Wraking toegewezen: Rechter mag bij beoordelen verdedigingswensen niet vooruitlopen op eindbeslissingen

Gerechtshof Den Haag 7 augustus 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2192 Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2015 onder andere verzocht getuige 1 en getuige 2 te horen als getuige. De verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij geen rechthebbende is geweest van de bankrekeningen met nummers rekeningnummer 1, rekeningnummer 2, rekeningnummer 3, rekeningnummer 4 en rekeningnummer 5, en dat hij een daarop betrekking hebbende vraag van de Ontvanger derhalve naar waarheid ontkennend heeft beantwoord, zodat geen sprake is van overtreding van artikel 64 jo 65 Invorderingswet. Dit standpunt heeft de verzoeker willen onderbouwen door de voornoemde personen te horen als getuigen.

De strafkamer heeft deze getuigenverzoeken op 22 mei 2015 afgewezen en heeft daarbij overwogen dat de verdediging ten onrechte ervan uitgaat dat nog onduidelijk zou zijn of de bankrekeningen aan de verzoeker kunnen worden toegerekend, aangezien deze rekeningen bij onherroepelijke uitspraak van de rechtbank Breda van 3 maart 2004 de verzoeker zijn toegerekend. Volgens de raadsman is de strafkamer met deze overweging vooruitgelopen op een bij eindarrest te nemen beslissing.

Mr. A.P.M. van Rijn, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. F.W. van Lottum hebben bij brief van 22 juni 2015 laten weten dat zij niet in de wraking berusten. Als standpunt hebben zij ingenomen dat de afwijzing van de getuigenverzoeken inhoudelijke beslissingen betreffen en dat het indienen van een wrakingsverzoek niet is bedoeld om klachten te uiten over de motivering van deze beslissingen. Voorts wordt erop gewezen dat, nu een regiezitting voorbereidend van aard is, de door de verdediging gestelde verstrekkende gevolgen hieraan niet kunnen worden verbonden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen, nu wraking niet kan fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige beslissingen door een rechterlijk college genomen in de strafzaak. Voorts is er in de strafzaak geen sprake van dermate onbegrijpelijke beslissingen dat daarvoor in redelijkheid geen andere verklaring is te geven dan dat dit door vooringenomenheid van de voltallige kamer is ingegeven.

Beoordeling van het wrakingsverzoek

De wrakingskamer overweegt dat door de verdediging is gesteld - en door de advocaat-generaal is bevestigd - dat:

  • de Ontvanger bij brief van 14 april 2000 de verzoeker heeft gevraagd om een verklaring met betrekking tot zijn gerechtigheid tot de bankrekeningen;
  • de Ontvanger bij brief van 17 augustus 2000 de verzoeker heeft gevraagd een verklaring te ondertekenen waarin staat dat hij de rechthebbende is op de saldi van de bankrekeningen.

De verzoeker heeft zich in antwoord op de vragen in de brieven van 14 april 2000 en 17 augustus 2000 op het standpunt gesteld dat hij niet gerechtigd was tot de bankrekeningen waarna hij – onder andere ten aanzien van dit antwoord - door het Openbaar Ministerie is gedagvaard in verband met het niet nakomen van verplichtingen die op grond van de Invorderingswet op hem rusten. Hierbij is aan de verzoeker - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat hij: “… de vragen (en/of verzoeken) van de ontvanger, gesteld in de brie(f)(ven) van 14 april 2000 en/of … 17 augustus 2000 … niet, althans ontoereikend, heeft beantwoord (en/of ingewilligd) …”.

De wrakingskamer is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat de vraag of de verzoeker rechthebbende is van (de saldi op) de bankrekeningen raakt aan de tenlastelegging en zodoende een (bewijs) vraag is die eerst bij eindbeslissing aan de orde dient te komen.

De wrakingskamer overweegt dat de verdediging ten aanzien van de bankrekeningen ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2015 onder andere heeft verzocht getuige 1 en getuige 2 te horen als getuige. Deze getuigen zouden volgens de verdediging verzoekers standpunt kunnen bevestigen dat hij niet gerechtigd was tot de bankrekeningen zodat hem geen aandeel toekwam. De strafkamer heeft deze verzoeken afgewezen met de motivering dat de verdediging ten onrechte ervan uitgaat dat nog onduidelijk zou zijn of de bankrekeningen aan de verzoeker kunnen worden toegerekend, aangezien deze rekeningen bij onherroepelijke uitspraak van de rechtbank Breda van 3 maart 2004 (nr. 96787) aan de verzoeker zijn toegerekend. De wrakingskamer is van oordeel dat de strafkamer, door zonder voorbehoud te verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank Breda - die betrekking heeft op een civiel geding waarin verzoeker geen partij was en evenmin in dat verband is gehoord – zich heeft uitgelaten over de (bewijs)vraag of de bankrekeningen aan de verzoeker toebehoren. Deze (bewijs)vraag dient naar het oordeel van de wrakingskamer eerst bij eindbeslissing aan de orde te komen.

De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat (de motivering van) het afwijzen van deze getuigenverzoeken een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de strafkamer jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, in die zin dat voor de strafkamer reeds vaststaat aan wie de bankrekeningen toebehoren, namelijk de verzoeker.

Beslissing

Het hof wijst het verzoek tot wraking van mrs. A.P.M. van Rijn, J.W.H.G. Loyson en F.W. van Lottum toe.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF