HR: Geen afgeleid verschoningsrecht m.b.t. stukken die door cliënten rechtsreeks (zonder tussenkomst van raadslieden) aan deskundige ter hand zijn gesteld

Hoge Raad 20 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0074 (gepubliceerd op 21 juni 2017)

Mr. B (registeraccountant) is als deskundige in de arm genomen door de raadslieden in deze zaak. De cliënten hebben rechtstreeks, zonder tussenkomst van hun raadslieden, aan mr. B stukken verstrekt. Onder mr. B zijn deze stukken in beslag genomen. Hiervan is aangevoerd dat de inbeslagname schending oplevert van het aan mr. B. als deskundige toekomende afgeleide verschoningsrecht.

De Rechtbank heeft dit verweer verworpen en het klaagschrift ongegrond verklaard.

De rechtbank overweegt dat:

  • De stukken door A c.s. aan mr. B. ter hand zijn gesteld;
     
  • Het geval doet zich niet voor dat deze stukken voordat zij aan mr. B. ter hand waren gesteld, object van verschoningsrecht waren van de raadslieden;
     
  • De stelling dat A c.s. door de stukken aan mr. B. ter hand te stellen, deze door tussenkomst van mr. B. aan de raadslieden toevertrouwde, niet als juist kan worden aanvaard.
     
  • Dit niet anders is indien voorgaand aan het ter hand stellen aan mr. B. van deze stukken door A c.s. overleg is geweest tussen A c.s. en mrs. S. en/of mr. W.
     

De overweging van de rechtbank luidt als volgt:

5. Het beslag op de stukken onder (ii), blijft gehandhaafd. Het klaagschrift te dier zake is ongegrond.

6. Het betrekking tot de stukken onder (ii) kan immers niet gelden dat deze door de raadslieden aan mr. B. ter hand zijn gesteld. De stukken zijn door A c.s. aan mr. B. ter hand gesteld. Het geval doet zich niet voor dat deze stukken voordat zij aan mr. B. ter hand waren gesteld, object van verschoningsrecht waren van de raadslieden. Deze stukken waren immers de raadslieden niet als geheim toevertrouwd alvorens zij bij mr. B. werden aangetroffen. De stelling dat A c.s. door de stukken aan mr. B. ter hand te stellen, deze door tussenkomst van mr. B. aan de raadslieden toevertrouwde, kan niet als juist worden aanvaard. Dit is niet anders indien voorgaand aan het ter hand stellen aan mr. B. van deze stukken door A c.s. overleg is geweest tussen A c.s. en mrs. S. en/of mr. W..

7. De stelling van de verdediging dat de Hoge Raad heeft beslist dat het er niet toe doet op welke wijze de deskundige de stukken ontvangt (al dan niet via de raadslieden), berust op een onjuiste lezing van de overwegingen van de Hoge Raad. De Hoge Raad overweegt slechts met betrekking tot stukken die voordat zij door de raadslieden aan mr. B. ter hand waren gesteld object waren van het verschoningsrecht van de raadslieden. De Hoge Raad heeft zich aldus niet uitgelaten over stukken die niet door de raadslieden aan mr. B. ter hand zijn gesteld.

8. Hierop faalt het beroep van klagers op het verschoningsrecht met betrekking tot de stukken onder (ii). De stukken zijn nimmer in de handen van de raadslieden geweest en dus niet aan de raadslieden toevertrouwd. Er kan redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat het oordeel van de raadslieden onjuist is dat deze stukken desalniettemin object van hun verschoningsrecht zijn.
 

Beoordeling Hoge Raad

Een deskundige, aan wie een advocaat stukken ter hand stelt of laat stellen die object zijn van het aan de advocaat toekomende verschoningsrecht, komt een afgeleid verschoningsrecht toe. Met een beroep op dit hem toekomende afgeleide verschoningsrecht zal deze deskundige zich kunnen verzetten tegen inbeslagneming van zodanige stukken indien en voor zover deze zich bij hem bevinden in verband met de vervulling van een door hem aanvaarde opdracht, welke hem is verleend door de advocaat in het kader van de behandeling van een bepaalde door een cliënt aan deze toevertrouwde aangelegenheid (vgl. HR 29 maart 1994, NJ 1994, 552).

De Rechtbank heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat de in de bestreden beschikking onder (ii) aangeduide stukken, alvorens zij bij mr. B. waren aangetroffen, aan de raadslieden niet als geheim waren toevertrouwd. Uitgaande van die vaststelling heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat deze stukken niet object van verschoningsrecht van de raadslieden waren, en mitsdien het beroep op het afgeleide verschoningsrecht van mr. B. met betrekking tot die stukken terecht ongegrond verklaard.

Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF