Gebruik voor bewijs van op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevoegde opsporingsambtenaar

Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1799

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 29 augustus 2013 de verdachte wegens 1.) overtreding van art. 8, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994 en 2.) wederspannigheid en wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en (ten aanzien van feit 1) een ontzegging van de bevoegdheid motorijtuigen te besturen voor de duur van negentig dagen.

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat verdachte integraal van het onder (...) 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de verklaringen van de verbalisanten niet betrouwbaar zijn, omdat zij emotioneel bij het ten laste gelegde zijn betrokken, er een beklagprocedure omtrent de omstandigheden die zich op 9 september 2009 rond het ten laste gelegde hebben voorgedaan tegen hen liep en één van de verbalisanten zelf aangifte tegen verdachte heeft gedaan. Gelet daarop, mogen die verklaringen niet voor het bewijs gebezigd worden. (...)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen van de verbalisanten

Het hof stelt voorop dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd op grond van artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangenomen op het proces-verbaal van één opsporingsambtenaar. Door te stellen dat dit artikel in de onderhavige zaak geen toepassing behoort te vinden, omdat de verbalisanten emotioneel bij het ten laste gelegde zijn betrokken, er tegen hen een beklagprocedure is gestart en één van de verbalisanten zelf aangifte tegen verdachte heeft gedaan, stelt de verdediging een eis die de wet niet kent.

Het hof overweegt daarbij bovendien dat de beklagprocedure eerst op 13 augustus 2010 zijdens verdachte werd opgestart, derhalve bijna een jaar na de ten laste gelegde feiten, zodat de kort na het ten laste gelegde afgelegde verklaringen van de verbalisanten niet op elkaar afgestemd kunnen zijn met de beklagprocedure in het achterhoofd. (...)

Het hof overweegt voorts dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan bovendien niet enkel berust op verklaringen van de verbalisanten, doch daarnaast voldoende steun vindt in andere zich in het dossier bevindende objectieve bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof is dan ook aan het wettelijk bewijsminimum ruimschoots voldaan.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging."

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 344, tweede lid, Sv aangezien de bewezenverklaring berust "op enkel de verklaringen van twee verbalisanten, ondanks de omstandigheid dat deze nauw en persoonlijk betrokken waren bij het gebeuren".

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge het tweede lid van art. 344 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, door de rechter worden aangenomen op enkel een door een bevoegde opsporingsambtenaar op ambtseed opgemaakt proces-verbaal. Genoemde bepaling maakt geen uitzondering voor feiten die tegen de opsporingsambtenaar zelf zijn gepleegd (vgl. HR 31 december 1934, NJ 1935, p. 373). Aldus geeft art. 344, tweede lid, Sv blijk van een bijzonder vertrouwen van de wetgever in de betrouwbaarheid van een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar (vgl. HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8446, NJ 2004/452).

Art. 338 Sv houdt in, voor zover hier van belang, dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter slechts kan worden aangenomen indien hij daarvan de overtuiging heeft bekomen. Het staat de rechter dus vrij een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar niet tot het bewijs te laten meewerken ingeval hij op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval - zoals de omstandigheid dat het strafbare feit tegen de opsporingsambtenaar zelf is gepleegd - onvoldoende ervan overtuigd is dat ook in de voorliggende zaak het vertrouwen in de betrouwbaarheid van het proces-verbaal ten volle gerechtvaardigd is.

Uitgangspunt is daarbij dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal rekenschap behoeft af te leggen. Dat geldt ook voor het al dan niet als enig bewijsmiddel tot het bewijs bezigen van een proces-verbaal waaraan krachtens art. 344, tweede lid, Sv de daar voorziene bijzondere bewijskracht toekomt.

Op voormeld uitgangspunt is in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv evenwel een uitzondering gemaakt, in die zin dat ingeval met betrekking tot de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel door of namens de verdachte een standpunt is ingenomen dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ter terechtzitting naar voren is gebracht, de rechter indien hij in zijn vonnis afwijkt van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt door dat bewijsmiddel toch tot het bewijs te bezigen, gehouden is in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Die motiveringsplicht geldt ook indien het standpunt betrekking heeft op een proces-verbaal in de zin van art. 344, tweede lid, Sv en dit standpunt niet wordt aanvaard.

Het Hof heeft hetgeen door de verdediging is aangevoerd kennelijk verstaan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Hetgeen hiervoor is weergegeven bevat voldoende gegevens ter motivering van het niet aanvaarden van het naar voren gebrachte standpunt. Aldus heeft het Hof in voldoende mate de redenen opgegeven die tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt hebben geleid.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF