Art. 7 Wte: Aanvang verjaring & Slagende bewijsklacht medeplichtigheid

Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1391 Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 29 september 2014 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden voor medeplichtigheid aan oplichting, meermalen gepleegd (feit 1 subsidiair), medeplichtigheid aan overtreding van voorschrift gesteld bij artikel 7 van de Wet Toezicht Effectenverkeer 1995, meermalen gepleegd (feit 2 subsidiair) en voor medeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82 van de Wet Toezicht Kredietwezen, meermalen gepleegd (feit 3 subsidiair).

Eerste middel

Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde voor zover dit feit betrekking heeft op overeenkomsten met beleggers die vóór 8 mei 2002 zijn afgesloten omdat het onder 2 tenlastegelegde in zoverre reeds ten tijde van de inleidende dagvaarding was verjaard.

Het bestreden arrest houdt in:

"De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - aan de hand van een door hem overgelegde en aan het dossier toegevoegde pleitnotitie - op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de feiten 2 en 3, voor zover deze betrekking hebben op overeenkomsten met beleggers die vóór 8 mei 2002 zijn gesloten. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. De inleidende dagvaarding is uitgebracht op 8 mei 2008. Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten geldt een termijn voor verjaring van het recht op strafvervolging van zes jaren. Dat betekent dat ten aanzien van de beleggers [betrokkene 5] , [betrokkene 6] , [betrokkene 8] , [betrokkene 7] , [betrokkene 15], [betrokkene 9], [betrokkene 4] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] , [betrokkene 18] en [betrokkene 17] het recht op vervolging ter zake van het opzettelijk overtreden van de voorschriften gesteld in de artikelen 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 ('Wtk 1992') en 7 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 ('Wte 1995') verjaard is.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 7 Wte 1995 en het opzettelijk overtreden van artikel 82 van de Wtk 1992 is een misdrijf, gelet op de artikelen 1 en 2 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten, met elk een maximale strafbedreiging van 2 jaren. Op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht verjaren genoemde misdrijven na zes jaren.

De inleidende dagvaarding is jegens de verdachte uitgebracht op 8 mei 2008. De verjaring is daarmee op die datum gestuit ex artikel 72 van het Wetboek van Strafvordering. Dit betekent dat feiten die vóór 8 mei 2002 zijn gepleegd, zijn verjaard.

Voor de vraag of het recht tot strafvervolging ten aanzien van bepaalde ten laste gelegde delicten met inachtneming van het vorenstaande is verjaard, is tevens van belang of bij die delicten sprake is van voortdurende of aflopende delicten. Gaat het om voortdurende delicten, dan zal de verjaring pas aanvangen op de dag nadat de verboden toestand is geëindigd, terwijl bij aflopende delicten de verjaring de dag na elk afzonderlijk gepleegd feit aanvangt.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat het zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden van diensten, zoals ten laste is gelegd onder 2, gekwalificeerd moet worden als een voortdurend delict. Dit delict is immers pas voltooid – en de termijn van verjaring vangt pas aan – op de dag dat de betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert. Het feit dat er in werkelijkheid geen Amerikaanse staatsobligaties door de verdachte werden gekocht, doet hier niet aan af. Het hof is derhalve van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit."

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft door slechts te overwegen dat het onder 2 subsidiair tenlastegelegde delict gekwalificeerd moet worden als een "voortdurend delict" omdat dit delict "pas [is] voltooid op de dag dat de betrokken verdachte niet langer zonder vergunning opereert" zijn oordeel omtrent de aanvang van de verjaring niet behoorlijk gemotiveerd. In het bijzonder heeft het Hof geen inzicht erin gegeven op welke feiten en omstandigheden, zoals de aard van de werkzaamheden die de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder voor de in de tenlastelegging genoemde personen gedurende de daarin vermelde periode heeft verricht of het tijdstip waarop deze die werkzaamheden heeft verricht, het zijn uitleg van de tenlastelegging heeft gebaseerd.

Het middel is terecht voorgesteld.

Tweede middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde medeplichtigheid aan - kort gezegd - het opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden en verrichten van diensten niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed, nu het daarvoor vereiste opzet niet uit de bewijsmiddelen volgt.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf. Daartoe is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op het verschaffen van gelegenheid en middelen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2, Sr, doch tevens dat het opzet van de verdachte al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf.

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte opzet heeft gehad op - kort gezegd - het door betrokkene 11 opzettelijk zonder vergunning als effectenbemiddelaar aanbieden en verrichten van diensten, niet zonder meer uit de hiervoor onder 2.3 en 2.4 weergegeven bewijsvoering kan worden afgeleid, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF