Hoge Raad laat veroordeling wegens overtredingen van Wet op de Accountants-Administratieconsulenten in stand

Hoge Raad 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:2273 (gepubliceerd op 20 augustus 2015) Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 18 januari 2013 voor overtreding van artikel 41, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten veroordeeld tot een geldboete van € 1000, waarvan € 500 voorwaardelijk. Verdachte heeft cassatie doen instellen en mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, heeft een schriftuur ingezonden houdende vijf middelen van cassatie.

Hoger beroep

De bezwaren van verdachte tegen de veroordeling in eerste aanleg zijn weergegeven in de verklaring die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Deze verklaring heeft de volgende inhoud:

“Ik ben ex- lid van het Nederlands Instituut van Registeraccountants ('NIVRA'). Op een gegeven moment is er vanuit de Nederlandse Orde van Accountants - Administratieconsulenten ('NOvAA') bekeken welke personen niet meer bij het NIVRA waren aangesloten .

De aangifte is ook afkomstig van de NOvAA.

Ik ben vennoot van [A] V.O.F, die onder de handelsnaam [A] is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Den Haag.

De term 'accounting ' is Engelstalig en betekent simpelweg boekhouden. Als vennootschap onder firma met een internationale clientèle is het handig om ook een internationale term voor onze werkzaamheden te hanteren.

U houdt mij voor het arrest van de Hoge Raad d.d . 25 januari 2000, LJN : AA4576, waarin kort gezegd werd geoordeeld dat het bezigen van de term 'accountancy 'de indruk bij het publiek kan wekken dat men tot het voeren van de benaming 'accountant' gerechtigd is. Daarop verklaar ik dat een accountant zich richt op zakelijk deskundige clientèle en niet op het brede publiek. Het oordeel dat de term 'accountancy' een afgeleide is van de benaming 'accountant' vind ik ver gaan. Ik wil een linguïstisch standpunt, maar daartoe krijg ik geen mogelijkheid. Gelet op het arrest van de Hoge Raad zal ik waarschijnlijk naar Straatsburg moeten.”

Het hof heeft bewezenverklaard dat:

"hij op meerdere tijdstippen in de periode van 6 augustus 2010 tot en met 8 september 2010 in de gemeente nieuwkoop terwijl hij niet was ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36 van de Wet op de Accountants- Administratieconsulenten en/of in het register bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants telkens anders dan in besloten kring zich zodanig heeft gedragen dat daardoor bij het publiek redelijkerwijs de indruk moet zijn gewekt, dat hij tot het voeren van de benaming accountant gerechtigd was, door – zakelijk weergegeven – telkens de handelsnaam "[A]" te voeren en de aanduiding "[A] V.O.F." te vermelden op diverse namens het administratie- en advieskantoor aan cliënten verzonden declaraties, terwijl hij, verdachte, noch een andere op voornoemd kantoor werkzame perso(o)n(en) in het/de accountantsregister(s) ingeschreven was/waren."

Voorts heeft het hof in zijn arrest een nadere bewijsmotivering opgenomen met de volgende inhoud:

"Artikel 41, eerste lid van de wet op de Accountants- Administratieconsulenten luidt als volgt:

"1. Het is degene die niet is ingeschreven in het register bedoeld in artikel 36 of in het register bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants verboden om anders dan in besloten kring de benaming accountant zonder nadere toevoeging dan wel in enige samenstelling of afkorting, anders dan die van registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent te voeren, dan wel zich zodanig te gedragen, dat daardoor bij het publiek redelijkerwijs de indruk moet worden gewekt, dat hij tot het voeren van die benaming gerechtigd is".

Blijkens de wetsgeschiedenis strekt die bepaling tot strafrechtelijke handhaving van het verbod op het voeren van met de titel Accountant-Administratieconsulent en Registeraccountant verwante titels of aanduidingen door niet tot het dragen van deze titels bevoegde personen (Kamerstukken II, 1991 - 1992, 22 313, nr. 5, blz. 37).

De verdachte is vennoot van [A] V.O.F. Deze onderneming is onder meer onder de handelsnaam [A] ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Den Haag. Deze onderneming heeft facturen d.d. 6 augustus 2010 en 2 en 6 september 2010 doen uitgaan aan klanten, op welke facturen als naam van de onderneming staat vermeld :[A] V.O.F. Dezelfde naam is vermeld op het door de onderneming gebruikte briefpapier.

Uit het proces-verbaal van de Belastingdienst/Holland-Midden d.d. 13 september 2009, verbalisant [verbalisant], blijkt dat van de hiervoor aangeduide V.O.F geen bestuurder en/of ander daar werkend personeel is ingeschreven in de door het Nederlands Instituut van Registeraccountants en de Nederlandse Orde van Accountants-administratieconsulenten gehouden accountantsregisters.

De vraag is thans of de verdachte door het hanteren van de hiervoor weergegeven naam heeft gehandeld in strijd met het verbod van artikel 41, eerste lid, van de Wet de Accountants-Administratieconsulenten.

De verdachte heeft het verweer gevoerd dat de Engelstalige term "accounting" boekhouden betekent en dat het als zodanig een breed begrip is dat geen speciale bescherming geniet of behoort te genieten. Voor de onderneming van verdachte is de term "accounting" van belang omdat de onderneming cliënten in het buitenland heeft. Bedrijven als dat van de verdachte en accountants richten zich op de zakelijke markt van deskundige personen en niet op het algemene publiek, zodat geen verwarring kan ontstaan. De verdachte is voorstander van een linguïstische interpretatie.

Het hof verwerpt het verweer. De aanduiding "accounting" stamt zozeer overeen met en wekt associaties op met de benaming "accountant" (of een samenstelling of afkorting die terug te voeren is tot die benaming), dat redelijkerwijs bij het publiek de indruk moet worden gewekt dat de verdachte tot het voeren van die benaming gerechtigd is. Daaraan kan niet afdoen dat de Engelstalige term "accounting" een brede strekking heeft en mede omvat werkzaamheden die ook door anderen dan degenen die gerechtigd zijn de benaming van accountant te voeren mogen worden verricht. Evenmin is het nodig dat vastgesteld wordt dat bij een of meer personen uit het publiek daadwerkelijk de in de bewezenverklaring genoemde indruk is gewekt.

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit als in dit arrest omschreven.”

Middelen

  1. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het beroep op artikel 11 EVRM, althans over het veronachtzamen van de betekenis van dit verdragsartikel.
  2. Het tweede middel bevat een overeenkomstige klacht maar dan over artikel 14 EVRM.
  3. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft verworpen.
  4. Het vierde middel klaagt over de verwerping van een beroep op artikel 6 EVRM, omdat relevante informatie uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep is gelaten.
  5. Het vijfde middel klaagt over de straftoemeting.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De eerste vier middelen, die inhouden dat het hof geen recht heeft gedaan aan de verweren die verdachte heeft gevoerd, missen feitelijke grondslag omdat van zulke verweren niet kan blijken.

Vierde middel

Ten aanzien van het vierde middel wijst de AG erop dat moet worden vooropgesteld dat het proces-verbaal van de terechtzitting in beginsel de enige kenbron is voor de ter terechtzitting in acht genomen vormen en de inhoud van de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van de verdachte. Dit uitgangspunt geldt ook voor de verdachte die niet is voorzien van rechtsgeleerde bijstand. Weliswaar kan van de rechter in een dergelijk geval wellicht een welwillende en toeschietelijke houding jegens de verdachte worden gevergd, maar dat gaat niet zover dat de rechter de verdachte verweren in de mond moet leggen waar deze geen enkel aanknopingspunt voor biedt. Zulke aanknopingspunten ontbreken hier. Uit het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep blijkt enkel dat verdachte van oordeel is dat er zoveel ruimte is tussen het Engelse woord 'accountancy' en de aanduiding (register)accountant dat het gebruik van het eerste woord niet onder artikel 41, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten kan worden gebracht. Verdachte heeft geen beroep gedaan op artikel 6, artikel 11, artikel 14 EVRM of op artikel 1 van het Eerste Protocol, of op aan deze artikelen ten grondslag liggende beginselen gerefereerd. Het hof heeft toereikend gemotiveerd het verweer van verdachte verworpen en hoefde hetgeen verdachte heeft aangevoerd niet te begrijpen in een zo ruime zin als wordt voorgestaan in de schriftuur.

Vijfde middel

Het vijfde middel klaagt over de straftoemeting. De opgelegde straf is ontoereikend gemotiveerd gelet op de straf die is opgelegd aan de verdachte in de zaak HR 25 januari 2000, NJ 2000, 242, welke verdachte niet was gekwalificeerd als registeraccountant of accountant-administratieconsulent, waar verdachte wel gekwalificeerd is.

Het hof heeft de opgelegde straf aldus gemotiveerd:

"Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze meermalen schuldig gemaakt aan overtreding van Wet op de Accountants-Administratieconsulenten. Door aldus te handelen heeft de verdachte indruk gemaakt op het vertrouwen dat in het algemeen pleegt te worden gesteld een titulair termen als die van accountant. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 december 2012, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met justitie of politie in aanraking is gekomen. Als overwegende is het hof van oordeel dat een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt."

Inzake de strafoplegging geldt als uitgangspunt dat de feitenrechter vrij is in de bepaling van straf en de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden en in cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. Alleen wanneer de strafoplegging toch verbazing wekt en onbegrijpelijk is, is er voor de cassatierechter reden voor ingrijpen. Tevens zal de cassatierechter ingrijpen als ter terechtzitting een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is verwoord waarvan de feitenrechter is afgeweken zonder in het bijzonder de redenen voor deze afwijking op te geven. Van een grond voor ingrijpen door de cassatierechter in de ene noch in de andere zin is mij gebleken. Het enkele feit dat een hof in een andere zaak in 1998 een lagere straf heeft opgelegd dan het hof heeft gedaan in de onderhavige zaak is onvoldoende om de strafmotivering van het hof gebrekkig te doen zijn. Wat de steller van het middel overigens nog als bezwaar tegen de strafmotivering formuleert, mist feitelijke grondslag omdat ter terechtzitting van het hof op geen van de omstandigheden die de steller van het middel noemt is gewezen.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF