Voortgezette handeling valsheid in geschrift & oplichting?

Hoge Raad 4 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8648 (gepubliceerd op 28 juni 2017)

In deze zaak is verdachte door het Hof in appel veroordeeld terzake van (1) medeplegen van valsheid in geschrift (contract sluiten inzake bouw van een schip, waarin een bouwsom van fl. 6.260.000 werd vermeld, terwijl zulks in werkelijkheid ƒl. 4.850.000 zou moeten zijn); (2) oplichting (net behulp van dit valse contract werd de overheid bewogen een te hoge WIR- premie uit te keren) tot geldboete van fl. 7500.
 

Middel

Schending van het recht en/of verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, in het bijzonder de artikelen 350, 358, 359 en 415 Sv., alsmede artikel 56 Sr., doordat het Hof het ter terechtzitting door de raadsman van requirant gevoerde verweer met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 56 lid 1 Sr. heeft verworpen op gronden welke die verwerping niet kunnen dragen, nu deze blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.

Aangevoerd wordt dat het Hof ten onrechte en op onjuiste gronden heeft verworpen het namens verdachte gevoerde verweer, dat beide feiten als eén voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr zouden moeten worden beschouwd: Het Hof heeft deze stelling namelijk slechts afgewezen met een beroep op het tijdsverschil tussen beide feiten, maar dit is volgens het in middel onder a gestelde onvoldoende.
 

Beoordeling Hoge Raad

Met betrekking tot het door het middel bedoelde verweer heeft het Hof overwogen en beslist:

  • dat de raadsman heeft aangevoerd dat het onder 2 telastegelegde feit een voortgezette handeling is als bedoeld in artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht, aangezien het gebruik van de in de telastelegging bedoelde bouwovereenkomst tegenover de fiscus moet worden beschouwd als een uiting van het onder 1 telastegelegde ongeoorloofde besluit ;
  • dat het hof dit door de raadsman aangevoerde verweer verwerpt, aangezien de onder 1 en onder 2 bewezen- verklaarde feiten reeds door het verschil in tijd waarop de feiten zijn begaan niet in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling in de zin van het bepaalde in het eerste lid van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, met name het hiervoor sub 4.2 onder 6 vermelde bewijsmiddel, heeft het Hof kunnen afleiden dat het onder 2 bewezen- verklaarde feit tenminste ongeveer een maand na het onder 1 bewezenverklaarde feit is gepleegd, zodat hetgeen in de toelichting op het middel onder b wordt betoogd niet tot cassatie kan leiden.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, met name de hiervoor sub 4.2 onder 4, 5 en 8 (de op één na laatste alinea) vermelde bewijsmiddelen, heeft het Hof kunnen afleiden dat de onder 1 bewezenverklaarde valsheid in geschrift primair is gepleegd om gemakkelijker financiering van de aankoop van het schip te kunnen verkrijgen. In dit licht is het Hof er kennelijk van uitgegaan dat de onder 1 bewezenverklaarde valsheid in geschrift en de onder 2 bewezenverklaarde, op het verkrijgen van teveel W.I.R.-premie gerichte oplichting van de Staat der Nederlanden, geen uiting zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit, zodat het Hof kon overwegen dat "de onder 1 en onder 2 bewezenverklaarde feiten reeds door het verschil in tijd waarop de feiten zijn begaan niet in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht".

Het middel zoals toegelicht onder a kan derhalve ook niet tot cassatie leiden.
 

Conclusie AG

Het komt mij echter voor, dat in casu inderdaad reeds het tijdsverschil voldoende kon worden geacht, zulks tegen de achtergrond van de totaal verschillende en op onderscheidene plaatsen plaatsgevonden hebbende materiele gedragingen. Wat nu het tijdsverschil betreft zal het Hof nl. anders dan de geeerde steller van het middel, gelet hebben op de tijden, zoals deze uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Welnu dat zijn: resp. 26 januari 1984 en 6 september 1984 (en later). Zie voor laatstgemelde tijd de voor het bewijs gebezigde tegenover de politie afgelegde verklaring van de inspecteur der belastingen [...].

Ik meen, dat aldus - door aan te nemen, dat het Hof op de concrete tijden voor ogen doelde - ook het onder b betoogde is weerlegd.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF