Klimop-zaak oud-notaris: Door betrokkene genoten w.v.v.?

Hoge Raad 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2476

Het middel behelst de klacht dat het hof in strijd met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel niet is uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten. Het oordeel van het hof getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting, althans het hof heeft zijn uitspraak niet overeenkomstig de eisen van de wet gemotiveerd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Ontvankelijkheid i.v.m. onvolkomen in de schriftelijke volmacht bij het instellen van hoger beroep

Hoge Raad 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2411

In zijn arrest van 22 december 2009 heeft de Hoge Raad eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen dient te voldoen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Arbeidsomstandighedenbesluit: slagende bewijsklacht aangaande het weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers te verwachten was

Hoge Raad 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2417

Het eerste middel keert zich tegen de veroordeling van feit 1 en 2 omdat niet zou zijn voldaan aan de vereisten voor het daderschap van de rechtspersoon. Dat is ook in hoger beroep als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan het hof voorgelegd, maar het hof is van dat standpunt afgeweken zonder daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Voordoen als advocaat valt niet onder valselijk bekleden van een ambt (art. 196 Sr)

Hoge Raad 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2415

In het bestreden arrest ligt als oordeel van het Hof besloten dat met de uitoefening van het beroep van advocaat een van het openbaar gezag deel uitmakend ambt wordt bekleed in de zin van art. 196 Sr.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. roekeloosheid

Hoge Raad 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2414

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, tweede lid, WVW 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Read More
Print Friendly and PDF ^