Advocaat-generaal niet vervolgd ter zake van smaad jegens advocaat

Gerechtshof Amsterdam 14 november 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4725 (Artikel 12 Sv-procedure)

Klaagster, advocate van beroep, heeft een verdachte bijgestaan in een moordzaak. Tijdens de behandeling van die zaak in hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden, was de beklaagde de behandelend advocaat-generaal.

Op 20 april 2012 heeft klaagster een brief aan het hof gestuurd, waarin onder meer de volgende vragen werden gesteld:

“9. De verdediging wenst geïnformeerd

a. waar de in beslag genomen kleding zich thans bevindt

b. of er door het NFI onderzoek is gedaan op de met bloed besmeurde kleding.

c. of er bloedonderzoek door middel van bloedafname heeft plaatsgevonden, dit omdat na de aanhouding van cliënt door het arrestatieteam is gemeld dat er sprake was van alcoholgebruik.

d. de rapportage voor wat betreft het technisch onderzoek van de bedrijfsbus.

De verdediging wenst in het bezit gesteld te worden van de rapportages met betrekking tot de uitkomst van bedoelde onderzoeken; wanneer er geen onderzoek heeft plaatsgevonden, wordt de verdediging op specifiek ieder onderdeel graag geïnformeerd over de reden waarom dit niet is gebeurd. (…)

11. Het OM heeft aangegeven dat de in beslag genomen voorwerpen nl. pet van Harkemaase Boys, de MP-3-speler en de blauwe poetsdoek aan cliënt terug gegeven kunnen worden. Cliënt verzoekt hem te informeren waar deze zaken zich bevinden.”

De beklaagde heeft de brief van klaagster op 24 mei 2012 schriftelijk beantwoord en heeft daarbij dezelfde opsomming als klaagster aangehouden. Op pagina 2 van de brief heeft zij onder meer het volgende vermeld:

“9. Met betrekking tot de onder verdachte in beslag genomen kleding kan ik u melden dat verdachte daarvan op 28 februari 2008 afstand heeft gedaan. Voor het overige verwijs ik naar het bijgevoegde aanvullend proces-verbaal van brigadier [naam].

11. Deze goederen bevinden zich naar mijn weten bij de politie en verdachte kan de politie vragen om hem de spullen terug te geven.”

Vervolgens heeft klaagster op 1 juni 2012 een brief aan de Unit Forensisch-Technische Expertise van de Divisie Recherche Ondersteuning van de politie gestuurd, waarin zij vermeldt:

“In opgemelde kwestie heb ik de advocaat-generaal verzocht aan te geven waar de in beslag genomen kleding van cliënt zich bevindt.

Bijgaand zend ik u een afschrift van blz. 2 van haar reactie waarin zij aangeeft dat ik u kan verzoeken om de kleding terug te geven. Tevens gaat hierbij een stukje proces-verbaal waaruit blijkt dat de kleding zich bij u bevindt.

Ik verzoek u vriendelijk om zo spoedig mogelijk de kleding naar mijn kantoor te sturen.”

Bij deze brief heeft klaagster slechts een deel van de brief van beklaagde gevoegd, waarin zij het antwoord op vraag 11 heeft gemarkeerd. De politie heeft beklaagde op 19 juni 2012 via een e-mailbericht gevraagd of het inderdaad de bedoeling is dat de bebloede kleding aan klaagster moet worden verstrekt, omdat dit bewijsmateriaal is. Hierop heeft beklaagde klaagster op 22 juni 2012 een brief gestuurd, waarin zij onder meer het volgende heeft geschreven:

“In uw brief verzoekt u de politie om stukken van overtuiging in de strafzaak – te weten de bebloede kleding van verdachte – aan u af te geven. Door te verwijzen naar de bijlage probeert u kennelijk bij de politie de indruk te wekken dat ik toestemming heb verleend tot afgifte van die kleding.

Na het bestuderen van deze brief en met name de bijlagen constateer ik dat deze niet origineel zijn maar uit samengestelde delen bestaan. Dit doet bij mij het ernstige vermoeden rijzen dat er is geknipt en geplakt in een door mij aan u gezonden brief. Kennelijk met het doel een valse voorstelling van zaken aan de politie te geven: namelijk de indruk dat ik toestemming zou hebben gegeven tot afgifte aan u van bebloede kleding.”

Uit de brief blijkt verder dat beklaagde vindt dat klaagster buitengewoon laakbaar en klachtwaardig heeft gehandeld.

Klaagster heeft hierop gereageerd bij brief van 6 juli 2012. In deze brief vermeldt zij dat het aan de verdediging is bloedonderzoek op de kleding van haar cliënt aan te vragen om na te kunnen gaan of hij voor het incident paroxetine heeft geslikt, als het OM een dergelijk onderzoek frustreert.

Er is door het ressortsparket een klacht bij de Deken van de Orde van Advocaten ingediend en de President van het hof Arnhem-Leeuwarden is verzocht de toevoeging van klaagster in te trekken (dit verzoek is later weer ingetrokken).

Op 30 juli 2012 heeft in de betreffende strafzaak een regiezitting plaatsgevonden bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Voorafgaand aan die zitting heeft beklaagde (op verzoek van het hof) klaagster per e-mail laten weten dat zij voornemens is te verzoeken om toevoeging van een andere advocaat aan verdachte.

Beklaagde heeft op de regiezitting een schriftelijk standpunt voorgedragen en aan het hof overgelegd. In dit standpunt heeft zij weergegeven hoe de communicatie tussen klaagster, beklaagde en de forensische opsporing is verlopen. Vervolgens heeft zij onder meer het volgende naar voren gebracht:

“Het komt er in de kern op neer dat [naam klaagster] mijn oorspronkelijke brief heeft vervalst.

(…) Nu blijkt echter ook schriftelijke communicatie door mr. [naam klaagster] willens en wetens te worden misbruikt. Met deze wijze van misbruik van haar positie als raadsvrouwe in dit strafgeding heeft mevrouw [naam klaagster] zichzelf zodanig gediskwalificeerd, dat ieder elementair vertrouwen in haar persoon als in haar functioneren verloren is gegaan. Op grond hiervan meent het openbaar ministerie dat zij niet langer als toegevoegd raadsvrouwe de verdachte kan bijstaan.

(…) Bij herhaling heeft zij getoond onvoldoende kennis en inzicht in het – om het maar zo te noemen – strafrechtelijk “bedrijf” te bezitten om deze strafzaak te behandelen:

  • De r-c weigert een deskundige te benoemen zonder opdracht van het hof: terecht.
  • ik en niet mr. [naam klaagster] – verzoekt vervolgens het hof om een regiezitting te bepalen zodat het hof de r-c opdracht kan geven om het betreffende onderzoek te laten verrichten.
  • Mr. [naam klaagster] kan daar kennelijk niet op wachten, probeert het recht in eigen hand te nemen en probeert bij de politie met een vermeende van mijn hand afkomstige toestemming de kleding los te krijgen.
  • en vervolgens meent mr. [naam klaagster] dat ik het onderzoek frustreer omdat ik geen deskundige benoem om dit onderzoek te doen. Hieruit blijkt maar dat mr. [naam klaagster] niet op de hoogte is van het feit dat een advocaat-generaal geen bevoegdheid heeft tot het benoemen van deskundigen maar dat dit alleen kan door de r-c in opdracht van het hof.

Door te handelen zoals mr. [naam klaagster] heeft gedaan, geeft ze naar de mening van het OM blijk van een instelling een advocaat onwaardig. Ook mist zij kennelijk de nodige kennis om een belangrijke zaak als deze te behandelen. Naar de mening van het openbaar ministerie dient aan de verdachte een waardige, kundige en ervaren advocaat te worden toegevoegd.”

Doordat de pers aanwezig was in de rechtszaal, heeft de kwestie veel aandacht gekregen in de media.

Klaagster is van mening dat de uitlatingen van beklaagde haar eer en goede naam aantasten, met het kennelijke doel om daar ruchtbaarheid aan te geven. Zij heeft klacht gedaan van smaad, dan wel smaadschrift.

Door de Hoge Raad is de zaak naar het parket Amsterdam verwezen. Het parket heeft de zaak geseponeerd omdat het van mening is dat de beklaagde een beroep op de rechtvaardigingsgrond van lid 3 van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toekomt. Volgens het parket heeft beklaagde te goeder trouw kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste.

Klaagster is het hier niet mee eens en heeft een klacht ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend.

Beoordeling van het beklag

Het hof stelt voorop dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat dat de beklaagde ter terechtzitting van 30 juli 2012 uitlatingen heeft gedaan die de reputatie van klaagster (kunnen) schaden.

Echter, niet is komen vast te staan dat de beklaagde die uitlatingen heeft gedaan met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, waaronder moet worden verstaan dat die uitlatingen ter kennis van het publiek gebracht moesten worden. De beklaagde heeft ter terechtzitting om aanhouding van de zaak verzocht in afwachting van het verzoek aan de president van het hof om een andere advocaat aan de verdachte toe te voegen. Zij heeft dit aanhoudingsverzoek toegelicht, met het doel een kwalitatief goede rechtsbijstand voor de verdachte - verdacht van een zeer ernstig delict - te bewerkstelligen. Gelet op hetgeen daarvóór was voorgevallen, is het hof van oordeel dat dit streven in de omstandigheden van het geval zeker begrijpelijk was. Overigens is de klacht die door het Openbaar Ministerie tegen klaagster bij de Deken van de Orde van Advocaten over haar optreden is ingediend, gegrond verklaard. Het hof is het met klaagster eens dat de uitlatingen nogal sterk zijn aangezet, maar acht deze niet zodanig dat daarmee de grenzen van de vrije meningsuiting zijn overschreden.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat het standpunt van het Openbaar Ministerie dat aan de verdachte een andere advocaat moest worden toegevoegd en de pogingen dit te bewerkstelligen geen “eenmansactie” van de beklaagde zijn geweest, maar dat dit vooraf is besproken in het team en mede in overleg met de Hoofdadvocaat-generaal is geschied.

Het was derhalve de keuze van het Openbaar Ministerie om het aanhoudingsverzoek in de openbaarheid te behandelen en toe te lichten. Achteraf bezien had het naar het oordeel van het hof de voorkeur verdiend het hof te verzoeken het aanhoudingsverzoek achter gesloten deuren te behandelen. Maar dat dat niet is gevraagd, brengt nog niet mee dat hierdoor sprake is geweest van een handelwijze van het Openbaar Ministerie met het kennelijke doel om aan zijn standpunt met betrekking tot het optreden van klaagster ruchtbaarheid te geven in de zin van artikel 261 Sr.

De slotsom luidt dat het hof van oordeel is dat in deze zaak niet te verwachten valt dat de strafrechter tot een veroordeling zal kunnen komen, omdat voldoende aannemelijk is geworden dat beklaagde te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste.

Het hof acht het beklag derhalve ongegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Faillissementsfraude, strafmaatappel

Gerechtshof Amsterdam 24 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4674

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, alsmede tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, subsidiair 285 dagen hechtenis. Voorts heeft de rechtbank gelast dat de uitspraak openbaar wordt gemaakt in het dagblad De Telegraaf op de door de rechtbank bepaalde wijze met een veroordeling van de verdachte tot het betalen van de kosten van voornoemde publicatie, begroot op € 2500,00, bij gebreke van betaling te vervangen door 35 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Standpunt AG

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren en tot een geldboete ter hoogte van € 50.000,00, subsidiair 285 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de openbaarmaking zal gelasten van de uitspraak op de door de rechtbank gelaste wijze.

Standpunt verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte niet gebaat is bij een gevangenisstraf zoals deze in eerste aanleg is opgelegd en dat hij niet de middelen heeft de opgelegde geldboete te betalen. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman naar voren gebracht dat de verdachte zijn leven een positieve wending heeft gegeven, hetgeen ook blijkt uit het feit dat hij reeds 8 jaren niet meer in contact is geweest met politie of justitie in verband met nieuwe strafbare feiten. Een gevangenisstraf zou die positieve wending weer kunnen doorbreken. Gelet op de huidige draagkracht van de verdachte, kan voorts een geldboete ter hoogte van € 50.000,00 niet in redelijkheid aan de verdachte worden opgelegd.

Oordeel hof

De verdachte heeft zich als adviseur voor noodlijdende bedrijven geprofileerd maar heeft zich in die rol als feitelijk leidinggevende van de in financiële moeilijkheden verkerende vennootschap schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door het faillissement en de leegverkoop van de B.V. enkel te bespoedigen en de nog aanwezige gelden weg te sluizen. Tevens hebben verdachte en zijn medeverdachten ervoor gezorgd dat de administratie van het bedrijf is weggehaald en niet meer aan de curator ter beschikking kon worden gesteld. Door het op dergelijke wijze ondermijnen van het faillissementssysteem wordt het vertrouwen dat kredietverlening vereist, beschaamd en wordt de vermogenspositie van schuldeisers geschaad. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 september 2014 is de verdachte eerder voor soortgelijke frauduleuze handelingen onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in het nadeel van de verdachte. Het spreekt echter voor de verdachte dat hij is verschenen ter terechtzitting in hoger beroep en een verklaring heeft afgelegd. Het hof ziet mitsdien aanleiding een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, maar acht het van belang, gelet op de justitiële documentatie van de verdachte, dat het voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur van substantiële duur is. Het hof zal daarom te dezen de advocaat-generaal volgen ten aanzien van de gevangenisstraf.

Tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte aangevoerd dat zijn persoonlijk faillissement eind 2010 is opgeheven. Thans heeft de verdachte een aanzienlijke schuld bij de Nationale Nederlanden. Het gaat om € 300.000,00 en ‘een beetje’, aldus de verdachte. Zijn belastingschuld heeft hij voor een gering bedrag kunnen kwijten na een overeenkomst met de belastingdienst, welke, naar verdachtes eigen zeggen, behelst dat hij niet meer mag handelen in besloten vennootschappen. De verdachte kan nog wel eigen onderneming(en) starten en hij is thans nog altijd bestuurder van verscheidene (in ieder geval twee) vennootschappen. Ook heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij (ongeveer) € 400.000,00 in een beleggingspolis heeft zitten, waarmee hij voornemens is zijn schuld bij de Nationale Nederlanden af te lossen.

Nu het draagkrachtverweer van de verdediging niet onderbouwd is, noch getoetst kan worden op grond van door de verdediging overgelegde stukken – evenmin met betrekking tot de overeenkomst die de verdachte met de belastingdienst heeft gesloten –, gaat het hof uit van de hiervoor weergegeven informatie. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen aanleiding de in eerste aanleg opgelegde geldboete te matigen.

Het hof ziet, mede gelet op het tijdsverloop, geen aanleiding de openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak te gelasten overeenkomstig het bepaalde in artikel 349 van het Wetboek van Strafrecht. Bovendien is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gekomen dat verdachtes reputatie via de gebruikelijke digitale zoekmachines gemakkelijk te vinden is. Een openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak sorteert dan ook geen effect dat van enige meerwaarde kan zijn.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van na te melden duur dan wel hoogte passend en geboden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijke met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van € 50.000,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OVAR: ten laste gelegde kan weliswaar bewezen worden verklaard, maar niet als witwassen worden gekwalificeerd en levert geen strafbaar feit op

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8157

Procesgang

De rechtbank Leeuwarden heeft verdachte op 13 juli 2010 vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en veroordeeld voor het onder 4 ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrift meermalen gepleegd en het onder 5 ten laste gelegde gewoontewitwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Verdachte heeft tegen voornoemd vonnis - beperkt tot de veroordeling terzake van de feiten 4 en 5 - hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Leeuwarden heeft, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank, het onder 4 en 5 ten laste gelegde bij arrest van 14 juli 2012 bewezen verklaard en verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geld gelast.

Namens verdachte is op 21 juni 2012 beroep in cassatie ingesteld tegen voornoemd arrest.

De Hoge Raad heeft op 7 januari 2014 het arrest van het hof vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen terzake van het onder 5 ten laste gelegde gewoontewitwassen en de strafoplegging. De Hoge Raad heeft de zaak daartoe teruggewezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en het beroep voor het overige verworpen.

Beoordeling hof

Aan verdachte is – voor zover voor dit hoger beroep van belang – onder feit 5 ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2007 tot en met 2 december 2009 te [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen een voorwerp, te weten telkens een hoeveelheid geld van in totaal ongeveer € 401.434,- verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld van in totaal ongeveer € 401.434,- gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Overwegingen ten aanzien van feit 5

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat hij verschillende keren ten behoeve van de bouwlocatie bedragen heeft klaargezet om deze door de Rabobank, nadat deze de gelden van het bouwdepot daarvoor had vrijgegeven, te doen overmaken op de bankrekening van het bedrijf van naam. De Rabobank heeft deze gelden vrijgegeven op basis van de door verdachte aan de Rabobank geleverde facturen. Uit de bewezenverklaring van feit 4 volgt dat het hier om valse facturen gaat.

Naar het oordeel van het hof is aldus sprake van het overdragen van geld waarvan verdachte wist dat het van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft de Rabobank opdracht gegeven de gelden uit het bouwdepot te voldoen en over te maken naar de bankrekening van het bedrijf van naam.

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte in strafrechtelijk relevante zin betrokken is geweest bij meer of andere gedragingen met betrekking tot van valsheid in geschrift afkomstige geldbedragen. In het bijzonder betreft dit de overmakingen vanuit het bedrijf nu niet blijkt dat verdachte juridisch verantwoordelijk was voor die overmakingen en hij zelf heeft verklaard dat hij geen betrokkenheid bij die overmakingen heeft gehad en enig ander bewijs ontbreekt.

Bewezenverklaring

Het hof acht onder feit 5 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 22 mei 2007 tot en met 2 december 2009 te [plaats] van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, meermalen een voorwerp, te weten telkens een hoeveelheid geld, overgedragen , terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Strafbaarheid

Verdachte heeft de Rabobank opdracht gegeven de gelden uit het bouwdepot te voldoen en over te maken naar de bankrekening van het bedrijf van naam. De gelden zijn - nadat verdachte de valse facturen daartoe vervolgens aan de Rabobank had aangeboden - uit het bouwdepot voldaan, zonder dat verdachte nog enige (andere) handeling - in het bijzonder gericht op het verhullen of verbergen van de criminele herkomst van de gelden - heeft verricht. Het witwassen is daarmee zo nauw verbonden met de door verdachte gepleegde valsheid in geschrift, dat moet worden vastgesteld dat het overdragen van de van misdrijf (valsheid in geschrift) afkomstige voorwerpen plaatsvindt onder zodanige omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden krijgt, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen.

Het bewezen verklaarde kan hierom niet als witwassen worden gekwalificeerd en levert geen strafbaar feit op. De verdachte dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verwerping verweren t.a.v. de niet-ontvankelijkheid OM. Geen sprake van schending specialiteitsvoorbehoud. Geen bewijsuitsluiting getuigenverklaringen. Bewijsverweren verworpen. Alternatief scenario niet aannemelijk.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8136

Verdachte wordt verdacht van het plegen van (gewoonte)witwassen.

Ontvankelijkheid OM

De verdediging heeft primair verzocht het OM niet-ontvankelijk te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

  • Het onvolledig voorlichten door het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft in het strafrechtelijk onderzoek naar de Opiumwetfeiten (onderzoek naam) ter zitting van 2 september 2008 aangegeven dat zij afzag van het indienen van een ontnemingsvordering en presenteerde dit als een voordeel voor verdachte. De officier van justitie liet echter na te vermelden dat reeds op 28 februari 2008 met de Zwitserse autoriteiten was afgesproken dat het Nederlandse – op de ontneming toegespitste – rechtshulpverzoek zou worden ingetrokken en dat de Nederlandse autoriteiten de vervolging wegens witwassen van Zwitserland zouden overnemen. Ontneming en verbeurdverklaring als bijkomende straf hebben echter eenzelfde effect. Daar komt bij dat dat het onderscheid tussen het onderzoek naam en deze zaak feitelijk niet bestaat. Het niet volledig inlichten van de rechter is een ernstige inbreuk op de procesorde die tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden.

  • Onjuist voorlichten door het openbaar ministerie

Het rechtshulpverzoek aan de Zwitserse autoriteiten is op 23 mei 2006 ondertekend door de officier van justitie in Utrecht, officier van justitie en bevat een essentiële mededeling ten aanzien van het leggen van conservatoir beslag die in strijd met de waarheid is. Op 23 mei 2006 had de rechter-commissaris namelijk in het geheel nog geen toestemming voor het leggen van conservatoir beslag gegeven. Het openbaar ministerie heeft de vordering conservatoir beslag eerst op 22 juni 2006 gedaan en hierop is op dezelfde dag beslist door de rechter-commissaris. Door de onjuiste mededeling in het rechtshulpverzoek is sprake van misleiding. Immers de Zwitserse autoriteiten mochten ervan uitgaan dat de feiten juist waren ten tijde van de datering van het rechtshulpverzoek.

  • Ondeugdelijk /onprofessioneel onderzoek

Nadat het openbaar ministerie de strafvervolging van de Zwitserse autoriteiten had overgenomen, heeft het bijna een jaar geduurd voordat het openbaar ministerie aan de toenmalige raadsman kenbaar heeft gemaakt dat sprake was van een strafzaak, ondanks dat er beslag lag in die zaak. Vervolgens heeft het ruim twee jaar geduurd voordat er een dossier werd overgelegd. Eerst op dat moment was de ernst en reikwijdte van de verdenking voor verdachte duidelijk. In de tussenliggende periode is door het openbaar ministerie geen enkele onderzoekshandeling verricht. Verdachte is nimmer gehoord, terwijl hij daartoe wel bereid was. Dit talmen met de feitelijke vervolging heeft voor verdachte nadelige gevolgen gehad. Het is lastiger geworden zijn onschuld aan te tonen. Door het tijdsverloop zonder duidelijk aanwijsbare redenen is het recht van verdachte op een eerlijk proces geschonden waardoor ook om deze reden niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te volgen. De verdediging heeft betoogd dat, indien de voorgaande verweren op zichzelf niet reeds leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, zij in onderlinge samenhang en in onderling verband beschouwd alsnog moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de verweren moeten worden verworpen en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging. De advocaat-generaal heeft daartoe in het bijzonder het volgende aangevoerd.

  • Het onvolledig voorlichten door het openbaar ministerie

Eerder dan het door de Nederlandse autoriteiten ingediende rechtshulpverzoek, was sprake van een Zwitsers onderzoek naar witwassen door verdachte. Uiteindelijk is dat onderzoek door Nederland overgenomen. Lopende de procedure is ervoor gekozen dit niet met de verdachte en zijn raadsman te communiceren. Volgens het vertrouwelijkheidsbeginsel mochten de Nederlandse autoriteiten op dat moment ook niets zeggen over dat onderzoek. Het was op dat moment ook nog niet duidelijk wat de uitkomst van dat onderzoek zou zijn. Het openbaar ministerie heeft deze keuze moeten en mogen maken. Hierdoor is geen nadelige situatie voor verdachte ontstaan. Verder is een ontneming iets heel anders dan een vervolging ter zake van witwassen waarbij verbeurdverklaring wordt gevorderd. Beide procedures kunnen naast elkaar bestaan, zonder dat er een nadelige situatie voor verdachte ontstaat.

  • Onjuist voorlichten door het openbaar ministerie

Er is hoogstwaarschijnlijk een fout gemaakt met betrekking tot de datum op het rechtshulpverzoek. In plaats van 23 mei 2006 had er 23 juni 2006 moeten staan. De machtiging conservatoir beslag is immers afgegeven op 22 juni 2006. Waar het echter om gaat is dat er sprake was van een machtiging op het moment dat het rechtshulpverzoek op 26 juli 2006 aan de Zwitserse autoriteiten werd verzonden. Zij zijn dus niet op het verkeerde been gezet. Daarbij komt dat het Nederlandse rechtshulpverzoek in feite overbodig was geworden door het rechtshulpverzoek van Zwitserland aan Nederland.

  • Ondeugdelijk /onprofessioneel onderzoek

De raadsman hecht te veel waarde aan het verhoor van verdachte. Het is wellicht beter als de verdachte gehoord wordt, maar dat is niet altijd nodig en zeker niet als er verhoren zijn van de verdachte in een eerdere zaak die bruikbaar zijn. Het is uiteindelijk aan de rechters om te beslissen of zij vinden dat er voldoende bewijs is in een zaak. Het openbaar ministerie neemt hooguit een bewijsrisico. Er is in ieder geval in deze zaak geen sprake van het bewust schenden van de rechten van de verdediging. Ook toen al bestond de mogelijkheid van een mini-instructie. De raadsman heeft hierom niet verzocht. Daarnaast had de verdachte ter zitting van de rechtbank een verklaring kunnen afleggen, maar hij heeft zich toen beroepen op zijn zwijgrecht.

Oordeel hof

  • Het onvolledig voorlichten door het openbaar ministerie

Uit het proces-verbaal opgemaakt op 28 februari 2008 blijkt dat het arrondissementsparket Utrecht zich bereid heeft verklaard om de strafzaak tegen verdachte wegens witwassen van Zwitserland over te nemen. Op 25 juni 2008 werden de beschikking tot overdracht van de strafzaak en de onderliggende stukken uit Zwitserland ontvangen. Op dat moment was er sprake van een Nederlandse strafzaak. Niet is gebleken dat van deze nieuwe vervolging melding is gemaakt in het Opiumwetonderzoek (zaak naam) ter zitting van 2 september 2008. Van een wettelijke verplichting om zowel de rechtbank als de advocaat in het onderzoek naar de Opiumwetfeiten hierover te informeren was naar het oordeel van het hof geen sprake en overigens is het hof niet gebleken dat door de gewraakte handelwijze van het openbaar ministerie doelbewust aan, dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort is gedaan.

Op de zitting van 2 september 2008 in de Opiumwetzaak heeft de officier van justitie aangegeven af te zien van het indienen van een ontnemingsvordering. Deze toezegging vormt echter geen beletsel voor het later vervolgen van verdachte ter zake van witwassen als een vorm van begunstiging. Het gaat immers naar hun juridische aard om twee verschillende procedures die naast elkaar kunnen bestaan. Dat in dit geval de witgewassen gelden afkomstig zouden zijn van misdrijven begaan in het kader van de Opiumwet doet hieraan niet af. Bij een ontneming gaat het om een gerechtelijke procedure ten aanzien van iemand die is veroordeeld wegens een strafbaar feit teneinde vast te stellen of er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel in welk geval hemde verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel. Een vervolging wegens witwassen is een zelfstandige procedure waarbij in geval van veroordeling de verbeurdverklaring kan worden uitgesproken van voorwerpen (of geldbedragen) die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het witwassen zijn verkregen of die met betrekking tot welke het witwassen is begaan. De rechter kan bij een eventuele samenloop van voordeelsontneming en verbeurdverklaring rekening houden met reeds ontnomen dan wel verbeurdverklaarde bedragen teneinde een dubbeling te voorkomen.

  • Onjuist voorlichten door het openbaar ministerie

Het hof stelt vast dat er op het moment van ondertekenen van het rechtshulpverzoek op 23 mei 2006 geen sprake was van toestemming door de rechter-commissaris voor het leggen van conservatoir beslag, terwijl dit wel is vermeld in het rechtshulpverzoek. Het hof stelt voorts vast dat op 22 juni 2006 de rechter-commissaris met het verzoek tot een machtiging conservatoir beslag heeft ingestemd Het hof acht zonder nadere onderbouwing van het tegendeel uitsluitend op grond van het voorgaande niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van het doelbewust misleiden van de Zwitserse autoriteiten. Bovendien is verdachte niet in zijn belangen geschaad nu het rechtshulpverzoek pas op 11 augustus 2006 is ontvangen door Zwitserland op welke datum de rechter-commissaris in ieder geval de machtiging conservatoir beslag had verleend.

  • Ondeugdelijk/onprofessioneel onderzoek

Zoals hierboven vermeldvolgt uit het strafdossier dat in februari 2008 door het openbaar ministerie is besloten tot overname van het Zwitserse witwasonderzoek en zijn de onderliggende stukken in juni 2008 ontvangen. Hoewel verdachte in de periode tot aan de zitting van de rechtbank op 25 augustus 2011 nimmer door de politie is gehoord op de verdenkingen in de witwaszaak, is verdachte eerder wel verschillende malen gehoord in de Opiumwetzaak. Hoewel het op de weg van het openbaar ministerie had gelegen om verdachte ook in de witwaszaak door de politie te laten horen op de verdenking van witwassen, is naar het oordeel van het hof door het enkele niet horen niet doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekortgedaan. Overigens is het hof wel van oordeel dat door het tijdsverloop zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de redelijke termijn is overschreden. Hiermee zal bij het bepalen van de strafmaat rekening worden houden.

Conclusie

Concluderend is het hof van oordeel dat de verweren moeten worden verworpen en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging.

Verweren bewijsuitsluiting

Subsidiair heeft de raadsman de hiernavolgende verweren gevoerd die tot bewijsuitsluiting moeten leiden.

  • Schending specialiteitsvoorbehoud

Door de Zwitserse autoriteiten is bij beslissing van 6 maart 2008 definitief beschikt op de rechtshulpverzoeken. Ten gevolge van die beslissing (en de voorlopige beslissing van 13 oktober 2006) zijn de onderzoeksgegevens verstrekt aan de Nederlandse autoriteiten. Daarbij is door de Zwitserse autoriteiten het specialiteitsvoorbehoud gemaakt, kort gezegd inhoudende dat de door de hen verstrekte gegevens niet gebruikt mogen worden voor feiten die naar Zwitsers recht als fiscale delicten aangemerkt worden. De huidige vervolging wegens witwassen ziet, volgens de staatssecretaris van justitie, op feitelijke handelingen die erop gericht zijn (ook) de fiscale afdracht te beperken (TK 2008-2009, Aanhangsel van de Handelingen 959).

Nu het Zwitserse specialiteitsvoorbehoud niet de eis stelt dat de feiten enkel en alleen gericht moeten zijn op de beperking van de fiscale afdracht en overigens ook nog de lichtere toets hanteert waarbij de feiten gericht lijken te zijn op de beperking van de fiscale afdracht, is het gebruik van de verkregen gegevens in dit onderzoek in strijd met dit voorbehoud. Derhalve dient bewijsuitsluiting van de gegevens te volgen. Nu de Zwitserse gegevens de basis hebben gevormd voor het overige onderzoek, resteren geen wettige bewijsmiddelen meer waardoor vrijspraak dient te volgen.

  • Bewijsuitsluiting verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2 en van verdachte

De verklaringen van getuige 1 en getuige 2 moeten worden uitgesloten van het bewijs. Immers beide getuigen hebben tegenover de rechter-commissaris een andersluidende verklaring afgelegd, waardoor het hof niet meer vrij is terug te vallen op de verklaringen zoals afgelegd bij de politie.

Ook de verklaringen van verdachte afgelegd in de Opiumwetzaak kunnen niet tegen hem gebruikt worden, nu deze in strijd met de Salduz jurisprudentie zijn afgelegd, aldus de raadsman.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal ziet, met uitzondering van de verklaringen van verdachte op grond van strijd met de Salduz jurisprudentie, geen reden voor bewijsuitsluiting. Hij heeft daartoe in het bijzonder het volgende aangevoerd.

  • Schending specialiteitsvoorbehoud

Witwassen is geen fiscaal delict. Een fiscaal delict heeft direct te maken met de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Daar is hier geen sprake van. Zwitserland heeft in eerste instantie een rechtshulpverzoek aan Nederland gedaan voor een Zwitserse strafbepaling vergelijkbaar met het delict witwassen. Ook daaruit kun je opmaken dat witwassen ook in de ogen van de Zwitsers iets totaal anders is dan een fiscaal delict.

  • Bewijsuitsluiting verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2 en van verdachte

De verklaringen die door verdachte zijn afgelegd bij de politie in de Opiumwetzaak kunnen niet gebruikt worden voor het bewijs op grond van het Salduzcriterium. Voor wat betreft de verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2 geldt dat deze verklaringen wel kunnen worden gebruikt voor het bewijs ondanks de nuances die zijn aangebracht in hun verklaringen bij de rechter-commissaris. Er is geen sprake van intrekking van de eerder tegenover de politie afgelegde verklaringen. Bovendien staan deze niet op zichzelf maar worden deze in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Oordeel hof

  • Schending specialiteitsvoorbehoud

Het expliciete specialiteitsvoorbehoud dat Zwitserland heeft gemaakt bij het verlenen van rechtshulp houdt kort gezegd in dat het directe of indirecte gebruik van de toegezonden stukken en de zich daarin bevindende gegevens niet is toegestaan voor delicten die naar Zwitsers recht als politieke, militaire of fiscale feiten worden gekwalificeerd. De vraag is of in onderhavige zaak sprake is van een fiscaal delict, zoals door de raadsman is aangevoerd. Van belang is vast te stellen wanneer sprake is van een fiscaal delict naar Zwitsers recht. Als een fiscaal delict naar Zwitsers recht moet worden aangemerkt de strafbare handeling die is gericht op het verkleinen van bedragen die aan de belastingdienst moeten worden afgedragen (vgl. artikel 3 lid 3 van het Zwitserse Bundesgesetz über internationale Rechtshilfe in Strafsachen (IRSG): voor fiscale delicten wordt geen rechtshulp verleend). Urkundenfälschung bijvoorbeeld, strafbaar gesteld bij artikel 251 StGB, op zichzelf een commuun delict, wordt als fiscaal delict gezien indien het uitsluitend gericht is op een fiscaal doel. Daarbij geldt volgens vaste rechtspraak van het Zwitserse Bundesgericht (sedert 30 maart 1982, BGE 108 IV 27) de subjectieve bedoeling van de pleger als maatstaf: slechts als het diens bedoeling is het valse of vervalste stuk uitsluitend te gebruiken met een fiscaal doel moet de Urkundenfälschung worden aangemerkt als een fiscaal delict en kan de pleger niet voor het commune delict worden vervolgd. Dat betekent dat het dan evenmin mogelijk is Zwitsers bewijsmateriaal voor een in Nederland tenlastegelegd feit te gebruiken. Wanneer de pleger daarentegen met het valse of vervalste stuk naast het fiscale ook een ander gebruik voor ogen heeft, of op zijn minst met de mogelijkheid daartoe rekening houdt, is de delictsomschrijving van zowel het fiscale als van het commune delict vervuld. Vervolging voor het commune delict alsmede gebruik van Zwitsers bewijsmateriaal daarvoor is dan toegestaan.

In deze zaak gaat het om witwassen, een commuun delict, erop gericht voorwerpen of geldbedragen van criminele herkomst te verbergen of verhullen. Het hof is van oordeel dat dit ook verdachtes doel was. In ieder geval is niet gebleken dat verdachte met het witwassen uitsluitend een fiscaal doel had. Het feit dat verdachte ten aanzien van de bedragen op de Zwitserse rekening bij de Belastingdienst een beroep heeft gedaan op de inkeerregeling maakt dit niet anders maar wil alleen maar zeggen dat verdachte hiermee heeft getracht gelden afkomstig uit illegale activiteiten een legale bestemming te geven. Van belang daarbij is ook dat verdachte eerst in november 2006 een beroep heeft gedaan op de inkeerregeling terwijl er al vanaf september 2002 gelden op de Zwitserse bankrekening zijn gestort.

  • Bewijsuitsluiting verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2 en van verdachte

Het hof zal de verklaringen van verdachte niet gebruiken als bewijsmiddel zodat het Salduzverweer geen bespreking behoeft.

Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2 stelt het hof voorop dat de Hoge Raad zeer recent in het arrest van 23 september 2014, ECLI: NL:HR:2014:2753 heeft beslist dat met een ‘voortbouwend appel’ niet goed te verenigen valt dat de rechter in hoger beroep steeds ambtshalve als getuige moet oproepen de persoon wiens in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring, welke tijdens een verhoor door de rechter-commissaris of tijdens de terechtzitting in eerste aanleg is ingetrokken, het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde rechtstreeks kan volgen. Het ligt bij voortbouwend appel in de rede dat het aan de procespartijen en de appelrechter wordt overgelaten te beoordelen of een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dat die persoon op de terechtzitting als getuige wordt gehoord.

In de onderhavige zaak hebben de getuigen getuige 1 en getuige 2 in hun verklaringen zoals afgelegd bij de rechter-commissaris weliswaar op bepaalde punten ten voordele van verdachte verklaard, maar is er geen sprake van een ondubbelzinnige intrekking van hun verklaringen zoals afgelegd bij de politie. Daarnaast betreffen deze verklaringen niet de enige bewijsmiddelen waaruit verdachtes betrokkenheid bij het witwassen rechtstreeks kan volgen. Reeds hierom is het hof van oordeel dat de verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2 kunnen worden gebruikt als bewijsmiddel.

Conclusie

Concluderend is het hof van oordeel dat de verklaringen van verdachte zoals afgelegd bij de politie niet voor het bewijs zullen worden gebruikt en dat de verweren voor het overige moeten worden verworpen. De door de Zwitserse autoriteiten verstrekte gegevens en de verklaringen van de getuigen getuige 1 en getuige 2, zijn aldus bruikbaar voor het bewijs.

Bewijsverweren

Meer subsidiair heeft de raadsman de bewijsverweren gevoerd, zoals hieronder weergegeven.

  • Vermogen niet afkomstig van misdrijf

Niet kan worden bewezen dat sprake is van voorwerpen die afkomstig zijn uit enig misdrijf. Er kan geen enkele directe relatie gelegd worden tussen de (onherroepelijke) Opiumwet-feiten of enig ander misdrijf en de in de tenlastelegging opgesomde voorwerpen. Het grootste gedeelte van het vermogen op de Zwitserse bankrekening is gestort vóór de periode waarop de bewezenverklaring van de Opiumwetfeiten ziet. Ook de hoogte en het verloop van de stortingen komen niet overeen met de Opiumwetfeiten. Het is ook niet zo dat het niet anders kan dan dat het vermogen van crimineel geld afkomstig moet zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij uit een erfenis een waardevolle postzegelverzameling heeft gekregen die hij heeft verkocht. Deze verklaring over de herkomst van het vermogen is concreet, min of meer verifieerbaar en niet volslagen onwaarschijnlijk. Het had dan ook op de weg van het openbaar ministerie gelegen deze verklaring te onderzoeken. Kortom, niet met voldoende mate van zekerheid kan uitgesloten worden dat het vermogen een legale herkomst heeft, waardoor vrijspraak moet volgen.

Mocht uw hof desondanks de verklaring van verdachte terzijde willen schuiven omdat het van oordeel is dat verdachte in gebreke is gebleven een verifieerbare onderbouwing te leveren, dan verzoekt de verdediging om bijvoorbeeld bij tussenarrest aan te geven op welke punten het een verifieerbare onderbouwing had willen hebben.

  • Vrijspraak voor het element “verhullen/verbergen” en voor het overige OVAR

Uit het dossier blijkt van geen enkele handeling die erop gericht was de herkomst van het vermogen te verhullen. De voertuigen en de Zwitserse bankrekening stonden immers op naam van verdachte. Resteert het blote voorhanden hebben van criminele opbrengsten die in de visie van justitie uit het door verdachte zelf gepleegde feit komen. Bij gebreke van handelingen die erop gericht zijn de criminele opbrengst veilig te stellen, kan de gedraging niet gekwalificeerd worden als witwassen. Een en ander leidt tot vrijspraak voor het element “verhullen en/of verbergen” en voor het overige tot een ontslag van alle rechtsvervolging.

Standpunt advocaat-generaal

  • Vermogen niet afkomstig van misdrijf

De advocaat-generaal is kort gezegd van oordeel dat verdachte het alternatieve scenario niet aannemelijk heeft gemaakt en dat dit scenario daarom dient te worden verworpen. Het voorwaardelijk verzoek om nader onderzoek te doen moet worden afgewezen nu er niets meer te onderzoeken valt.

  • Verhullen en verbergen

Er is contant geld op een Zwitserse bankrekening gezet. Dat is een handeling, die erop is gericht is om criminele opbrengsten veilig te stellen. Er is aldus sprake van verhullen. Het geld in de kluis heeft verdachte ook duidelijk buiten het zicht van de overheid willen houden. Tenslotte heeft verdachte de illegale opbrengsten uit de hennepteelt omgezet in goederen zoals auto’s en horloges. Dit valt eveneens onder verhullen.

Oordeel hof

  • Vermogen niet afkomstig van misdrijf

Op 9 september 2002 opende verdachte een Zwitserse depositorekening bij de Credit Suisse bank te Zürich waarop hij van 9 september 2002 tot en met 14 februari 2006 verschillende bedragen heeft gestort. In totaal heeft verdachte vanaf het openen van de rekening €217.929,59 gestort, voornamelijk bestaande uit contante stortingen. Naar aanleiding van een bezoek van getuige 1, de ex-partner van verdachte, bij Credit Suisse op 12 mei 2006 met een machtiging om €100.000 in contanten op te nemen, ontstond bij Credit Suisse en daarna bij de Zwitserse autoriteiten de verdenking van witwassen.

Op 19 maart 2006 werd verdachte aangehouden op verdenking van, kort gezegd, hennepteelt. Op het moment van aanhouden zat hij samen met zijn ex-zwager getuige 2 in een auto in Utrecht. getuige 2 was in het bezit van €13.760. Bij verdachte werd een bedrag van €1.361,80 aangetroffen. getuige 2 heeft bij de politie verklaard dat een bedrag van €260 van hem was en de overige €13.500 was van verdachte. Hij heeft voorts verklaard dat hij met verdachte op het moment van aanhouding onderweg naar Zwitserland was. Hij was vaker met verdachte in Zwitserland geweest. Nadat ze in die gevallen de grens met Zwitserland gepasseerd waren, gaf getuige 2 het geld terug aan verdachte. De getuige heeft voorts verklaard dat hij het vermoeden had dat verdachte het geld probeerde onder te brengen bij een Zwitserse bank.

Verdachte is vervolgd en uiteindelijk ook onherroepelijk veroordeeld voor overtreding van artikel 3 onder B en C van de Opiumwet in de periode 12 oktober 2003 tot en met 18 maart 2006.

Ten aanzien van de geldbedragen op de Zwitserse bankrekening van verdachte alsmede het in de auto aangetroffen contante geld is uit onderzoek gebleken dat deze niet direct kunnen worden verklaard op basis van de legale -bij de Belastingdienst bekende- inkomsten van verdachte.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat ten aanzien van verdachte een ernstig vermoeden bestaat dat bovengenoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Van verdachte mag onder deze omstandigheden dan ook worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de gelden aangetroffen in de auto en op de Zwitserse rekening. Die verklaring dient concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn (Hoge Raad 13 juli 2010, NJ 2010, 460).

Verdachte heeft in deze zaak eerst ter zitting van het hof een verklaring afgelegd over de herkomst van de gestorte geldbedragen. Deze verklaring komt erop neer dat hij, toen zijn moeder in 2000 overleed als erfenis onder andere een waardevolle postzegel- en horlogecollectie kreeg. Deze goederen heeft hij (grotendeels) verkocht. Alle keren dat er geld is gestort op de bankrekening in Zwitserland betrof het geld van de opbrengsten van verkochte postzegels en horloges.

Het hof acht de verklaring die verdachte heeft afgelegd over de herkomst van bovengenoemde geldbedragen echter niet aannemelijk gelet op de navolgende feiten en omstandigheden:

    • Er zijn geen verkoopnota’s overgelegd waaruit blijkt dat verdachte de kennelijk zeer waardevolle postzegelcollectie heeft verkocht.
    • Bij de afdeling successie- en schenkingsrecht van de Belastingdienst is geen aangifte gedaan van een door verdachte ontvangen erfenis .
    • getuige 2 heeft verklaard dat hij op het moment van aanhouding met verdachte onderweg naar Zwitserland was in het bezit van een groot contant geldbedrag van verdachte. Dit gebeurde vaker.
    • De broer van verdachte broer verdachte is ter zitting van het hof van 11 september 2012 gehoord. Opvallend in zijn verklaring is dat hij zou hebben ingestemd met het feit dat de hele erfenis naar verdachte zou gaan en dat hun moeder dit alleen met hem en verdachte zou hebben besproken terwijl ze thuis met zeven kinderen (waarvan één overleden) waren. De getuige heeft voorts verklaard samen met verdachte in september 2002 in Zwitserland te zijn geweest en ook aanwezig te zijn geweest bij de verkoop van de postzegels. Maar ook hij kan niets verklaren over verkoopnota’s en kan ook niet verklaren waarom er in een periode van meerdere jaren meerdere stortingen van contant geld hebben plaatsgevonden.
    • Verdachte heeft ter zitting van het hof op kritische vragen , onder andere over de contante stortingen over verschillende jaren, de eerdere Luxemburgse bankrekening, het niet bestaan van een verklaring van erfrecht en het feit dat hij zou zijn onderhouden door een rijke vriendin in Zwitserland, geen (concrete) antwoorden gegeven.
    • Verdachte zou een groot bedrag aan contanten hebben gekregen voor de postzegelverzameling maar hij heeft niets aangevoerd of deugdelijk onderbouwd ten aanzien van de bijzondere waarde daarvan en de wijze waarop hij daar achter zou zijn gekomen.
    • Uit de verklaring van mevrouw getuige 3, werkzaam bij Credit Suisse blijkt dat verdachte een bankrekening in Zwitserland wilde openen wegens een nalatenschap van zijn moeder van ongeveer €60.000. Er is daartoe enkel een overlijdensakte overgelegd. In totaal is er uiteindelijk een veel hoger bedrag op die rekening gestort. Daarnaast wilde verdachte volgens getuige 3 zijn bankrekening in Luxemburg geleidelijk afbouwen en de tegenwaarde naar Credit Suisse transfereren. Het hof is van oordeel dat het in dat geval voor de hand zou hebben gelegen en veel eenvoudiger was geweest om het geld giraal over te maken. Dat is echter niet gebeurd. Verdachte heeft hiervoor geen verklaring gegeven.

Concluderend is de verklaring van verdachte in het licht van de inhoud van het strafdossier ongeloofwaardig. Bovendien wordt hetgeen hij heeft aangevoerd over de herkomst van het geld op de Zwitserse bankrekening niet onderbouwd met schriftelijke stukken of anderszins.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden die leiden tot een vermoeden van witwassen en gelet op hetgeen het hof heeft overwogen met betrekking tot het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de in de auto aangetroffen geldbedragen en de geldbedragen op de Zwitserse bankrekening – middellijk of onmiddellijk – afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.

Wat betreft het voorwaardelijke verzoek tot het doen van nader onderzoek is het hof van oordeel dat het hof in deze zaak voldoende pogingen heeft gedaan tot verificatie van het door verdachte genoemde alternatieve scenario. Verder onderzoek acht het hof niet noodzakelijk.

  • Verhullen en verbergen

Gelet op de wetstekst en jurisprudentie hieromtrent kan het enkele voorhanden hebben van opbrengsten uit een eigen misdrijf zonder nadere handeling gericht op het verhullen van de illegale herkomst daarvan, niet worden gekwalificeerd als witwassen. In een dergelijk geval wordt van de witwasser in beginsel een vervolghandeling gevergd, die erop is gericht zijn criminele opbrengsten veilig te stellen.

Het hof is van oordeel dat hiervan wat betreft de auto’s, de casinomunten en het geld in de kluis niet is gebleken, zodat hiervoor geen bewezenverklaring kan volgen ter zake van het ten laste gelegde misdrijf witwassen.

Dit is anders wat betreft de bedragen die zijn aangetroffen op de Zwitserse bankrekening en de bedragen die bij verdachte en getuige 2 tijdens hun aanhouding in de auto zijn aangetroffen. De contante bedragen werden zonder objectief aanwijsbare redenen niet middels een bankrekening overgeboekt, maar door of namens verdachte naar Zwitserland – een land waar een bankgeheim geldt en waar toentertijd ook nog geen belastingverdrag gold met Nederland – gereden en op een rekening van verdachte gestort. Deze handelingen zijn verhullend van aard en daarmee kan bewezen worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.

Voor de volledigheid merkt het hof tot slot nog het volgende op. Verdachte heeft zich op 1 november 2006 via zijn belastingadviseur belastingadviseur beroepen op de ‘inkeerregeling’ met betrekking tot zijn Zwitserse bankrekening. Blijkens de brief van belastingadviseur wilde verdachte over de jaren 2001-2004 alsnog een (aanvulling op de) aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen doen van –kort gezegd – een op 22 april 2000 erfrechtelijk verkregen binnenlands vermogensbestanddeel, hetgeen sedert 9 september 2002 is getransformeerd in een buitenlands vermogensbestanddeel. Er volgt vervolgens een onderbouwing waarbij verwezen wordt naar de postzegel- en horloge erfenis die verdachte zou hebben gekregen. Dat de Belastingdienst bij de beoordeling van het beroep kennelijk van de juistheid van de gegevens in de brief van 1 november 2006 is uitgegaan, maakt nog niet dat deze gegevens feitelijk ook juist zijn. Het hof is van oordeel dat de ‘afrekening’ met de Belastingdienst dan ook niet in de weg staat aan een veroordeling wegens witwassen.

Bewezenverklaring

Het primair bewezen verklaarde levert op van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Schadevergoeding ex artikel 591a Sv: Kosten van rechtskundige bijstand ten behoeve van politieambtenaar in het kader van onderzoek Rijksrecherche

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4602

Verzoeker is als politieambtenaar verbonden aan de politie-eenheid Oost-Brabant. Op 21 februari 2013 was verzoeker met andere politieambtenaren in ’s-Hertogenbosch betrokken bij de aanhouding van een verdachte. Hierbij hebben zowel verzoeker als andere politie-ambtenaren hun dienstvuurwapen ter hand genomen en geschoten.

Naar aanleiding van dit schietincident werd door de Rijksrecherche een onderzoek ingesteld, in het kader waarvan verzoeker als verdachte werd aangemerkt. Dit onderzoek resulteerde onder meer in een brief van 4 november 2013 van mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen, hoofdofficier van justitie, waarin hij aan de leiding van de politie-eenheid Oost-Brabant heeft medegedeeld dat tegen verzoeker geen strafvervolging zal worden ingesteld.

In het kader van het onderzoek door de Rijksrecherche heeft mr. Wasser voornoemd aan verzoeker, door tussenkomst van diens werkgever, rechtskundige bijstand verleend. Voor die werkzaamheden heeft mr. Wasser tot een totaalbedrag van € 5.059,21 gedeclareerd bij de werkgever van verzoeker. De werkgever van verzoeker heeft het gedeclareerde aan mr. Wasser voldaan.

Het verzoek

Verzoeker verzoekt, nu de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, om toekenning van een vergoeding uit ’s Rijks kas voor bovengenoemde kosten van rechtskundige bijstand, bijkomend te vermeerderen met een vergoeding voor de met het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift gepaard gaande kosten.

Ter onderbouwing heeft verzoeker onder meer naar voren gebracht dat hij op grond van artikel 5 lid 3 van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie gehouden is om over te gaan tot indiening van het onderhavige verzoek en ervoor zorg te dragen dat bij toewijzing van het verzoek de uitgekeerde tegemoetkoming toekomt aan diens werkgever.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal stelt, met de officier van justitie, dat het verzoek afgewezen dient te worden, waartoe hij heeft aangevoerd dat verzoeker geen kosten heeft gemaakt die op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten van de aan verzoeker verleende rechtsbijstand zijn immers ten laste gekomen van diens werkgever, de politie-eenheid Oost-Brabant. Dat uit artikel 5 lid 3 van de ‘Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie’ voor verzoeker een inspannings-verplichting voortvloeit om de door zijn werkgever gemaakte kosten te verhalen, kan niet leiden tot toewijzing van het verzoek, omdat artikel 69a, lid 1 van het Besluit Algemene Rechtspositie Politie (hierna: BARP) het recht geeft op een onvoorwaardelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige bijstand, terwijl noch uit de tekst van dat artikel noch uit de tekst van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie kan worden afgeleid dat sprake is van een voorschotregeling.

Beoordeling Hof

Het hof stelt vast dat het verzoekschrift tijdig is ingediend, te weten binnen drie maanden na de beëindiging van de strafzaak tegen verzoeker. Het hof stelt voorts vast dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. In zoverre is voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van een vergoeding zoals verzocht.

Gelijk de rechtbank, vaststellend dat de kosten van de verleende rechtsbijstand op de voet van artikel 69a, lid 1 BARP ten laste zijn gebracht van de werkgever van verzoeker en verzoeker in zoverre zelf geen schade heeft geleden, is het hof - met de rechtbank en anders dan de advocaat-generaal - van oordeel dat deze omstandigheid geen beletsel vormt om aan verzoeker een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Uit artikel 5 lid 3 van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie vloeit voort dat verzoeker gehouden is om in een geval als zich in deze voordoet over te gaan tot indiening van een verzoek om vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en ervoor zorg te dragen dat bij toewijzing van het verzoek de uitgekeerde tegemoetkoming toekomt aan diens werkgever.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat het op de voet van artikel 69a BARP juncto artikel 2 lid 1 van de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie door de politie-eenheid Oost-Brabant voldoen van de declaraties van de raadsman van verzoeker niet heeft te gelden als een onvoorwaardelijke betaling. In tegendeel: naar het oordeel van het hof moet de betreffende betaling beschouwd worden als de verstrekking van een voorschot ten behoeve van verzoeker, welk voorschot is verstrekt onder de voorwaarde dat, indien verzoeker de kosten op derden kan verhalen (zoals in dit geval verhaal op de Staat krachtens artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering), het door hem ontvangen bedrag aan zijn werkgever zal worden gerestitueerd.

Weliswaar is de werkgever van verzoeker op grond van artikel 69a BARP gehouden om ‘indien de ambtenaar wegens de uitvoering van politietaken aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht’ een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe te kennen, maar naar het oordeel van het hof verzet de billijkheid zich er tegen dat die kosten niet door tussenkomst van verzoeker namens diens werkgever verhaald zouden kunnen worden op ’s Rijks kas.

Uit de aard van de onderwerpelijke strafzaak vloeit voor verzoeker de wenselijkheid voort om zich van rechtsbijstand te voorzien. De opgegeven kosten worden genoegzaam gestaafd door de overgelegde declaraties en het beloop daarvan valt - mede gelet op de omvang en het verloop van de strafzaak - niet als bovenmatig aan te merken. Aan de hand van deze norm komt ter zake van kosten van rechtsbijstand een bedrag van € 5.059,21 voor vergoeding in aanmerking. Het hof verenigt zich in zoverre met de beschikking waarvan beroep.

Desalniettemin zal het hof de beschikking van de rechtbank vernietigen. Uit de beschikking van de rechtbank volgt dat aan verzoeker naast de in hoofdsom toegekende vergoeding ad € 5.059,21 aan bijkomende “proceskosten” een vergoeding van € 270,00 is toegekend. Kennelijk bij vergissing zijn deze twee bedragen bij elkaar opgeteld tot een totaal van € 5.599,21.

Het hof is van oordeel dat op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering aan verzoeker als gewezen verdachte uit ’s Rijks kas een totaalbedrag van € 5.609,21 toekomt, waarvan

  1. een bedrag van € 5.059,21 als vergoeding voor de kosten van rechtskundige bijstand;
  2. een bedrag van € 270,00 als vergoeding voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift in eerste aanleg;
  3. een bedrag van € 280,00 als vergoeding voor de kosten van de behandeling van het verzoekschrift in hoger beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^