Voordoen als advocaat valt niet onder valselijk bekleden van een ambt (art. 196 Sr)

Hoge Raad 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2415

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden heeft verdachte op 10 februari 2016 voor: opzettelijk een daad verrichten behorend tot een ambt dat hij niet bekleedt, veroordeeld tot een geldboete van € 500.
 

Middel

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte, door zich voor te doen als advocaat, een daad heeft verricht behorend tot een "ambt" als bedoeld in art. 196 Sr, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
 

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op deze bepaling, die is opgenomen in Titel VIII (Misdrijven tegen het openbaar gezag) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht. Daarom moet de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende term "ambt" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 196 Sr.

In het bestreden arrest ligt als oordeel van het Hof besloten dat met de uitoefening van het beroep van advocaat een van het openbaar gezag deel uitmakend ambt wordt bekleed in de zin van art. 196 Sr. Het middel klaagt terecht dat 's Hofs oordeel in zoverre blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de betekenis van de term "ambt".
 

Conclusie AG

Ik kan mij voorstellen dat het OM aan de onderhavige zaak een strafrechtelijk vervolg wil geven. Zo zou wellicht het handelen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd als de overtreding van het eerste lid van artikel 436 Sr. Vandaar dat deze conclusie ertoe strekt om het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het gerechtshof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF