniging en gezondheidsschade opleveren. Dat illegale afvaltransporten tot veel maatschappelijke onrust kunnen leiden toont ook het voorval met het schip de ‘Probo Koala’.

Ruim 500 ton gevaarlijk scheepsafval afkomstig van dit schip werd op ver- schillende plekken in Ivoorkust gedumpt. In de omgeving zouden veel mensen gezondheidsklachten hebben gekregen, zoals hoofdpijn, diarree, braken, kortademigheid en brandende ogen. Een jaar later, in 2007, dient de Europese Commissie een voorstel in voor een (inmiddels in werking getreden) richtlijn die lidstaten verplicht ernstige milieudelicten strafrechte- lijk te sanctioneren. Welke strafrechtelijke sancties hierbij worden gehan- teerd wordt aan individuele lidstaten overgelaten. De centrale veronder- stelling is dat alleen strafrechtelijke sancties voldoende afschrikwekkend en effectief zouden zijn om milieucriminaliteit te voorkomen. Deze richtlijn staat niet op zichzelf, maar past binnen een bredere maatschappelijke ont- wikkeling. De samenleving doet een steeds groter beroep op het milieu- strafrecht ten einde ernstige milieu-incidenten te voorkomen en overtre- dingen van milieuregels te bestraffen. Hoe is dat zo gekomen?

 

Lees verder:

 

Meer weten over de reikwijdte van het begrip afvalstof? Kom dan op Donderdag 2 oktober naar de Cursus Afvalstoffen georganiseerd door BijzonderStrafrecht.nl Academie. Tijdens deze cursus wordt relevante wet- en regelgeving (op zowel nationaal als Europees niveau) over- zichtelijk gepresenteerd en toegelicht aan de hand van praktijkvoor- beelden en jurisprudentie. De cursus wordt verzorgd door mr. Luuk Boogert: ervaren milieu-officier van justitie. Hij leidde onder meer de strafzaak tegen Trafigura.

 

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor asbest gerelateerde feiten en valsheid in geschrifte

Rechtbank Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4153

Aan verdachte is een zestal asbest gerelateerde feiten tenlaste gelegd alsmede valsheid in geschrifte.

Geldigheid van de dagvaarding

Op de in de pleitnota weergegeven gronden heeft de raadsman van verdachte geconcludeerd dat de dagvaarding ten aanzien van de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten nietig moet worden verklaard omdat de aan verdachte verweten gedraging telkens zo ruim en weinig concreet is geformuleerd dat de dagvaarding ten aanzien van die feiten strijdig is met artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Bij zowel het onder 1 als het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feit worden concrete data en concrete feitelijke handelingen vermeld, die door verdachte zelf zouden zijn uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onder 1 en onder 2 aan verdachte ten laste gelegde feiten daarmee voldoende duidelijk en concreet geformuleerd en voldoet de dagvaarding aan de daaraan door artikel 47 van de Wet op de economische delicten in samenhang met de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat zij, uit de wijze waarop door en namens verdachte de verdediging is gevoerd, afleidt dat het voor verdachte en zijn raadsman glashelder was wat verdachte werd verweten.

Oordeel rechtbank 

Feit 1

Bij besluit van 5 juli 2005 is door de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck aan mevrouw persoon 1, adres 2 te Maarheeze, vergunning verleend voor een inrichting (opslag van bouwmaterialen, zand, grind en asbest) gelegen aan adres 2 te Maarheeze. Deze inrichting waarvoor deze vergunning is verleend valt onder categorie 11 en 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Aan die vergunning is een aantal voorschriften gekoppeld.

Een deel van die voorschriften heeft betrekking op de wijze waarmee met asbesthoudend materiaal moet worden omgegaan. Meer concreet is daarover in hoofdstuk 14.4 van de voorschriften het navolgende bepaald.

14.4.1: Asbest(houdend) afval dient onmiddellijk te worden verpakt in afgesloten niet-luchtdoorlatend, van voldoende sterkte, kunststof ver- pakkingsmateriaal (...).

14.4.5: De afgesloten container of opslagplaats zoals bedoeld in de voorschriften waarin asbest en asbesthoudend afval is opgeslagen, moet op duidelijke wijze van onderstaande aanduidingen zijn voorzien: “Asbest- houdend afval” en “Bij ondeskundige handeling kan een voor de gezondheid schadelijke stof vrijkomen” en “Zakken en container gesloten houden”.

Op 18 maart 2009 bevindt verbalisant 1 zich op adres 2 te Maarheeze, gemeente Cranendonck. Op het buitenterrein van die locatie vindt opslag van afvalstoffen plaats. Bij nader onderzoek ziet verbalisant 1 op het buitenterrein een blauwe afvalcontainer staan. Hij ziet dat op deze afval- container geen asbestgevaaraanduiding is geplaatst. Ook ziet hij dat in die afvalcontainer opslag van onverpakt materiaal, bestaande uit golfplaten en stukken van gebruikte rookkanalen plaatsvond. Van de aangetroffen situatie zijn foto’s gemaakt.

Nadat de getuige 1 foto 3, pag. 2014, is getoond bevestigt deze dat de containers er bij hebben gestaan zoals verbalisant 1 heeft waargenomen en dat dit materiaal van verdachte was.

Van het in de afvalcontainer aangetroffen materiaal heeft verbalisant 1 monsters genomen. Deze monsters heeft hij ter analyse aangeboden aan bedrijf 3. Bedrijf 3 heeft de door verbalisant 1 toegezonden monsters onderzocht. Als resultaat van dit onderzoek heeft bedrijf 3 vastgesteld dat het rookkanaal 5-10% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevat, dat een van de golfplaten 5-10% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) en 2-5% hechtgebonden crocidoliet (blauw asbest) bevat en dat een andere golfplaat 10-15% hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevat.

Op 8 april 2009 is persoon 1 over deze constateringen gehoord. Zij heeft toen verklaard dat zij eigenaar van het perceel adres 2 te Maarheeze is. Ten tijde van haar verhoor had zij dit perceel aan bedrijf 4 verhuurd. De eigenaar van dit sloopbedrijf is – aldus persoon 1 – verdachte. Met de bedrijfsvoering van bedrijf 4 bemoeit persoon 1 zich niet. Deze verklaring heeft zij bij haar verhoor door de rechter-commissaris op 20 februari 2013 bevestigd. Bij dat verhoor heeft zij verder verklaard dat verdachte de milieuvergunning heeft aangevraagd, dat verdachte alles regelde en dat hij op het adres 2 de dienst uitmaakte.

Verdachte zelf heeft eveneens verklaard de vergunning te hebben aangevraagd, samen met zijn secretaresse, en dat hij dit heeft gedaan op naam van persoon 1.

De verklaring van persoon 1 wordt bevestigd door de verklaring van de getuige 1. Hij heeft verklaard dat verdachte alle beslissingen nam, dat verdachte de leidinggevende was en dat verdachte alles regelde. Ook getuige 2, werkzaam bij het bedrijf 5, heeft zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten waar hij verklaart dat verdachte altijd zijn aanspreekpunt was voor zaken met betrekking tot het perceel adres 2 te Maarheeze. Tenslotte heeft verdachte zelf verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op het perceel adres 2 te Maarheeze.

Ook heeft verdachte bij zijn verhoor door de politie nog verklaard dat in de blauwe container die op dit terrein van het adres 2 te Maarheeze stond, op 18 maart 2009 asbest is aangetroffen. Daarvan is bedrijf 4 tot het faillissement op 19 december 2007 eigenaar geweest. Verdachte was de enig bestuurder van bedrijf 4. De in de afvalbak aangetroffen asbest is afkomstig van verschillende locaties van verschillende sloopwerken die door bedrijf 4 in 2007 zijn uitgevoerd. De aangetroffen afvalcontainer werd gebruikt als verzamelbak voor resten asbest. Doordat na de terugkomst van een sloopwerk iedere keer asbest in de afvalcontainer werd gegooid, is het asbest nooit verpakt opgeslagen denk ik. Bij de behandeling van deze zaak op de zitting van 9 juli 2014 heeft verdachte nog verklaard dat hij van alle ins en outs van het omgaan met asbest op de hoogte is, en dat hij bij de aanvraag van de milieuvergunning voor de locatie aan het adres 2 te Maarheeze betrokken is geweest en hij heeft nogmaals bevestigd dat hij de enige bestuurder van bedrijf 4 was.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken omdat niet verdachte, maar ofwel persoon 1 als vergunninghouder en eigenaar van het perceel adres 2 te Maarheeze, dan wel de eigenaar van de op dat perceel aanwezige voorwerpen en goederen, te weten bedrijf 4 tot haar faillissement in 2007 en na dit faillissement de curator, verantwoordelijk zijn voor de naleving van de vergunningvoorschriften.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank, dat het verdachte is op wie de vergunningvoorschriften zien. Verdachte had immers de vergunning zelf aangevraagd, zij het op naam van persoon 1, was op de hoogte van de inhoud van de vergunningvoorschriften geldend voor de locatie adres 2 te Maarheeze, hij was belast met de naleving van die vergunningvoorschriften, hij was verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken van de inrichting en hij was degene die de daarmee samenhangende beslissingen nam.

Naar het oordeel van de rechtbank was verdachte dus ook op 18 maart 2009 degene die verantwoordelijk was voor de feitelijke gang van zaken op de locatie adres 2 te Maarheeze en voor de naleving van de vergun- ningvoorschriften op die locatie. Het faillissement van bedrijf 4, waarvan verdachte de enige bestuurder was doet daaraan niet af. Ook na dit faillissement bleef verdachte degene die verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken op deze locatie zoals verdachte bij een van zijn verhoren zelf ook heeft verklaard.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 2

Verdachte wordt verweten dat hij op 27 mei 2010 en/of 31 mei 2010 asbesthoudende afvalstoffen van Nederland naar België heeft gebracht zonder daarvan kennis aan de aan de autoriteiten te hebben gegeven of daarvoor toestemming te hebben gekregen.

De getuige 3, eigenaar/directeur van bedrijf 6, heeft verklaard dat hij vanaf 2006 in Nederland asbestsaneringen voor verdachte uitvoert omdat verdachte niet langer in het bezit was van het daarvoor benodigde procescertificaat. Verdachte is de opdrachtgever, getuige 3 voert de asbestsanering uit en verdachte zorgt zelf voor de afzet van het asbest.

Verdachte plaatst daartoe een container en getuige 3 doet het verpakte asbest daarin. Vanaf dat moment is het asbest eigendom van verdachte en zorgt verdachte ervoor dat het asbest op de stortplaatsen komt. Nadat in januari 2010 de storttarieven voor asbest behoorlijk waren verhoogd, vroeg getuige 3 naast facturen ook om stortbonnen. Daaruit bleek getuige 3 dat verdachte het asbest naar een stortplaats in België bracht, te weten bedrijf 7 in Hasselt. getuige 3 was het daarmee niet eens omdat het volgens hem niet was toegestaan asbest uit Nederland in België te storten. Daarna heeft getuige 3 geen asbest meer naar verdachte gebracht. Op verzoek van getuige 3 heeft bedrijf 7 stortbonnen van asbesttransporten naar getuige 3 gezonden.

De getuige 1 heeft de feitelijke gang van zaken bevestigd. Hij heeft verklaard dat verdachte de containers met asbest vanaf de saneringslocatie van getuige 3 naar het adres 2 te Maarheeze bracht en dat de containers daar werden neergezet. Zeker twee keer heeft verdachte zelf het asbest van Maarheeze naar bedrijf 7 gebracht.

Uit de stortbonnen blijkt dat bedrijf 8 op 27 mei 2010 en 31 mei 2010 met behulp van een vrachtauto voorzien van het kenteken gebonden asbest bij bedrijf 7 heeft gestort waarbij als herkomst is vermeld diverse werven van bedrijf 9. Dat er met gebruikmaking van bedoelde vrachtauto stortingen hebben plaatsgevonden bij bedrijf 7 wordt ondersteund door de uitkomst van het onderzoek van de tachograafschijf van de op 27 mei 2007 met deze vrachtauto uitgevoerde ritten. Daaruit blijkt dat die dag met dit voertuig identieke ritten zijn uitgevoerd van industrieterrein de Engelsman te Maarheeze, Nederland, naar Houthalen-Helchteren, België. Op 27 mei 2010 werd tweemaal van Nederland naar België gereden en tweemaal van België naar Nederland. Blijkens de informatie op de tachograafschijf zijn er tijdens genoemde ritten geen tussenstops geweest waarbij in België asbest geladen zou kunnen zijn.

Op 3 juni 2010 heeft bedrijf 8 een factuur aan bedrijf 6 gezonden. Deze factuur heeft betrekking op het vervoer van asbest door bedrijf 8 voor bedrijf 6 naar bedrijf 7 België op 27 mei 2010 en 31 mei 2010. Verdachte is vanaf 16 september 2008 bestuurder van bedrijf 8.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 27 mei 2010 en 31 mei 2010, onder de vlag van bedrijf 8, met een door hem bestuurde vrachtauto voorzien van het Belgische kenteken, asbest afkomstig van asbestsaneringsprojecten van het bedrijf van getuige 3, bedrijf 6, naar bedrijf 7 in België heeft vervoerd. Van deze transporten is geen kennisgeving of melding aan de autoriteiten gedaan.

Verdachte heeft echter gesteld dat dit asbest afkomstig is van Belgische saneringsprojecten van getuige 3 en dat er dus geen melding van die transporten hoefde te worden gemaakt omdat het getransporteerde asbest niet uit Nederland afkomstig was, maar uit België zelf. Gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat dit onderdeel van de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 2 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 3

Op 30 mei 2010 heeft persoon 2 een sloopvergunning aangevraagd voor de sloop van een woonboerderij gelegen aan de adres 3 te Budel. In de aanvrage wordt melding gemaakt dat er bij de sloop asbesthoudend sloop- afval vrij zal komen omdat uit onderzoek is gebleken dat asbesthoudende platen deel van het dak uitmaken.

Op 17 juni 2010 is door bedrijf 10 een inventarisatie uitgevoerd voor totaalsloop/renovatie van het dakbeschot op het woonhuis op het adres 3 te Budel waarbij de asbesthoudende materialen in kaart zijn gebracht. Daarbij is gebleken dat het dakbeschot op het dak van het woonhuis asbesthoudend materiaal van risicoklasse 2 bevat met een omvang van circa 185m2. Materiaalanalyse heeft aangetoond dat het dakbeschot 5-10% chrysotiel bevat en hechtgebonden is.

Voor de uitvoering van deze sloopwerkzaamheden is een offerte uitgebracht door bedrijf 11. Deze offerte is door verdachte ondertekend en houdt zakelijk weergegeven onder meer in een prijsopgave voor de verwijdering van een asbest dakbeschot. In de offerte wordt nader uitgelegd op welke wijze met de asbesthoudende materialen zal worden omgegaan.

Op 23 juli 2010 is door vergunninghouder persoon 2 een formulier “start sloop” ingediend voor het starten van de sloopwerkzaamheden op 26 juli 2010. Op 28 juli 2010 heeft persoon 3, handhaver bij de gemeente Cranendonck, de slooplocatie aan de adres 3 te Budel bezocht. Hij heeft toen geconstateerd dat er al begonnen was met het verwijderen van de asbesthoudende delen van het dakbeschot. Bij het betreden van het terrein treft persoon 3 verdachte en getuige 1 aan. Desgevraagd overhandigt verdachte diverse documenten aan persoon 3. Uit die documenten blijkt onder meer dat bedrijf 1 de uitvoerder van de verwijderingswerkzaamheden was. Vervolgens heeft persoon 3 onderzoek ingesteld naar de vraag of bedrijf 1 gecertificeerd was deze werkzaamheden uit te voeren. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat bedrijf 1 een gecertificeerd asbest- verwijderingsbedrijf was.

Dit wordt bevestigd door de verklaring die de getuige 4 heeft afgelegd. Hij heeft echter ook verklaard dat de geldigheid van het eens aan bedrijf 1 verleende asbestverwijderingscertificaat op 14 december 2004 is opgeschort voor de duur van een half jaar, en dat dit certificaat daarna is ingetrokken omdat door bedrijf 1 voor 5 april 2005 geen corrigerende maatregelen waren doorgevoerd. 

Bedrijf 1 was voorafgaand aan de verweten gedragingen in staat van faillissement verklaard.

De getuige 1 heeft verklaard dat hij samen met verdachte een asbest- sanering heeft gedaan aan de adres 3 in Budel. Terwijl zij bezig waren met het verwijderen van de asbestplaten van het dakbeschot kwam er iemand van de gemeente op het moment dat zij bijna klaar waren met het uitvoeren van die werkzaamheden. Nadat de gemeenteambtenaar was vertrokken heeft verdachte tegen getuige 1 gezegd dat verdachte helemaal geen asbest mocht verwijderen. Naderhand heeft getuige 3 de klus afgemaakt. De werkzaamheden zijn in twee dagen uitgevoerd. Dit wordt bevestigd door de verklaring die getuige 3 heeft afgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 3 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 4

In het dossier bevindt zich een begeleidingsbrief waarop staat vermeld dat bedrijf 1, adres 2 te Maarheeze de ontdoener is van asbesthoudende afval, afkomstig van de locatie adres 3 en dat het transport op 29 juli 2010 zal aanvangen. Deze begeleidingsbrief is door verdachte ondertekend. Tevens bevindt zich in het dossier een Melding Arbeidsinspectie en Certificerende Instelling. In deze melding staat vermeld dat bedrijf 1 een (asbestverwijde- rings)bedrijf is, dat gebruik maakt van het KOMO-certificaat met nummer AV167/1 en dat dit bedrijf (hoofd)aannemer is van het asbestverwij- deringswerk in opdracht van persoon 2 te Budel en dat de werkzaamheden op 28 juli 2010 zullen starten. Deze melding is gedateerd 28 juli 2010 en is door verdachte ondertekend.

Verdachte heeft erkend dat deze formulieren in strijd met de waarheid zijn opgemaakt. Uit de door de getuige 1, de getuige 3 en de ver- dachte afgelegde verklaringen blijkt dat niet bedrijf 1 de ontdoener van het afval is geweest omdat dit bedrijf al in 2007 failliet was verklaard, maar het bedrijf van getuige 3, bedrijf 6, en voorts dat bedrijf 1 na het faillissement niet langer een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf was.

Dit wordt bevestigd door de verklaring van de getuige 4. Hij heeft verklaard dat de geldigheid van het aan bedrijf 1 verleende asbestverwij- deringscertificaat op 14 december 2004 is opgeschort voor de duur van een half jaar en dat dit certificaat daarna is ingetrokken omdat door bedrijf 1 voor 5 april 2005 geen corrigerende maatregelen waren doorgevoerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 4 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 5 en 6

Bij besluit van 5 juli 2005 is door de Burgemeester en Wethouders van de gemeente Cranendonck aan mevrouw persoon 1, adres 2 te Maarheeze, vergunning verleend voor een inrichting (opslag van bouwmaterialen, zand, grind en asbest) gelegen aan het adres 2 te Maarheeze. Deze vergunning valt onder meer onder categorie 11 en 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Aan die vergunning zijn onder meer de navolgende voorschriften verbonden.

  • voorschrift 1.1.1.: Binnen de inrichting mogen ten hoogste de volgende hoeveelheden grond- en hulpstoffen aanwezig zijn: (...) 35m3 asbest platen/buizen;
  • voorschrift 1.1.9.: Ingeval van een langdurige onderbreking van de werkzaamheden (langer dan 3 maanden), bij bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving moeten worden afgevoerd.

Bij een controle op 29 juni 2010 ziet persoon 4, een medewerker van de milieudienst bedrijf 5, tijdens een bedrijfsbezoek aan de locatie adres 2 te Maarheeze, op het buitenterrein en in de bedrijfshal 18 zogenaamde big bags staan met daarin vermoedelijk asbest. Tijdens deze controle was persoon 4 in het gezelschap van verdachte. Verdachte bevestigde tijdens dit bezoek dat er asbest in deze big bags zat. Ook ziet persoon 4 tonnen met afval staan afkomstig uit een voormalige autospuiterij. Van deze situatie zijn foto’s gemaakt.

Op 1 juli 2010 omstreeks 10.00 uur is verbalisant 2, vergezeld door onder meer persoon 4 voornoemd en medewerkers van bedrijf 3 , naar voormelde locatie aan het adres 2 te Maarheeze gegaan. Tijdens de rondgang over het bedrijf ziet verbalisant 2 dat de situatie zoals persoon 4 die op 29 juni 2010 heeft geconstateerd, nog steeds bestaat. Ook verbalisant 2 constateert de aanwezigheid van 18 big bags waarin asbest is opgeslagen. Bij de vaten waarvan verdachte bij de controle op 29 juni 2010 tegen persoon 4 had verteld dat daarin afval van een autospuiterij zat, geurde het– aldus verbalisant 2 – naar verfoplosmiddel.

Bij nader onderzoek is vastgesteld dat de 18 big bags met asbest bestonden uit 14 big bags met een inhoud van ongeveer 17m3 en 4 kleinere partijen van elk ongeveer 2 m3. Op 29 juni 2010 en 1 juli 2010 was derhalve ongeveer 250m3 asbest aanwezig op de locatie adres 2 te Maarheeze. Tijdens het bezoek aan voormelde locatie zijn door medewerkers van bedrijf 3, een geaccrediteerd laboratorium voor onderzoek aan asbest, 22 monsters genomen van het asbestverdachte materiaal. Uit door bedrijf 3 verricht onderzoek bleek dat 21 van die 22 monsters hechtgebonden chrysotiel (wit asbest) bevatten. Uit nader onderzoek bleken voorts de vaten die naar verfoplosmiddel geurden 20 blikken van 20 liter met lak te zijn, geëtiketteerd ADR klasse 9.

De hiervoor genoemde bevindingen worden bevestigd door de verklaring van getuige 1, destijds werkzaam op de locatie adres 2 te Maarheeze. Hij heeft verklaard dat er in 2009 en 2010 teveel asbest, en lak afkomstig van een spuiterij op de locatie waren opgeslagen. Nadat de lak een jaar lang op het terrein opgeslagen had gestaan, heeft getuige 1 de lak naar de milieustraat gebracht.

Zowel bij zijn verhoor door de politie als ter terechtzitting van 9 juli 2014 heeft verdachte erkend dat op 29 juni 2010 en 1 juli 2010 op de locatie adres 2 te Maarheeze, de door verbalisant 2 en persoon 4 aangetroffen big bags met asbesthoudende materialen en 20 blikken verf aanwezig waren. Verdachte heeft verklaard dat het asbest aan verschillende, inmiddels failliet verklaarde bedrijven toebehoorde die op voormelde locatie waren gevestigd. Verdachte heeft toen ook verklaard dat hij de dagelijkse leiding op deze locatie heeft, dat hij verantwoordelijk is voor het toezicht op het terrein en in de gebouwen en dat hij zorg draagt voor de naleving van de voorschriften uit de geldende vergunning Wet milieubeheer. 

De rechtbank is van oordeel, zoals hiervoor onder feit 1 uiteengezet, dat verdachte ook in de periode van 18 maart 2009 tot en met 1 juli 2010 degene was die verantwoordelijk was voor de feitelijke gang van zaken op de locatie adres 2 te Maarheeze en voor de naleving van de vergun- ningvoorschriften aldaar.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 5 en onder feit 6 aan verdachte ten laste is gelegd.

Feit 7

Op 2 juli 2010 heeft de officier van justitie aan verdachte kennis gegeven van de – op grond van artikel 28 van de Wet op de economische delicten bevolen – voorlopige maatregel dat verdachte zich met ingang van het moment van uitreiking van deze kennisgeving zal onthouden van het (doen) verplaatsen, aanroeren, bewerken, verwerken en/of verplaatsen van het binnen de inrichting gelegen aan het adres 2 te Maarheeze aanwezige asbest anders dan na voorafgaande goedkeuring van -, en onder toezicht van de gemeente Cranendonck en het Regionaal Milieuteam Politie Brabant Zuid-Oost. Op 2 juli 2010 is deze voorlopige maatregel aan verdachte uitgereikt en met hem besproken.

Op 17 september 2010 heeft het Regionaal Milieuteam van de gemeente Cranendonck een melding ontvangen waaruit bleek dat op maandag 20 september 2010 een asbestverwijdering plaats zou gaan vinden ter plaats van het adres 2 te Maarheeze. Deze verwijdering zou worden uitgevoerd door bedrijf 6 (verder ook: bedrijf 6). Op 23 september 2010 bleek uit contacten tussen de gemeente Cranendonck en bedrijf 6 dat het asbest op de locatie aan het adres 2 te Maarheeze opnieuw was verpakt en in containers was geplaatst. Op 24 september 2010 zijn verbalisanten verbalisant 2 en verbalisant 3 ter plaatse gegaan. Op de openbare weg adres 2, zien hij twee containers staan, gevuld met materiaal verpakt in wit plastic. Het witte plastic was op meerdere plaatsen gescheurd. Door de gescheurde gedeeltes zag verbalisant 3 asbestverdacht plaatmateriaal. Enige tijd later op diezelfde dag werd geconstateerd dat de twee containers niet meer op de openbare weg adres 2 stonden maar waren verplaatst naar het terrein adres 2,

Vervolgens hebben verbalisant 2 en verbalisant 3 met verdachte gesproken en is een kopie van de voorlopige maatregel met parketnummer 01/995021-10 aan verdachte uitgereikt, waarna de inhoud van die maatregel met hem is besproken. Omdat het vermoeden bestond dat de inhoud van de witte plastic zakken in de aangetroffen containers het asbesthoudend materiaal betrof dat op 1 juli 2010 op de locatie werd aangetroffen, heeft verdachte desgevraagd het asbestinventarisatierapport aan verbalisant 2 overhandigd. Hieruit bleek dat het materiaal in de containers asbest bevatte.

Bij brief van 24 september 2010 heeft verbalisant 2 verdachte er nogmaals op gewezen dat het hem, gelet op de tegen hem bevolen voorlopige maatregel, was verboden het aanwezige asbest zonder goedkeuring van de gemeente Cranendonck en het Regionaal Milieuteam Politie Brabant Zuid-Oost te verplaatsen.

Als reactie op een aantal faxen van verdachte van 28 september 2010, waarin hij melding maakte dat hij roerende zaken vanaf het terrein aan het adres 2 te Maarheeze op de openbare weg had geplaatst, zijn verbalisanten verbalisant 2 en verbalisant 3 op 29 september 2010 ter plaatse gegaan. Daar zag verbalisant 3, op de openbare weg rond het terrein r 2010 via een aantal faxen aan de gemeente Cranendonck, de politie en de curator heeft aangekondigd en dat hij waar hij in die faxen over roerende goederen heeft gesproken, onder andere heeft gedoeld op containers die verpakt asbest bevatten. 

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 7 aan verdachte ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd [artikel 2 onder 35, van de Verordening EEG nr. 1013/2006).

Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Feit 4: Valsheid in geschrift.

Feit 5: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 6: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1., eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 7: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 33 van de Wet op de economische delicten (artikel 28 van de Wet op de economische delicten).

Strafoplegging

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De onderhavige feiten heeft verdachte gedurende een langere periode gepleegd. Uit het bewezen verklaarde handelen van verdachte blijkt van een groot gebrek aan respect voor het milieu en de gezondheidsbelangen van zijn medemensen. Verdachte was niet gecertificeerd als asbestverwijderaar. Dat dit mogelijk (lang geleden) anders is geweest doet daaraan niet af. Asbestsanering is gelet op de grote risico’s voor de volksgezondheid aan strikte regels gebonden. Verdachte heeft die – hem welbekende - regels doelbewust genegeerd, waarbij verdachte louter door financiële motieven lijkt te zijn gedreven. Gelet op het aantal bewezen verklaarde feiten en het tijdsbestek waarin die feiten zich hebben afgespeeld is het handelen van verdachte als stelselmatig en hardnekkig te betitelen. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank het gegeven dat verdachte reeds eerder veroordeeld voor overtreding van de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer, feiten soortgelijk aan de hiervoor onder 1 en onder 6 bewezen verklaarde feiten. Uit de bewezenverklaarde feiten en verdachtes attitude blijkt voorts een nagenoeg ontbrekend respect voor aanwijzingen en beslissingen van de autoriteiten en negeert hij ook die stelselmatig.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Het op de onbeschermde bodem of in oppervlaktewateren brengen van (varkens)mest, verontreinigd mestwater en/of verontreinigd afvalwater door een rechtspersoon

Rechtbank Oost-Brabant 23 juli 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:4224

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

Op de in de pleitnota nader omschreven gronden heeft de verdediging geconcludeerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte moet worden verklaard nu de officier van justitie in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde omdat:

  • bij het nemen en analyseren van monsters bij de opsporing van de ten laste gelegde feiten de Aanwijzing bemonstering en analyse milieu- delicten niet is gevolgd;
  • de monsters die ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit zijn genomen, door het Gemeenschappelijk Waterschapslaboratorium zijn geanalyseerd, maar dat dit laboratorium daartoe op het moment van de analyse niet was geaccrediteerd;
  • het opsporingsonderzoek onzorgvuldig en niet voortvarend heeft plaatsgevonden, waarbij een van de toezichthouders / opsporingsamb- tenaren onprofessioneel is opgetreden tijdens een hoorzitting van de Provincie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, zelfs al zou de bemonstering en de analyse van de monsters niet volgens de voorgeschreven procedure zijn verlopen, dit niet haar ontvankelijkheid raakt, maar hooguit de bewijswaarde van de door het gewraakte onderzoek verkregen onderzoeksresultaten.

De aantijgingen die de verdediging over het optreden van verbalisant 1 heeft gemaakt, gaan veel te ver. Zijn waarnemingen en zijn bevindingen heeft hij in ambtsedig opgemaakte processen-verbaal neergelegd en die zijn duide- lijk. De wijze waarop verbalisant 1 zich vervolgens tijdens de hoorzitting van de Commissie Ecologie en Handhaving van de Provincie heeft opgesteld, is niet relevant voor de beoordeling van deze strafzaak omdat die hoorzitting plaatsvond in het kader van het bestuursrechtelijke traject wat in deze zaak is gevolgd.

Evenals de raadsman is de officier van justitie van oordeel dat de redelijke termijn waarbinnen deze strafzaak had moeten worden afgedaan, is geschonden. Ook deze omstandigheid kan niet tot de niet ontvankelijkheid van de officier van justitie leiden, maar dient een rol te spelen voor het geval aan verdachte een straf wordt opgelegd.

De officier van justitie is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer, strekkende tot haar niet ontvankelijkheid in de strafvervolging van verdachte, moet worden verworpen.

Het oordeel van de rechtbank

  • De wijze waarop de bemonstering en de analyse van de monsters heeft plaatsgevonden

Bij de opsporing van milieudelicten wordt vaak gebruik gemaakt van in het veld genomen monsters. Het staat buiten kijf dat het nemen en het analyseren van die monsters op een zorgvuldige en controleerbare wijze dient te geschieden. Teneinde dit te bewerkstelligen is de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten opgesteld. Deze aanwijzing bevat een aantal waarborgen waarmee het nemen en het analyseren van monsters is omgeven. Schending van deze waarborgen kan - onder omstandigheden - de bewijswaarde van de uit de bemonstering verkregen resultaten aantasten, maar kan op zichzelf niet de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg hebben. Dit is anders als de wijze waarop de bemonstering in deze zaak en de analyse van de daarbij verkregen monsters heeft plaatsgevonden, door de officier van justitie zodanig is gestuurd dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Zulks is evenwel door de verdediging niet gesteld en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken. Dit geldt evenzeer voor het door de verdediging aangestipte punt van accreditering van het Gemeenschappelijk waterschapslaboratorium.

  • De zorgvuldigheid van het onderzoek

De verdediging heeft vraagtekens geplaatst bij de zorgvuldigheid van de eerste opsporingshandelingen en vraagt zich af waarom nog nader onderzoek nodig was resulterend inhet opmaken van zeven aanvullende processen-verbaal. Naar het oordeel van de rechtbank was het uitvoeren van nader onderzoek noodzakelijk in het kader van de waarheidsvinding teneinde de omvang van de gedragingen van verdachte te kunnen vaststellen en doet het dus geen afbreuk aan de zorgvuldigheid van het onderzoek als geheel, maar completeert het juist.

  • De handelwijze van verbalisant 1

Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop ter terechtzitting van 24 juni 2014 gegeven toelichting, blijkt dat de bezwaren van de verdediging tegen het niet professionele optreden van verbalisant 1 zich vooral richten tegen de wijze waarop hij zich heeft opgesteld tijdens de hoorzitting van de Commissie Ecologie en Handhaving van de Provincie Staten van Noord-Brabant van 7 september 2012. Deze hoorzitting had betrekking op het bestuursrechtelijk traject wat ten aanzien van verdachte was ingezet. De opstelling van verbalisant 1 tijdens deze hoorzitting is derhalve van geen enkele invloed op de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Voor de beoordeling van deze strafzaak is voor de rechtbank enkel van belang om de bewijswaarde te wegen van de waarnemingen en de bevindingen van verbalisant 1, zoals hij die in de diverse door hem op ambtseed opgemaakt processen-verbaal heeft beschreven.

  • De voortvarendheid van het onderzoek.

In de Aanwijzing handhaving milieurecht is in het hoofdstuk “Vervolging” bepaald dat de officier van justitie in eenvoudige milieuzaken uiterlijk binnen drie maanden na ontvangst van het proces-verbaal verdachte informeert over de vervolgingsbeslissing. In gecompliceerde zaken is die termijn op zes maanden gesteld. Het in deze zaak door de politie Haaglanden opgemaakte proces-verbaal is op 8 februari 2011 gesloten. Verdachte is bij dagvaarding van 8 januari 2013 voor de eerste keer gedagvaard tegen de zitting van 22 april 2013.

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie de hiervoor genoemde en aan haar gerichte instructienorm in de Aanwijzing handhaving milieurecht, heeft geschonden. In deze Aanwijzing, noch in enig andere bepaling, wordt echter een sanctie gesteld op overtreding van deze instructienorm. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan schending van een redelijke termijn niet de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg hebben. Voor deze termijnoverschrijding zal de rechtbank verdachte dienen te compenseren in het geval de rechtbank toekomt aan het opleggen van een strafaan verdachte.

  • Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde gronden, afzonderlijk noch in onderling verband en samenhang bezien, de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg kunnen hebben.

Feit 1, 2 en 3

Verdachte wordt onder meer verweten dat zij (varkens)mest, verontreinigd mestwater en/of verontreinigd afvalwater op de onbeschermde boden of in oppervlaktewateren heeft gebracht.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de raadsman betwist dat sprake is van (varkens) mest of mestwater. Op dit verweer zal de rechtbank niet nader ingaan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat het water dat verdachte op de bodem of in het oppervlaktewater heeft gebracht, in elk geval afvalwater was gelet op de wijze waarop verdachte zich van dat water heeft ontdaan.

Het afvalwater is door verbalisanten tijdens geleidbaarheidsmetingen in het veld bemonsterd. Uit de door de diverse verbalisanten opgemaakte processen-verbaal blijkt dat veldmetingen op het perceel adres te Sterksel, en bij oppervlaktewateren op of in de onmiddellijke nabijheid van dat perceel zijn uitgevoerd. Uit de analyse van die monsters is gebleken dat het electrisch geleidingsvermogen van dat afvalwater uitgedrukt in een zogenaamde EGV-waarde van dat afvalwater . een veel hoger zoutgehalte te zien gaf dan de EGV-waarde van niet verontreinigd oppervlaktewater.

De raadsman heeft betoogd dat de resultaten van de veldmetingen niet aan het bewijs kunnen bijdragen omdat die resultaten onvoldoende betrouwbaar zijn nu verbalisanten bij het uitvoeren van die metingen de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten niet hebben gevolgd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op 27 augustus 2013 heeft persoon 1 verslag gedaan over de betrouwbaarheid van de resultaten van die veldmetingen.

De geleidbaarheidsmetingen in het laboratorium zijn volgens de daarvoor geldende norm NEN ISO 7888 uitgevoerd. Voor geleidbaarheidsmetingen in het veld zijn geen normen vermeld. Uit eigen ervaring is persoon 1 bekend dat geleidbaarheidsmetingen eenvoudig en robuust zijn. Er kan weinig misgaan. Uit de vergelijkingen van de uitkomsten van de veldmetingen en de laboratoriummetingen volgt – aldus persoon 1 – dat de veldmetingen vol- doende betrouwbaar zijn geweest.

Een hoog gehalte elektrische geleidbaarheid van een vloeistof is het gevolg van een hoog gehalte aan opgeloste zouten. Een hoog gehalte in de bodem aan opgeloste zouten, moet als bodemverontreiniging worden gekwalificeerd.

De rechtbank neemt deze conclusie en de gronden waarop die berust over. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitkomsten van de geleid- baarheidsmetingen voldoende betrouwbaar om aan het bewijs bij te dragen dat het door verdachte geloosde afvalwater zodanig was verontreinigd dat door die lozingen de bodem of het oppervlaktewater kon worden verontreinigd. Zoals uit de conclusie van persoon 1 blijkt, doet daaraan niet af dat bij de veldmetingen niet conform de Aanwijzing bemonstering en analyse van milieudelicten is gehandeld. Bij de monsterneming is steeds voldoende concreet aangegeven waar de plaats van bemonstering zich bevond.

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte is overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming ten laste gelegd. Dit is een zorgplichtbepaling, bestaande uit het nemen van preventieve maatregelen om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomen indien verdachte weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de bodem zou kunnen worden verontreinigd. Voorts geldt ingevolge dat artikel de plicht voor verdachte om, als er al sprake is van verontreiniging, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte gevergd kunnen worden om de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Het gaat derhalve om een dubbele zorgplicht.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende van het uitblijven van het treffen van maatregelen door verdachte om te voorkomen dat de bodem kon worden verontreinigd of aangetast. Nadat voor de eerste keer op 19 januari 2010 was geconstateerd dat verontreinigd afvalwater op de bodem was gebracht, heeft verdachte geen maatregelen getroffen om de gevolgen daarvan ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken. Daarna heeft verdachte geen maatregelen genomen om een dergelijke bodemverontreiniging te voorkomen. Aldus heeft verdachte – minst genomen – welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door haar handelen de bodem zou kunnen worden verontreinigd.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat het op de weg van verdachte had gelegen om aan te tonen dat door haar handelen de bodem niet kon worden verontreinigd, b.v. omdat het afvalwater niet was verontreinigd of dat het afvalwater niet op de onbeschermde bodem is gebracht. Daarin is verdachte niet geslaagd.

Feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de geconstateerde lozing op 4 december 2009 heeft de verdediging aangevoerd, dat deze lozing niet aan verdachte kan worden toegerekend omdat onbevoegden de dop van een pijp hebben verwijderd waardoor water vanaf het perceel van verdachte in het oppervlaktewater terecht kon komen. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Verdachte is vanaf medio 1994 eigenaar van het perceel gelegen aan adres te Sterksel. Verdachte heeft dus ruimschoots de tijd gehad dit perceel te inspecteren en die maatregelen te treffen die nodig waren om milieuverontreiniging te voorkomen. Dat heeft verdachte kennelijk nagelaten nu op 4 december 2009 is geconstateerd dat er via een pijp waarvan de dop was verwijderd, verontreinigd afvalwater op een kavelsloot grenzend aan het perceel van verdachte, was geloosd. Nadat deze lozing was geconstateerd, heeft verdachte de afsluitingsdop op de pijp gelast. Deze maatregel had verdachte veel eerder kunnen en moeten uitvoeren. Dat de dop moedwillig van de pijp is gehaald door onbekend gebleven onbevoegden, dat die onbekenden een stuw hebben opengezet en dat daardoor afvalwater vanaf het bedrijfsterrein van verdachte op het riool is geloosd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Overigens rust op verdachte als eigenaar/beheerder van haar terrein de plicht dit terrein te beheren en maatregelen te treffen om te voorkomen dat onbevoegden dit terrein kunnen betreden.

Ten aanzien van de geconstateerde lozing op 15 december 2009 heeft de verdediging aangevoerd dat dit het gevolg was van rioolwerkzaamheden aan adres te Sterksel door bedrijf 1. Na afronding van die werkzaamheden zou dit bedrijf vergeten zijn de pomp van het persriool weer aan te zetten als gevolg waarvan afvalwater naar het schoonwaterriool van verdachte zou zijn gelopen. Ook dit verweer verwerpt de rechtbank. Voor dit alternatieve scenario is door de verdediging geen begin van aannemelijkheid aangetoond.

Feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Verdachte wordt verweten dat zij de werking van haar inrichting, gelegen aan adres te Sterksel heeft veranderd door het uitvoeren van niet vergunde werkzaamheden. Vooreerst merkt de rechtbank op de dat de vigerende vergunning de op 29 juli 2003 aan verdachte verleende vergunning is.

Ten aanzien van de afzonderlijk ten laste gelegde gedragingen overweegt de rechtbank het navolgende:

  • 16 december 2009: Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte varkensmest heeft gestort op een berg puin en dat de wijze waarop die mest is verspreid niet duidt op het nat houden van de berg puin;
  • 21 januari 2010: Evenals de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de inrichting heeft uitgebreid met een in de composthoop vervaardigd gat. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken;
  • 29 januari 2010 en 3 februari 2010: Op grond van de waarnemingen en de bevindingen van verbalisanten zoals die in de door hen opgemaakte processen-verbaal staan beschreven en zoals die van de bewijsmiddelen deel uitmaken, in combinatie met de resultaten van de door verbalisanten uitgevoerde veldmetingen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de aangetroffen containers schoon werden gemaakt. Met name het feit dat deze containers voor 2/3 waren gevuld, duidt op de opslag van afvalwater.

Feit 4

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

Ook ten aanzien van dit feit heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte dit feit niet opzettelijk heeft gepleegd. De rechtbank verwerpt dit verweer. In het milieustrafrecht geldt als uitgangspunt dat het opzet van een dader gericht moet zijn op het uitvoeren van de gedraging en niet op het mogelijke gevolg daarvan of op het overschrijden van een wettelijke norm.

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feitelijke gedraging, te weten meststoffen bevattend afvalwater in een kavelsloot laten afvloeien door dit afvalwater op een perceel maïsland te sproeien, opzettelijk heeft begaan. Daarbij heeft verdachte geen afdoende maatregelen getroffen om te voorkomen dat het afvalwater via het maisland in de aan het perceel maïsland grenzende kavelsloot, zijnde een oppervlaktewater, terecht zou komen. Evenmin is gebleken dat verdachte de aard en de samenstelling van het water wat zij op het maïsland heeft gebracht, heeft gecontroleerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank wettig en over- tuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit opzettelijk heeft begaan.

Feit 5

Verdachte wordt verweten dat zij op of omstreeks 24 september 2009 haar inrichting, gelegen op het perceel adres te Sterksel in de gemeente Heeze-Leende, heeft veranderd door het uitbreiden/vergroten van de bassins waarin vloeistoffen werden opgeslagen en door een aggregaat te gebruiken voor de beluchting van het mestwater bevattende bassin. Bij een controlebezoek van een medewerker van het SRE namens de provincie Noord-Brabant, op 23 juli 2009, is geconstateerd dat deze bassins waren uitgebreid en dat toen al een aggregaat in gebruik was genomen voor de beluchting van een van deze bassins.

Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte niet op of omstreeks 24 september 2009 de werking van haar inrichting heeft veranderd als omschreven in de tenlastelegging, maar dat dit minimaal een aantal maanden eerder reeds is gebeurd. Gelet hierop acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 5 ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Feit 4:  Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren).

Strafoplegging

Opgelegd wordt een geldboete van EUR 20.000,- waarvan EUR 10.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Verdachte heeft gedurende een langere periode de milieuwetgeving overtreden en daardoor de bodem en het oppervlaktewater verontreinigd. Gelet op de periode waarin de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd, lijken de bewezenverklaarde gedragingen een structureel karakter te hebben. Gelet op dit structurele karakter lijkt verdachte zich niets te hebben aangetrokken van de gevolgen die haar handelen had voor de bodem of de oppervlaktewateren en de daarin levende organismen. Dit heeft zich onder meer geopenbaard door opgetreden vissterfte op 22 september 2009 in de Sterkselse Aa, veroorzaakt door de onder feit 4 bewezenverklaarde gedragingen. Verdachte is toen al met ernstige gevolgen van haar handelen geconfronteerd. De andere bewezen verklaarde feiten zijn allemaal van nadien. Blijkbaar heeft de confrontatie van verdachte met de schadelijke gevolgen van haar handelen niet geleid tot enige verbetering.

Op 24 maart 2014 is verdachte, door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Oost-Brabant, veroordeeld tot een geldboete van € 150.000,-- waarvan € 50.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een voorwaardelijke stillegging van de onderneming van drie maanden met een proeftijd van twee jaar terzake dood door schuld meermalen gepleegd en overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet. De feiten die hiervoor bewezen zijn verklaard, zijn voor de veroordeling van 24 maart 2014 gepleegd. Gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank, bij het bepalen van de voor de bewezen verklaarde feiten op te leggen straf, met die veroordeling rekening houden, in die zin dat de rechtbank zal overwegen welke straf aan verdachte zou zijn opgelegd indien de feiten waarvoor verdachte bij voormeld vonnis van 24 maart 2014 is veroordeeld, gelijktijdig met de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zouden zijn afgedaan.

Bovendien is, zoals eerder in dit vonnis is overwogen, het recht van verdachte op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door tijdsverloop geschonden en heeft de officier van justitie zich niet gehouden aan de aan haar gerichte instructienorm in de Aanwijzing handhaving milieurecht met betrekking tot de termijn waarbinnen de verdachte moet worden geïnformeerd over de vervolgingsbeslissing. Daarvoor zal de rechtbank verdachte compenseren in de hoogte van de aan haar op te leggen straf.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Inwerkingtreding Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen

Op 17 juli 2014  is de Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware en ernstige asbestovertredingen in de Staatscourant gepubliceerd. De beleidsregel vormt de juridische uitwerking voor de openbaarmaking van inspectiegegevens op het gebied van asbestsanering.  De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft hierover op 21 februari jl. een brief aan de Tweede Kamer gestuurd.

In artikel 3 van de beleidsregel en de bijbehorende toelichting valt te lezen welke gegevens over zware en ernstige asbestovertredingen openbaar wor- den gemaakt:

  1. de naam en vestigingsplaats van de rechtspersoon dan wel van de natuurlijke persoon;
  2. de geconstateerde overtreding;
  3. de datum waarop de overtreding is geconstateerd;
  4. de locatie waar het asbest aanwezig is of is geweest;
  5. welk bestuurlijk besluit is genomen, dan wel welke bestuurlijke besluiten zijn genomen vanwege de overtreding op grond van de artikelen 28a, 33 of 34 van de Arbeidsomstandighedenwet;
  6. of tegen de onder e bedoelde bestuurlijke besluiten een rechtsmiddel is ingesteld dan wel of daartoe nog de mogelijkheid bestaat.

Ook wordt toegelicht hoe deze worden gepubliceerd en de procedure die daarbij wordt gevolgd.

De beleidsregel treedt in werking vier weken na de publicatie ervan in de Staatcourant, dus op 15 augustus. Met het oog op de doorlooptijd tussen het constateren van een overtreding en het vaststellen van de boete wordt de openbaarmaking van de eerste overtredingen in het najaar op de website van de Inspectie SZW verwacht.

Print Friendly and PDF ^