HR: bij gelijktijdigheid gedragingen, wezenlijke samenhang in handelen en schuld van verdachte valt niet uit te sluiten dat geen vervolging van zowel art. 140 Sr als art. 225 Sr kan plaatsvinden

Hoge Raad 26 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0583 (gepubliceerd op 28 juni 2017)

 

 

Het Hof heeft in hoger beroep de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging ter zake van het onder 2 telastegelegde, voorzover betrekking hebbende op het T1-document van 20 november 1990 en voorts de verdachte veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf ter zake van feit 1 en 2 (medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd).
 

Middel 

In tweede middel klaagt over de verwerping van het hof van het namens verdachte gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie omdat verdachte in deze zaak voor dezelfde feiten is gedagvaard als ter zake waarvan hij bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 februari 1994 is veroordeeld.
 

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat het openbaar ministerie ingevolge het bepaalde in het eerste lid van art. 68 Sr slechts dan niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, indien het de verdachte vervolgt ter zake van een feit of feiten waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van een rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba reeds onherroepelijk is beslist.

Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde echter eveneens sprake indien de officier van justitie alvorens over een eerdere dagvaarding door de rechter onherroepelijk is beslist, een tweede dagvaarding of kennisgeving van verdere vervolging uitbrengt ter zake van hetzelfde feit - in de zin van art. 68 Sr - als in die eerdere dagvaarding was telastegelegd.

Ook al is de strekking van art. 140 Sr een andere dan die van art. 225 Sr, het valt niet uit te sluiten dat met betrekking tot in opeenvolgende telasteleggingen omschreven feiten, strafbaar ingevolge art. 140 Sr onderscheidenlijk art. 225 Sr, sprake is van omstandigheden waaruit blijkt van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van de verdachte, dat ook dan beginselen van een behoorlijke procesorde zich ertegen verzetten dat tegen degene die ter zake van art. 140 Sr is of wordt vervolgd, vervolgens ook ter zake van feiten strafbaar ingevolge art. 225 Sr een vervolging wordt ingesteld.

Van dergelijke omstandigheden is sprake indien in de op art. 140 Sr toegesneden telastelegging de daarin bedoelde deelneming van de verdachte aan de organisatie aldus is omschreven dat deze (mede) heeft bestaan uit het begaan van concrete misdrijven ingevolge art. 225 Sr, welke vervolgens in een tweede vervolging ingevolge art. 225 Sr afzonderlijk worden telastegelegd. Dat geval doet zich te dezen niet voor.

Voorts zal, ook indien tussen de door de eerste rechter beoordeelde gedragingen en die welke in de tweede dagvaarding zijn vervat anderszins sprake is van een verband als hiervoor bedoeld, het openbaar ministerie op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde in die tweede vervolging niet- ontvankelijk moeten worden verklaard. Zodanig geval doet zich voor indien de eerste rechter het bewijs van het op overtreding van art. 140 Sr toegesneden telastegelegde klaarblijkelijk mede heeft aangenomen op grond van bepaalde concrete gedragingen van de verdachte en deze gedragingen vervolgens in een tweede op art. 225 Sr toegespitste telastelegging zijn opgenomen.

Het ter terechtzitting gevoerde verweer strekt kennelijk mede ten betoge dat zich te dezen de hiervoor omschreven situatie heeft voorgedaan. Het Hof heeft zich, blijkens hetgeen het heeft overwogen zoals hiervoor weergegeven, ertoe beperkt te onderzoeken of een of meer van de thans telastegelegde feiten ook reeds voorkwamen in de - op art. 225 Sr toegesneden - telastelegging onder 1 en dus verzuimd te onderzoeken of de eerdere vervolging ter zake van art. 140 Sr aan een vervolging ter zake van de in deze zaak telastegelegde feiten in de weg staat. Het Hof heeft het verweer dus op ontoereikende gronden verworpen. Voorzover het middel daarover klaagt is het gegrond.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF