Ambtshalve: de partiële verjaring van het meer subsidiair tlgd. leidt niet tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak, nu verdachte daarbij onvoldoende belang heeft

Hoge Raad 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2457 Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3968, heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij arrest van 11 februari 2014 - met vernietiging van het vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank Almelo van 10 april 2008 - het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, doch het bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en de verdachte te dier zake ontslagen van alle rechtsvervolging, de verdachte vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde en de verdachte ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 30h van de Wet op de Kansspelen, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 1.000, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde, voor zover dat is begaan vóór 6 oktober 2003, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Economische Politierechter is vernietigd, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging van dat feit voor zover dat is begaan vóór 6 oktober 2003 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Middelen

Het eerste middel klaagt, mede in het licht van een daartoe strekkend door de verdediging in hoger beroep gevoerd verweer, over de (motivering van de) bewezenverklaring van het onder meer subsidiair tenlastegelegde, nu een bewezenverklaring in strijd is met de bewijsminimumregel als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv (unus testis, nullus testis) wegens gebrek aan (toereikend) steunbewijs voor de verklaringen van [betrokkene 2.  Daartoe is aangevoerd dat de overige bewijsmiddelen onvoldoende steun geven aan de verklaringen van [betrokkene 2] dat verdachte (als medepleger) betrokken was bij het tenlastegelegde, nu deze bewijsmiddelen “op zichzelf en in onderlinge samenhang niets over de juistheid en waarheid van de verklaring van [betrokkene 2] zeggen”. Voorts is aangevoerd dat alle door het Hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen zijn te herleiden tot één bron, [betrokkene 2] , terwijl de strekking van art. 342, tweede lid, Sv noopt tot bijkomend bewijs uit een van die getuige onafhankelijke bron.

Het tweede middel klaagt over de motivering van de verwerping door het Hof van het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer dat de verklaringen van [betrokkene 2] zodanig onbetrouwbaar zijn dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Het derde middel klaagt over de (motivering van de) afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van een zevental getuigen. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het Hof bij de afwijzing van het verzoek een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

Eerste middel

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.

De steller van het middel neemt tot uitgangspunt dat het steunbewijs dient te zien op de betrokkenheid van de verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten. Doorslaggevend is echter of de tweede bewijsgrond voldoende steun geeft aan de verklaring van de getuige. Anders dan de steller van het middel lijkt te veronderstellen, behelst het vereiste van voldoende steun niet dat de tweede bewijsgrond de verklaring van de getuige of de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit moet bevestigen. Het vereiste van voldoende steun lijkt het beste te kunnen worden omschreven als een eis van inhoudelijk verband. Die eis sterkt er vooral toe, dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.

Uit de overweging volgt dat het Hof heeft geoordeeld dat de verklaringen van [betrokkene 2] voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Daarbij wijst het Hof op verdachtes eerdere betrokkenheid bij de activiteiten in [A] (bewijsmiddel 5), op verdachtes betrokkenheid als leverancier van de internetzuilen (bewijsmiddelen 2, 5 en 6), op het overzicht “budget [A] ”, waaruit volgt dat verdachte een aanzienlijk bedrag van de opbrengst uit [A] ontving (bewijsmiddelen 3 en 4), op het tapgesprek tussen ‘[betrokkene 8]’, verhuurder van het pand waarin [A] was gevestigd, en [betrokkene 2] , waaruit kan worden afgeleid dat verdachte en [betrokkene 2] geld verdienden aan het “hok” en dat [betrokkene 2] nu, na de inval, met verdachte moet overleggen hoe het nu verder gaat (bewijsmiddel 18) en op de afgetapte telefoongesprekken tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , waaruit volgt dat [betrokkene 2] wekelijks geld aan verdachte heeft afgestaan, terwijl verdachte niets deed, en dat [betrokkene 2] verdachte niet heeft “verluld” en dat er – kort gezegd – sprake was van een zekere machtsverhouding en een jarenlang samenwerkingsverband tussen [betrokkene 2] en verdachte (bewijsmiddelen 12, 13, 15, 16 en 17). Ook wijst het Hof erop dat verdachte nooit betaling heeft ontvangen voor de door hem reeds in 2003 geleverde internetzuilen (bewijsmiddel 6) en dat [betrokkene 2] heeft aangegeven dat er een beroep kon worden gedaan op een van de monteurs van [verdachte] als er iets kapot was en dat zij daarvoor niet hoefden te betalen (bewijsmiddel 11).

Nu het voorgaande meebrengt dat van het steunbewijs (in onderlinge samenhang bezien) zelfs kan worden gezegd dat het ziet op de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde feit (en daarmee overigens ook de verklaring van verdachte dat hij niet betrokken was bij het hem tenlastegelegde feit ontkracht), is aan het vereiste van voldoende steun ruimschoots voldaan. Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat de verklaringen van [betrokkene 2] voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal en dat aldus is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel, mede gelet op hetgeen door de verdediging in hoger beroep te berde is gebracht, voldoende gemotiveerd.

Voor zover door de steller van het middel voorts is aangevoerd dat voornoemde bewijsmiddelen allen zijn te herleiden tot één bron, te weten [betrokkene 2] , merk ik het volgende op. Van het schriftelijke bescheid “budget [A] ” is niet vastgesteld door wie het is opgemaakt en de inhoudelijk relevante passages uit de voor het bewijs gebezigde tapgesprekken zijn afkomstig van de gesprekspartners van [betrokkene 2] in die telefoongesprekken en niet van [betrokkene 2] zelf. De verklaring dat er (zonder kosten) een beroep kon worden gedaan op de monteurs van verdachte is wel afkomstig van [betrokkene 2] , maar noopt niet tot een ander oordeel dan weergegeven onder 11.

Het middel faalt.

Tweede middel

Het Hof heeft geoordeeld dat het door de verdediging gevoerde verweer dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de verklaringen van [betrokkene 2] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd omdat deze onbetrouwbaar zijn en geen steun vinden in ander bewijsmateriaal, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het Hof heeft geconstateerd dat de getuige [betrokkene 2] wisselende verklaringen heeft afgelegd en heeft aangegeven bij het gebruik van die verklaringen de nodige behoedzaamheid te hebben betracht, terwijl het voor uitsluiting van het bewijs geen reden ziet.

In de bewijsoverweging van het Hof ligt besloten dat het de belastende verklaringen van de getuige [betrokkene 2] , het door de verdediging daaromtrent aangevoerde ten spijt, betrouwbaar heeft geacht, nu deze voldoende steun vinden in ander (objectief) bewijs. Dat steunbewijs bestaat onder meer, zoals reeds weergegeven bij de bespreking van het eerste middel, uit de tapgesprekken en het overzicht “budget [A] ”. Door de inhoudelijke betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van [betrokkene 2] uitvoerig te toetsen aan het voorhanden steunbewijs, heeft het Hof zich verantwoord voor het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 2] voor het bewijs. Het Hof heeft de verwerping van het verweer toereikend gemotiveerd.

Voor zover de steller van het middel voorts heeft aangevoerd dat uit het arrest niets blijkt van de behoedzaamheid die het Hof stelt te hebben betracht, merk ik op dat, anders dan de steller van het middel lijkt te veronderstellen, de behoedzaamheid niet enkel tot uitdrukking kan worden gebracht door (essentiële) onderdelen van de verklaringen van de getuige niet voor het bewijs te bezigen, maar bijvoorbeeld ook, zoals in het onderhavige geval, door de verklaringen uitvoerig te toetsen aan ander voorhanden bewijs.

Het middel faalt.

Derde middel

Op 29 december 2009 heeft het Hof arrest gewezen, waartegen namens verdachte op 11 januari 2010 beroep in cassatie is ingesteld. Op 29 maart 2011 heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar het Hof. Namens de advocaat-generaal is de raadsman op 9 februari 2012 middels mailbericht verzocht eventuele onderzoekswensen schriftelijk kenbaar te maken. De raadsman heeft vervolgens bij brief van 22 februari 2012 verzocht tot het horen van een zevental getuigen.

Voor zover de steller van het middel klaagt dat het Hof bij de beoordeling van het bij brief van 22 februari 2012 gedane getuigenverzoek in zijn tussenarrest acht had moeten slaan op de door de verdediging ingediende appelschriftuur9, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het op 14 juli 2008 bij de griffie van de Rechtbank binnengekomen appelschriftuur van 6 mei 2008 bevat, anders dan de steller van het middel veronderstelt, immers niet het verzoek [betrokkene 2] , [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 9], [betrokkene 1] en/of [betrokkene 6] als getuige(n) te horen. Ook indien een dergelijk verzoek wel bij voornoemd appelschriftuur zou zijn gedaan, kan het middel in zoverre niet tot cassatie leiden. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn art. 410, derde lid, Sv en de daarmee samenhangende bepalingen, te weten art. 414, tweede lid tweede volzin, en art. 418, derde lid, Sv in de procedure na verwijzing of terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad immers niet van toepassing.

Voorts heeft de steller van het middel aangevoerd dat het Hof bij de afwijzing van het herhaalde (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de zeven getuigen bij arrest van 11 februari 2014 ten onrechte het noodzakelijkheidscriterium heeft gehanteerd, althans dat het Hof onvoldoende gemotiveerd het verzoek tot het horen van de getuigen heeft afgewezen, nu door de verdediging subsidiair is aangevoerd waarom het horen van de getuigen noodzakelijk was voor de waarheidsvinding.

Ter terechtzitting van het Hof van 28 januari 2014 heeft de raadsman van verdachte het voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien het Hof van oordeel is dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, [betrokkene 2] , [betrokkene 6], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 9] en [betrokkene 1] als getuigen te horen. Bij arrest van 11 februari 2014 heeft het Hof het verzoek afgewezen. Bedoeld herhaald verzoek, op het bij brief van 22 februari 2012 gedane gelijkluidende verzoek heeft het Hof reeds bij tussenarrest van 13 november 2012 beslist, is een verzoek op de voet van de art. 328 en 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv, welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Maatstaf bij de beoordeling van zo een verzoek is of het Hof het horen van de getuigen noodzakelijk oordeelt.

De verdediging heeft aan het verzoek voornoemde getuigen te horen ten grondslag gelegd dat deze personen wellicht hun reeds eerder afgelegde verklaringen dat verdachte geen betrokkenheid had bij de illegale gokactiviteiten nader kunnen toelichten. Ook kan door het horen van deze getuigen de validiteit en betrouwbaarheid van (de verklaringen van) [betrokkene 2] worden vastgesteld. Bovendien kunnen de getuigen worden bevraagd naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 6] die weer een ander licht op de zaak heeft geworpen. Het Hof, dat voor het toewijzen van het herhaald verzoek van de raadsman geen noodzaak ziet, heeft, voor zover het de getuigen betreft die reeds eerder bij tussenarrest zijn afgewezen, het verzoek op dezelfde gronden afgewezen als die waarop dat verzoek de vorige keer is afgewezen. Het gegeven dat daarna de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] zijn gehoord maakt dat niet anders. Voor het toewijzen van het verzoek de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] te horen ziet het Hof evenmin noodzaak, nu deze getuigen ten overstaan van het Hof zijn gehoord en van noodzaak tot het opnieuw horen niet is gebleken. Het Hof heeft de juiste maatstaf toepast. Nu in de motivering van de afwijzing besloten ligt dat het Hof zich voldoende ingelicht achtte, is deze beslissing ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 31 tot en met 33 is de Hoge Raad van oordeel dat het meer subsidiair tenlastegelegde gedeeltelijk - te weten voor zover dit zou zijn begaan tot twaalf jaar vóór de uitspraak van dit arrest, derhalve tot 1 september 2003 - is verjaard. Nu de bewezenverklaring de periode van 12 juni 2003 tot en met 18 maart 2005 betreft, de partiële verjaring geen invloed heeft op de kwalificatie en voor vermindering van de opgelegde straffen onvoldoende grond bestaat, aangezien de aard en de ernst van hetgeen overigens is bewezenverklaard niet worden aangetast door bedoelde partiële verjaring, heeft de verdachte onvoldoende belang bij ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad laat veroordeling wegens overtredingen van Wet op de Accountants-Administratieconsulenten in stand

Hoge Raad 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:2273 (gepubliceerd op 20 augustus 2015) Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 18 januari 2013 voor overtreding van artikel 41, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten veroordeeld tot een geldboete van € 1000, waarvan € 500 voorwaardelijk. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

Hoger beroep

De bezwaren van verdachte tegen de veroordeling in eerste aanleg zijn weergegeven in de verklaring die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Deze verklaring heeft de volgende inhoud:

“Ik ben ex- lid van het Nederlands Instituut van Registeraccountants ('NIVRA'). Op een gegeven moment is er vanuit de Nederlandse Orde van Accountants - Administratieconsulenten ('NOvAA') bekeken welke personen niet meer bij het NIVRA waren aangesloten .

De aangifte is ook afkomstig van de NOvAA.

Ik ben vennoot van [A] V.O.F, die onder de handelsnaam [A] is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Den Haag.

De term 'accounting ' is Engelstalig en betekent simpelweg boekhouden. Als vennootschap onder firma met een internationale clientèle is het handig om ook een internationale term voor onze werkzaamheden te hanteren.

U houdt mij voor het arrest van de Hoge Raad d.d . 25 januari 2000, LJN : AA4576, waarin kort gezegd werd geoordeeld dat het bezigen van de term 'accountancy 'de indruk bij het publiek kan wekken dat men tot het voeren van de benaming 'accountant' gerechtigd is. Daarop verklaar ik dat een accountant zich richt op zakelijk deskundige clientèle en niet op het brede publiek. Het oordeel dat de term 'accountancy' een afgeleide is van de benaming 'accountant' vind ik ver gaan. Ik wil een linguïstisch standpunt, maar daartoe krijg ik geen mogelijkheid. Gelet op het arrest van de Hoge Raad zal ik waarschijnlijk naar Straatsburg moeten.”

Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"hij op meerdere tijdstippen in de periode van 6 augustus 2010 tot en met 8 september 2010 in de gemeente nieuwkoop terwijl hij niet was ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36 van de Wet op de Accountants- Administratieconsulenten en/of in het register bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants telkens anders dan in besloten kring zich zodanig heeft gedragen dat daardoor bij het publiek redelijkerwijs de indruk moet zijn gewekt, dat hij tot het voeren van de benaming accountant gerechtigd was, door – zakelijk weergegeven – telkens de handelsnaam "[A]" te voeren en de aanduiding "[A] V.O.F." te vermelden op diverse namens het administratie- en advieskantoor aan cliënten verzonden declaraties, terwijl hij, verdachte, noch een andere op voornoemd kantoor werkzame perso(o)n(en) in het/de accountantsregister(s) ingeschreven was/waren."

Voorts heeft het hof in zijn arrest een nadere bewijsmotivering opgenomen met de volgende inhoud:

"Artikel 41, eerste lid van de wet op de Accountants- Administratieconsulenten luidt als volgt:

"1. Het is degene die niet is ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36 of in het register bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants verboden om anders dan in besloten kring de benaming accountant zonder nadere toevoeging dan wel in enige samenstelling of afkorting, anders dan die van registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent te voeren, dan wel zich zodanig te gedragen, dat daardoor bij het publiek redelijkerwijs de indruk moet worden gewekt, dat hij tot het voeren van die benaming gerechtigd is".

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt die bepaling tot strafrechtelijke handhaving van het verbod op het voeren van met de titel Accountant-Administratieconsulent en Registeraccountant verwante titels of aanduidingen door niet tot het dragen van deze titels bevoegde personen (Kamerstukken II, 1991 - 1992, 22 313, nr. 5, blz. 37).

De verdachte is vennoot van [A] V.O.F. Deze onderneming is onder meer onder de handelsnaam [A] ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Den Haag. Deze onderneming heeft facturen d.d. 6 augustus 2010 en 2 en 6 september 2010 doen uitgaan aan klanten, op welke facturen als naam van de onderneming staat vermeld :[A] V.O.F. Dezelfde naam is vermeld op het door de onderneming gebruikte briefpapier.

Uit het proces-verbaal van de Belastingdienst/Holland-Midden d.d. 13 september 2009, verbalisant [verbalisant], blijkt dat van de hiervoor aangeduide V.O.F geen bestuurder en/of ander daar werkend personeel is ingeschreven in de door het Nederlands Instituut van Registeraccountants en de Nederlandse Orde van Accountants-administratieconsulenten gehouden accountantsregisters.

De vraag is thans of de verdachte door het hanteren van de hiervoor weergegeven naam heeft gehandeld in strijd met het verbod van artikel 41, eerste lid, van de Wet de Accountants-Administratieconsulenten.

De verdachte heeft het verweer gevoerd dat de Engelstalige term "accounting" boekhouden betekent en dat het als zodanig een breed begrip is dat geen speciale bescherming geniet of behoort te genieten. Voor de onderneming van verdachte is de term "accounting" van belang omdat de onderneming cliënten in het buitenland heeft. Bedrijven als dat van de verdachte en accountants richten zich op de zakelijke markt van deskundige personen en niet op het algemene publiek, zodat geen verwarring kan ontstaan. De verdachte is voorstander van een linguïstische interpretatie.

Het hof verwerpt het verweer. De aanduiding "accounting" stamt zozeer overeen met en wekt associaties op met de benaming "accountant" (of een samenstelling of afkorting die terug te voeren is tot die benaming), dat redelijkerwijs bij het publiek de indruk moet worden gewekt dat de verdachte tot het voeren van die benaming gerechtigd is. Daaraan kan niet afdoen dat de Engelstalige term "accounting" een brede strekking heeft en mede omvat werkzaamheden die ook door anderen dan degenen die gerechtigd zijn de benaming van accountant te voeren mogen worden verricht. Evenmin is het nodig dat vastgesteld wordt dat bij een of meer personen uit het publiek daadwerkelijk de in de bewezenverklaring genoemde indruk is gewekt.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit als in dit arrest omschreven.”

Middelen

  1. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het beroep op artikel 11 EVRM, althans over het veronachtzamen van de betekenis van dit verdragsartikel.
  2. Het tweede middel bevat een overeenkomstige klacht maar dan over artikel 14 EVRM.
  3. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft verworpen.
  4. Het vierde middel klaagt over de verwerping van een beroep op artikel 6 EVRM, omdat relevante informatie uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep is gelaten.
  5. Het vijfde middel klaagt over de straftoemeting.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De eerste vier middelen, die inhouden dat het hof geen recht heeft gedaan aan de verweren die verdachte heeft gevoerd, missen feitelijke grondslag omdat van zulke verweren niet kan blijken.

Vierde middel

Ten aanzien van het vierde middel wijst de AG erop dat moet worden vooropgesteld dat het proces-verbaal van de terechtzitting in beginsel de enige kenbron is voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen en de inhoud van de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van de verdachte. Dit uitgangspunt geldt ook voor de verdachte die niet is voorzien van rechtsgeleerde bijstand. Weliswaar kan van de rechter in een dergelijk geval wellicht een welwillende en toeschietelijke houding jegens de verdachte worden gevergd, maar dat gaat niet zover dat de rechter de verdachte verweren in de mond moet leggen waar deze geen enkel aanknopingspunt voor biedt. Zulke aanknopingspunten ontbreken hier. Uit het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep blijkt enkel dat verdachte van oordeel is dat er zoveel ruimte is tussen het Engelse woord 'accountancy' en de aanduiding (register)accountant dat het gebruik van het eerste woord niet onder artikel 41, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten kan worden gebracht. Verdachte heeft geen beroep gedaan op artikel 6, artikel 11, artikel 14 EVRM of op artikel 1 van het Eerste Protocol, of op aan deze artikelen ten grondslag liggende beginselen gerefereerd. Het hof heeft toereikend gemotiveerd het verweer van verdachte verworpen en hoefde hetgeen verdachte heeft aangevoerd niet te begrijpen in een zo ruime zin als wordt voorgestaan in de schriftuur.

Vijfde middel

Het vijfde middel klaagt over de straftoemeting. De opgelegde straf is ontoereikend gemotiveerd gelet op de straf die is opgelegd aan de verdachte in de zaak HR 25 januari 2000, NJ 2000, 242, welke verdachte niet was gekwalificeerd als registeraccountant of accountant-administratieconsulent, waar verdachte wel gekwalificeerd is.

Het hof heeft de opgelegde straf aldus gemotiveerd:

"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze meermalen schuldig gemaakt aan overtreding van Wet op de Accountants-Administratieconsulenten. Door aldus te handelen heeft de verdachte indruk gemaakt op het vertrouwen dat in het algemeen pleegt te worden gesteld een titulair termen als die van accountant. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 december 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie of politie in aanraking is gekomen. Als overwegende is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt."

Inzake de strafoplegging geldt als uitgangspunt dat de feitenrechter vrij is in de bepaling van straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden en in cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. Alleen wanneer de strafoplegging toch verbazing wekt en onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen. Tevens zal de cassatierechter ingrijpen als ter terechtzitting een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is verwoord waarvan de feitenrechter is afgeweken zonder in het bijzonder de redenen voor deze afwijking op te geven. Van een grond voor ingrijpen door de cassatierechter in de ene noch in de andere zin is mij gebleken. Het enkele feit dat een hof in een andere zaak in 1998 een lagere straf heeft opgelegd dan het hof heeft gedaan in de onderhavige zaak is onvoldoende om de strafmotivering van het hof gebrekkig te doen zijn. Wat de steller van het middel overigens nog als bezwaar tegen de strafmotivering formuleert, mist feitelijke grondslag omdat ter terechtzitting van het hof op geen van de omstandigheden die de steller van het middel noemt is gewezen.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Advies AG in tipgeverszaken: getuigen hoefden naam tipgever niet te geven, aanslagen vernietigd

De belastingambtenaren die getuigen waren in tipgeverszaken, hoefden de naam van de tipgever niet te noemen. Dat schrijft advocaat-generaal IJzerman in zijn advies aan de Hoge Raad. In hun cassatieberoep tegen de beslissing van het hof dat zij de naam van de tipgever ten onrechte niet noemden, zijn zij echter niet ontvankelijk. Alleen partijen in een zaak kunnen cassatieberoep instellen. Dat betekent dat de eerdere uitspraak van het hof waarin de opgelegde aanslagen en boetes werden vernietigd, in stand blijft.

In deze twee zogenoemde tipgeverszaken is de Belastingdienst op de hoogte gekomen van een (vermeende) Luxemburgse bankrekening van de belastingplichtige via een tipgever. Deze heeft tegen een financiële vergoeding (tipgeld) informatie over buitenlandse bankrekeningen aan de Belastingdienst gegeven, onder voorwaarde dat de identiteit van de tipgever niet bekend wordt gemaakt.
Op basis van de verkregen bankinformatie heeft de Belastingdienst aanslagen en boetes opgelegd. In de daarop volgende procedure heeft de inspecteur geweigerd de identiteit van de tipgever bekend te maken aan de rechter en daarmee aan de belastingplichtige.
Bij de rechtbank zijn door de inspecteur alleen stukken, waaronder de overeenkomst met de tipgever, overgelegd waarin namen en andere gegevens zijn zwartgemaakt of weggelaten. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft dat in zijn beslissing niet juist geacht, maar de inspecteur is blijven weigeren de volledige stukken over te leggen. In hoger beroep bij het hof heeft de inspecteur laten weten geen hernieuwde beoordeling van die beslissing van de geheimhoudingskamer van de rechtbank te wensen.
Door het hof zijn vervolgens twee door de inspecteur meegebrachte belastingambtenaren als getuigen gehoord. Met een beroep op hun wettelijke geheimhoudingsplicht en het daaraan door hen ontleende verschoningsrecht, hebben de getuigen geweigerd de naam van de tipgever te noemen. Het hof vond dat onjuist. In cassatie bij de Hoge Raad verzetten de getuigen zich tegen die beslissing. Dit beroep in cassatie is volgens de advocaat-generaal niet-ontvankelijk, omdat naar zijn mening het fiscale procesrecht niet voorziet in de mogelijkheid dat, naast de partijen, ook bij het hof gehoorde getuigen cassatieberoep zouden kunnen instellen. Ondanks dat gaat de advocaat-generaal inhoudelijk in op de vraag of de getuigen de naam van de tipgever moesten noemen of niet.
De advocaat-generaal meent dat de vraag naar de naam van de tipgever al was afgehandeld in de geheimhoudingsprocedure over de door de inspecteur over te leggen stukken. Daarvan uitgaande stond het de getuigen, gezien het stadium waarin de procedure was gekomen,  vrij de naam van de tipgever niet te noemen.
Indien de Belastingdienst ervoor kiest om een anonieme tipgever te gebruiken, kan rechterlijke controle daarop er volgens de advocaat-generaal toe leiden dat de naam van de tipgever in principe bekend moet worden gemaakt. Zo niet, dan bestaat het risico dat belastingaanslagen en boetes die zijn opgelegd met informatie van de tipgever door de rechter worden vernietigd, zoals het hof hier gedaan heeft.
Overigens vindt de advocaat-generaal dat er ten onrechte over wordt geklaagd dat het recht van de inspecteur op berechting van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter door het hof zou zijn geschonden. Dat het hof in zijn uitspraak scherpe bewoordingen hanteert met betrekking tot de weigering om de naam van de tipgever bekend te maken en het hof grondig van mening verschilt met de inspecteur, betekent volgens de advocaat-generaal nog niet dat het hof vooringenomen is tegen de inspecteur.
De volledige tekst van de conclusies:
Print Friendly and PDF ^

Gebruik voor bewijs van op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevoegde opsporingsambtenaar

Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1799

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 augustus 2013 de verdachte wegens 1.) overtreding van art. 8, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 en 2.) wederspannigheid en wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en (ten aanzien van feit 1) een ontzegging van de bevoegdheid motorijtuigen te besturen voor de duur van negentig dagen.

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat verdachte integraal van het onder (...) 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de verklaringen van de verbalisanten niet betrouwbaar zijn, omdat zij emotioneel bij het ten laste gelegde zijn betrokken, er een beklagprocedure omtrent de omstandigheden die zich op 9 september 2009 rond het ten laste gelegde hebben voorgedaan tegen hen liep en één van de verbalisanten zelf aangifte tegen verdachte heeft gedaan. Gelet daarop, mogen die verklaringen niet voor het bewijs gebezigd worden. (...)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen van de verbalisanten

Het hof stelt voorop dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd op grond van artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangenomen op het proces-verbaal van één opsporingsambtenaar. Door te stellen dat dit artikel in de onderhavige zaak geen toepassing behoort te vinden, omdat de verbalisanten emotioneel bij het ten laste gelegde zijn betrokken, er tegen hen een beklagprocedure is gestart en één van de verbalisanten zelf aangifte tegen verdachte heeft gedaan, stelt de verdediging een eis die de wet niet kent.

Het hof overweegt daarbij bovendien dat de beklagprocedure eerst op 13 augustus 2010 zijdens verdachte werd opgestart, derhalve bijna een jaar na de ten laste gelegde feiten, zodat de kort na het ten laste gelegde afgelegde verklaringen van de verbalisanten niet op elkaar afgestemd kunnen zijn met de beklagprocedure in het achterhoofd. (...)

Het hof overweegt voorts dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan bovendien niet enkel berust op verklaringen van de verbalisanten, doch daarnaast voldoende steun vindt in andere zich in het dossier bevindende objectieve bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof is dan ook aan het wettelijk bewijsminimum ruimschoots voldaan.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging."

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 344, tweede lid, Sv aangezien de bewezenverklaring berust "op enkel de verklaringen van twee verbalisanten, ondanks de omstandigheid dat deze nauw en persoonlijk betrokken waren bij het gebeuren".

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge het tweede lid van art. 344 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, door de rechter worden aangenomen op enkel een door een bevoegde opsporingsambtenaar op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Genoemde bepaling maakt geen uitzondering voor feiten die tegen de opsporingsambtenaar zelf zijn gepleegd (vgl. HR 31 december 1934, NJ 1935, p. 373). Aldus geeft art. 344, tweede lid, Sv blijk van een bijzonder vertrouwen van de wetgever in de betrouwbaarheid van een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar (vgl. HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8446, NJ 2004/452).

Art. 338 Sv houdt in, voor zover hier van belang, dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter slechts kan worden aangenomen indien hij daarvan de overtuiging heeft bekomen. Het staat de rechter dus vrij een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar niet tot het bewijs te laten meewerken ingeval hij op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval - zoals de omstandigheid dat het strafbare feit tegen de opsporingsambtenaar zelf is gepleegd - onvoldoende ervan overtuigd is dat ook in de voorliggende zaak het vertrouwen in de betrouwbaarheid van het proces-verbaal ten volle gerechtvaardigd is.

Uitgangspunt is daarbij dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal rekenschap behoeft af te leggen. Dat geldt ook voor het al dan niet als enig bewijsmiddel tot het bewijs bezigen van een proces-verbaal waaraan krachtens art. 344, tweede lid, Sv de daar voorziene bijzondere bewijskracht toekomt.

Op voormeld uitgangspunt is in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv evenwel een uitzondering gemaakt, in die zin dat ingeval met betrekking tot de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel door of namens de verdachte een standpunt is ingenomen dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ter terechtzitting naar voren is gebracht, de rechter indien hij in zijn vonnis afwijkt van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt door dat bewijsmiddel toch tot het bewijs te bezigen, gehouden is in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Die motiveringsplicht geldt ook indien het standpunt betrekking heeft op een proces-verbaal in de zin van art. 344, tweede lid, Sv en dit standpunt niet wordt aanvaard.

Het Hof heeft hetgeen door de verdediging is aangevoerd kennelijk verstaan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Hetgeen hiervoor is weergegeven bevat voldoende gegevens ter motivering van het niet aanvaarden van het naar voren gebrachte standpunt. Aldus heeft het Hof in voldoende mate de redenen opgegeven die tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hebben geleid.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht witwassen

Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1793 De militaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bevestigd een vonnis van de militaire kamer van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 30 september 2013, waarbij de verdachte ter zake van feit 1 van het plegen van witwassen een gewoonte maken is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet die uit enig misdrijf afkomstig waren. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging dat laatste betwist en, onder verwijzing naar over meerdere jaren gespaarde inkomsten, gesteld dat de voorwerpen een legale herkomst hadden. Gelet hierop is het door het Hof bevestigde oordeel van de Rechtbank dat de "verdachte weigert op hem gestelde vragen te antwoorden en weigert inzicht te geven in zijn financiële uitgavenpatroon (...) of over bronnen van contant geld" zodat het "bij gebreke van een legale inkomstenbron voor de door de verdachte gedane contante uitgaven (...) niet anders [kan] dan dat de verdachte gelden uit enig misdrijf (...) heeft witgewassen", niet zonder meer begrijpelijk. De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^