Hof: Ondanks vrijspraak witwassen worden de hiermee verband houdende bedragen bij voordeelsberekening meegenomen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24 augustus 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3301 Bij strafvonnis met parketnummer 01/825589-09 van 10 februari 2012 is veroordeelde veroordeeld ter zake van:

Feit 1: Medeplegen van gewoontewitwassen met betrekking tot

  • Swarovski-kristal en audiovisuele apparatuur;
  • kampeerwagens en de brandstofkosten;
  • een motorvoertuig (Mercedes Benz E300);
  • bouwmaterialen en bouwkosten met name voor de aanschaf en plaatsing van een serre en dakkapel;

gepleegd in de periode van 1 januari 2002 tot en met 14 oktober 2009;

Veroordeelde is onder feit 1 vrijgesproken van het witwassen met betrekking tot:

  • Koi-karpervijver met toebehoren en inhoud;
  • meubelen;
  • keuken;
  • overige inrichting;
  • motorboot, merk Mariah, registratienummer: kenteken ;
  • Mercedes-Benz (Mercedes-Benz SL280);
  • Mercedes-Benz (Mercedes-Benz C200);
  • investeringskosten in coffeeshop genaamd naam

Feit 2: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid, gepleegd op 14 oktober 2009;

Bij strafarrest van 31 januari 2014 (parketnummer 20-000580-12) heeft het hof in hoger beroep van voormeld strafvonnis het navolgende oordeel geoordeeld:

Feit 1: Vrijspraak van gewoontewitwassen;

Feit 2: veroordeling wegens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, gepleegd op 14 oktober 2009.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het enkel aanwezig hebben van hennep - bewezen in hoger beroep - geen voordeel oplevert en dat op die grond de ontnemingsvordering moet worden afgewezen. Het is volgens de verdediging niet toegestaan om – gelijk in de voordeelrapportage – dan het voordeel te baseren op schijnbaar onverklaarbare inkomsten waaraan geen misdrijf wordt gekoppeld.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu medeveroordeelde en veroordeelde uiteindelijk in hoger beroep van witwassen zijn vrijgesproken, de met het witwassen verband houdende uitgaven niet in de voordeelberekening kunnen worden betrokken. Gelet op de vrijspraken in voormeld strafarrest zijn dit dan de uitgaven met betrekking tot het Swarovski-kristal en audiovisuele apparatuur, de kampeerwagens en de brandstofkosten, het motorvoertuig (Mercedes Benz E300), de bouwmaterialen en bouwkosten voor de aanschaf en plaatsing van een serre en dakkapel.

De advocaat-generaal heeft zich met vorenstaand standpunt geschaard achter het oordeel van de rechtbank in het bestreden ontnemingsvonnis. Daarin zijn evenmin de uitgaven ter zake de onderdelen ten aanzien waarvan veroordeelde van witwassen is vrijgesproken bij de voordeelberekening betrokken.

Oordeel hof

Uit voormeld strafarrest volgt dat medeveroordeelde en veroordeelde zijn veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Krachtens artikel 11, vijfde lid, Opiumwet kan een geldboete van genoemde categorie worden opgelegd als het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.

Uit de voordeelrapportage volgt dat tegen medeveroordeelde en veroordeelde tevens een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld. Deze was gebaseerd op de verdenking terzake van: overtreding van de Wet wapens en munitie, witwassen en overtreding van de Opiumwet.

Uit dit onderzoek is, blijkens de weergave ervan in de voordeelrapportage, aannemelijk geworden dat die feiten of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat medeveroordeelde en veroordeelde wederrechtelijk voordeel hebben verkregen. Dit is vastgesteld aan de hand van de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling, nu tijdens het onderzoek geen zicht is verkregen op alle individuele transacties/strafrechtelijke activiteiten en de daarmee samenhangende opbrengsten.

Bij de methode van de eenvoudige kasopstelling worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden. Indien de totale contante uitgaven groter zijn dan de beschikbare legale contante gelden, is er dus sprake van uit onbekende bron afkomstige contante ontvangsten. Een negatieve kas is immers niet mogelijk: men kan niet meer uitgeven dan men fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft, tenzij sprake is van andere, onbekende contante ontvangstenbronnen.

Van de omvang van deze onbekende en niet legaal verklaarbare contante ontvangstenbronnen, derhalve vermoedelijk criminele, kan worden aangenomen dat deze tenminste gelijk is aan het verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op het vorenstaande zal het hof het voordeel baseren op de grondslag van het bepaalde in artikel 36e, derde lid, (oud) Wetboek van Strafrecht.

Bij voormelde grondslag is niet van belang of de onderliggende veroordeling – in dit geval het aanwezig hebben van hennep – voordeel heeft opgeleverd, als maar uit het uitgevoerde strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is geworden dat dat feit of andere feiten voordeel hebben opgeleverd. Het is duidelijk dat artikel 36e, lid 3, de mogelijke oplegging van de ontnemingsmaatregel in vergaande mate losmaakt van het gronddelict dat tot een veroordeling heeft geleid.

Om dit te bepalen is de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling gehanteerd waaruit - zoals ook hierna zal blijken – onverklaarbare inkomsten zijn gebleken. Het kan niet anders zijn dan dat die uit enig strafbaar feit afkomstig zijn. Daarbij is niet van belang door wie (als dader/deelnemer) die “andere strafbare feiten” zijn begaan.

Verwerping standpunten verdediging en advocaat-generaal

Uit het hiervoor onder het kopje “grondslag schatting” overwogene volgt dat, nu de schatting is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr en dus grotendeels wordt geabstraheerd van het onderliggende veroordelende gronddelict, niet relevant is dat het aanwezig hebben van hennep geen voordeel oplevert. Het daarop gegronde verweer van de verdediging wordt verworpen.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de berekeningsmethode van de eenvoudige kasopstelling een algemeen aanvaarde methode om het voordeel op de grondslag van artikel 36e, derde lid, Sr vast te stellen. Ook het op die grond gebaseerde verweer van de verdediging wordt verworpen.

Nu het derde lid van artikel 36e Sr de mogelijke oplegging van de ontnemingsmaatregel in vergaande mate losmaakt van het gronddelict dat tot een veroordeling heeft geleid, is evenmin van belang dat medeveroordeelde en veroordeelde van het ten laste gelegde witwassen zijn vrijgesproken.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dit geen invloed heeft op de vaststelling van het voordeel. Er is een veroordeling gevolgd voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, er is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld waarbij uit een eenvoudige kasopstelling is gebleken dat er meer contant is uitgegeven dan beschikbaar was. Het kan bij deze stand van zaken, nu ook veroordeelde geen verklaring heeft gegeven over de herkomst van de uitgaven, niet anders zijn dan dat deze uitgaven mogelijk zijn geweest door contante inkomsten uit enig misdrijf. In het kader van artikel 36e, derde lid, Sr is het niet noodzakelijk dit misdrijf te benoemen.

Met inachtneming van het vorenstaande zal het voordeel op de navolgende wijze worden geschat, waarbij eventuele nadere verweren van de verdediging dan wel stellingen van de advocaat-generaal nog aan de orde zullen komen.

De schatting van het voordeel

Referteperiode

Overeenkomstig de voordeelrapportage stelt het hof de periode waarover het voordeel wordt geschat (referteperiode) op 1 januari 2002 tot en met 14 oktober 2009.

Beginsaldo contant geld

In de voordeelrapportage is het beginsaldo contant geld op 1 januari 2002 op €0 gesteld aan de hand van opgevraagde door medeveroordeelde en veroordeelde ondertekende inlichtingenformulieren uit het uitkeringsdossier van beiden (dossierpagina 35). Op deze inlichtingenformulieren is telkens door medeveroordeelde en veroordeelde geen bezit van contant geld aangegeven. De verdediging heeft het in eerste aanleg ten aanzien van het beginsaldo gevoerde verweer herhaald en betoogd dat is uitgegaan van een onjuist beginsaldo. Dit verweer is evenwel gelijk als in eerste aanleg in het geheel niet onderbouwd en wordt reeds om die reden door het hof verworpen. Overeenkomstig de voordeelrapportage en de rechtbank stelt het hof het beginsaldo contant geld op €0.

Legale ontvangsten per kas

In de voordeelrapportage zijn de legale contante ontvangsten per kas gesteld op €71.615 op basis van kasopnamen over de periode van 2 januari 2003 tot en met 23 december 2009 (bijlage 53/2, dossierpagina’s 2542 t/m 2546). De rechtbank heeft de legale ontvangsten gesteld op €80.763 door eveneens als legale contante ontvangsten aan te merken de navolgende bedragen:

  • €5.448: ter zake van contant uitbetaalde inkomsten uit onderneming naam; en
  • €3.700: ter zake van ontvangen schenkingen van de opa van veroordeelde.

Met voormelde ontvangsten is de rechtbank enigszins tegemoet gekomen aan een door de verdediging in eerste aanleg hieromtrent gevoerd verweer. De rechtbank heeft de verdediging niet gevolgd in het verweer dat de schade-uitkeringen bij deze legale ontvangsten moeten worden betrokken. Voor zover de verdediging heeft bedoeld het omtrent de schade-uitkeringen gevoerde verweer in hoger beroep te herhalen wordt dit eveneens door het hof op dezelfde gronden als de rechtbank verworpen. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat deze uitkeringen contant zijn ontvangen of zijn uitgekeerd via andere bankrekeningen dan de bankrekeningen waarvan de contante opnames zijn gedaan. Het hof stelt met de rechtbank de legale ontvangsten per kas op: €80.763.

Eindsaldo contant geld

Met de rechtbank zal het hof het eindsaldo contant geld per 14 oktober 2009, anders dan in de voordeelrapportage, stellen op €750. Tegen deze vaststelling door de rechtbank, hebben noch de verdediging noch de advocaat-generaal bezwaren geuit.

Beschikbaar voor het doen van uitgaven per kas

Uit het vorenstaande volgt dat het navolgende bedrag beschikbaar is geweest voor het doen van uitgaven per kas:

Beginsaldo contant geld: €0

Legale ontvangsten per kas: €80.763 +/+

Eindsaldo contant geld: €750 -/-

Beschikbaar €80.013

Werkelijke uitgaven per kas

In de voordeelrapportage zijn de werkelijke uitgaven per kas vastgesteld op €428.217. De rechtbank komt in het bestreden vonnis tot een bedrag van €301.676,21. De advocaat-generaal heeft de werkelijke uitgaven per kas gesteld op €185.118,77. Dit alles hangt samen met de hiervoor bij de bespreking en vervolgens verwerping van de standpunten genoemde omstandigheid dat door de rechtbank en de advocaat-generaal de ontnemingsmaatregel is gekoppeld aan het onderliggende witwasdelict, waarvan veroordeelde uiteindelijk door het hof in het strafarrest geheel is vrijgesproken. Het hof komt tot de navolgende van de rechtbank en advocaat-generaal afwijkende uitgavenopstelling. Het hof neemt hetgeen in de voordeelrapportage omtrent de vastgestelde contante uitgaven is opgenomen (dossierpagina’s 2547 tot en met 2549) tot uitgangspunt, voor zover hierna niet anders wordt vermeld.

uitgaven aangetroffen hennep:

In de voordeelrapportage is opgenomen dat de op 14 oktober 2009 in de woning van medeveroordeelde en veroordeelde aangetroffen 1.342 gram hennep zou zijn aangekocht. Daarvoor is een contante uitgave opgenomen van €4.542,99 (hoofdstuk 4.3.4). De rechtbank heeft in het ontnemingsvonnis aannemelijk bevonden dat de 1.342 gram hennep niet was aangekocht, maar van eigen kweek afkomstig was en heeft op grond daarvan voormelde contante uitgave niet meegenomen. Evenals de advocaat-generaal zal het hof zich achter dit oordeel scharen en voornoemd bedrag niet als contante uitgave meenemen. De rechtbank heeft wel als contante uitgave meegenomen een bedrag van €55 waarvoor de op 19 mei 2010 bij medeveroordeelde en veroordeelde aangetroffen hennepplanten zouden zijn gekocht. Anders dan de advocaat-generaal zal het hof zich niet achter dit oordeel scharen omdat het een uitgave betreft die valt buiten de hiervoor aangegeven referteperiode die eindigt op 14 oktober 2009.

betaling reparatie schade:

Uit bankafschriften blijkt dat er op 4 november 2004 een uitkering schade ARAG plaatsvindt ten bedrage van €951,80. Op 10 januari 2005 vindt een uitkering autoschade plaats van €4.950 (hoofdstuk 4.5.1 voordeelrapportage). Het hof acht – anders dan in de voordeelrapportage is opgenomen – niet aannemelijk geworden dat de autoschaden uiteindelijk per kas zijn voldaan en zal met de rechtbank en de advocaat-generaal voormelde bedragen niet als contante uitgaven meenemen.

terugstorting motorrijtuigenbelasting:

Uit bankafschriften blijkt dat medeveroordeelde en veroordeelde gedurende de periode van 2005 tot en met 2008 een bedrag ter hoogte van in totaal €1.372 per kas hebben gestort ter zake teveel betaalde motorrijtuigenbelasting (hoofdstuk 4.5.1.3). Voormeld bedrag neemt het hof als contante uitgave in aanmerking.

koikarpers en vijver:

Medeveroordeelde en veroordeelde hadden een buitenvijver met daarin koikarpers. Uit ingesteld onderzoek is gebleken dat de waarde van de vijveronderdelen en de koikarpers in totaal een (gewogen gemiddelde) waarde hadden van €4.050 (hoofdstuk 4.5.4 voordeelsrapportage). Overeenkomstig de voordeelrapportage en anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof aannemelijk dat voormelde vijver en koikarpers per kas zijn betaald en neemt deze waarde derhalve mee als contante uitgave.

verbouwingen: serre en afwerking alsmede dakkapel:

Medeveroordeelde en veroordeelde hebben in 2004/2005 een serre laten aanbouwen alsmede een dakkapel laten plaatsen. In de voordeelrapportage is daarvoor als contante uitgave opgenomen respectievelijk een bedrag van €29.040 (totaal) en €5.950 (hoofdstuk 4.5.5 voordeelrapportage). In het kader van de strafzaak (strafarrest hof d.d. 31 januari 2014, pagina 6) heeft de verdediging erop gewezen dat medeveroordeelde heeft verklaard dat de kosten van de bouwmaterialen ten behoeve van de verbouwing van de serre en de plaatsing van de dakkapel in totaal €7.200 hebben bedragen en de daarmee gemoeide arbeid door medeveroordeelde , zijn broer en zijn vader zelf is verricht. Gelet op deze verklaring zal het hof – in afwijking van het gestelde in de voordeelrapportage - laatstgenoemd bedrag als contante uitgave meenemen.

Swarovski kristal:

Tijdens de doorzoeking op 14 oktober 2009 in de woning van medeveroordeelde en veroordeelde werd in de woonkamer een vitrinekast met Swarovski-kristal aangetroffen. In de voordeelrapportage is hieromtrent een contante uitgave van €6.797,50 opgenomen (hoofdstuk 4.5.6.1 voordeelrapportage). In het kader van de strafzaak (strafarrest hof d.d. 31 januari 2014, pagina 6) heeft veroordeelde een verklaring gegeven voor de herkomst van dat kristal. Zij heeft verklaard dat zij dit in 2006 ten behoeve van haar opa met geld van haar opa heeft aangeschaft. veroordeelde zou op verzoek van haar opa de kwitanties in haar woning hebben bewaard en vervolgens – na het overlijden van haar opa in 2007 – zou genoemd kristal deel hebben uitgemaakt van de erfenis die haar toekwam. Gelet op deze verklaring acht het hof aannemelijk dat voornoemd kristal niet door medeveroordeelde en veroordeelde per kas is voldaan en zal deze – in afwijking van de voordeelrapportage – niet als contante uitgave aanmerken.

Meubelen:

In de woning van medeveroordeelde en veroordeelde werden bij de doorzoeking op 14 oktober 2009 meubelen aangetroffen die na onderzoek een totale aanschafwaarde van €15.962,50 bleken te hebben. Van de onderzochte meubelen werden geen afzonderlijke betalingen aangetroffen op de bankrekeningen van medeveroordeelde en veroordeelde (hoofdstuk 4.5.6.2).

Overeenkomstig de voordeelrapportage acht het hof aannemelijk dat deze meubelen per kas zijn betaald en zal deze als contante uitgave aanmerken. Dit in afwijking van het oordeel van de rechtbank en het standpunt van de advocaat-generaal.

Keuken:

De kostprijs van de keuken in de woning van medeveroordeelde en veroordeelde is in de voordeelrapportage geschat op €8.000, een gemiddelde van door keukenzaken uitgevoerde schattingen. Vermoedelijk is deze keuken ten tijde van de verbouwing van de serre geplaatst. Hiervan werden geen afzonderlijke betalingen aangetroffen op de bankrekeningen van medeveroordeelde en veroordeelde . Ook werden hiervan geen facturen of betalingsbewijzen aangetroffen (hoofdstuk 4.5.6.4 voordeelrapportage). Overeenkomstig de voordeelrapportage acht het hof aannemelijk dat voormelde keuken per kas is betaald en zal voormeld bedrag – anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal – als contante uitgave aanmerken.

overige inrichting:

In de woning van medeveroordeelde en veroordeelde zijn daarnaast aangetroffen: gordijnen, nieuwe deuren, vazen, LCD/Plasma tv’s en lamellen. Ook was op de slaapkamers, badkamer en zolder een luxe inrichting aanwezig. Ten aanzien van een Philips Flatscreen TV, een Bose mediacenter, een tv van het merk LG en een damesfiets zijn daarvan in de voordeelrapportage gemiddelde aankoopbedragen opgenomen met een totaalbedrag van €9.444. Voor de overige inrichting wordt een uitgegeven bedrag geschat van €15.000 die in de periode vanaf 1 januari 2003 tot en met 31 december 2009 daaraan zou zijn uitgegeven (hoofdstuk 4.5.6.5 voordeelsrapportage).

In de strafzaak (strafarrest hof d.d. 31 januari 2014, pagina 6) heeft de verdediging erop gewezen dat medeveroordeelde heeft verklaard de flatscreen televisie in bruikleen te hebben gehad van zijn zwager. De LG televisie en het Bose Mediacenter zouden medeveroordeelde en veroordeelde tegen zeer beperkte aankoopbedragen op internet hebben gekocht via marktplaats en hebben betaald van de ontvangen kinderbijslag. Gelet op deze verklaring zal het hof – anders dan in de voordeelrapportage – het totaalbedrag van €9.444 niet als contante uitgave in aanmerking nemen. De waarde van de overige inrichting zal het hof met de rechtbank niet vaststellen op €15.000 maar op een bedrag van €8.695 en in aanmerking nemen als contante uitgave, nu aannemelijk is dat deze per kas is betaald.

Camper:

Onder de broer van medeveroordeelde is een camper in beslaggenomen. Deze was voorzien van alle luxe, zoals bijvoorbeeld zonnepanelen, tv en videosysteem. In de voordeelrapportage is hieromtrent een waarde van €50.000 als contante uitgave opgenomen (hoofdstuk 4.5.10). De rechtbank heeft in het bestreden ontnemingsvonnis voor deze camper een waarde van €29.000 meegenomen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat deze camper niet als contante uitgave kan worden meegenomen, nu het hof in het strafarrest de veroordeelde van het witwassen van de betreffende camper heeft vrijgesproken. Het hof zal vorenstaande camper evenmin bij de contante uitgaven betrekken. Niet omdat het hof medeveroordeelde en veroordeelde heeft vrijgesproken van het witwassen van deze camper, maar gelet op de omstandigheid dat in het strafarrest van het hof d.d. 31 januari 2014 (blz. 5) is overwogen dat niet bewezen is dat deze camper in eigendom aan medeveroordeelde heeft toebehoord.

camper:

Onder de vader van medeveroordeelde werd eveneens een camper in beslag genomen. In de voordeelrapportage is daaromtrent een contante uitgaven opgenomen van €40.000 (hoofdstuk 4.5.11). De rechtbank heeft in het bestreden ontnemingsvonnis voor deze camper een contante uitgave opgenomen van €15.000. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat deze camper niet als contante uitgave kan worden meegenomen nu het hof in het strafarrest de veroordeelde van het witwassen van de betreffende camper heeft vrijgesproken. Het hof zal vorenstaande camper evenmin bij de contante uitgaven betrekken. Niet omdat het hof medeveroordeelde en veroordeelde heeft vrijgesproken van het witwassen van deze camper, maar gelet op de omstandigheid dat in het strafarrest van het hof is overwogen dat niet bewezen is dat deze camper in eigendom aan medeveroordeelde heeft toebehoord.

Aanschaf alarmsysteem kenteken :

Nu niet aannemelijk is geworden dat de camper in eigendom aan medeveroordeelde heeft toebehoord, zal het hof - in afwijking van de voordeelrapportage (hoofdstuk 4.5.11.4.5) - evenmin een contante uitgave voor het alarmsysteem voor deze camper ten bedrage van €699 in aanmerking nemen.

Kosten gebruik voertuigen:

Nu niet aannemelijk is geworden dat de campers in eigendom aan medeveroordeelde hebben toebehoord, zal het hof - in afwijking van de voordeelsrapportage (hoofdstuk 4.5.13.12) - evenmin een contante uitgave voor de brandstofkosten ten bedrage van €3.923,78 in aanmerking nemen.

Taxatiekosten kenteken:

Anders dan in de voordeelrapportage zal het hof taxatiekosten van €45 niet in aanmerking nemen, omdat het hieromtrent in de voordeelrapportage gestelde onvoldoende duidelijk is (hoofdstuk 4.5.13.9.1).

Quad TGB:

Van 16 juni 2006 tot 27 juni 2006 heeft een quad op naam van medeveroordeelde gestaan. Uit onderzoek is gebleken dat medeveroordeelde hiervoor €5.895 per kas heeft betaald, welk bedrag in de voordeelrapportage als contante uitgave is opgenomen (hoofdstuk 4.5.13.8). Met de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof voormelde contante uitgave aannemelijk en zal deze bij de berekening betrekken.

Hobbycaravan:

Vanaf 18 februari 2005 tot 18 mei 2006 heeft medeveroordeelde een caravan, merk Hobby, type Prestige, in eigendom gehad. medeveroordeelde heeft daarvoor €14.000 betaald. In de voordeelrapportage is dit bedrag als contante uitgave meegenomen (hoofdstuk 4.5.13.10). Met de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof voormelde contante uitgave aannemelijk en zal deze bij de berekening betrekken.

Vaartuig Mariah motorboot, registratienummer kenteken:

Op 23 mei 2005 werd een motorboot, merk Mariah, met registratienummer kenteken , in de haven van camping naam aangetroffen. In de administratie werd gezien dat medeveroordeelde daar een seizoenplaats huurde. De ligplaats bleek gehuurd door veroordeelde . De boot stond op naam van naam te Helmond. Uit het ingestelde onderzoek is aannemelijk geworden dat deze boot door medeveroordeelde werd gekocht tegen een contante betaling van €26.390 en op 13 juni 2003 op naam van naam werd gesteld (hoofdstuk 4.5.13.11 en bijlage 51/15). Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal betrekt het hof voormelde contante uitgave bij de voordeelberekening. De enkele stelling van de verdediging dat de boot niet van medeveroordeelde is geweest maar van naam doet hieraan niet af, nu de betreffende boot eerst op 26 mei 2005 door naam aan naam werd overgedragen, blijkens hetgeen daarover in de voordeelrapportage is opgenomen.

Investering coffeeshop:

Onderzoek is ingesteld naar de investering van fl.40.000 door medeveroordeelde in een coffeeshop genaamd naam . Op 23 april 2003 heeft medeveroordeelde daarover tegen de politie verklaard genoemd bedrag in deze coffeeshop te hebben geïnvesteerd. Op grond daarvan is in de voordeelrapportage een contante uitgave opgenomen van €18.151,21 (equivalent van fl.40.000) (hoofdstuk 4.5.14). In het strafarrest d.d. 31 januari 2014 (blz. 8) heeft het hof ten aanzien van deze uitgave overwogen dat medeveroordeelde over zijn verklaring van 23 april 2003 meerdere malen heeft verklaard dat dit een verzinsel van hem is geweest. Verder zou, aldus het hof, evenmin uit het dossier blijken dat medeveroordeelde en veroordeelde daadwerkelijk genoemd bedrag in de coffeeshop geïnvesteerd zouden hebben. Gelet op het vorenstaande zal het hof voormelde contante uitgave niet in de berekening betrekken.

Nibud:

Overeenkomstig de voordeelrapportage acht het hof aannemelijk dat medeveroordeelde en veroordeelde voor het levensonderhoud van hun gezin (twee volwassenen en drie kinderen), gemiddeld een bedrag van €700 per maand hebben uitgegeven, derhalve €8.400 per jaar. In de voordeelrapportage is eveneens ten aanzien van deze uitgaven opgenomen dat uit bankafschriften is gebleken dat over de jaren 2002 tot en met 2009 sporadisch voor bedoelde uitgaven giraal werd betaald. Dit is in de kasopstelling aldus verwerkt dat over een periode van 2002 tot en met 2009 jaarlijks een bedrag van €500 in mindering is gebracht op de kasopstelling (hoofdstuk 4.5.15.1). Het hof zal voormelde correctie in die zin verwerken dat jaarlijks niet een bedrag van €8.400 maar van (€8.400 -/- €500 =) €7.900 in aanmerking zal worden genomen. Derhalve in totaal over de referteperiode van januari 2002 tot en met oktober 2009 een bedrag van 7 10/12 x €7.900 = €61.883.

Overige contante uitgaven:

Voorts neemt het hof overeenkomstig de voordeelrapportage navolgende contante uitgaven in aanmerking nu aannemelijk is dat deze per kas zijn voldaan:

  • Uitgave feesten: €5.240 (hoofdstuk 4.5.7.2)
  • ASR-verzekeringen €4.326,64 (hoofdstuk 4.5.8.1)
  • aangetroffen facturen €5.835,56 (hoofdstuk 4.5.8.2)
  • aangetroffen kassabonnen €3.033,58 (hoofdstuk 4.5.8.3)
  • CZ €1.152,44 (hoofdstuk 4.5.8.5)
  • Vodafone €2.150 (hoofdstuk 4.5.8.5)
  • T-mobile €1.689,72 (hoofdstuk 4.5.8.5)
  • CJIB €1.025 (hoofdstuk 4.5.8.5)
  • schade Oostenrijk €39,90 (hoofdstuk 4.5.8.5)
  • kasstorting huur €414,88 (hoofdstuk 4.5.8.5.1)
  • bar naam €40.000 (hoofdstuk 4.5.9)

Samenvattend

Het geschatte wederrechtelijke verkregen voordeel wordt vastgesteld op:

beschikbaar voor het doen van uitgaven: €80.013

werkelijke contante uitgaven: €218.355,22 -/-

Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel): €138.342,22 (negatief)

Toerekening van het voordeel

Overeenkomstig de rechtbank en het door de advocaat-generaal gestelde zal het hof voormeld vastgesteld voordeel op ponds-pondsgewijze verdelen tussen medeveroordeelde en veroordeelde , nu zij een economische eenheid vormen. Aan medeveroordeelde wordt derhalve toegerekend (€138.342,22 : 2=) €69.171,11.

Op te leggen betalingsverplichting

De verdediging heeft matiging van de op te leggen betalingsverplichting bepleit wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze overschrijding zou erin zijn gelegen dat door het openbaar ministerie pas na 16 maanden het cassatieberoep in de strafzaak zou zijn ingetrokken, in welke periode er noch in de strafzaak noch in de ontnemingszaak enige handeling zijdens het openbaar ministerie zou zijn verricht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Het aanvangsmoment van de redelijke termijn wordt door het hof gesteld op 14 oktober 2009, de datum waarop de woning van medeveroordeelde en veroordeelde is doorzocht en er beslaglegging heeft plaatsgevonden. De redelijke termijn in eerste aanleg eindigt op 11 januari 2013, de datum waarop door de rechtbank het ontnemingsvonnis is gewezen. Deze eerste fase – de duur waarvan doorgaans op twee jaren wordt gesteld – is met één jaar en bijna drie maanden overschreden.

De tweede fase van de redelijke termijn is aangevangen op 11 januari 2013, het moment waarop veroordeelde hoger beroep heeft ingesteld. Deze tweede fase eindigt op 24 augustus 2015 waarop het hof einduitspraak in deze zaak zal doen. De termijn in deze tweede fase – de duur waarvan doorgaans eveneens op twee jaren wordt gesteld - is dus eveneens overschreden, en wel met bijna zeveneneenhalve maand

Het hof is van oordeel dat voormelde termijnoverschrijdingen van in totaal 1 jaar en bijna 10 maanden een matiging van de op te leggen betalingsverplichting rechtvaardigt. Het hof zal de op te leggen betalingsverplichting met 5% verlagen en in plaats van een €69.171,11 een betalingsverplichting opleggen van €65.712,56.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Zie ook:

 

Print Friendly and PDF