HR herhaalt: toetsing in cassatie van oordeel feitenrechter inzake redelijke termijn

Hoge Raad 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1159

De tweede klacht van het tweede middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep dermate beperkt is dat de geconstateerde verdragsschending voldoende gecompenseerd is door de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM onbegrijpelijk is.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Falende bewijsklacht ‘afkomstig uit enig misdrijf’

Hoge Raad 27 juni, ECLI:NL:HR:2017:1157

De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden wegens medeplegen van witwassen. Het startpunt in de onderhavige zaak ligt in een MOT-melding van de bank, waarop een bedrag van € 400.000 in contanten werd gestort. De hiervoor door de (latere) verdachte gegeven verklaring dat hij ruim 470.000 EUR in Duitsland had gewonnen in de loterij bleek niet op waarheid te berusten.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR: Geen afgeleid verschoningsrecht m.b.t. stukken die door cliënten rechtsreeks (zonder tussenkomst van raadslieden) aan deskundige ter hand zijn gesteld

Hoge Raad 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0074 (gepubliceerd op 21 juni 2017)

De Rechtbank heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de stukken, alvorens zij bij mr. B. waren aangetroffen, aan de raadslieden niet als geheim waren toevertrouwd. Uitgaande van die vaststelling heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat deze stukken niet object van verschoningsrecht van de raadslieden waren, en mitsdien het beroep op het afgeleide verschoningsrecht van mr. B. met betrekking tot die stukken terecht ongegrond verklaard.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Voortgezette handeling valsheid in geschrift & oplichting?

Hoge Raad 4 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8648

Aangevoerd wordt dat het Hof ten onrechte en op onjuiste gronden heeft verworpen het namens verdachte gevoerde verweer, dat beide feiten als eén voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr zouden moeten worden beschouwd: Het Hof heeft deze stelling namelijk slechts afgewezen met een beroep op het tijdsverschil tussen beide feiten, maar dit is volgens het in middel onder a gestelde onvoldoende.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR: bij gelijktijdigheid gedragingen, wezenlijke samenhang in handelen en schuld van verdachte valt niet uit te sluiten dat geen vervolging van zowel art. 140 Sr als art. 225 Sr kan plaatsvinden

Hoge Raad 26 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0583 (gepubliceerd op 28 juni 2017)

Ook al is de strekking van art. 140 Sr een andere dan die van art. 225 Sr, het valt niet uit te sluiten dat met betrekking tot in opeenvolgende telasteleggingen omschreven feiten, strafbaar ingevolge art. 140 Sr onderscheidenlijk art. 225 Sr, sprake is van omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte, dat ook dan beginselen van een behoorlijke procesorde zich ertegen verzetten dat tegen degene die ter zake van art. 140 Sr is of wordt vervolgd, vervolgens ook ter zake van feiten strafbaar ingevolge art. 225 Sr een vervolging wordt ingesteld.

Read More
Print Friendly and PDF ^