HR: arrest verhoorbijstand (22 december 2015) heeft geen terugwerkende kracht

Hoge Raad 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2018

Het middel roept de vraag op vanaf wanneer het in voormeld arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015 neergelegde recht op rechtsgeleerde bijstand tijdens verhoren door de politie geldt. De Hoge Raad heeft in voormeld arrest de regels betreffende rechtsbijstand aangescherpt, op de wijze en op de gronden zoals in dat arrest aangegeven.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Beslag ex art. 94 Sv op bedrijfsadministratie en bedrijfsvoorraad

Hoge Raad 30 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:2006

De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het OM voldoende tijd heeft gehad om de inbeslaggenomen bedrijfsadministratie te onderzoeken dan wel kopieën van die administratie te maken t.b.v. het onderzoek en op grond daarvan geoordeeld dat het belang van de waarheidsvinding dan ook niet langer verlangt dat het beslag wordt voortgezet. 

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR: hof heeft in strijd met art. 1 Sr de bijkomende straf van ontzetting uit de uitoefening van het beroep van belastingadviseur c.q. belastingconsulent opgelegd

Hoge Raad 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2023

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard het medeplegen van het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften in de periode juni 2002 onderscheidenlijk oktober 2002 tot en met september 2003 (feiten 1 en 2) en het medeplegen van het valselijk opmaken van een geschrift in juni 2001 (feit 3). De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, met ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van belastingadviseur c.q. belastingconsulent voor de duur van vijf jaren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Art. 7 Wte: Aanvang verjaring & Slagende bewijsklacht medeplichtigheid

Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391 Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 29 september 2014 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden voor medeplichtigheid aan oplichting, meermalen gepleegd (feit 1 subsidiair), medeplichtigheid aan overtreding van voorschrift gesteld bij artikel 7 van de Wet Toezicht Effectenverkeer 1995, meermalen gepleegd (feit 2 subsidiair) en voor medeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet Toezicht Kredietwezen, meermalen gepleegd (feit 3 subsidiair).

Eerste middel

Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde voor zover dit feit betrekking heeft op overeenkomsten met beleggers die vóór 8 mei 2002 zijn afgesloten omdat het onder 2 tenlastegelegde in zoverre reeds ten tijde van de inleidende dagvaarding was verjaard.

Het bestreden arrest houdt in:

"De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - aan de hand van een door hem overgelegde en aan het dossier toegevoegde pleitnotitie - op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de feiten 2 en 3, voor zover deze betrekking hebben op overeenkomsten met beleggers die vóór 8 mei 2002 zijn gesloten. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De inleidende dagvaarding is uitgebracht op 8 mei 2008. Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten geldt een termijn voor verjaring van het recht op strafvervolging van zes jaren. Dat betekent dat ten aanzien van de beleggers [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 8] , [betrokkene 7] , [betrokkene 15], [betrokkene 9], [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 18] en [betrokkene 17] het recht op vervolging ter zake van het opzettelijk overtreden van de voorschriften gesteld in de artikelen 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 ('Wtk 1992') en 7 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ('Wte 1995') verjaard is.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 7 Wte 1995 en het opzettelijk overtreden van artikel 82 van de Wtk 1992 is een misdrijf, gelet op de artikelen 1 en 2 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten, met elk een maximale strafbedreiging van 2 jaren. Op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht verjaren genoemde misdrijven na zes jaren.

De inleidende dagvaarding is jegens de verdachte uitgebracht op 8 mei 2008. De verjaring is daarmee op die datum gestuit ex artikel 72 van het Wetboek van Strafvordering. Dit betekent dat feiten die vóór 8 mei 2002 zijn gepleegd, zijn verjaard.

Voor de vraag of het recht tot strafvervolging ten aanzien van bepaalde ten laste gelegde delicten met inachtneming van het vorenstaande is verjaard, is tevens van belang of bij die delicten sprake is van voortdurende of aflopende delicten. Gaat het om voortdurende delicten, dan zal de verjaring pas aanvangen op de dag nadat de verboden toestand is geëindigd, terwijl bij aflopende delicten de verjaring de dag na elk afzonderlijk gepleegd feit aanvangt.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat het zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden van diensten, zoals ten laste is gelegd onder 2, gekwalificeerd moet worden als een voortdurend delict. Dit delict is immers pas voltooid – en de termijn van verjaring vangt pas aan – op de dag dat de betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert. Het feit dat er in werkelijkheid geen Amerikaanse staatsobligaties door de verdachte werden gekocht, doet hier niet aan af. Het hof is derhalve van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit."

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft door slechts te overwegen dat het onder 2 subsidiair tenlastegelegde delict gekwalificeerd moet worden als een "voortdurend delict" omdat dit delict "pas [is] voltooid op de dag dat de betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert" zijn oordeel omtrent de aanvang van de verjaring niet behoorlijk gemotiveerd. In het bijzonder heeft het Hof geen inzicht erin gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

Tweede middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde medeplichtigheid aan - kort gezegd - het opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden en verrichten van diensten niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, nu het daarvoor vereiste opzet niet uit de bewijsmiddelen volgt.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf. Daartoe is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het verschaffen van gelegenheid en middelen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2, Sr, doch tevens dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf.

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte opzet heeft gehad op - kort gezegd - het door betrokkene 11 opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden en verrichten van diensten, niet zonder meer uit de hiervoor onder 2.3 en 2.4 weergegeven bewijsvoering kan worden afgeleid, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Herzieningsaanvraag witwassen

Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1345 Verzoeker is op 10 november 2014 door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens witwassen. In de aanvraag tot herziening wordt gesteld dat sprake is van een novum. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling indien de rechter bekend zou zijn geweest met twee naderhand op schrift gestelde verklaringen.

Ter ondersteuning van de aanvraag zijn in kopie twee schriftelijke verklaringen overgelegd, welke – voor zover hier van belang – inhouden:

- "[betrokkene 1]

(...)

In de periode van 2004 tot 2015 heb ik zelf gezien hoe groovekings zich ontwikkelde tot een van de top dans groepen in de wereld. Na hun debuut op Tv "Hollands got talent" begon [A] ook in Nederland zich te plaatsen als een gevestigde naam. [A] waren al een bekend gezicht op verschillende podia's & festivals in europe & azie, meestal verzorgde [A] onder leiding van [aanvrager] opening acts voor verschillende nationale & internationale muziek artiesten, waaronder bekende Nederlander Patricia paay veelvuldig gebruikt van maakte.

[A] heeft zelfs de opening act verzorgd voor de Rotterdam-denhaag Metro lijn (RET)

ik heb bank afschriften van [A] gezien waarop een TIENTAL Duizend euro gestort was voor projecten.

[aanvrager] heeft mij meerdere keren verteld dat hij wat geld heeft opgespaard en dans school wilde beginnen. [aanvrager] vertelde mij dat het zijn droom was om ooit zijn eigen dans school te bezitten."

- "Ik ben [betrokkene 2]. Ik ben een goeie vriend van [aanvrager].

Bijna net als een broer.

Ik ken [aanvrager] al sinds 2003.

Toen begon ik met hem om te gaan. [aanvrager] is altijd iemand die ik weet wat geld had. hij heeft mij vaak geholpen met geld.

Dus Als ik moet zeggen dat [aanvrager] geld altijd had ja!

Ik ben vaak met hem op vakantie geweest na wedstrijden

Dus ik sta als getuigen voor hem."

Aan deze verklaringen kan, mede gelet op hetgeen het Hof in zijn bewijsvoering heeft vastgesteld (zoals weergegeven in de aanvraag), niet het ernstig vermoeden worden ontleend dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken als het daarmee bekend was geweest. Immers, de in algemene bewoordingen gestelde omstandigheid dat de aanvrager in de periode van 2003 tot 2015 altijd geld had en wat geld had opgespaard, tast niet het oordeel van het Hof aan dat het, gelet op de omstandigheden waaronder op 14 februari 2013 te Schiphol een geldbedrag van 88.500 euro onder de aanvrager is aangetroffen en op zijn wisselende verklaringen over de herkomst daarvan, niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig is en dat de aanvrager dit wist.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^