Aanhoudingen in onderzoek naar fraude met verontreinigde grond

Het regionaal milieuteam van de politie-eenheid Oost-Nederland heeft op maandag 19 en woensdag 21 mei vijf verdachten aangehouden. Zij worden verdacht van fraude met verontreinigde grond. De verdachten sturen binnen hun bedrijf op de verwerking van grond dan wel hebben de controle over de grondzaken.

Het onderzoek richt zich tegen een tweetal Gelderse bedrijven. Beide bedrijven handelen onder andere in grond en men wordt ervan verdacht verontreinigde grond zodanig te hebben gemengd met andere grond, dat dit weer bruikbaar was.

Een derde bedrijf uit Zuid-Holland houdt zich bezig met de controle op de grondzaken van deze bedrijven. De aangehouden verdachten zijn werkzaam voor of namens deze bedrijven.

Gecombineerd onderzoek

Het betreft een gecombineerd onderzoek van de politie Oost-Nederland en buitengewoon opsporingsambtenaren van Rijkswaterstaat. Het onderzoek staat onder leiding van de officier van justitie van het Functioneel Parket in Zwolle.

Administratie in beslag genomen

In september 2013 werden ten behoeve van dit onderzoek al doorzoekingen verricht, waarbij administratie in beslag werd genomen in Doetinchem, Lichtenvoorde, Zutphen en Opheusden.

Bron: Politie.nl

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor overtreding Wet milieubeheer door oliehoudende gevaarlijke afvalstoffen in te nemen, te bewerken en te mengen met andere oliehouddende afvalstoffen en dit mengsel als stookolie te verkopen

Rechtbank Amsterdam 24 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:2181

Essentie

Verdachte heeft zich in 2005 tot 2007 stelselmatig schuldig gemaakt aan overtredingen van voorschriften gesteld bij de Wet milieubeheer door oliehoudende gevaarlijke afvalstoffen in te nemen, te bewerken en te mengen met andere oliehoudende afvalstoffen en dit mengsel als brandstof (stookolie) te verkopen. Zij heeft zich aldus schuldig gemaakt aan concurrentievervalsing en inbreuk gemaakt op voorschriften die beogen het milieu te beschermen. Zij heeft haar eigen commerciële belangen laten prevaleren boven de maatschappelijk belangen.

Verdachte

Verdachte heeft aan de Jan van Riebeeckhavenweg in de haven van Amsterdam een inrichting waar zij oliehoudende stoffen inzamelt, ontvangt, opslaat, opbulkt, be- en verwerkt, waarna zij een deel daarvan aan derden verkoopt en levert. In essentie is de vraag die aan de rechtbank voorligt of de inneming, bewerking en afgifte door verdachte van deze stoffen in de jaren 2005 tot en met 2007, onder de reikwijdte van de in 1979 aan verdachte afgegeven Hinderwetvergunning valt.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

  1. zij in de jaren 2005 tot en met 2007 te Amsterdam opzettelijk een of meerdere malen bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, door (telkens) oliehoudende afvalstoffen, te weten oliefractie(s) afkomstig uit scheiding van olie/water/slib-mengsels, in ieder geval gevaarlijke afvalstoffen, op te slaan, te bewerken en/of te verwerken;
  2. zij in de periode oktober 2005 tot en met januari 2006 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere malen zich door afgifte (als stookolie) aan (onder meer) Overslagbedrijf Amsterdam en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3], in elk geval aan een ander of anderen, heeft ontdaan van oliehoudende afvalstoffen, in elk geval van gevaarlijke afvalstoffen.

De vergunningen en relevante wettelijke bepalingen

Op 30 november 2001 heeft verdachte Olie Verwerking Amsterdam BV (OVA) overgenomen. Verdachte is hiermee de rechtsopvolger van OVA.

Bij besluit van 29 november 1979 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning ingevolge de Hinderwet (Hw) verleend aan OVA voor het opslaan, distribueren en verwerken van aardolieproducten in de inrichting.

Op 1 januari 1984 zijn artikel 8 en 25 van de Wet chemische afvalstoffen (Wca) in werking getreden. Artikel 8 lid 1 Wca bepaalde: “Het is verboden chemische afvalstoffen waarvan anderen zich hebben ontdaan, te bewaren, te bewerken, te verwerken of te vernietigen zonder vergunning van onze Minister.”

Artikel 25 Wca bepaalde: “Het is verboden van anderen afkomstige afgewerkte olie te bewaren, te bewerken, te verwerken of te vernietigen zonder vergunning van onze Minister.”

De overgangsbepaling van artikel 57 Wca luidde: “Voor degene voor wie het verrichten van handelingen waarvoor op grond van artikel 8, 21 of 25 een vergunning vereist is, reeds tot het terrein van zijn werkzaamheden behoort op het tijdstip waarop het artikel waarin dat vereiste is vervat, van kracht wordt, blijft dat artikel buiten toepassing gedurende drie maanden na dat tijdstip en indien binnen die termijn een aanvraag om vereiste vergunning is ingediend, ook nadien tot twee maanden nadat het besluit waarbij op die aanvraag wordt beslist van kracht is geworden.”

OVA heeft op grond van deze artikelen een Wca-vergunning aangevraagd en gekregen. Deze vergunning zag op het bewaren en bewerken van verontreinigde stromen lichte- en zware stookolie, gasolie en dieselolie, verontreinigde petroleum, verontreinigde synthetische olie, voor zover het moet worden aangemerkt als een chemische afvalstof in de zin van de Wet chemische afvalstoffen. Deze vergunning was geldig tot 1 juli 1993 (map 10, 0002749).

Bij besluit van 15 september 1993 heeft de Minister van VROM een Wca-vergunning verleend als bedoeld in de artikelen 8 en 25 Wca voor het bewaren en bewerken van anderen afkomstige afgewerkte olie en van een aantal (met name genoemd in artikel 2, lid 2) van anderen afkomstige chemische afvalstoffen (kenmerk DGM/A 930226.004/14 en 930226.005/14). De vergunning ex artikel 25 Wca voor het bewaren en bewerken van afgewerkte olie is verleend tot uiterlijk 1 januari 1995. De vergunning ex artikel 8 Wca voor chemische afvalstoffen is verleend tot uiterlijk 1 juli 1998 (map 10, 0002759).

Met ingang van 1 maart 1993 is de Wca door inwerkingtreding van de Wet milieubeheer komen te vervallen.

Artikel 10.1 Wet milieubeheer luidt onder meer: “3. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

4. Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.”

Artikel 10.37 lid 1 Wet milieubeheer luidt: “Het is verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.”

Bij besluit van 25 maart 1998 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam besloten te zullen gedogen dat OVA de activiteiten zoals gesteld in de beschikkingen DGM/A 9302260 004/14, DGM/A 930226 005/14, DGM/A 1378511, 11/3372 BWT 1977, 15/74 BWT 1984, B15/003 MD, 11/4410 BV 1981 voortzet tot het van kracht worden van de gevraagde vergunning, mits aan de daarbij opgenomen voorschriften wordt voldaan (map 10, 0002777 en 0002778). De gedoogbeschikking volgt uit een verzoek dat OVA heeft gedaan vanwege het expireren van de Wca-vergunningen in combinatie met het gegeven dat op een aanvraag voor een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer (datum aanvraag 22 maart 1996) nog niet was beschikt. Burgemeester en wethouders wijzen er op dat de beschikking vervalt ingeval er binnen de beroepstermijn van de verleende vergunning geen verzoek om schorsing is ingediend. In de gedoogbeschikking is bepaald dat deze “slechts tot verzoeker is gericht en bij rechtsopvolging vervalt”.

De gedoogbeschikking is door de overname van OVA op 30 november 2001 door verdachte komen te vervallen.

Bij besluit van 1 september 2003 heeft de minister van VROM aan verdachte een inzamelvergunning ex artikel 10.48 Wm verleend voor het inzamelen van afgewerkte olie afkomstig van landactiviteiten. Aanleiding voor de aanvraag was de wijziging van de tenaamstelling van de inzamelaar. Gevraagd werd om OVA B.V. te wijzigen in AVR-Industrial Waste B.V. (map 10, 0002852 - 0002856). De vergunning is verleend tot uiterlijk 1 september 2008. De looptijd van vijf jaar hangt samen met het beleid zoals in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) is beschreven (0002854).

Werkwijze van verdachte

Naam 4, de locatiemanager van OVA, belast met de dagelijkse leiding (de planning, personeel en vergunningen) heeft over de ten laste gelegde periode samengevat verklaard dat OVA bij acceptatie van oliehoudende stoffen van de Koninklijke Marine naam 5 te Den Helder alleen naar het chloorgehalte, vlampunt en watergehalte kijkt. Als blijkt dat deze gehalten voldoen dan gaat ‘het de route in van opwerken tot stookolie’. Deze gevaarlijke afvalstoffen worden meestal in ontvangsttank 8 gelost, de zogeheten BOHB-tank. Deze tank is voor de opslag van oliehoudende afvalstoffen waarvan het chloorgehalte kleiner is dan 50 ppm. Tank 5 wordt meestal gebruikt voor oliehoudende afvalstoffen met een chloorgehalte van meer dan 50 ppm. Als de stoffen bij OVA binnenkomen dan worden zij gesetteld, verwarmd en eventueel gecentrifugeerd. Na verwarming en setteling wordt van de tankinhoud nogmaals een monster getrokken om te bekijken wat de kwaliteit van de oliefractie is. Er wordt geanalyseerd op watergehalte, chloorgehalte, vlampunt en een enkele keer op sediment en zwavelgehalte. Vervolgens wordt de oliefractie gecentrifugeerd of via een 100 microfilter naar tank 3 of 4 verpompt, de bewerkte-olietanks. Ten slotte is het product klaar en gaat het naar de afnemers. De afvalstoffen afkomstig van APS komen vanuit hun inzameling vanaf landactiviteiten en vanuit de scheepvaart. APS bepaalt de afvalstofcode van deze drijflagen. Het zijn met water en sediment verontreinigde minerale olieproducten en zij worden al sinds jaar en dag al aangeboden als brandstofresten. Afgewerkt olie komt in de afgewerkte-olietanks. De drijflagen van APS komen in de regel in tank 8 wat betreft chloorgehalte kleiner dan 50 ppm en in tank 5 wat betreft chloorgehalte groter dan 50 ppm. Er wordt op vlampunt geanalyseerd, niet op PAK’s en niet altijd op metalen. Bij acceptatie wordt niet op oplosmiddelen geanalyseerd en evenmin op koudemiddelen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig het schriftelijk requisitoir onder verwijzing naar het door hem opgesteld “Juridisch Kader” gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie samengevat het volgende te berde gebracht. Verdachte beschikte in de ten laste gelegde periode niet over een vergunning om gevaarlijk afvalstoffen op te slaan en te be-/verwerken. Zelfs als verdachte over de inmiddels verlopen Wca-vergunningen zoals die destijds in 1993 aan OVA verleend waren zou hebben beschikt, dan nog was haar niet toegestaan zogenaamde drijflagen op te slaan en te be-/verwerken. De conclusie is dat verdachte handelde in strijd met wettelijke bepalingen en met het door de overheid voorgestane afvalstoffenbeleid.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie het volgende naar voren gebracht. Verdachte had geen vergunning drijflagen te accepteren binnen haar inrichting. Inname en bewerking van drijflagen met een ‘chloorgehalte’ > 50 ppm is verdachte verboden ingevolge het Besluit organisch-halogeengehalte brandstoffen. Bewerking van de drijflagen door verdachte heeft niet tot gevolg dat een aan een reguliere brandstof gelijk product ontstaat. Deze laatste conclusie brengt mee dat het doorverkopen van die bewerkte drijflagen als stookolie als strijdig gekwalificeerd moet worden met artikel 10.37 Wet milieubeheer. Dit doorverkopen moet gezien worden als het afgeven van afvalstoffen aan een ander dan – kortgezegd – erkende inzamelaars of verwerkers van afval.

Het gaat hierbij om kleurloos opzet. Het opzet op het niet naleven van wettelijke bepalingen behoeft niet bewezen te worden (HR 20 december 2011, LJN BT1873).Maar in dezen heeft verdachte zelfs opzet op het niet naleven van wettelijke bepalingen gehad. Verdachte, een professionele afvalinzamelaar en -verwerker, met een locatiemanager die het bedrijf ook runde onder OVA en de afvalbranche van haver tot gort kende, behorend tot een groot en gerenommeerd afvalconcern, kende de toepasselijke regelgeving, het toepasselijke beleid waarop die regelgeving was gebaseerd en de oude Wca-vergunningen van OVA. Desondanks werden aangeboden partijen afvalstoffen niet onderzocht op verontreinigingen en duidde verdachte deze partijen ten onrechte als brandstofrestanten aan, terwijl zij de herkomst van die afvalstoffen kende en op basis daarvan wist dat het geen brandstofrestanten met enkel water en sediment betroffen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnoties vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdediging samengevat het volgende aangevoerd. Ten tijde van de ten laste gelegde periode was wat betreft verdachte de Hinderwetvergunning van toepassing. De omgevingsdeskundigen van StAB concluderen dat de Hw-vergunning in 2005-2007 van toepassing was en dat “sprake is van een ‘ruime’ vergunning aangezien geen beperkingen gelden aan de aard en samenstelling van geaccepteerde oliehoudende afvalstoffen en de in de handel gebrachte brandstoffen”. Het vervallen van de (met de gedoogbeschikking verlengde) Wca-vergunning uit 1993 is niet relevant voor de beoordeling wat wel of niet was toegestaan in de periode 2005-2007. Op dat moment was immers de Wet milieubeheer in werking getreden en gold op basis van het overgangsrecht de Hinderwetvergunning als (integrale) milieuvergunning. Het gegeven dat deze vergunning veel minder gedetailleerd was dan de Wca-vergunning en niet geactualiseerd, is daarbij niet van belang. Deze vergunning voorzag in de door verdachte in deze periode verrichte handelingen met oliehoudende afvalstoffen, waaronder het be- en verwerken van de oliehoudende afvalstoffen, alsmede het verhandelen van de aldus verkregen product als brandstof (en derhalve niet als afvalstof). Derhalve behoort verdachte, mede op basis van het bepaalde in art. 10.1 lid 5 Wm, te worden vrijgesproken van het haar onder 1 ten laste gelegde. Verdachte beschikte in de ten laste gelegde periode wel degelijk over een vergunning voor het opslaan, overslaan, bewerken, verwerken, vernietigen en/of verbranden van buiten die inrichting afkomstige oliehoudende afvalstoffen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw samengevat het volgende betoogd. Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij zich in de periode oktober 2005 tot en met januari 2006 opzettelijk door afgifte aan derden (OBA, naam 1, [naam 2] en [naam 3]) heeft ontdaan van oliehoudende afvalstoffen (althans gevaarlijke afvalstoffen) als bedoeld in artikel 10.37 Wm. De wijze waarop dit is ten laste gelegd, heeft tot gevolg dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat zij zich ontdeed van de oliehoudende stoffen als zijnde afvalstoffen, alvorens het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. In het onderhavige geval zal in lijn met dit het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:24) bewezen moeten (kunnen) worden verklaard dat verdachte zich opzettelijk ontdeed van oliehoudende afvalstoffen. Verdachte ontdeed zich evenwel niet (willens en wetens) van de desbetreffende stoffen, noch was zij zich ervan bewust dat zij oliehoudende afvalstoffen afgaf aan de in de tenlastelegging genoemde bedrijven. Zij verkocht aan de in de tenlastelegging genoemde derden een brandstof, aldus de verdediging.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Op grond van de verklaring van de locatiemanager van verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte in de ten laste gelegde periode conform haar eigen acceptatiebeleid handelde. De vertegenwoordiger van verdachte heeft dit ter zitting bevestigd. Uit dit beleid volgt dat voorafgaand aan de acceptatie van afvalstoffen elke partij uitsluitend werd onderzocht op EOX, vlampunt en watergehalte.

Uit het dossier blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde periode zogeheten drijflagen van Amsterdam Port Services B.V. (APS) en [naam 5], onderhoudsbedrijf van de Koninklijke Marine heeft ontvangen. Een drijflaag is een afgescheiden oliefractie uit olie-water-slibmengsels. De partijen/afvalstromen die verdachte van APS ontving, werden bij APS gecontroleerd en vervolgens geaccepteerd en ingenomen in tank 5 en 8. [naam 5] verstrekte geen informatie over het PCB-gehalte en verdachte controleerde enkel op EOX, vlampunt en watergehalte. Hieruit volgt dat verdachte ook in deze specifieke gevallen voorafgaand aan acceptatie niet het gehalte aan PCB’s bepaalde.

Uit het dossier volgt dat deze drijflagen moeten worden gekwalificeerd als ‘olie-water-slibmengsel uit olie-, vet-, slib- of benzineafscheiding’ afkomstig van het ‘ledigen van een stationaire opslagtank’. Wanneer dit wordt gerubriceerd volgens de in de Regeling integrale tekst afvalstoffenlijst aangegeven methode, zijn dit gevaarlijke afvalstoffen.

De ontvangen stoffen werden bewerkt in die zin dat zij werden verwarmd zodat een zekere scheiding tussen de lagen (fracties) ontstond.

Ten slotte werd het aldus verkregen product opgeslagen en voor eigen verwarming aangewend in de stookinstallatie dan wel als stookolie aan de afnemers verkocht en geleverd die in het onder 2 ten laste gelegde feit staan vermeld.

De stookinstallatie op het terrein van verdachte betrof een stoomketel voor het opwekken van stoom voor de verwarming van de opslagtanks. Het is een stookinstallatie die onder het besluit emissie-eisen stookinstallatie milieubeheer B valt en die niet aan het Besluit verbranden afvalstoffen voldoet. Verder is komen vast te staan dat verdachte de stoffen niet destilleerde of verbrandde in een daar voor speciaal geschikte oven.

Tussenconclusie

De conclusie is dat verdachte, door gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen, te bewerken en te gebruiken en verkopen, nadelige effecten voor het milieu kon doen ontstaan.

Vergunning?

De volgende vraag is of het verdachte was toegestaan drijflagen te ontvangen en te be- en verwerken, met andere woorden of verdachte een vergunning had voor de door haar uitgevoerde handelingen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat in de ten laste gelegde periode – uitsluitend nog – de oude Hinderwetvergunning gold.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verdachte niet was toegestaan handelingen met oliehoudende afvalstoffen te verrichten, ook niet op grond van de haar in het verleden verleende Hinderwetvergunning. Op 1 februari 1952 is de Hinderwet (Hw) in werking getreden. Deze wet was lange tijd de enige milieuhygiënische wet. Op een gegeven moment is een groot aantal nieuwe milieuhygiënewetten uitgevaardigd waarbij een sectorale benadering voorop stond. Zo zijn in 1984 de artikelen 8 en 25 Wca inwerking getreden. Deze sectorale aanpak is geleidelijk verlaten en vervangen door een meer centrale en geïntegreerde aanpak. Deze ontwikkeling resulteerde in de Wet milieubeheer die op 1 maart 1993 in werking is getreden. De bepalingen over afvalstoffen zijn grotendeels terechtgekomen in hoofdstuk 10 van deze wet, dat op 1 januari 1994 in werking is getreden. De Wca is hiermee komen te vervallen. De wettelijke eisen betreffende het omgaan met chemische stoffen zijn in de loop der tijd steeds strenger geworden. Wat aanvankelijk onder de Hinderwetvergunning was gedekt, is deel voor deel uit de Hinderwet gehaald en ter bescherming van het milieu onder een nieuw regime geplaatst.

Uit de aan OVA verstrekte Wca-vergunning volgt dat onder die vergunning (samengevat) chemische afvalstoffen mochten worden bewaard en bewerkt. Uitdrukkelijk wordt hierbij het volgende overwogen:

“Indien het water verontreinigd is met minerale olieproducten valt deze afvalstof onder de definitie “met water en sediment verontreinigde minerale olieprodukten”(…) Indien de afvalstof niet valt onder deze definitie (…) is er sprake van een afvalstof die qua aard en samenstelling dermate anders is dan de bedoelde brandstofrestanten of afgewerkte olie, dat deze niet zonder meer kan worden ingezet ten behoeve van de produktie van substituutbrandstof. Een vergunning voor deze stromen kan dan ook niet worden verleend.”

Uit deze vergunning blijkt klip en klaar dat OVA enkel brandstofrestanten met water en sediment mocht accepteren. Uit artikel 2 tweede lid onder b. van deze vergunning volgt dat de aangegeven PCB-waarden niet overschreden mochten worden. Ook uit deze vergunning blijkt dat de verrichtingen van OVA niet langer onder de Hw vielen, maar onder een apart, strenger regime. De activiteiten van verdachte werden in de ten laste gelegde periode derhalve niet gedekt door de Hw-vergunning. Juist deze verdachte, een professionele speler als het gaat om (oliehoudende) afvalstoffen, moet dit hebben geweten. Verdachte heeft onder de nieuwe Wet milieubeheer een vergunning aangevraagd en gekregen. Op de zienswijze van StAB kan verdachte zich niet beroepen, al was het maar omdat deze zienswijze dateert van een tijdstip, geruime tijd gelegen nadat de in de tenlastelegging bedoelde feiten zich heb ben voorgedaan. Onder 7. Gaat de rechtbank hierop nog nader in.

Conclusie

De conclusie is dat verdachte in de ten laste gelegde periode drijflagen, dat wil zeggen oliefracties afkomstig uit scheiding van olie/water/slib-mengsels, heeft opgeslagen, be- en verwerkt, terwijl dat verboden was en zij wist dat het haar niet vergund was dat te doen. Verdachte moet ook hebben geweten dat hierdoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Zij kende de steeds strenger wordende regelgeving en het beleid van de overheid. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte willens en wetens en dus opzettelijk de regels heeft overtreden.

Strafbaarheid

Voor zover de verdediging met verwijzing naar het StAB-rapport zich op verontschuldigbare rechtsdwaling beroept, omdat zij meende te beschikken over een vergunning en daarom niet strafbaar is, overweegt de rechtbank het volgende.

De StAB heeft in haar rapport van 27 juni 2013 de volgende beschouwing opgenomen: “Sinds 1979 beschikt OVA over een milieuvergunning die niet specifieerde welke (afval)stoffen geaccepteerd mochten worden, welke be- en verwerkingen waren toegestaan en welke producten onder welke voorwaarden in het handelsverkeer mochten worden gebracht. In de Wca-vergunning uit 1993 waren meer specifieke voorschriften qua acceptatie en in het handelsverkeer brengen van producten opgenomen, maar deze vergunning expireerde op 1 juli 1998. Het gedoogbesluit waarmee deze vergunning is verlengd tot onbepaalde tijd verviel op het moment van rechtsopvolging in 2001. In de periode 2005-2007 vigeerde de vergunning uit 1979 krachtens de Wet milieubeheer. Doordat deze vergunning een ruim toepassingsbereik heeft, kan worden gesteld dat het accepteren van oliehoudende afvalstoffen, het bewerken en het als brandstof in het handelsverkeer brengen van bewerkte producten, daaronder vielen.”

De rechtbank merkt allereerst op dat de zienswijze van StAB niet bepaald stellig is verwoord en evenmin is voorzien van een met argumenten geschraagde onderbouwing. Verder stelt ook StAB zich op het standpunt dat de milieuvergunning niet meer actueel was en een revisievergunning was ingediend waarop in de periode 2005-2007 nog niet was beschikt. De rechtbank acht de hiervoor aangehaalde zienswijze, zoals uit het voorgaande voortvloeit, onjuist. Zij ziet ook niet in welk opzicht deze pas jaren na de ten laste gelegde handelingen gedane beschouwing voor de beoordeling van deze zaak gewicht in de schaal kan leggen in die zin dat verdachte een beroep op verontschuldigbare dwaling zou toekomen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

Bewezenverklaring

  1. Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
  2. Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank verklaart verdachte, AVR-Industrial Waste B.V, strafbaar en veroordeelt verdachte tot een geldboete van €480.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden & overgangsrecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3361

Essentie

Verdachte wordt vrijgesproken van het (opzettelijk) op de markt brengen, voorhanden hebben, in voorraad hebben en binnen Nederland brengen en of gebruiken van het gewasbeschermingsmiddel Topsprout, bevattende de werkzame stof Carvon. Niet kan worden bewezen dat dit gewasbeschermingsmiddel ten tijde van het tenlastegelegde niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten. Het beroep dat de AG doet op doorwerking van EG recht ten nadele van verdachte wordt verworpen.

Verdenking

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 11 maart 2011 te [plaats], gemeente [gemeente], opzettelijk Topsprout, bevattende de werkzame stof Carvon, althans een gewasbeschermingsmiddel of een biocide op de markt heeft gebracht en/of voorhanden heeft gehad en/of in voorraad heeft gehad en/of binnen Nederland heeft gebracht en/of heeft gebruikt, terwijl dat gewasbeschermingsmiddel niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Topsprout een gewasbeschermingsmiddel?

Verdachte betwist dat Topsprout een gewasbeschermingsmiddel is.

Het hof verstaat de tenlastelegging aldus dat het daarin voorkomende woord “gewasbeschermingsmiddel” wordt gebezigd in de betekenis die de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden daaraan toekent.

Op grond van de stukken alsmede het verhandelde ter terechtzittingen van het hof komt het hof tot het oordeel dat Topsprout een gewasbeschermingsmiddel is, als omschreven in het ten tijde van het ten laste gelegde geldende artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, namelijk een werkzame stof of preparaat dat een of meer werkzame stoffen bevat, namelijk Carvon, bestemd of aangewend om (onder 5e) een ongewenste groei van planten af te remmen of te voorkomen.

Het hof wijst in dit verband op de verklaringen van de gebruikers van Topsprout, [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], maar ook op de verklaring van verdachte ter terechtzitting van het hof op 28 mei 2013 dat Topsprout met daarin Carvon is bedoeld om het klimaat in de koelcel te beïnvloeden. Deze beïnvloeding leidt ertoe dat de aardappels minder gekoeld hoeven te worden. De koeling van aardappelen is nodig om (ongewenste) kiemvorming te beperken.

Toelating vereist?

Verdachte heeft verder gesteld dat Topsprout (als gewasbeschermingsmiddel) mag worden gebruikt zonder dat daarvoor een toelating is vereist. Hij heeft een beroep gedaan op overgangsrecht.

Het hof stelt op basis van de stukken en het onderzoek ter terechtzittingen vast dat Topsprout uitsluitend d-carvon (CAS nummer 2244-16-8) als werkzame stof bevat. Het hof beschouwt de aanduiding met CAS nummer 2224-16-8 in de ter zitting van 28 mei 2013 overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota van de raadsman en het daarachter gevoegde certificaat als kennelijke verschrijving. D-carvon is verkregen uit de olie van karwijzaad.

Ingevolge artikel 129, zesde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn gewasbeschermingsmiddelen die op grond van artikel 1, derde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 zijn uitgezonderd van de toepassing van die wet, bij de inwerkingtreding van Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden van rechtswege toegelaten tot het moment waarop het college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden de toelating intrekt of wijzigt op grond van deze wet of het middel toelaat op grond van artikel 35 of 55.

De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is op 17 oktober 2007 in werking getreden. Tot dat moment gold artikel 1, derde lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 en de daarop gebaseerde Regeling uitzondering bestrijdingsmiddelen. Op basis hiervan was de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 niet van toepassing op, onder meer en voor zover hier van belang (artikel 1, eerste lid, III, onder f): producten die gedefinieerd zijn in of onder de werkingssfeer vallen van richtlijn nr. 88/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's (PbEG L 184).

Artikel 5, punt 1, onder het derde, vierde, vijfde en zesde gedachtestreepje van richtlijn nr. 88/388/EEG bepaalt dat de Raad passende voorschriften stelt betreffende door passende fysische dan wel enzymatische of microbiologische procédés uit plantaardige of dierlijke grondstoffen verkregen aromastoffen alsmede door chemische synthese verkregen of chemisch geïsoleerde aromastoffen.

Ter uitvoering van artikel 5, punt 1, derde, vierde, vijfde en zesde gedachtestreepje van richtlijn nr. 88/388/EEG is, bij Verordening (EG) nr. 2232/96 van het Europees Parlement en de Raad van 28 oktober 1996 tot vaststelling van een communautaire procedure voor in of op levensmiddelen gebruikte of te gebruiken aromastoffen, onder meer bepaald (artikel 3, tweede lid) dat de aromastoffen waarvan het wettig gebruik in een Lid-Staat door de andere Lid-Staat moet worden erkend, worden opgenomen in een repertorium.

Bij beschikking van 23 februari 1999 heeft de Commissie bedoeld repertorium vastgesteld.

In dit repertorium is onder meer opgenomen d-carvon met CAS-nummer 2244-16-8. Gelet hierop stelt het hof vast dat de in Topsprout aanwezige werkzame stof d-carvon ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden een stof was die gedefinieerd is of onder de werkingssfeer valt van richtlijn nr. 88/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's (PbEG L 184).

Dit betekent dat dit gewasbeschermingsmiddel ten tijde van het in werking treden van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden van rechtswege was toegelaten. De omstandigheid dat dit gewasbeschermingsmiddel niet was opgenomen op de (door de deskundigen E. de Vries en M.H. van Diesen ter terechtzitting van het hof op 9 april 2014 genoemde) lijst van middelen en stoffen die destijds binnen de verschillende departementen werd gebezigd en welke lijst ook de basis is geweest voor hetgeen dienaangaande is opgenomen in de Staatscourant van 1 februari 2012 (nr. 2007) en de brief van 16 maart 2012 van de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, doet hieraan niet af. Daartoe overweegt het hof dat in de regelgeving geen grondslag is te vinden voor het bestaan van een dergelijke beperkte lijst.

Het hof stelt verder op grond van het verhandelde ter terechtzitting van het hof van 9 april 2014 vast dat een beoordeling door het college voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden als voorzien in artikel 129, zesde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, met betrekking tot d-carvon (CAS nummer 2244-16-8) ten tijde van het ten laste gelegde niet had plaatsgevonden.

De advocaat-generaal heeft erop gewezen dat een uitzondering voor Carvon niet meer mogelijk was op het moment dat deze stof op de annex 1 van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen werd geplaatst. Dit is gebeurd bij Richtlijn 2008/44/EG van de Commissie van 4 april 2008. De datum van inwerkingtreding was 1 augustus 2008.

Dienaangaande overweegt het hof dat - in het midden latend of het in laatstgenoemde richtlijn genoemde Carvon met CAS-nummer 99-49-0 ook consequenties heeft voor de toelating van d-carvon met CAS-nummer 2244-16-8 - deze richtlijn niet - hetzij via regelgeving, hetzij door een of meer beoordelingen, voorzien in artikel 129, zesde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden - is geïmplementeerd in de Nederlandse regelgeving, noch, zoals voorzien in de richtlijn, uiterlijk op 1 februari 2009, noch op enig moment daarna.

Het hof begrijpt het standpunt van de advocaat-generaal aldus dat het overgangsrecht van artikel 129, zesde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd. Echter, de mogelijkheden tot richtlijnconforme interpretatie zijn op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet onbeperkt. Zo is richtlijnconforme interpretatie niet toegelaten wanneer die uitlegging ertoe zou leiden dat aan een particulier een verplichting wordt tegengeworpen die voorkomt in een niet-geïmplementeerde richtlijn of, a fortiori, wanneer zij tot gevolg heeft, dat op grond van de richtlijn en bij ontbreken van een ter uitvoering ervan vastgestelde wet, de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die in strijd met haar bepalingen handelen, wordt vastgesteld of verzwaard. In dit verband wijst het hof op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 26 september 1996, zaak C-168/95 (Arcaro).

Gelet hierop ziet het hof voor de door de advocaat-generaal kennelijk voorgestane interpretatie van het overgangsrecht geen aanknopingspunten.

Conclusie: vrijspraak

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat niet kan worden bewezen dat het door verdachte gebezigde gewasbeschermingsmiddel ten tijde van het tenlastegelegde niet ingevolge de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden was toegelaten. De conclusie is - nu het hier een essentieel en bepalend onderdeel van de tenlastelegging betreft - dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Transactie overeengekomen met Biopetrol voor overtreden lozingseisen

Het Functioneel Parket is met Biopetrol Rotterdam B.V. een transactie overeengekomen van 75.000 euro voor het overtreden van de lozingseisen op grond van de Watervergunning.

Uit onderzoek door Rijkswaterstaat blijkt dat bij meerdere lozingen de lozingseisen voor chemisch zuurstof verbruik (CZV) en zwevende stof (ZS) zijn overschreden.

Het betreft 12 overschrijdingen in de periode september 2011 tot en met maart 2012 en mei 2012 tot en met augustus 2012. Deze overschrijdingen zijn in strijd met de Watervergunning. Volgens Biopetrol hielden de overschrijdingen verband met ontwerpfouten in de waterzuiveringsinstal- latie. Het OM vindt dat Biopetrol had moeten toezien dat het materiaal in goede staat verkeerde.

Het Openbaar Ministerie vindt een transactie een passende afdoening van de zaak. Na het nemen van maatregelen door Biopetrol zijn er na augustus 2012 geen nieuwe overschrijdingen meer geconstateerd.

Bron: OM

Print Friendly and PDF ^

Shell haalt opgelucht adem na uitleg begrip ‘afvalstof’ door het Hof

De uitleg van het begrip ‘afvalstof’ op grond van de afvalstoffenrichtlijn is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Recent heeft het Hof van Justitie nieuwe aanknopingspunten geboden voor de uitleg van het afvalstoffenbegrip uit de afvalstoffenrichtlijn 2006/12/EG. Het Hof is namelijk van oordeel dat het retourneren van een non-conform product dat vervolgens weer op de markt wordt gebracht een aanwijzing vormt dat het niet gaat om een ‘afvalstof’. Dit is een belangrijk gegeven, aangezien heel wat Europese regelgeving met betrekking tot het afvalbeheer en het vervoeren van afval in dat geval niet van toepassing is.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^