Ambtshalve: de partiële verjaring van het meer subsidiair tlgd. leidt niet tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak, nu verdachte daarbij onvoldoende belang heeft

Hoge Raad 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2457 Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3968, heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij arrest van 11 februari 2014 - met vernietiging van het vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank Almelo van 10 april 2008 - het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, doch het bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en de verdachte te dier zake ontslagen van alle rechtsvervolging, de verdachte vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde en de verdachte ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde "medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 30h van de Wet op de Kansspelen, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 maand, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 1.000, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.J.P. van Barneveld, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde, voor zover dat is begaan vóór 6 oktober 2003, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Economische Politierechter is vernietigd, en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging van dat feit voor zover dat is begaan vóór 6 oktober 2003 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Middelen

Het eerste middel klaagt, mede in het licht van een daartoe strekkend door de verdediging in hoger beroep gevoerd verweer, over de (motivering van de) bewezenverklaring van het onder meer subsidiair tenlastegelegde, nu een bewezenverklaring in strijd is met de bewijsminimumregel als bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv (unus testis, nullus testis) wegens gebrek aan (toereikend) steunbewijs voor de verklaringen van [betrokkene 2.  Daartoe is aangevoerd dat de overige bewijsmiddelen onvoldoende steun geven aan de verklaringen van [betrokkene 2] dat verdachte (als medepleger) betrokken was bij het tenlastegelegde, nu deze bewijsmiddelen “op zichzelf en in onderlinge samenhang niets over de juistheid en waarheid van de verklaring van [betrokkene 2] zeggen”. Voorts is aangevoerd dat alle door het Hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen zijn te herleiden tot één bron, [betrokkene 2] , terwijl de strekking van art. 342, tweede lid, Sv noopt tot bijkomend bewijs uit een van die getuige onafhankelijke bron.

Het tweede middel klaagt over de motivering van de verwerping door het Hof van het door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweer dat de verklaringen van [betrokkene 2] zodanig onbetrouwbaar zijn dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Het derde middel klaagt over de (motivering van de) afwijzing door het Hof van het verzoek tot het horen van een zevental getuigen. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het Hof bij de afwijzing van het verzoek een onjuiste maatstaf heeft toegepast.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

Eerste middel

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.

De steller van het middel neemt tot uitgangspunt dat het steunbewijs dient te zien op de betrokkenheid van de verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten. Doorslaggevend is echter of de tweede bewijsgrond voldoende steun geeft aan de verklaring van de getuige. Anders dan de steller van het middel lijkt te veronderstellen, behelst het vereiste van voldoende steun niet dat de tweede bewijsgrond de verklaring van de getuige of de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit moet bevestigen. Het vereiste van voldoende steun lijkt het beste te kunnen worden omschreven als een eis van inhoudelijk verband. Die eis sterkt er vooral toe, dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.

Uit de overweging volgt dat het Hof heeft geoordeeld dat de verklaringen van [betrokkene 2] voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Daarbij wijst het Hof op verdachtes eerdere betrokkenheid bij de activiteiten in [A] (bewijsmiddel 5), op verdachtes betrokkenheid als leverancier van de internetzuilen (bewijsmiddelen 2, 5 en 6), op het overzicht “budget [A] ”, waaruit volgt dat verdachte een aanzienlijk bedrag van de opbrengst uit [A] ontving (bewijsmiddelen 3 en 4), op het tapgesprek tussen ‘[betrokkene 8]’, verhuurder van het pand waarin [A] was gevestigd, en [betrokkene 2] , waaruit kan worden afgeleid dat verdachte en [betrokkene 2] geld verdienden aan het “hok” en dat [betrokkene 2] nu, na de inval, met verdachte moet overleggen hoe het nu verder gaat (bewijsmiddel 18) en op de afgetapte telefoongesprekken tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , waaruit volgt dat [betrokkene 2] wekelijks geld aan verdachte heeft afgestaan, terwijl verdachte niets deed, en dat [betrokkene 2] verdachte niet heeft “verluld” en dat er – kort gezegd – sprake was van een zekere machtsverhouding en een jarenlang samenwerkingsverband tussen [betrokkene 2] en verdachte (bewijsmiddelen 12, 13, 15, 16 en 17). Ook wijst het Hof erop dat verdachte nooit betaling heeft ontvangen voor de door hem reeds in 2003 geleverde internetzuilen (bewijsmiddel 6) en dat [betrokkene 2] heeft aangegeven dat er een beroep kon worden gedaan op een van de monteurs van [verdachte] als er iets kapot was en dat zij daarvoor niet hoefden te betalen (bewijsmiddel 11).

Nu het voorgaande meebrengt dat van het steunbewijs (in onderlinge samenhang bezien) zelfs kan worden gezegd dat het ziet op de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde feit (en daarmee overigens ook de verklaring van verdachte dat hij niet betrokken was bij het hem tenlastegelegde feit ontkracht), is aan het vereiste van voldoende steun ruimschoots voldaan. Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat de verklaringen van [betrokkene 2] voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal en dat aldus is voldaan aan het wettelijk bewijsminimum niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel, mede gelet op hetgeen door de verdediging in hoger beroep te berde is gebracht, voldoende gemotiveerd.

Voor zover door de steller van het middel voorts is aangevoerd dat voornoemde bewijsmiddelen allen zijn te herleiden tot één bron, te weten [betrokkene 2] , merk ik het volgende op. Van het schriftelijke bescheid “budget [A] ” is niet vastgesteld door wie het is opgemaakt en de inhoudelijk relevante passages uit de voor het bewijs gebezigde tapgesprekken zijn afkomstig van de gesprekspartners van [betrokkene 2] in die telefoongesprekken en niet van [betrokkene 2] zelf. De verklaring dat er (zonder kosten) een beroep kon worden gedaan op de monteurs van verdachte is wel afkomstig van [betrokkene 2] , maar noopt niet tot een ander oordeel dan weergegeven onder 11.

Het middel faalt.

Tweede middel

Het Hof heeft geoordeeld dat het door de verdediging gevoerde verweer dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu de verklaringen van [betrokkene 2] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd omdat deze onbetrouwbaar zijn en geen steun vinden in ander bewijsmateriaal, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het Hof heeft geconstateerd dat de getuige [betrokkene 2] wisselende verklaringen heeft afgelegd en heeft aangegeven bij het gebruik van die verklaringen de nodige behoedzaamheid te hebben betracht, terwijl het voor uitsluiting van het bewijs geen reden ziet.

In de bewijsoverweging van het Hof ligt besloten dat het de belastende verklaringen van de getuige [betrokkene 2] , het door de verdediging daaromtrent aangevoerde ten spijt, betrouwbaar heeft geacht, nu deze voldoende steun vinden in ander (objectief) bewijs. Dat steunbewijs bestaat onder meer, zoals reeds weergegeven bij de bespreking van het eerste middel, uit de tapgesprekken en het overzicht “budget [A] ”. Door de inhoudelijke betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van [betrokkene 2] uitvoerig te toetsen aan het voorhanden steunbewijs, heeft het Hof zich verantwoord voor het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 2] voor het bewijs. Het Hof heeft de verwerping van het verweer toereikend gemotiveerd.

Voor zover de steller van het middel voorts heeft aangevoerd dat uit het arrest niets blijkt van de behoedzaamheid die het Hof stelt te hebben betracht, merk ik op dat, anders dan de steller van het middel lijkt te veronderstellen, de behoedzaamheid niet enkel tot uitdrukking kan worden gebracht door (essentiële) onderdelen van de verklaringen van de getuige niet voor het bewijs te bezigen, maar bijvoorbeeld ook, zoals in het onderhavige geval, door de verklaringen uitvoerig te toetsen aan ander voorhanden bewijs.

Het middel faalt.

Derde middel

Op 29 december 2009 heeft het Hof arrest gewezen, waartegen namens verdachte op 11 januari 2010 beroep in cassatie is ingesteld. Op 29 maart 2011 heeft de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar het Hof. Namens de advocaat-generaal is de raadsman op 9 februari 2012 middels mailbericht verzocht eventuele onderzoekswensen schriftelijk kenbaar te maken. De raadsman heeft vervolgens bij brief van 22 februari 2012 verzocht tot het horen van een zevental getuigen.

Voor zover de steller van het middel klaagt dat het Hof bij de beoordeling van het bij brief van 22 februari 2012 gedane getuigenverzoek in zijn tussenarrest acht had moeten slaan op de door de verdediging ingediende appelschriftuur9, faalt het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het op 14 juli 2008 bij de griffie van de Rechtbank binnengekomen appelschriftuur van 6 mei 2008 bevat, anders dan de steller van het middel veronderstelt, immers niet het verzoek [betrokkene 2] , [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 9], [betrokkene 1] en/of [betrokkene 6] als getuige(n) te horen. Ook indien een dergelijk verzoek wel bij voornoemd appelschriftuur zou zijn gedaan, kan het middel in zoverre niet tot cassatie leiden. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn art. 410, derde lid, Sv en de daarmee samenhangende bepalingen, te weten art. 414, tweede lid tweede volzin, en art. 418, derde lid, Sv in de procedure na verwijzing of terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad immers niet van toepassing.

Voorts heeft de steller van het middel aangevoerd dat het Hof bij de afwijzing van het herhaalde (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de zeven getuigen bij arrest van 11 februari 2014 ten onrechte het noodzakelijkheidscriterium heeft gehanteerd, althans dat het Hof onvoldoende gemotiveerd het verzoek tot het horen van de getuigen heeft afgewezen, nu door de verdediging subsidiair is aangevoerd waarom het horen van de getuigen noodzakelijk was voor de waarheidsvinding.

Ter terechtzitting van het Hof van 28 januari 2014 heeft de raadsman van verdachte het voorwaardelijk verzoek gedaan om, indien het Hof van oordeel is dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, [betrokkene 2] , [betrokkene 6], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], [betrokkene 9] en [betrokkene 1] als getuigen te horen. Bij arrest van 11 februari 2014 heeft het Hof het verzoek afgewezen. Bedoeld herhaald verzoek, op het bij brief van 22 februari 2012 gedane gelijkluidende verzoek heeft het Hof reeds bij tussenarrest van 13 november 2012 beslist, is een verzoek op de voet van de art. 328 en 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv, welke bepalingen ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Maatstaf bij de beoordeling van zo een verzoek is of het Hof het horen van de getuigen noodzakelijk oordeelt.

De verdediging heeft aan het verzoek voornoemde getuigen te horen ten grondslag gelegd dat deze personen wellicht hun reeds eerder afgelegde verklaringen dat verdachte geen betrokkenheid had bij de illegale gokactiviteiten nader kunnen toelichten. Ook kan door het horen van deze getuigen de validiteit en betrouwbaarheid van (de verklaringen van) [betrokkene 2] worden vastgesteld. Bovendien kunnen de getuigen worden bevraagd naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 6] die weer een ander licht op de zaak heeft geworpen. Het Hof, dat voor het toewijzen van het herhaald verzoek van de raadsman geen noodzaak ziet, heeft, voor zover het de getuigen betreft die reeds eerder bij tussenarrest zijn afgewezen, het verzoek op dezelfde gronden afgewezen als die waarop dat verzoek de vorige keer is afgewezen. Het gegeven dat daarna de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] zijn gehoord maakt dat niet anders. Voor het toewijzen van het verzoek de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 2] te horen ziet het Hof evenmin noodzaak, nu deze getuigen ten overstaan van het Hof zijn gehoord en van noodzaak tot het opnieuw horen niet is gebleken. Het Hof heeft de juiste maatstaf toepast. Nu in de motivering van de afwijzing besloten ligt dat het Hof zich voldoende ingelicht achtte, is deze beslissing ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt.

Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 31 tot en met 33 is de Hoge Raad van oordeel dat het meer subsidiair tenlastegelegde gedeeltelijk - te weten voor zover dit zou zijn begaan tot twaalf jaar vóór de uitspraak van dit arrest, derhalve tot 1 september 2003 - is verjaard. Nu de bewezenverklaring de periode van 12 juni 2003 tot en met 18 maart 2005 betreft, de partiële verjaring geen invloed heeft op de kwalificatie en voor vermindering van de opgelegde straffen onvoldoende grond bestaat, aangezien de aard en de ernst van hetgeen overigens is bewezenverklaard niet worden aangetast door bedoelde partiële verjaring, heeft de verdachte onvoldoende belang bij ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF