Veroordeling fractievoorzitster politieke partij tot geldboete wegens belediging voorzitster van door gemeenteraad ingestelde werkgeverscommissie. Geen strafrechtelijke immuniteit.

Gerechtshof Den Haag 8 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2416 De verdachte, lid van de gemeenteraad van Alphen aan den Rijn en fractievoorzitster van “Beter Alphen”, heeft tijdens een informeel overleg van enkele fractievoorzitters de voorzitster van de door de gemeenteraad ingestelde werkgeverscommissie, slachtoffer, die was uitgenodigd om aan dat overleg deel te nemen, beledigd en haar aldus in haar eer en goede naam aangerand.

In eerste aanleg is de verdachte van het haar onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het haar onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 150,- subsidiair 3 dagen hechtenis. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Verdenking

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij op of omstreeks 16 juli 2014 te Alphen aan den Rijn opzettelijk beledigend slachtoffer, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "vuile leugenaar en/of klerewijf en/of tyfuswijf", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking (feit 2).

Ontvankelijkheid OM

De advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte hebben zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte de haar verweten uitlatingen heeft gedaan tijdens een vergadering van een bestuurscommissie, als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Gemeentewet, zodat de verdachte op grond van artikel 83, vierde lid, in verbinding met artikel 22 van de Gemeentewet voor die uitlatingen niet in rechte kan worden vervolgd.

Het hof overweegt dienaangaande dat uit het onderliggende strafdossier blijkt dat op 16 juli 2014 een vergadering heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de gang van zaken rondom de aanstelling van de nieuwe griffier van de gemeente Alphen aan den Rijn en diens functioneren, bij welke vergadering een zestal leden van de gemeenteraad aanwezig waren, te weten twee van de drie leden, waaronder de voorzitster, van de door die raad ingestelde werkgeverscommissie en de voorzitters van vier fracties die kritiek op (de aanstelling van) de griffier hadden.

Omtrent de aard van die vergadering zijn de navolgende - door het hof in dit verband van belang geachte - verklaringen afgelegd.

De verdachte, fractievoorzitster van politieke partij verdachte, heeft verklaard:

Het was een extra vergadering, geen officiële. Het was een informeel overleg tussen de fractievoorzitter (hof: fractievoorzitters). Slachtoffer was er bijgevraagd als voorzitter van de werkgeverscommissie voor de aanstelling van de nieuwe griffier (…) Er zijn geen notulen gemaakt. Getuige 1 of getuige 2 had het gesprek georganiseerd.”

Getuige 2, fractievoorzitter van politieke partij getuige 2, heeft verklaard:

“Ik heb toen om een extra fractievoorzitters-vergadering gevraagd. Op maandag 15 juli heb ik op verzoek van de burgemeester slachtoffer gebeld en gezegd dat er volgens mij wel een middenweg te vinden is (…) We besloten om de tafel te gaan zitten op dinsdag 16 juli 2014 (…) Op dinsdagmorgen gaf getuige 3 (lid van de werkgeverscommissie) aan dat hij erbij kon zijn (…) Het was een informeel overleg (…) er was geen voorzitter. Ik was de initiatiefnemer.”

Slachtoffer, voorzitster van de werkgeverscommissie, heeft ook verklaard dat het een informeel overleg betrof, waaraan zij heeft toegevoegd:

Het was om een voorstel te bespreken om een aantal fractievoorzitters tegemoet te komen vanwege hun onvrede over de griffier (…) Bij de ‘kritische’ partijen was er onvrede (…) Dat waren (de) partijen waarmee we op 16 juli aan de tafel zaten.

Getuige 1, fractievoorzitster van politieke partij getuige 1, tenslotte heeft eveneens verklaard dat het overleg een informeel karakter had, dat het niet door iemand werd voorgezeten en dat getuige 2 volgens haar het voortouw had genomen. (pag. 31)

Uit deze verklaringen komt naar voren dat het overleg van 16 juli 2014 een informeel karakter had, zonder voorzitter en zonder notulist, dat dit overleg heeft plaatsgevonden bij gelegenheid van een vergadering van de fractievoorzitters van de partijen die zich kritisch ten opzichte van (de aanstelling van) de griffier hadden opgesteld, dat die vergadering op initiatief van één van die fractievoorzitters was belegd en dat op uitnodiging van die initiatiefnemer de voorzitster van de werkgeverscommissie alsmede - op uitnodiging althans met instemming van de initiatiefnemer - één van de andere leden van die commissie bij deze vergadering van fractievoorzitters tegenwoordig zijn geweest. Dat in aanmerking genomen, valt naar het oordeel van het hof de betreffende vergadering niet aan te merken als een vergadering van een bestuurscommissie, als bedoeld in artikel 83, vierde lid, van de Gemeentewet. De verdachte kan derhalve aan die bepaling - waarin onder meer artikel 22 van de Gemeentewet op een vergadering van een bestuurscommissie van overeenkomstige toepassing wordt verklaard – geen immuniteit ontlenen voor uitlatingen die zij tijdens de vergadering van 16 juli 2014 heeft gedaan. Nu er ook overigens geen beletsel bestaat om de verdachte voor die uitlatingen in rechte te betrekken, acht het hof het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Beroep op vrijheid van meningsuiting

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien een veroordeling in casu in strijd zou zijn met het door artikel 10, eerste lid, van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht op vrijheid van meningsuiting en de verdachte daarenboven een beroep op de exceptie van artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht toekomt.

Dit verweer wordt in zijn beide onderdelen verworpen.

Het hof stelt in dat verband voorop dat het onder meer in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting niet aan een strafrechtelijke veroordeling in de weg staat indien die veroordeling een op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM toegelaten beperking van dat recht oplevert, te weten een beperking die bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van – voor zover in dezen van belang – de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.

Eenvoudige belediging – het opzettelijk een ander in zijn eer en goede naam aanranden – is als misdrijf voorzien in en strafbaar gesteld bij artikel 266, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ingevolge het tweede lid van dat artikel zijn gedragingen, die ertoe strekken een oordeel over de behartiging van openbare belangen te geven en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit, niet als eenvoudige belediging strafbaar.

Naar het oordeel van het hof zijn de bewezen verklaarde uitlatingen van de verdachte enerzijds onnodig grievend en anderzijds niet aan te merken als een kwalificatie van een standpunt of gedachtegoed van slachtoffer inzake een aan een politiek of maatschappelijk debat onderworpen kwestie, noch, zoals door de raadsman is aangevoerd, als een kwalificatie van haar politieke optreden als voorzitster van de werkgeverscommissie. Uitlatingen (van gelijke beledigende aard en strekking) als “vuile leugenaar”, “klerewijf” en “tyfuswijf” strekken er naar hun aard niet toe om – in de woorden van artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht – een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen door, in dit geval, slachtoffer, doch strekken ertoe om een oordeel te geven omtrent haar als persoon. Het hof vermag niet in te zien dat dergelijke uitlatingen enige bijdrage zouden kunnen leveren aan een politiek of maatschappelijk debat, meer in het bijzonder aan het debat over de aanstelling en het (dis)functioneren van de nieuwe griffier van de gemeente Alphen aan den Rijn.

Het hof is derhalve van oordeel dat aan de verdachte geen beroep op artikel 10, eerste lid, van het EVRM of op artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht toekomt. Het onder 2 bewezen verklaarde is mitsdien, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid daarvan uitsluit, strafbaar.

Bewezenverklaring

  • Eenvoudige belediging

Strafoplegging

De verdachte heeft, toen zij ter zake door de politie werd gehoord en haar onder meer de vraag werd gesteld of zij na afloop nog haar excuses aan slachtoffer had aangeboden, geantwoord: “Nee zo ben ik niet, ik had gelijk”. Op de vraag of zij bereid was mee te werken aan mediation, luidde haar antwoord: “Ik prakkiseer er niet over”.

Hoewel deze opstelling haar bij de strafoplegging zou kunnen worden tegengeworpen - temeer nu aan haar als gemeenteraadslid en fractievoorzitter een voorbeeldfunctie kan worden toegedicht en zij in die hoedanigheden de plichten en verantwoordelijkheden, waar artikel 10, tweede lid, van het EVRM op doelt, heeft veronachtzaamd -, acht het hof het niet opportuun om aan de verdachte een hogere straf op te leggen dan de straf die, uitgaande van de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS, voor een misdrijf als het onderhavige in beginsel passend wordt geacht. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de media van Alphen aan den Rijn en omgeving ruim aandacht aan deze strafzaak en het daaraan ten grondslag liggende incident hebben besteed, aandacht die niet alleen voor slachtoffer, maar ook voor de verdachte belastend is geweest, alsmede dat de verdachte, thans 74 jaar oud, geen noemenswaardig strafblad heeft.

Het hof is dan ook - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van € 150,00 een passende en geboden reactie vormt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens verduistering in dienstbetrekking en gewoontewitwassen. Verdachte heeft in strijd met interne gedragsregels gehandeld met een door hemzelf beheerde beleggingsrekening bij een buitenlandse beleggingsonderneming.

Gerechtshof Amsterdam 28 augustus 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3512 De verdachte is op 15 november 2008 (opnieuw) in dienst getreden bij ING. Hij was specialist in optiehandel. Uit hoofde van zijn functie als Senior Trader had de verdachte een ‘profit and loss target’ van 2 miljoen euro op jaarbasis om te handelen in effecten namens ING en voor rekening van ING, teneinde per saldo winsten voor ING te genereren. De verdachte handelde namens ING onder andere op de beurzen in Chicago (Chicago Board of Trade, CBOT), Londen (LIFFE) en Frankfurt (EUREX).

Gedurende het einde van 2009 bekroop de verdachte het gevoel dat hij eigenlijk niets meer te zoeken had in zijn vak. Dit werd volgens de verdachte mede veroorzaakt door een aaneenschakeling van zakelijke teleurstellingen (waaronder de aankondiging dat hij, ondanks zijn goede prestaties, maar niet op een bonus moest rekenen) en zijn constatering dat ‘ironisch genoeg uitgerekend de ‘managers’ die de bank hebben laten klappen er uiteindelijk allemaal nog zitten dankzij de centen van de belastingbetaler, en dat uitgerekend zij wegkomen met een steeds grotere graai uit de pot ten koste van de mannen die het geld verdienen voor de bank’, waaronder hijzelf.

De verdachte zat destijds financieel aan de grond en via een ‘handigheidje’ wilde hij geld verdienen. Dat gebeurde via een op naam van zijn toenmalige echtgenote gestelde, maar door de verdachte beheerde, beleggingsrekening met rekeningnummer 1 bij Interactive Brokers (UK) Ltd. (IBUK) aan de ene kant en ING aan de andere kant. Opdrachten aan IBUK gaf de verdachte via zijn privé BlackBerry vanaf zijn werkplek, onder meer op de wc. Met de transacties werd door verdachte geld verdiend, waardoor een startkapitaal werd gegenereerd om winst te kunnen maken met andere producten waar ING niets mee van doen had. De verdachte bleek echter een slechte handelaar in aandelen en om de beleggingsrekening bij te vullen, werden daarom steeds weer nieuwe optietransacties uitgevoerd.

Blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep was de verdachte zich ervan bewust dat hij hiermee in strijd handelde met de voor hem van toepassing zijnde gedragsregels, welke uit hoofde van de gesloten arbeidsovereenkomst en de functie van de verdachte binnen ING op hem van toepassing waren. Het hof wijst in dit verband op de Generic Insider Regulation (GIR), welke aangaf in welke gevallen en onder welke voorwaarden door ING medewerkers privé mocht worden gehandeld. Uit de gedragingen van de verdachte volgt dat hij daaraan in ieder geval niet heeft voldaan. Daarnaast gold voor de afdeling Commercial Banking, waar de verdachte onder viel, een additionele Compliance Code. Voor de medewerkers van de afdeling Financial Markets and Equity Markets (“IRFEM”) in het bijzonder, waaronder eveneens de verdachte viel, gold bovendien nog een aanvullende regeling, namelijk de “pre-approval” controle van de afdeling Compliance op in te leggen privé-orders. Uit het dossier volgt dat de verdachte zich ook aan deze regeling niet heeft gehouden.

De verdachte heeft namens ING opties verkocht en via een door hem beheerde IBUK-rekening een overeenkomstige tegenorder geplaatst. Vervolgens heeft hij deze opties binnen een korte tijdsperiode (minuten/uren) namens ING weer teruggekocht, waarbij de prijs van de terugkoop steeds boven de prijs van de verkoop lag. ING is op het spoor van deze transacties gekomen door brieven van de CME Group (CME) van 2 en 18 mei 2011 waarin CME spreekt over de handelsactiviteiten van de verdachte op de beurs van Chicago en melding maakt van ‘problematic trading activity’ (door de verdachte, zo begrijpt het hof). Uit vervolgonderzoek van ING naar aanleiding van deze signalen van de CME Group is gebleken dat het gaat om ruim 30 transacties, waarbij de verdachte heeft gehandeld met de door hem beheerde IBUK-rekening.10

Feit 1: verduistering

Toe-eigening van enig goed

De verdediging heeft naar voren gebracht dat geen sprake is van toe-eigening van enig goed dat een ander toebehoort, nu de verdachte geen gelden van ING onder zich had, maar slechts een mandaat om te handelen op de beurs.

Het hof overweegt als volgt. Wat er zij van het mandaat en de strekking daarvan, de kern is dat de verdachte door middel van privé beleggingstransacties die niet kenbaar waren voor zijn werkgever en die hij heeft verricht in strijd met de op hem van toepassing zijnde gedragsregels zich persoonlijk heeft verrijkt. Het resultaat van de constructie van aan- en verkooporders met ING als tegenpartij is immers geweest dat de verdachte via de beurs op zijn IBUK-rekening gelden heeft verkregen ten laste van de ING. Daarom is er sprake van toe-eigening van gelden door de verdachte, toebehorende aan zijn toenmalige werkgever, ING.

Wederrechtelijkheid

De verdediging heeft voorts ten aanzien van feit 1 naar voren gebracht dat geen sprake is van wederrechtelijk handelen door verdachte. Immers heeft hij gehandeld binnen zijn mandaat en kan het handelen in strijd met de interne regels niet worden gezien als een strafrechtelijke wederrechtelijkheid.

Het hof overweegt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat van wederrechtelijk toe-eigenen in de zin van artikel 321/322 Sr sprake is indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over een goed dat aan een ander toebehoort, beschikt.

De verdachte heeft, zoals overwogen, in het kader van zijn dienstbetrekking en zonder daartoe gerechtigd te zijn – nu zijn handelen gericht was op niet-toegestane handel met een door hem beheerde beleggingsrekening bij een buitenlandse beleggingsonderneming – opdrachten tot aan- en verkoop van effecten gegeven.

De verdachte heeft deze handelingen verricht met de bedoeling geld te vergaren voor privédoeleinden. Hij heeft ter zitting in hoger beroep ook verklaard dat dit zijn doelstelling was en dat hij besefte dat het handelen met “twee petten” op hoogstwaarschijnlijk ten nadele van de winst voor ING zou zijn. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden deze handelingen te plegen. De verdachte heeft met zijn handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat ING in een Senior Trader moet kunnen stellen.

In dit kader is door de verdachte nog aangegeven dat er sprake was van, zoals hij dit noemt, ‘combinatiehandel’, namelijk dat hij tegelijkertijd handelde voor zichzelf èn voor ING. Voor het hof valt op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vast te stellen of de transacties al dan niet deel uitmaakten van combinatiehandel. Voor zover dit al het geval was, doet dit aan het voorgaande echter niet af, nu blijft staan –zoals hierboven reeds uiteengezet- dat de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn zichzelf heeft verrijkt ten koste van zijn toenmalige werkgever ING.

Gelet op het voorgaande worden de verweren van de verdediging verworpen.

Feit 2: gewoontewitwassen

Als gevolg van de hierboven beschreven wederrechtelijke transacties heeft de verdachte geldbedragen van in totaal ruim drie ton euro via de door hem beheerde IBUK-rekening voorhanden gehad. Deze bedragen zijn afkomstig uit een misdrijf dat door de verdachte zelf is gepleegd. Daarmee is de wetenschap van de verdachte dat het geld van misdrijf afkomstig was gegeven. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte het geld niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat hij het ook heeft omgezet en er gebruik van heeft gemaakt. De verdachte heeft met een gedeelte van dat geld gehandeld in aandelen en het andere deel overgeboekt naar zijn ABN Amro privérekening. Door zo te handelen, heeft hij de opbrengsten uit eigen misdrijf niet alleen aan het zicht van ING, maar ook aan dat van politie en justitie onttrokken. Anders dan de verdediging stelt, vormen dergelijke omzettingshandelingen wel degelijk strafbare handelingen, nu hiermee is voldaan aan het vereiste dat de witwasser van geld uit eigen misdrijf een handeling heeft verricht die erop gericht is om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen.

De verdachte heeft deze handelingen gedurende een periode van bijna anderhalf jaar verricht. Gelet op de stelselmatigheid en de lange periode van zijn handelen, is sprake van een gewoonte.

Vrijspraak van feit 2, tweede cumulatief/alternatief

Ten aanzien van het onder feit 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat het uitsluitend geleiden van de gelden naar de effectenrekening op naam van zijn toenmalige echtgenote, zoals tenlastegelegd, reeds onderdeel vormt van de verduistering. Het hof zal de verdachte van dit feit vrijspreken.

Bewezenverklaring

Feit 1: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.

Feit 2 eerste cumulatief/alternatief: een gewoonte maken van witwassen.

Strafoplegging

Het gerechtshof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Voormalig bestuurder/DGA ook strafrechtelijk aansprakelijk bij faillissementsfraude na aanstellen katvanger in de periode voorafgaand aan het faillissement

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 augustus 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:6296 Verdachte heeft voor een geringe vergoeding het directeurschap van zijn vennootschap bedrijf BV overgedragen aan betrokkene. Kort na de overdracht is de BV failliet verklaard. De curator in het faillissement heeft aangifte gedaan van faillissementsfraude omdat zij op grond van het door haar ingesteld onderzoek tot de conclusie is gekomen dat betrokkene is opgetreden als katvanger.

Door en namens verdachte is dit ter terechtzitting bestreden. Het hof heeft geen reden om aan de verklaring van de curator te twijfelen. Deze heeft zelf van betrokkene vernomen dat hij voor een geldbedrag zijn handtekening heeft gezet terwijl uit bij het Leger des Heils verkregen inlichtingen omtrent de persoon van betrokkene naar voren is gekomen dat betrokkene bij het Leger des Heils verblijft, al jaren lang daar bekend is als – in zijn bewoordingen- “junk” en valt onder de groep zwaarverslaafden.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij met betrokkene in contact is gekomen via een bemiddelaar die hij op straat heeft ontmoet, die hij kent als "naam" en van wie hij geen verdere gegevens kan noemen zoals bijvoorbeeld naam en adres of telefoonnummer. Het hof leidt uit deze omstandigheden af dat het niet anders kan zijn dan dat betrokkene inderdaad is opgetreden als katvanger.

Door de verdediging is het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van betrokkene als getuige. Het horen van deze getuige is eerst door de verdediging op de zitting van 12 augustus 2015 verzocht. Daarom is het noodzaakscriterium van toepassing. Het hof acht het horen van deze getuige met het oog op de volledigheid van het onderzoek niet noodzakelijk.

Verdachte was in de tenlastegelegde periode enig aandeelhouder van bedrijf BV. Door het overdragen van het directeurschap van de BV aan een katvanger, terwijl verdachte enig aandeelhouder is gebleven van de vennootschap en in die kwaliteit ook (onder meer) verantwoordelijk voor benoeming en ontslag van de bestuurder(s) van de vennootschap, is verdachte als in feite nog bestuurder mede verantwoordelijk te houden voor de bewaring van de administratie en het geven van inlichtingen over de BV. Het hof is van oordeel dat een directeur/grootaandeelhouder van een besloten vennootschap door het in zijn plaats als directeur aanstellen van een zogenaamde katvanger niet zijn (in strafrechtelijke zin) wettelijke verplichtingen als bestuurder van de vennootschap kan ontlopen. Het hof zoekt hierbij aansluiting bij het bepaalde in artikel 2:248 van het Burgerlijk Wetboek, waarin een voormalig bestuurder van een besloten vennootschap ook aansprakelijk kan worden gehouden voor onbehoorlijk bestuur gedurende de periode van het zijn van bestuurder voorafgaand aan het faillissement. Het hof constateert in dit kader dat verdachte ook heeft erkend in de periode vanaf zijn aantreden als directeur / grootaandeelhouder op 26 april 2005 geen jaarrekeningen van de vennootschap te hebben gedeponeerd.

Verdachte heeft ondanks diverse verzoeken van de curator tot het geven van inlichtingen nagelaten hieraan te voldoen. Hierdoor heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van bedrijf BV doen ontstaan en aanvaard.

Die verkorting van de rechten van de schuldeisers bestaat, naar het oordeel van het hof, daarin dat door het niet verstrekken van de administratie er voor de curator geen zicht was op de eventuele baten van de BV waarop de faillissementsschuldeisers zich zouden kunnen verhalen.

Daarnaast is iedere ondernemer wettelijk verplicht de administratie van zijn onderneming zeven jaren te bewaren en zo nodig te voorschijn te brengen.

Degenen die aan deze administratieve verplichtingen zijn onderworpen worden geacht te weten dat de administratie een leidraad is voor financieel verantwoord handelen en dat als de curator in het faillissement niet kan beschikken over een deugdelijke administratie dit kan strekken tot benadeling van de faillissementsschuldeisers. Immers, zonder deugdelijke administratie kan de curator zich geen beeld vormen van de rechten en verplichtingen van de gefailleerde onderneming en van de gang van zaken binnen die onderneming voorafgaand aan het faillissement.

Deze verplichting vloeit voort uit de artikelen 105 en 106 van de Faillissementswet in combinatie met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Uit deze jurisprudentie volgt dat ook indien de curator tijdens zijn eerste contacten met (bestuurders en commissarissen van) de failliet niet expliciet zou hebben gevraagd naar de aanwezige administratie en daarbij behorende bewijsstukken de failliet uit eigen beweging de bestaande verplicht en onverplicht gehouden administratie aan de curator dient af te dragen.

Voorts is het zonder een deugdelijke administratie voor de fiscus niet mogelijk is om de verschuldigde omzetbelasting op grond van artikel 29, lid 2, van de Wet op de omzetbelasting te bepalen. Het niet te voorschijn brengen leidt dan ook tot benadeling van deze schuldeiser.

De raadsman heeft gesteld dat verdachte er niet in is geslaagd, ondanks pogingen daartoe, om de administratie boven water te krijgen. De verdachte had de administratie immers overhandigd aan de hiervoor genoemde “ naam ”. Wat er ook zij van dit verweer, verdachte had als (voormalig) directeur en als enig aandeelhouder en gelet op al het vorenstaande derhalve als feitelijk bestuurder van de vennootschap de plicht aan de curator mede te delen waar de administratie van de vennootschap was dan wel in wiens bezit die administratie was en als gevolg daarvan derhalve om de administratie uit te (doen) leveren en heeft dit nagelaten. Verdachte heeft op vragen van de curator om de administratie te verstrekken niet gereageerd en is op twee afspraken met de curator niet verschenen.

Verdachte stelde ter terechtzitting dat hij de eerste afspraak is vergeten en bij de tweede afspraak het niet zinvol te hebben geacht om te komen. Het is echter aan de curator en niet aan de verdachte te bepalen of overleg over het faillissement zinvol is.

Door zo te handelen heeft verdachte in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de rechten van de schuldeisers bekort werden.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldoen aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 15a, eerste lid en/of artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld.

Feit 2: In staat van faillissement verklaard als bestuurder van een rechtspersoon wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen zonder geldige reden wegblijven en weigeren de vereiste inlichtingen te geven.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Wraking toegewezen: Rechter mag bij beoordelen verdedigingswensen niet vooruitlopen op eindbeslissingen

Gerechtshof Den Haag 7 augustus 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2192 Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2015 onder andere verzocht getuige 1 en getuige 2 te horen als getuige. De verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij geen rechthebbende is geweest van de bankrekeningen met nummers rekeningnummer 1, rekeningnummer 2, rekeningnummer 3, rekeningnummer 4 en rekeningnummer 5, en dat hij een daarop betrekking hebbende vraag van de Ontvanger derhalve naar waarheid ontkennend heeft beantwoord, zodat geen sprake is van overtreding van artikel 64 jo 65 Invorderingswet. Dit standpunt heeft de verzoeker willen onderbouwen door de voornoemde personen te horen als getuigen.

De strafkamer heeft deze getuigenverzoeken op 22 mei 2015 afgewezen en heeft daarbij overwogen dat de verdediging ten onrechte ervan uitgaat dat nog onduidelijk zou zijn of de bankrekeningen aan de verzoeker kunnen worden toegerekend, aangezien deze rekeningen bij onherroepelijke uitspraak van de rechtbank Breda van 3 maart 2004 de verzoeker zijn toegerekend. Volgens de raadsman is de strafkamer met deze overweging vooruitgelopen op een bij eindarrest te nemen beslissing.

Mr. A.P.M. van Rijn, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. F.W. van Lottum hebben bij brief van 22 juni 2015 laten weten dat zij niet in de wraking berusten. Als standpunt hebben zij ingenomen dat de afwijzing van de getuigenverzoeken inhoudelijke beslissingen betreffen en dat het indienen van een wrakingsverzoek niet is bedoeld om klachten te uiten over de motivering van deze beslissingen. Voorts wordt erop gewezen dat, nu een regiezitting voorbereidend van aard is, de door de verdediging gestelde verstrekkende gevolgen hieraan niet kunnen worden verbonden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen, nu wraking niet kan fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige beslissingen door een rechterlijk college genomen in de strafzaak. Voorts is er in de strafzaak geen sprake van dermate onbegrijpelijke beslissingen dat daarvoor in redelijkheid geen andere verklaring is te geven dan dat dit door vooringenomenheid van de voltallige kamer is ingegeven.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

De wrakingskamer overweegt dat door de verdediging is gesteld - en door de advocaat-generaal is bevestigd - dat:

  • de Ontvanger bij brief van 14 april 2000 de verzoeker heeft gevraagd om een verklaring met betrekking tot zijn gerechtigheid tot de bankrekeningen;
  • de Ontvanger bij brief van 17 augustus 2000 de verzoeker heeft gevraagd een verklaring te ondertekenen waarin staat dat hij de rechthebbende is op de saldi van de bankrekeningen.

De verzoeker heeft zich in antwoord op de vragen in de brieven van 14 april 2000 en 17 augustus 2000 op het standpunt gesteld dat hij niet gerechtigd was tot de bankrekeningen waarna hij – onder andere ten aanzien van dit antwoord - door het Openbaar Ministerie is gedagvaard in verband met het niet nakomen van verplichtingen die op grond van de Invorderingswet op hem rusten. Hierbij is aan de verzoeker - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat hij: “… de vragen (en/of verzoeken) van de ontvanger, gesteld in de brie(f)(ven) van 14 april 2000 en/of … 17 augustus 2000 … niet, althans ontoereikend, heeft beantwoord (en/of ingewilligd) …”.

De wrakingskamer is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat de vraag of de verzoeker rechthebbende is van (de saldi op) de bankrekeningen raakt aan de tenlastelegging en zodoende een (bewijs) vraag is die eerst bij eindbeslissing aan de orde dient te komen.

De wrakingskamer overweegt dat de verdediging ten aanzien van de bankrekeningen ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2015 onder andere heeft verzocht getuige 1 en getuige 2 te horen als getuige. Deze getuigen zouden volgens de verdediging verzoekers standpunt kunnen bevestigen dat hij niet gerechtigd was tot de bankrekeningen zodat hem geen aandeel toekwam. De strafkamer heeft deze verzoeken afgewezen met de motivering dat de verdediging ten onrechte ervan uitgaat dat nog onduidelijk zou zijn of de bankrekeningen aan de verzoeker kunnen worden toegerekend, aangezien deze rekeningen bij onherroepelijke uitspraak van de rechtbank Breda van 3 maart 2004 (nr. 96787) aan de verzoeker zijn toegerekend. De wrakingskamer is van oordeel dat de strafkamer, door zonder voorbehoud te verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank Breda - die betrekking heeft op een civiel geding waarin verzoeker geen partij was en evenmin in dat verband is gehoord – zich heeft uitgelaten over de (bewijs)vraag of de bankrekeningen aan de verzoeker toebehoren. Deze (bewijs)vraag dient naar het oordeel van de wrakingskamer eerst bij eindbeslissing aan de orde te komen.

De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat (de motivering van) het afwijzen van deze getuigenverzoeken een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de strafkamer jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, in die zin dat voor de strafkamer reeds vaststaat aan wie de bankrekeningen toebehoren, namelijk de verzoeker.

Beslissing

Het hof wijst het verzoek tot wraking van mrs. A.P.M. van Rijn, J.W.H.G. Loyson en F.W. van Lottum toe.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof: Ondanks vrijspraak witwassen worden de hiermee verband houdende bedragen bij voordeelsberekening meegenomen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 augustus 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3301 Bij strafvonnis met parketnummer 01/825589-09 van 10 februari 2012 is veroordeelde veroordeeld ter zake van:

Feit 1: Medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot

  • Swarovski-kristal en audiovisuele apparatuur;
  • kampeerwagens en de brandstofkosten;
  • een motorvoertuig (Mercedes Benz E300);
  • bouwmaterialen en bouwkosten met name voor de aanschaf en plaatsing van een serre en dakkapel;

gepleegd in de periode van 1 januari 2002 tot en met 14 oktober 2009;

Veroordeelde is onder feit 1 vrijgesproken van het witwassen met betrekking tot:

  • Koi-karpervijver met toebehoren en inhoud;
  • meubelen;
  • keuken;
  • overige inrichting;
  • motorboot, merk Mariah, registratienummer: kenteken ;
  • Mercedes-Benz (Mercedes-Benz SL280);
  • Mercedes-Benz (Mercedes-Benz C200);
  • investeringskosten in coffeeshop genaamd naam

Feit 2: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid, gepleegd op 14 oktober 2009;

Bij strafarrest van 31 januari 2014 (parketnummer 20-000580-12) heeft het hof in hoger beroep van voormeld strafvonnis het navolgende oordeel geoordeeld:

Feit 1: Vrijspraak van gewoontewitwassen;

Feit 2: veroordeling wegens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, gepleegd op 14 oktober 2009.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het enkel aanwezig hebben van hennep - bewezen in hoger beroep - geen voordeel oplevert en dat op die grond de ontnemingsvordering moet worden afgewezen. Het is volgens de verdediging niet toegestaan om – gelijk in de voordeelrapportage – dan het voordeel te baseren op schijnbaar onverklaarbare inkomsten waaraan geen misdrijf wordt gekoppeld.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu medeveroordeelde en veroordeelde uiteindelijk in hoger beroep van witwassen zijn vrijgesproken, de met het witwassen verband houdende uitgaven niet in de voordeelberekening kunnen worden betrokken. Gelet op de vrijspraken in voormeld strafarrest zijn dit dan de uitgaven met betrekking tot het Swarovski-kristal en audiovisuele apparatuur, de kampeerwagens en de brandstofkosten, het motorvoertuig (Mercedes Benz E300), de bouwmaterialen en bouwkosten voor de aanschaf en plaatsing van een serre en dakkapel.

De advocaat-generaal heeft zich met vorenstaand standpunt geschaard achter het oordeel van de rechtbank in het bestreden ontnemingsvonnis. Daarin zijn evenmin de uitgaven ter zake de onderdelen ten aanzien waarvan veroordeelde van witwassen is vrijgesproken bij de voordeelberekening betrokken.

Oordeel hof

Uit voormeld strafarrest volgt dat medeveroordeelde en veroordeelde zijn veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Krachtens artikel 11, vijfde lid, Opiumwet kan een geldboete van genoemde categorie worden opgelegd als het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.

Uit de voordeelrapportage volgt dat tegen medeveroordeelde en veroordeelde tevens een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld. Deze was gebaseerd op de verdenking terzake van: overtreding van de Wet wapens en munitie, witwassen en overtreding van de Opiumwet.

Uit dit onderzoek is, blijkens de weergave ervan in de voordeelrapportage, aannemelijk geworden dat die feiten of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat medeveroordeelde en veroordeelde wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. Dit is vastgesteld aan de hand van de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling, nu tijdens het onderzoek geen zicht is verkregen op alle individuele transacties/strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten.

Bij de methode van de eenvoudige kasopstelling worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Indien de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden, is er dus sprake van uit onbekende bron afkomstige contante ontvangsten. Een negatieve kas is immers niet mogelijk: men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van andere, onbekende contante ontvangstenbronnen.

Van de omvang van deze onbekende en niet legaal verklaarbare contante ontvangstenbronnen, derhalve vermoedelijk criminele, kan worden aangenomen dat deze tenminste gelijk is aan het verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op het vorenstaande zal het hof het voordeel baseren op de grondslag van het bepaalde in artikel 36e, derde lid, (oud) Wetboek van Strafrecht.

Bij voormelde grondslag is niet van belang of de onderliggende veroordeling – in dit geval het aanwezig hebben van hennep – voordeel heeft opgeleverd, als maar uit het uitgevoerde strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is geworden dat dat feit of andere feiten voordeel hebben opgeleverd. Het is duidelijk dat artikel 36e, lid 3, de mogelijke oplegging van de ontnemingsmaatregel in vergaande mate losmaakt van het gronddelict dat tot een veroordeling heeft geleid.

Om dit te bepalen is de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling gehanteerd waaruit - zoals ook hierna zal blijken – onverklaarbare inkomsten zijn gebleken. Het kan niet anders zijn dan dat die uit enig strafbaar feit afkomstig zijn. Daarbij is niet van belang door wie (als dader/deelnemer) die “andere strafbare feiten” zijn begaan.

Verwerping standpunten verdediging en advocaat-generaal

Uit het hiervoor onder het kopje “grondslag schatting” overwogene volgt dat, nu de schatting is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr en dus grotendeels wordt geabstraheerd van het onderliggende veroordelende gronddelict, niet relevant is dat het aanwezig hebben van hennep geen voordeel oplevert. Het daarop gegronde verweer van de verdediging wordt verworpen.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling een algemeen aanvaarde methode om het voordeel op de grondslag van artikel 36e, derde lid, Sr vast te stellen. Ook het op die grond gebaseerde verweer van de verdediging wordt verworpen.

Nu het derde lid van artikel 36e Sr de mogelijke oplegging van de ontnemingsmaatregel in vergaande mate losmaakt van het gronddelict dat tot een veroordeling heeft geleid, is evenmin van belang dat medeveroordeelde en veroordeelde van het ten laste gelegde witwassen zijn vrijgesproken.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dit geen invloed heeft op de vaststelling van het voordeel. Er is een veroordeling gevolgd voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, er is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld waarbij uit een eenvoudige kasopstelling is gebleken dat er meer contant is uitgegeven dan beschikbaar was. Het kan bij deze stand van zaken, nu ook veroordeelde geen verklaring heeft gegeven over de herkomst van de uitgaven, niet anders zijn dan dat deze uitgaven mogelijk zijn geweest door contante inkomsten uit enig misdrijf. In het kader van artikel 36e, derde lid, Sr is het niet noodzakelijk dit misdrijf te benoemen.

Met inachtneming van het vorenstaande zal het voordeel op de navolgende wijze worden geschat, waarbij eventuele nadere verweren van de verdediging dan wel stellingen van de advocaat-generaal nog aan de orde zullen komen.

De schatting van het voordeel

Referteperiode

Overeenkomstig de voordeelrapportage stelt het hof de periode waarover het voordeel wordt geschat (referteperiode) op 1 januari 2002 tot en met 14 oktober 2009.

Beginsaldo contant geld

In de voordeelrapportage is het beginsaldo contant geld op 1 januari 2002 op €0 gesteld aan de hand van opgevraagde door medeveroordeelde en veroordeelde ondertekende inlichtingenformulieren uit het uitkeringsdossier van beiden (dossierpagina 35). Op deze inlichtingenformulieren is telkens door medeveroordeelde en veroordeelde geen bezit van contant geld aangegeven. De verdediging heeft het in eerste aanleg ten aanzien van het beginsaldo gevoerde verweer herhaald en betoogd dat is uitgegaan van een onjuist beginsaldo. Dit verweer is evenwel gelijk als in eerste aanleg in het geheel niet onderbouwd en wordt reeds om die reden door het hof verworpen. Overeenkomstig de voordeelrapportage en de rechtbank stelt het hof het beginsaldo contant geld op €0.

Legale ontvangsten per kas

In de voordeelrapportage zijn de legale contante ontvangsten per kas gesteld op €71.615 op basis van kasopnamen over de periode van 2 januari 2003 tot en met 23 december 2009 (bijlage 53/2, dossierpagina’s 2542 t/m 2546). De rechtbank heeft de legale ontvangsten gesteld op €80.763 door eveneens als legale contante ontvangsten aan te merken de navolgende bedragen:

  • €5.448: ter zake van contant uitbetaalde inkomsten uit onderneming naam; en
  • €3.700: ter zake van ontvangen schenkingen van de opa van veroordeelde.

Met voormelde ontvangsten is de rechtbank enigszins tegemoet gekomen aan een door de verdediging in eerste aanleg hieromtrent gevoerd verweer. De rechtbank heeft de verdediging niet gevolgd in het verweer dat de schade-uitkeringen bij deze legale ontvangsten moeten worden betrokken. Voor zover de verdediging heeft bedoeld het omtrent de schade-uitkeringen gevoerde verweer in hoger beroep te herhalen wordt dit eveneens door het hof op dezelfde gronden als de rechtbank verworpen. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat deze uitkeringen contant zijn ontvangen of zijn uitgekeerd via andere bankrekeningen dan de bankrekeningen waarvan de contante opnames zijn gedaan. Het hof stelt met de rechtbank de legale ontvangsten per kas op: €80.763.

Eindsaldo contant geld

Met de rechtbank zal het hof het eindsaldo contant geld per 14 oktober 2009, anders dan in de voordeelrapportage, stellen op €750. Tegen deze vaststelling door de rechtbank, hebben noch de verdediging noch de advocaat-generaal bezwaren geuit.

Beschikbaar voor het doen van uitgaven per kas

Uit het vorenstaande volgt dat het navolgende bedrag beschikbaar is geweest voor het doen van uitgaven per kas:

Beginsaldo contant geld: €0

Legale ontvangsten per kas: €80.763 +/+

Eindsaldo contant geld: €750 -/-

Beschikbaar €80.013

Werkelijke uitgaven per kas

In de voordeelrapportage zijn de werkelijke uitgaven per kas vastgesteld op €428.217. De rechtbank komt in het bestreden vonnis tot een bedrag van €301.676,21. De advocaat-generaal heeft de werkelijke uitgaven per kas gesteld op €185.118,77. Dit alles hangt samen met de hiervoor bij de bespreking en vervolgens verwerping van de standpunten genoemde omstandigheid dat door de rechtbank en de advocaat-generaal de ontnemingsmaatregel is gekoppeld aan het onderliggende witwasdelict, waarvan veroordeelde uiteindelijk door het hof in het strafarrest geheel is vrijgesproken. Het hof komt tot de navolgende van de rechtbank en advocaat-generaal afwijkende uitgavenopstelling. Het hof neemt hetgeen in de voordeelrapportage omtrent de vastgestelde contante uitgaven is opgenomen (dossierpagina’s 2547 tot en met 2549) tot uitgangspunt, voor zover hierna niet anders wordt vermeld.

uitgaven aangetroffen hennep:

In de voordeelrapportage is opgenomen dat de op 14 oktober 2009 in de woning van medeveroordeelde en veroordeelde aangetroffen 1.342 gram hennep zou zijn aangekocht. Daarvoor is een contante uitgave opgenomen van €4.542,99 (hoofdstuk 4.3.4). De rechtbank heeft in het ontnemingsvonnis aannemelijk bevonden dat de 1.342 gram hennep niet was aangekocht, maar van eigen kweek afkomstig was en heeft op grond daarvan voormelde contante uitgave niet meegenomen. Evenals de advocaat-generaal zal het hof zich achter dit oordeel scharen en voornoemd bedrag niet als contante uitgave meenemen. De rechtbank heeft wel als contante uitgave meegenomen een bedrag van €55 waarvoor de op 19 mei 2010 bij medeveroordeelde en veroordeelde aangetroffen hennepplanten zouden zijn gekocht. Anders dan de advocaat-generaal zal het hof zich niet achter dit oordeel scharen omdat het een uitgave betreft die valt buiten de hiervoor aangegeven referteperiode die eindigt op 14 oktober 2009.

betaling reparatie schade:

Uit bankafschriften blijkt dat er op 4 november 2004 een uitkering schade ARAG plaatsvindt ten bedrage van €951,80. Op 10 januari 2005 vindt een uitkering autoschade plaats van €4.950 (hoofdstuk 4.5.1 voordeelrapportage). Het hof acht – anders dan in de voordeelrapportage is opgenomen – niet aannemelijk geworden dat de autoschaden uiteindelijk per kas zijn voldaan en zal met de rechtbank en de advocaat-generaal voormelde bedragen niet als contante uitgaven meenemen.

terugstorting motorrijtuigenbelasting:

Uit bankafschriften blijkt dat medeveroordeelde en veroordeelde gedurende de periode van 2005 tot en met 2008 een bedrag ter hoogte van in totaal €1.372 per kas hebben gestort ter zake teveel betaalde motorrijtuigenbelasting (hoofdstuk 4.5.1.3). Voormeld bedrag neemt het hof als contante uitgave in aanmerking.

koikarpers en vijver:

Medeveroordeelde en veroordeelde hadden een buitenvijver met daarin koikarpers. Uit ingesteld onderzoek is gebleken dat de waarde van de vijveronderdelen en de koikarpers in totaal een (gewogen gemiddelde) waarde hadden van €4.050 (hoofdstuk 4.5.4 voordeelsrapportage). Overeenkomstig de voordeelrapportage en anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof aannemelijk dat voormelde vijver en koikarpers per kas zijn betaald en neemt deze waarde derhalve mee als contante uitgave.

verbouwingen: serre en afwerking alsmede dakkapel:

Medeveroordeelde en veroordeelde hebben in 2004/2005 een serre laten aanbouwen alsmede een dakkapel laten plaatsen. In de voordeelrapportage is daarvoor als contante uitgave opgenomen respectievelijk een bedrag van €29.040 (totaal) en €5.950 (hoofdstuk 4.5.5 voordeelrapportage). In het kader van de strafzaak (strafarrest hof d.d. 31 januari 2014, pagina 6) heeft de verdediging erop gewezen dat medeveroordeelde heeft verklaard dat de kosten van de bouwmaterialen ten behoeve van de verbouwing van de serre en de plaatsing van de dakkapel in totaal €7.200 hebben bedragen en de daarmee gemoeide arbeid door medeveroordeelde , zijn broer en zijn vader zelf is verricht. Gelet op deze verklaring zal het hof – in afwijking van het gestelde in de voordeelrapportage - laatstgenoemd bedrag als contante uitgave meenemen.

Swarovski kristal:

Tijdens de doorzoeking op 14 oktober 2009 in de woning van medeveroordeelde en veroordeelde werd in de woonkamer een vitrinekast met Swarovski-kristal aangetroffen. In de voordeelrapportage is hieromtrent een contante uitgave van €6.797,50 opgenomen (hoofdstuk 4.5.6.1 voordeelrapportage). In het kader van de strafzaak (strafarrest hof d.d. 31 januari 2014, pagina 6) heeft veroordeelde een verklaring gegeven voor de herkomst van dat kristal. Zij heeft verklaard dat zij dit in 2006 ten behoeve van haar opa met geld van haar opa heeft aangeschaft. veroordeelde zou op verzoek van haar opa de kwitanties in haar woning hebben bewaard en vervolgens – na het overlijden van haar opa in 2007 – zou genoemd kristal deel hebben uitgemaakt van de erfenis die haar toekwam. Gelet op deze verklaring acht het hof aannemelijk dat voornoemd kristal niet door medeveroordeelde en veroordeelde per kas is voldaan en zal deze – in afwijking van de voordeelrapportage – niet als contante uitgave aanmerken.

Meubelen:

In de woning van medeveroordeelde en veroordeelde werden bij de doorzoeking op 14 oktober 2009 meubelen aangetroffen die na onderzoek een totale aanschafwaarde van €15.962,50 bleken te hebben. Van de onderzochte meubelen werden geen afzonderlijke betalingen aangetroffen op de bankrekeningen van medeveroordeelde en veroordeelde (hoofdstuk 4.5.6.2).

Overeenkomstig de voordeelrapportage acht het hof aannemelijk dat deze meubelen per kas zijn betaald en zal deze als contante uitgave aanmerken. Dit in afwijking van het oordeel van de rechtbank en het standpunt van de advocaat-generaal.

Keuken:

De kostprijs van de keuken in de woning van medeveroordeelde en veroordeelde is in de voordeelrapportage geschat op €8.000, een gemiddelde van door keukenzaken uitgevoerde schattingen. Vermoedelijk is deze keuken ten tijde van de verbouwing van de serre geplaatst. Hiervan werden geen afzonderlijke betalingen aangetroffen op de bankrekeningen van medeveroordeelde en veroordeelde . Ook werden hiervan geen facturen of betalingsbewijzen aangetroffen (hoofdstuk 4.5.6.4 voordeelrapportage). Overeenkomstig de voordeelrapportage acht het hof aannemelijk dat voormelde keuken per kas is betaald en zal voormeld bedrag – anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal – als contante uitgave aanmerken.

overige inrichting:

In de woning van medeveroordeelde en veroordeelde zijn daarnaast aangetroffen: gordijnen, nieuwe deuren, vazen, LCD/Plasma tv’s en lamellen. Ook was op de slaapkamers, badkamer en zolder een luxe inrichting aanwezig. Ten aanzien van een Philips Flatscreen TV, een Bose mediacenter, een tv van het merk LG en een damesfiets zijn daarvan in de voordeelrapportage gemiddelde aankoopbedragen opgenomen met een totaalbedrag van €9.444. Voor de overige inrichting wordt een uitgegeven bedrag geschat van €15.000 die in de periode vanaf 1 januari 2003 tot en met 31 december 2009 daaraan zou zijn uitgegeven (hoofdstuk 4.5.6.5 voordeelsrapportage).

In de strafzaak (strafarrest hof d.d. 31 januari 2014, pagina 6) heeft de verdediging erop gewezen dat medeveroordeelde heeft verklaard de flatscreen televisie in bruikleen te hebben gehad van zijn zwager. De LG televisie en het Bose Mediacenter zouden medeveroordeelde en veroordeelde tegen zeer beperkte aankoopbedragen op internet hebben gekocht via marktplaats en hebben betaald van de ontvangen kinderbijslag. Gelet op deze verklaring zal het hof – anders dan in de voordeelrapportage – het totaalbedrag van €9.444 niet als contante uitgave in aanmerking nemen. De waarde van de overige inrichting zal het hof met de rechtbank niet vaststellen op €15.000 maar op een bedrag van €8.695 en in aanmerking nemen als contante uitgave, nu aannemelijk is dat deze per kas is betaald.

Camper:

Onder de broer van medeveroordeelde is een camper in beslaggenomen. Deze was voorzien van alle luxe, zoals bijvoorbeeld zonnepanelen, tv en videosysteem. In de voordeelrapportage is hieromtrent een waarde van €50.000 als contante uitgave opgenomen (hoofdstuk 4.5.10). De rechtbank heeft in het bestreden ontnemingsvonnis voor deze camper een waarde van €29.000 meegenomen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat deze camper niet als contante uitgave kan worden meegenomen, nu het hof in het strafarrest de veroordeelde van het witwassen van de betreffende camper heeft vrijgesproken. Het hof zal vorenstaande camper evenmin bij de contante uitgaven betrekken. Niet omdat het hof medeveroordeelde en veroordeelde heeft vrijgesproken van het witwassen van deze camper, maar gelet op de omstandigheid dat in het strafarrest van het hof d.d. 31 januari 2014 (blz. 5) is overwogen dat niet bewezen is dat deze camper in eigendom aan medeveroordeelde heeft toebehoord.

camper:

Onder de vader van medeveroordeelde werd eveneens een camper in beslag genomen. In de voordeelrapportage is daaromtrent een contante uitgaven opgenomen van €40.000 (hoofdstuk 4.5.11). De rechtbank heeft in het bestreden ontnemingsvonnis voor deze camper een contante uitgave opgenomen van €15.000. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat deze camper niet als contante uitgave kan worden meegenomen nu het hof in het strafarrest de veroordeelde van het witwassen van de betreffende camper heeft vrijgesproken. Het hof zal vorenstaande camper evenmin bij de contante uitgaven betrekken. Niet omdat het hof medeveroordeelde en veroordeelde heeft vrijgesproken van het witwassen van deze camper, maar gelet op de omstandigheid dat in het strafarrest van het hof is overwogen dat niet bewezen is dat deze camper in eigendom aan medeveroordeelde heeft toebehoord.

Aanschaf alarmsysteem kenteken :

Nu niet aannemelijk is geworden dat de camper in eigendom aan medeveroordeelde heeft toebehoord, zal het hof - in afwijking van de voordeelrapportage (hoofdstuk 4.5.11.4.5) - evenmin een contante uitgave voor het alarmsysteem voor deze camper ten bedrage van €699 in aanmerking nemen.

Kosten gebruik voertuigen:

Nu niet aannemelijk is geworden dat de campers in eigendom aan medeveroordeelde hebben toebehoord, zal het hof - in afwijking van de voordeelsrapportage (hoofdstuk 4.5.13.12) - evenmin een contante uitgave voor de brandstofkosten ten bedrage van €3.923,78 in aanmerking nemen.

Taxatiekosten kenteken:

Anders dan in de voordeelrapportage zal het hof taxatiekosten van €45 niet in aanmerking nemen, omdat het hieromtrent in de voordeelrapportage gestelde onvoldoende duidelijk is (hoofdstuk 4.5.13.9.1).

Quad TGB:

Van 16 juni 2006 tot 27 juni 2006 heeft een quad op naam van medeveroordeelde gestaan. Uit onderzoek is gebleken dat medeveroordeelde hiervoor €5.895 per kas heeft betaald, welk bedrag in de voordeelrapportage als contante uitgave is opgenomen (hoofdstuk 4.5.13.8). Met de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof voormelde contante uitgave aannemelijk en zal deze bij de berekening betrekken.

Hobbycaravan:

Vanaf 18 februari 2005 tot 18 mei 2006 heeft medeveroordeelde een caravan, merk Hobby, type Prestige, in eigendom gehad. medeveroordeelde heeft daarvoor €14.000 betaald. In de voordeelrapportage is dit bedrag als contante uitgave meegenomen (hoofdstuk 4.5.13.10). Met de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof voormelde contante uitgave aannemelijk en zal deze bij de berekening betrekken.

Vaartuig Mariah motorboot, registratienummer kenteken:

Op 23 mei 2005 werd een motorboot, merk Mariah, met registratienummer kenteken , in de haven van camping naam aangetroffen. In de administratie werd gezien dat medeveroordeelde daar een seizoenplaats huurde. De ligplaats bleek gehuurd door veroordeelde . De boot stond op naam van naam te Helmond. Uit het ingestelde onderzoek is aannemelijk geworden dat deze boot door medeveroordeelde werd gekocht tegen een contante betaling van €26.390 en op 13 juni 2003 op naam van naam werd gesteld (hoofdstuk 4.5.13.11 en bijlage 51/15). Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal betrekt het hof voormelde contante uitgave bij de voordeelberekening. De enkele stelling van de verdediging dat de boot niet van medeveroordeelde is geweest maar van naam doet hieraan niet af, nu de betreffende boot eerst op 26 mei 2005 door naam aan naam werd overgedragen, blijkens hetgeen daarover in de voordeelrapportage is opgenomen.

Investering coffeeshop:

Onderzoek is ingesteld naar de investering van fl.40.000 door medeveroordeelde in een coffeeshop genaamd naam . Op 23 april 2003 heeft medeveroordeelde daarover tegen de politie verklaard genoemd bedrag in deze coffeeshop te hebben geïnvesteerd. Op grond daarvan is in de voordeelrapportage een contante uitgave opgenomen van €18.151,21 (equivalent van fl.40.000) (hoofdstuk 4.5.14). In het strafarrest d.d. 31 januari 2014 (blz. 8) heeft het hof ten aanzien van deze uitgave overwogen dat medeveroordeelde over zijn verklaring van 23 april 2003 meerdere malen heeft verklaard dat dit een verzinsel van hem is geweest. Verder zou, aldus het hof, evenmin uit het dossier blijken dat medeveroordeelde en veroordeelde daadwerkelijk genoemd bedrag in de coffeeshop geïnvesteerd zouden hebben. Gelet op het vorenstaande zal het hof voormelde contante uitgave niet in de berekening betrekken.

Nibud:

Overeenkomstig de voordeelrapportage acht het hof aannemelijk dat medeveroordeelde en veroordeelde voor het levensonderhoud van hun gezin (twee volwassenen en drie kinderen), gemiddeld een bedrag van €700 per maand hebben uitgegeven, derhalve €8.400 per jaar. In de voordeelrapportage is eveneens ten aanzien van deze uitgaven opgenomen dat uit bankafschriften is gebleken dat over de jaren 2002 tot en met 2009 sporadisch voor bedoelde uitgaven giraal werd betaald. Dit is in de kasopstelling aldus verwerkt dat over een periode van 2002 tot en met 2009 jaarlijks een bedrag van €500 in mindering is gebracht op de kasopstelling (hoofdstuk 4.5.15.1). Het hof zal voormelde correctie in die zin verwerken dat jaarlijks niet een bedrag van €8.400 maar van (€8.400 -/- €500 =) €7.900 in aanmerking zal worden genomen. Derhalve in totaal over de referteperiode van januari 2002 tot en met oktober 2009 een bedrag van 7 10/12 x €7.900 = €61.883.

Overige contante uitgaven:

Voorts neemt het hof overeenkomstig de voordeelrapportage navolgende contante uitgaven in aanmerking nu aannemelijk is dat deze per kas zijn voldaan:

  • Uitgave feesten: €5.240 (hoofdstuk 4.5.7.2)
  • ASR-verzekeringen €4.326,64 (hoofdstuk 4.5.8.1)
  • aangetroffen facturen €5.835,56 (hoofdstuk 4.5.8.2)
  • aangetroffen kassabonnen €3.033,58 (hoofdstuk 4.5.8.3)
  • CZ €1.152,44 (hoofdstuk 4.5.8.5)
  • Vodafone €2.150 (hoofdstuk 4.5.8.5)
  • T-mobile €1.689,72 (hoofdstuk 4.5.8.5)
  • CJIB €1.025 (hoofdstuk 4.5.8.5)
  • schade Oostenrijk €39,90 (hoofdstuk 4.5.8.5)
  • kasstorting huur €414,88 (hoofdstuk 4.5.8.5.1)
  • bar naam €40.000 (hoofdstuk 4.5.9)

Samenvattend

Het geschatte wederrechtelijke verkregen voordeel wordt vastgesteld op:

beschikbaar voor het doen van uitgaven: €80.013

werkelijke contante uitgaven: €218.355,22 -/-

Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel): €138.342,22 (negatief)

Toerekening van het voordeel

Overeenkomstig de rechtbank en het door de advocaat-generaal gestelde zal het hof voormeld vastgesteld voordeel op ponds-pondsgewijze verdelen tussen medeveroordeelde en veroordeelde , nu zij een economische eenheid vormen. Aan medeveroordeelde wordt derhalve toegerekend (€138.342,22 : 2=) €69.171,11.

Op te leggen betalingsverplichting

De verdediging heeft matiging van de op te leggen betalingsverplichting bepleit wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze overschrijding zou erin zijn gelegen dat door het openbaar ministerie pas na 16 maanden het cassatieberoep in de strafzaak zou zijn ingetrokken, in welke periode er noch in de strafzaak noch in de ontnemingszaak enige handeling zijdens het openbaar ministerie zou zijn verricht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het aanvangsmoment van de redelijke termijn wordt door het hof gesteld op 14 oktober 2009, de datum waarop de woning van medeveroordeelde en veroordeelde is doorzocht en er beslaglegging heeft plaatsgevonden. De redelijke termijn in eerste aanleg eindigt op 11 januari 2013, de datum waarop door de rechtbank het ontnemingsvonnis is gewezen. Deze eerste fase – de duur waarvan doorgaans op twee jaren wordt gesteld – is met één jaar en bijna drie maanden overschreden.

De tweede fase van de redelijke termijn is aangevangen op 11 januari 2013, het moment waarop veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld. Deze tweede fase eindigt op 24 augustus 2015 waarop het hof einduitspraak in deze zaak zal doen. De termijn in deze tweede fase – de duur waarvan doorgaans eveneens op twee jaren wordt gesteld - is dus eveneens overschreden, en wel met bijna zeveneneenhalve maand

Het hof is van oordeel dat voormelde termijnoverschrijdingen van in totaal 1 jaar en bijna 10 maanden een matiging van de op te leggen betalingsverplichting rechtvaardigt. Het hof zal de op te leggen betalingsverplichting met 5% verlagen en in plaats van een €69.171,11 een betalingsverplichting opleggen van €65.712,56.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF ^