Onderzoeksjournalist veroordeeld voor valsheid in geschrift

Een onderzoeksjournalist en zijn medewerker zijn door het Gerechtshof Den Haag op 4 maart 2014 veroordeeld voor het vervalsen van een KLM-personeelspas. Het delict vond plaats in de periode van 12 december 2008 tot en met 4 januari 2009. Het Haagse hof heeft beide verdachten een voorwaardelijke geldboete van 1000 euro opgelegd.

De strafzaken vinden hun oorsprong in een tweetal uitzendingen van het programma ‘Undercover in Nederland’. De afleveringen zijn op 28 december 2008 en 4 januari 2009 uitgezonden. In de uitzending van 28 december 2008 is vertoond dat de onderzoeksjournalist meewerkte aan het namaken van een KLM-personeelspas, voorzien van een foto van zichzelf. Dit gebeurde aan de hand van een KLM-personeelspas van een personeelslid van KLM. Met de uitzendingen beoogde de journalist aan de kaak te stellen de in zijn ogen tekortschietende beveiliging van het bedrijventerrein Schiphol-Oost op welk terrein vliegtuigen zijn ondergebracht, waaronder het regeringsvliegtuig.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachten worden veroordeeld tot een geldboete van 1000 euro waarvan 500 euro voorwaardelijk.

Het Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat de onderzoeksjournalist en zijn medewerker alternatieve en minder vergaande mogelijkheden hadden dan het plegen van het hun verweten strafbaar feit om de in de visie van de journalist gebrekkige beveiliging van Schiphol-Oost aan de kaak te stellen. Het hof wijst hierbij op de door observatie geconstateerde gebrekkige controle aan de hoofdingang van de toegangspassen en de voertuigen. Daardoor was het voor de journalist mogelijk gebleken het terrein in de achterbak van een auto te betreden. Daarnaast kon het aangetoond worden door de aan hem ter beschikking gestelde filmopname van het (interieur van het) onbewaakte regeringsvliegtuig.

De zaken tegen de onderzoeksjournalist en de medeverdachte waren vorig jaar verwezen door de Hoge Raad naar het Gerechtshof Den Haag, nadat het gerechtshof Amsterdam de verdachten voor dit feit had ontslagen van alle rechtsvervolging door het beroep op de journalistieke vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM) te honoreren. Daarmee was het Gerechtshof Amsterdam tot een ander oordeel gekomen dan de Rechtbank Amsterdam die de verdachten had veroordeeld tot een geldboete.

Print Friendly and PDF ^

Ten nadele van de verdachte betrekken beroep op zwijgrecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1237

De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.

Van (een) omstandighe(i)d(en) die, afzonderlijk of in onderling verband bezien, voldoende redengevend is/zijn voor een bewezenverklaring is echter niet gebleken. Pas indien daarvan wel sprake zou zijn zou aanleiding kunnen bestaan om in de overwegingen te betrekken dat verdachte (ook) ten aanzien van die omstandighe(i)d(en) heeft gezwegen en dus geen de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Dat maakt dat het zwijgen van verdachte niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid die een rol kan spelen bij de beoordeling van het (ontoereikende) bewijsmateriaal.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Lagere schadevergoeding dan gevorderd in Schipholbrand

Gerechtshof Den Haag 25 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:439

Het gerechtshof heeft de verzoeker bij arrest van 1 maart 2013 vrijgesproken van al het aan hem tenlastegelegde in het kader van de strafzaak die bekend staat als ‘de Schipholbrand’. Dit arrest is onherroepelijk geworden.

Namens de verzoeker is bij vier tijdig ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschriften ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering gevraagd om vergoeding van kosten voor deskundigenonderzoeken, die ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de verzoeker zijn gekomen.

De verzoeken ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering

De verdediging heeft in de loop van de strafprocedure tegen de verzoeker op eigen initiatief een aantal deskundigen opdracht gegeven tot het verrichten van de na te noemen onderzoeken. Zij heeft het hof verzocht om vergoeding van de kosten daarvan.

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld (AV-nr. 0925)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €714 ter zake van het door deze deskundige uitgevoerde forensisch-medische onderzoek naar de trauma-opvang van een aantal slachtoffers van de Schipholbrand.

B. Onderzoek MSNP Management B.V. (AV-nr. 0927)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €127.500 ter zake van het door de deskundigen ir. B.H. van den Heuvel en B.P.F. Roes van MSNP Management B.V. uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen – kort gezegd –:

  • het opstellen van het onderzoeksmemo “Analyse van camerabeelden” d.d. 10 november 2008;
  • het opstellen van een geactualiseerd rapport d.d. 7 augustus 2009;
  • gemaakte uren in verband met het door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) uitgevoerde onderzoek naar de juistheid van de rapportage van MSNP.

C. Onderzoek drs. [V.] (AV-nr. 0929)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €56.613,84 ter zake van het door drs. [V.] uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen:

  • het opstellen van het onderzoeksrapport “Terminaal Schiphol” (ad €38.400). Dit betreft een zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de Schipholbrand;
  • het als controlerend deskundige i.d.z.v. artikel 232 (oud) van het Wetboek van Strafvordering bijwonen van de celbrandproeven en shagproeven door DGMR (ad €14.843,76);
  • het verhoor van drs. [V.] ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam n.a.v. genoemd onderzoeksrapport (ad €3.370,08).

D. Statistisch onderzoek PSCT (AV-nr. 0931)

Namens verzoeker is gevraagd om een vergoeding van €6.534 ter zake van het door de deskundige dr. ir. P.H.A.J.M. Van Gelder van PSCT uitgevoerde onderzoek. Deze kosten betreffen:

  • het beoordelen van het NFI-rapport d.d. 28 september 2012 over – kort gezegd – het brandgenererend vermogen van shagjes en sigaretten en over de kans dat het oorspronkelijk veronderstelde handelen van de verzoeker brand tot gevolg heeft;
  • het opstellen van een ‘review’ bij het NFI-rapport;
  • het toelichten daarvan ter terechtzitting van dit hof van 8 november 2012.

De raadkamer van het hof heeft de verzoekschriften op 14 januari 2014 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord de advocaat van de verzoeker en de advocaat-generaal mr. M. van der Horst. De verzoeker is ongewenst verklaard en uitgezet naar Libië. Het verzoek de ongewenstverklaring op te heffen, is door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afgewezen. Verzoeker is niet verschenen.

Conclusie advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van alle verzoeken ex artikel 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de betreffende onderzoeken het belang van het onderzoek volgens hem niet hebben gediend.

Pleidooi advocaat

Mr. Frijns heeft in raadkamer gepersisteerd bij zijn ingediende verzoeken en deze nader toegelicht.

Kader voor beoordeling van de verzoeken

Het hof stelt voorop dat het de verdediging in een strafprocedure vrijstaat buiten het gebruikelijke kader van de artikelen 315 dan wel 316, in samenhang met artikel 328 van het Wetboek van Strafvordering geheel zelfstandig, buiten het gerecht om, deskundigenonderzoek te entameren, bijvoorbeeld met het doel onderbouwing te verkrijgen voor een bepaald alternatief scenario. De daarmee gemoeide kosten komen in dat geval ingevolge artikel 1, derde lid, van de Wet tarieven in strafzaken in beginsel ten laste van de verdachte.

Geen “blanco cheque”

Weliswaar biedt artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering de gewezen verdachte in beginsel de mogelijkheid het gerecht waar de zaak het laatst heeft gediend te verzoeken de gemaakte kosten te vergoeden, maar de wetgever heeft daarbij nadrukkelijk een voorbehoud gemaakt: ingevolge artikel 591, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt aan de gewezen verdachte […] uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend […].

Uit laatstgenoemd criterium volgt naar ’s hofs oordeel in ieder geval:

1. dat sprake dient te zijn van onderzoek door een deskundige die ervan blijk heeft gegeven geschikt te zijn om in een strafzaak te rapporteren. Dat brengt mee dat de deskundige moet voldoen aan eisen van onafhankelijkheid, onpartijdigheid, zorgvuldigheid, vakbekwaamheid en integriteit. Een en ander moet blijken uit het door een deskundige opgesteld onderzoeksrapport dan wel afgelegde verklaring ter zitting;

2. dat nodeloos gemaakte of anderszins onredelijke kosten niet door het Rijk worden vergoed. Dat betekent dat bij de vaststelling van een eventuele vergoeding door de rechter kritisch dient te worden gekeken naar de opzet en de omvang van het uitgevoerde onderzoek.

Vanwege het verband tussen de regeling van artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering en het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde, is de rechter bij het vaststellen van de vergoeding voorts gebonden aan de in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 vastgestelde (maximale) tarieven (artikel 1 van genoemde wet). Van een machtiging van de advocaat-generaal bij het ressortsparket voor het maken van buitengewone, niet voorziene kosten, is niet gebleken (artikel 2 van genoemde wet). Het maximaal te declareren uurtarief bedroeg ten tijde van alle genoemde onderzoeken in beginsel €81,23.

Het hof zal aan de hand van de hierboven vermelde maatstaven beoordelen of de verzoeken een genoegzame wettelijke basis hebben.

Het hof constateert met het oog daarop terzijde dat:

a) de verdediging na het einde van de strafzaak kennelijk de onderzoekers heeft opgeroepen te declareren en wel volgens het tarief voor de vergoeding die aan de onderzoeker Delémont c.s. van het internationaal vermaarde onderzoeksinstituut aan de Universiteit Lausanne werd gegund en dat de meeste declaraties in de loop van 2013 zijn ingediend;

b) de advocaat, blijkens zijn mededelingen dienaangaande in raadkamer, bij de opdrachtverstrekking aan de onderzoekers er destijds op heeft gewezen dat onzeker was of de verdachte de onderzoekskosten zou kunnen dragen en met de onderzoeker de afspraak heeft gemaakt dat zij desondanks onderzoek zouden verrichten en daarover zouden rapporteren.

Beoordeling van de verzoeken

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten het belang van het onderzoek heeft gediend en zal de gevraagde vergoeding van €714 toekennen.

B. Onderzoek MSNP Management B.V.

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten weliswaar het belang van het onderzoek heeft gediend, maar dat onvoldoende is onderbouwd dat de aanzienlijke omvang van het deskundigenonderzoek noodzakelijk is geweest. De deskundigen hebben meer dan zeshonderd uren gedeclareerd, terwijl het hof ervan uitgaat dat met een (voor)onderzoek van honderd uren per deskundige voldoende duidelijkheid had kunnen worden verschaft om de noodzaak van verder onderzoek aan de rechtbank voor te leggen. Derhalve zal het hof een vergoeding toekennen voor tweemaal honderd uren. Het hof zal het gedeclareerde uurtarief van €200 voorts matigen tot het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Dit brengt mee dat het hof zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (200 X €81,23 =) €16.246.

C. Onderzoek drs. [V.]

Het hof is van oordeel dat de aanwending van kosten voor het onderzoeksrapport van drs. [V.] het onderzoek niet heeft gediend. Het hof overweegt daartoe dat op grond van het onderzoek in raadkamer niet is gebleken dat [V.] voldoet aan te stellen elementaire eisen van deskundigheid op het terrein waarover hij rapporteerde. Dit oordeel komt voor verzoeker niet als een verrassing, aangezien de rechter-commissaris (op 13 maart 2007) en de raadkamer (4 april 2007) bij de rechtbank Haarlem deze persoon reeds onvoldoende deskundig hebben geacht om als zodanig (te weten als deskundige in de zin van art. 227 Wetboek van Strafvordering) te worden benoemd. Door deze persoon desondanks in te schakelen heeft de verdediging welbewust het risico genomen dat in de procedure ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering eenzelfde oordeel over de deskundigheid van drs. [V.] zou worden gegeven.

Ten aanzien van het optreden van [V.] als “controlerend deskundige” ex artikel 232 (oud) van het Wetboek van Strafvordering moet – conform de beschikking d.d. 4 april 2007 van de raadkamer van de rechtbank Haarlem - worden geoordeeld dat het daarbij gaat om een vrij beperkte rol waarvoor minder stringente criteria gelden. De hiervoor aangewende kosten hebben naar ’s hofs oordeel het onderzoek gediend. Het hof zal derhalve een vergoeding toekennen, maar het gedeclareerde uurtarief van €200 vanwege die beperkte rol matigen tot vijftig procent van het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Voorts is het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat voor het opstellen van het betreffende rapport – dat vrij beperkt van omvang is - een onderzoek van 70 uren noodzakelijk is geweest. Het hof zal daarom overgaan tot vergoeding van de helft van het aantal gedeclareerde uren.

Dit brengt mee dat het hof op dit punt zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (35 uren X €40,62 =) € .421,70 + €2.993,76 (kilometervergoeding conform het Besluit tarieven in strafzaken) = €4.415,46.

De declaratie van drs. [V.] voor het afleggen van een verklaring ter zitting van het Hof Amsterdam op 10 en 11 augustus 2009 is voor gedeeltelijke toewijzing vatbaar. Het hof zal de declaratie matigen, in die zin dat zal worden uitgegaan van een uurtarief van €81,23 voor de werkuren en €40,62 voor de reisuren (conform het Besluit tarieven in strafzaken).

Dit brengt mee dat het hof op dit punt zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (11,83 uren X €81,23 + 6 uren X 40,62 =) €1.204,67 + € 403,48 (kilometervergoeding conform het Besluit tarieven in strafzaken) = €1.608,15.

De in totaal toe te kennen vergoeding bedraagt (€4.415,46 + €1.608,15 =) €6.023,61.

D. Statistisch onderzoek PSCT

Het hof is van oordeel dat deze aanwending van kosten het belang van het onderzoek heeft gediend. Het zal een vergoeding toekennen, maar het gedeclareerde uurtarief van €150 matigen tot het maximale bedrag van €81,23 per uur.

Dit brengt mee dat het hof zal overgaan tot toekenning van een vergoeding van (36 uren X €81,23 =) €2.924,28.

Beoordeling van de verzoeken ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (AV-nrs. 0926, 0928, 0930 en 0932)

De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing die op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de door verzoeker gemaakte kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe - alle omstandigheden in aanmerking genomen - gronden van billijkheid aanwezig zijn.

Nu het hof bij beschikking van heden de vier ingediende verzoeken ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering – al dan niet gedeeltelijk - heeft toegewezen, acht het hof gronden van billijkheid aanwezig om de kosten van rechtsbijstand die gemoeid zijn met het opstellen, indienen en behandelen van de betreffende verzoekschriften, voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

Nu de advocaat van de verzoeker aanwezig is geweest bij de mondelinge behandeling van de verzoeken, zal het hof aan de verzoeker vier maal de forfaitaire vergoeding van €550 toekennen.

Uit het voorgaande volgt dat moet worden beslist als hierna is aangegeven.

Beslissing

Het hof:

A. Onderzoek deskundige Eikelenboom-Schieveld (AV-nrs. 0925 en 0926)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €714.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

B. Onderzoek MSNP Management B.V. (AV-nrs. 0927 en 0928)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €16.246. Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

C. Onderzoek drs. [V.] (AV-nrs. 0929 en 0930)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €6.023,61. Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

D. Statistisch onderzoek PSCT (AV-nrs. 0931 en 0932)

Wijst het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering toe, in dier voege dat aan de verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding wordt toegekend tot een bedrag van in totaal €2.924,28.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Wijst het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering toe en kent aan de verzoeker ten laste van de Staat een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal €550.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vervoer van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kommen: Beroep op fait d’excuse

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:1360

Verdachte heeft zonder noodzaak gevaarlijke stoffen vervoerd door de bebouwde kom van Delfzijl. Verdachte heeft hiermee gehandeld in strijd met de doelstelling van de Wet gevaarlijke stoffen, de bevordering van de openbare veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Door en namens verdachte is aangevoerd dat de bij haar in dienst zijnde chauffeur met het voertuig door de bebouwde kommen van Delfzijl en Appingedam heeft gereden, maar dat verdachte dient te worden vrijgesproken, dan wel te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de uitzonderingsgronden van artikel 11, tweede lid, onder a en b, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: Wvgs) van toepassing zijn.

Volgens de raadsman was het vervoer binnen de bebouwde kom van Delfzijl noodzakelijk ten behoeve van het laden van het voertuig. Daarnaast was er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom (het hof begrijpt: van Appingedam) beschikbaar.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De door de raadsman aangevoerde omstandigheden zijn aan te merken als een fait d'excuse en komen aan de orde bij de vraag naar de strafbaarheid van het feit.

Uit de stukken is gebleken dat de gevaarlijke stoffen zijn geladen bij [bedrijf], gevestigd aan de [straat]. Volgens openbaar te raadplegen kaartmateriaal (Google maps) is de [straat] gelegen in Farmsum. De verbalisanten hebben op 2 april 2012 geconstateerd dat de chauffeur op de [straat] te Farmsum reed en vervolgens door de bebouwde kom van Delfzijl reed. De door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat het vervoer van de gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom van Delfzijl noodzakelijk was ten behoeve van het laden daarvan, is niet aannemelijk gemaakt en ook overigens is dit op grond van de stukken niet aannemelijk geworden. In dit verband overweegt het hof dat de bebouwde kom van Delfzijl had kunnen worden vermeden door het volgen van de route via de N991, de N362 (Holeweg) en de N33. Het beroep op de in artikel 11, tweede lid, onder a, van de Wvgs geformuleerde uitzonderingsgrond wordt daarom verworpen.

Ten aanzien van vervoer van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom van Appingedam over de N360 heeft verdachte aannemelijk gemaakt dat er in dit geval redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar was, zodat verdachte, gelet op de in artikel 11, tweede lid, onder b, van de Wvgs geformuleerde uitzondering, ten aanzien van dit deel van de bewezenverklaring zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 350,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verweer: OM niet-ontvankelijk wegens optreden onderzoeksjournalist in GHB-zaak. Geen regisserende rol OM. Geen sprake van burgerinfiltratie.

Gerechtshof Den Haag 18 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:319

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaren met anderen schuldig gemaakt aan het handelen in en het in bezit hebben van het verdovende middel GHB. Tevens heeft de verdachte met zijn mededaders gedurende een periode van ruim tien maanden strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet gepleegd ten aanzien van de handel in GHB.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat het hof het openbaar ministerie, met vernietiging van het vonnis, niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de verdachte.

In dat verband heeft raadsman aangevoerd dat vanaf het moment waarop journalist [naam], destijds werkzaam voor het televisieprogramma “[naam]”, zich op 21 februari 2013 als getuige meldde bij het openbaar ministerie in Rotterdam, in deze zaak in strijd is gehandeld met de geldende wet- en regelgeving. Er is immers sprake geweest van de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid “burgerinfiltratie”, zoals omschreven in artikel 126w van het Wetboek van Strafvordering, omdat nadat [naam] zich had gemeld – aldus de raadsman - een reeds tussen [ en de verdachte gemaakte afspraak, in overleg met politie en openbaar ministerie is afgezegd en vervolgens telefonisch (gevolgd onder de tap) een nieuwe afspraak met de verdachte is gemaakt die is geobserveerd door de politie.

Subsidiair heeft de raadsman, overeenkomstig zijn pleitnota, bepleit dat de aanhouding, inverzekeringstelling en ‘in hechtenisneming’ als gevolg van de onrechtmatige inzet van de genoemde opsporingsbevoegdheid onrechtmatig zijn geweest, alsmede dat het jegens de verdachte - als gevolg van die onrechtmatig ingezette opsporingsbevoegdheid - verkregen bewijsmateriaal zal worden uitgesloten van het bewijs van het laste gelegde. De verdachte dient daarom van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken van het geding is het hof, in weerwil van het betoog van de raadsman, van oordeel dat geenszins is gebleken dat de journalist [naam] onder regie van het openbaar ministerie heeft gehandeld. Het hof stelt vast dat [naam] naar aanleiding van zijn eigen journalistieke onderzoek het openbaar ministerie op 21 februari 2013 heeft ingelicht over zijn bevindingen, waarna – zonder dat het openbaar ministerie daarin een regisserende rol heeft gehad - de tussen [naam] en de verdachte gemaakte afspraak drie weken is uitgesteld. Naar aanleiding van het door de politie in gang gezette opsporingsonderzoek is de verdachte aangehouden.

Ten overvloede overweegt het hof dat op grond van artikel 126w, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering eerst rechtens sprake kan zijn van burgerinfiltratie, indien de in dat artikellid bedoelde persoon - die geen opsporingsambtenaar is - bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen aan of medewerking te verlenen aan een groep personen waarbinnen redelijkerwijs kan worden vermoed dat misdrijven worden beraamd of gepleegd. Van dergelijke deelneming of medewerking is echter niet gebleken.

Daarnaast is het hof met de rechtbank van oordeel dat het handelen van burgers onderling, ook als dat handelen wederrechtelijk is, in beginsel niet aan het gebruik van (de resultaten van) dat handelen voor het bewijs tegen de verdachte in de weg staat, tenzij dat wederrechtelijk

handelen aan de officier van justitie kan worden toegerekend.

Geen van die omstandigheden is in casu aannemelijk gemaakt, noch anderszins aannemelijk geworden. Derhalve verwerpt het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Voorts is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van een onrechtmatige aanhouding, inverzekeringstelling of inbewaringstelling van de verdachte.

Gelet op het vorenstaande kan het subsidiair gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting onbesproken blijven.

Bewezenverklaring

  1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
  2. Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd.
  3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^