Advocaat-generaal niet vervolgd ter zake van smaad jegens advocaat

Gerechtshof Amsterdam 14 november 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4725 (Artikel 12 Sv-procedure)

Klaagster, advocate van beroep, heeft een verdachte bijgestaan in een moordzaak. Tijdens de behandeling van die zaak in hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden, was de beklaagde de behandelend advocaat-generaal.

Op 20 april 2012 heeft klaagster een brief aan het hof gestuurd, waarin onder meer de volgende vragen werden gesteld:

“9. De verdediging wenst geïnformeerd

a. waar de in beslag genomen kleding zich thans bevindt

b. of er door het NFI onderzoek is gedaan op de met bloed besmeurde kleding.

c. of er bloedonderzoek door middel van bloedafname heeft plaatsgevonden, dit omdat na de aanhouding van cliënt door het arrestatieteam is gemeld dat er sprake was van alcoholgebruik.

d. de rapportage voor wat betreft het technisch onderzoek van de bedrijfsbus.

De verdediging wenst in het bezit gesteld te worden van de rapportages met betrekking tot de uitkomst van bedoelde onderzoeken; wanneer er geen onderzoek heeft plaatsgevonden, wordt de verdediging op specifiek ieder onderdeel graag geïnformeerd over de reden waarom dit niet is gebeurd. (…)

11. Het OM heeft aangegeven dat de in beslag genomen voorwerpen nl. pet van Harkemaase Boys, de MP-3-speler en de blauwe poetsdoek aan cliënt terug gegeven kunnen worden. Cliënt verzoekt hem te informeren waar deze zaken zich bevinden.”

De beklaagde heeft de brief van klaagster op 24 mei 2012 schriftelijk beantwoord en heeft daarbij dezelfde opsomming als klaagster aangehouden. Op pagina 2 van de brief heeft zij onder meer het volgende vermeld:

“9. Met betrekking tot de onder verdachte in beslag genomen kleding kan ik u melden dat verdachte daarvan op 28 februari 2008 afstand heeft gedaan. Voor het overige verwijs ik naar het bijgevoegde aanvullend proces-verbaal van brigadier [naam].

11. Deze goederen bevinden zich naar mijn weten bij de politie en verdachte kan de politie vragen om hem de spullen terug te geven.”

Vervolgens heeft klaagster op 1 juni 2012 een brief aan de Unit Forensisch-Technische Expertise van de Divisie Recherche Ondersteuning van de politie gestuurd, waarin zij vermeldt:

“In opgemelde kwestie heb ik de advocaat-generaal verzocht aan te geven waar de in beslag genomen kleding van cliënt zich bevindt.

Bijgaand zend ik u een afschrift van blz. 2 van haar reactie waarin zij aangeeft dat ik u kan verzoeken om de kleding terug te geven. Tevens gaat hierbij een stukje proces-verbaal waaruit blijkt dat de kleding zich bij u bevindt.

Ik verzoek u vriendelijk om zo spoedig mogelijk de kleding naar mijn kantoor te sturen.”

Bij deze brief heeft klaagster slechts een deel van de brief van beklaagde gevoegd, waarin zij het antwoord op vraag 11 heeft gemarkeerd. De politie heeft beklaagde op 19 juni 2012 via een e-mailbericht gevraagd of het inderdaad de bedoeling is dat de bebloede kleding aan klaagster moet worden verstrekt, omdat dit bewijsmateriaal is. Hierop heeft beklaagde klaagster op 22 juni 2012 een brief gestuurd, waarin zij onder meer het volgende heeft geschreven:

“In uw brief verzoekt u de politie om stukken van overtuiging in de strafzaak – te weten de bebloede kleding van verdachte – aan u af te geven. Door te verwijzen naar de bijlage probeert u kennelijk bij de politie de indruk te wekken dat ik toestemming heb verleend tot afgifte van die kleding.

Na het bestuderen van deze brief en met name de bijlagen constateer ik dat deze niet origineel zijn maar uit samengestelde delen bestaan. Dit doet bij mij het ernstige vermoeden rijzen dat er is geknipt en geplakt in een door mij aan u gezonden brief. Kennelijk met het doel een valse voorstelling van zaken aan de politie te geven: namelijk de indruk dat ik toestemming zou hebben gegeven tot afgifte aan u van bebloede kleding.”

Uit de brief blijkt verder dat beklaagde vindt dat klaagster buitengewoon laakbaar en klachtwaardig heeft gehandeld.

Klaagster heeft hierop gereageerd bij brief van 6 juli 2012. In deze brief vermeldt zij dat het aan de verdediging is bloedonderzoek op de kleding van haar cliënt aan te vragen om na te kunnen gaan of hij voor het incident paroxetine heeft geslikt, als het OM een dergelijk onderzoek frustreert.

Er is door het ressortsparket een klacht bij de Deken van de Orde van Advocaten ingediend en de President van het hof Arnhem-Leeuwarden is verzocht de toevoeging van klaagster in te trekken (dit verzoek is later weer ingetrokken).

Op 30 juli 2012 heeft in de betreffende strafzaak een regiezitting plaatsgevonden bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Voorafgaand aan die zitting heeft beklaagde (op verzoek van het hof) klaagster per e-mail laten weten dat zij voornemens is te verzoeken om toevoeging van een andere advocaat aan verdachte.

Beklaagde heeft op de regiezitting een schriftelijk standpunt voorgedragen en aan het hof overgelegd. In dit standpunt heeft zij weergegeven hoe de communicatie tussen klaagster, beklaagde en de forensische opsporing is verlopen. Vervolgens heeft zij onder meer het volgende naar voren gebracht:

“Het komt er in de kern op neer dat [naam klaagster] mijn oorspronkelijke brief heeft vervalst.

(…) Nu blijkt echter ook schriftelijke communicatie door mr. [naam klaagster] willens en wetens te worden misbruikt. Met deze wijze van misbruik van haar positie als raadsvrouwe in dit strafgeding heeft mevrouw [naam klaagster] zichzelf zodanig gediskwalificeerd, dat ieder elementair vertrouwen in haar persoon als in haar functioneren verloren is gegaan. Op grond hiervan meent het openbaar ministerie dat zij niet langer als toegevoegd raadsvrouwe de verdachte kan bijstaan.

(…) Bij herhaling heeft zij getoond onvoldoende kennis en inzicht in het – om het maar zo te noemen – strafrechtelijk “bedrijf” te bezitten om deze strafzaak te behandelen:

  • De r-c weigert een deskundige te benoemen zonder opdracht van het hof: terecht.
  • ik en niet mr. [naam klaagster] – verzoekt vervolgens het hof om een regiezitting te bepalen zodat het hof de r-c opdracht kan geven om het betreffende onderzoek te laten verrichten.
  • Mr. [naam klaagster] kan daar kennelijk niet op wachten, probeert het recht in eigen hand te nemen en probeert bij de politie met een vermeende van mijn hand afkomstige toestemming de kleding los te krijgen.
  • en vervolgens meent mr. [naam klaagster] dat ik het onderzoek frustreer omdat ik geen deskundige benoem om dit onderzoek te doen. Hieruit blijkt maar dat mr. [naam klaagster] niet op de hoogte is van het feit dat een advocaat-generaal geen bevoegdheid heeft tot het benoemen van deskundigen maar dat dit alleen kan door de r-c in opdracht van het hof.

Door te handelen zoals mr. [naam klaagster] heeft gedaan, geeft ze naar de mening van het OM blijk van een instelling een advocaat onwaardig. Ook mist zij kennelijk de nodige kennis om een belangrijke zaak als deze te behandelen. Naar de mening van het openbaar ministerie dient aan de verdachte een waardige, kundige en ervaren advocaat te worden toegevoegd.”

Doordat de pers aanwezig was in de rechtszaal, heeft de kwestie veel aandacht gekregen in de media.

Klaagster is van mening dat de uitlatingen van beklaagde haar eer en goede naam aantasten, met het kennelijke doel om daar ruchtbaarheid aan te geven. Zij heeft klacht gedaan van smaad, dan wel smaadschrift.

Door de Hoge Raad is de zaak naar het parket Amsterdam verwezen. Het parket heeft de zaak geseponeerd omdat het van mening is dat de beklaagde een beroep op de rechtvaardigingsgrond van lid 3 van artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toekomt. Volgens het parket heeft beklaagde te goeder trouw kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste.

Klaagster is het hier niet mee eens en heeft een klacht ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ingediend.

Beoordeling van het beklag

Het hof stelt voorop dat het dossier voldoende aanwijzingen bevat dat de beklaagde ter terechtzitting van 30 juli 2012 uitlatingen heeft gedaan die de reputatie van klaagster (kunnen) schaden.

Echter, niet is komen vast te staan dat de beklaagde die uitlatingen heeft gedaan met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, waaronder moet worden verstaan dat die uitlatingen ter kennis van het publiek gebracht moesten worden. De beklaagde heeft ter terechtzitting om aanhouding van de zaak verzocht in afwachting van het verzoek aan de president van het hof om een andere advocaat aan de verdachte toe te voegen. Zij heeft dit aanhoudingsverzoek toegelicht, met het doel een kwalitatief goede rechtsbijstand voor de verdachte - verdacht van een zeer ernstig delict - te bewerkstelligen. Gelet op hetgeen daarvóór was voorgevallen, is het hof van oordeel dat dit streven in de omstandigheden van het geval zeker begrijpelijk was. Overigens is de klacht die door het Openbaar Ministerie tegen klaagster bij de Deken van de Orde van Advocaten over haar optreden is ingediend, gegrond verklaard. Het hof is het met klaagster eens dat de uitlatingen nogal sterk zijn aangezet, maar acht deze niet zodanig dat daarmee de grenzen van de vrije meningsuiting zijn overschreden.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat het standpunt van het Openbaar Ministerie dat aan de verdachte een andere advocaat moest worden toegevoegd en de pogingen dit te bewerkstelligen geen “eenmansactie” van de beklaagde zijn geweest, maar dat dit vooraf is besproken in het team en mede in overleg met de Hoofdadvocaat-generaal is geschied.

Het was derhalve de keuze van het Openbaar Ministerie om het aanhoudingsverzoek in de openbaarheid te behandelen en toe te lichten. Achteraf bezien had het naar het oordeel van het hof de voorkeur verdiend het hof te verzoeken het aanhoudingsverzoek achter gesloten deuren te behandelen. Maar dat dat niet is gevraagd, brengt nog niet mee dat hierdoor sprake is geweest van een handelwijze van het Openbaar Ministerie met het kennelijke doel om aan zijn standpunt met betrekking tot het optreden van klaagster ruchtbaarheid te geven in de zin van artikel 261 Sr.

De slotsom luidt dat het hof van oordeel is dat in deze zaak niet te verwachten valt dat de strafrechter tot een veroordeling zal kunnen komen, omdat voldoende aannemelijk is geworden dat beklaagde te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het tenlastegelegde waar was en dat het algemeen belang de tenlastelegging eiste.

Het hof acht het beklag derhalve ongegrond.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF