Vrijspraak NAM in omvangrijke milieustrafzaak rond waterinjectie en afvalcodering

Rechtbank Overijssel 16 oktober 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6116

Verdachte B.V., exploitant van onder meer een gasbehandelingsinstallatie, opslag- en scheidingsfaciliteit en injectielocatie, wordt verweten zonder of in strijd met vergunning gevaarlijke afvalstromen te hebben ontvangen, gemengd en geïnjecteerd.
Het Openbaar Ministerie stelt dat diverse vloeistofstromen, onder meer vanwege kwikgehalte, als gevaarlijk afval onder Euralcode 05.07.01 moeten worden aangemerkt en niet binnen de vergunning passen. De rechtbank volgt, mede op basis van STAB-rapportages, dat vergund samengevoegde waterstromen moeten worden beoordeeld als nieuwe samengestelde stromen en dat gemeten kwikconcentraties onder de grenswaarden voor gevaarlijk afval blijven. Voor meerdere ten laste gelegde transporten ontbreekt bovendien concreet bewijs over de exacte samenstelling, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van gevaarlijke of niet-vergunde afvalstromen. De rechtbank spreekt verdachte integraal vrij van alle zes feiten.

Context van de zaak

In deze omvangrijke economische strafzaak staat een rechtspersoon terecht: verdachte B.V., een mijnbouwonderneming die sinds 1947 – aanvankelijk via haar rechtsvoorgangster – actief is in de opsporing, winning en exploitatie van aardolie en aardgas. Verdachte exploiteert meerdere inrichtingen, waaronder een gasbehandelingsinstallatie (GBI), een reststoffenbewerkingsinstallatie (RBI), een opslag- en scheidingsfaciliteit (OSF) en een waterinjectielocatie.

Bij de winning en behandeling van aardgas komen verschillende waterstromen vrij. Het gaat onder meer om formatiewater, productiewater en productievloeistof, bestaande uit productiewater met aardgascondensaat. Deze stromen worden op de GBI en RBI behandeld, waarna zij – al dan niet na scheiding – via de OSF worden afgevoerd naar de injectielocatie, waar zij in voormalige gasvelden op circa drie kilometer diepte worden geïnjecteerd.

Het Openbaar Ministerie verwijt verdachte dat zij gedurende een lange periode – van januari 2010 tot begin 2022 – zonder omgevingsvergunning dan wel in strijd met verleende vergunningen gevaarlijke of niet-vergunde afvalstromen heeft ontvangen, verwerkt, gemengd en geïnjecteerd. In het onderzoek Zeus speelt de kwalificatie van diverse vloeistofstromen als (gevaarlijke) afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer een centrale rol. De rechtbank laat zich daarbij uitvoerig adviseren door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB), die tweemaal rapporteert en ter zitting wordt gehoord.

Tenlastelegging

Verdachte wordt onder zes feiten verweten dat zij zonder omgevingsvergunning dan wel in strijd met haar vergunning:

  1. 61 maal gevaarlijk afval afkomstig van de GBI heeft ontvangen en/of verwerkt op de OSF;

  2. 632 maal gevaarlijk afval afkomstig van de RBI en een aanvullende vloeistofstroom van in totaal 5.216 m³ heeft ontvangen en/of verwerkt op de OSF;

  3. 65 maal afval afkomstig van een externe locatie heeft ontvangen en/of verwerkt op de OSF;

  4. vijf maal spuit- en spoelwater afkomstig van sloopwerkzaamheden heeft ontvangen en/of verwerkt;

  5. gevaarlijke afvalstoffen afkomstig van de GBI en RBI heeft gemengd met andere (gevaarlijke) afvalstoffen;

  6. gevaarlijk dan wel niet-vergund afval heeft geïnjecteerd in de diepe ondergrond op de injectielocatie.

De kern van het verwijt betreft telkens de vraag of sprake is van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer en, indien dat het geval is, of de ontvangst, verwerking, menging of injectie binnen de reikwijdte van de verleende vergunningen valt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt dat de afvalstroom van de GBI moet worden ingedeeld onder subhoofdstuk 05.07 van de Europese afvalstoffenlijst, meer specifiek onder Euralcode 05.07.01, aangeduid als absoluut gevaarlijk afval wegens het kwikhoudende karakter. Volgens het Openbaar Ministerie doet vermenging met andere stromen niet af aan het gevaarlijke karakter, nu het mengen van absoluut gevaarlijke afvalstoffen niet vergund zou kunnen worden.

Ten aanzien van de 632 vrachten vanaf de RBI wijst het Openbaar Ministerie op meldingen met Euralcode 05.07.01. Hieruit leidt het af dat het gevaarlijke afval betrof, terwijl de OSF geen vergunning had voor de ontvangst van gevaarlijke afvalstoffen afkomstig van de RBI. Ook de zogenoemde NGL-stroom zou niet binnen de vergunde categorieën vallen.

De 65 vrachten via de externe locatie en het spuit- en spoelwater afkomstig van sloopwerkzaamheden worden door het Openbaar Ministerie aangemerkt als niet-vergunde afvalstromen, omdat zij volgens haar niet onder de in de vergunning genoemde vloeistofstromen vallen.

Voorts stelt het Openbaar Ministerie dat het mengen van deze gevaarlijke afvalstromen op de OSF in strijd is met het mengverbod en dat de injectie van deze stromen in de diepe ondergrond eveneens niet vergund is.

Standpunt van de verdediging

De verdediging betoogt dat geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer.

Met betrekking tot de GBI-stroom voert zij aan dat op de GBI vergund productiewater en verontreinigd hemelwater worden samengevoegd. De aldus ontstane samengestelde stroom moet als zodanig worden beoordeeld. Volgens de verdediging valt deze stroom onder subhoofdstuk 16.10 van de Europese afvalstoffenlijst. De gemeten kwikconcentraties liggen ver onder de grenswaarde van 1.000 mg/l, zodat geen sprake is van gevaarlijk afval.

Ten aanzien van de 632 vrachten vanaf de RBI stelt de verdediging dat de melding met Euralcode 05.07.01 een administratieve fout betreft. De precieze samenstelling van deze vrachten is niet vastgesteld. Het is niet uitgesloten dat zij vallen onder de vergunde vloeistofstromen.

Ook met betrekking tot de 65 vrachten ontbreekt bewijs over de exacte samenstelling. Volgens de verdediging kunnen deze stromen overeenkomen met vergunde categorieën, zoals teruggeproduceerde operationele vloeistoffen of productiewaterstromen.

Het spuit- en spoelwater afkomstig van bovengrondse sloopwerkzaamheden valt volgens de verdediging onder de expliciet vergunde categorie van spoel- en spuitwater.

Nu geen gevaarlijke afvalstromen zijn ontvangen, is volgens de verdediging evenmin sprake van verboden mengen of van injectie van gevaarlijke afvalstoffen.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1 – 61 vrachten van de GBI

De rechtbank volgt de analyse van de STAB. Zij stelt vast dat op de GBI vergund productiewater en verontreinigd hemelwater worden samengevoegd in tank T-3. Ook indien het productiewater als gevaarlijke afvalstof zou moeten worden aangemerkt, is de samenvoeging op zichzelf vergund.

De rechtbank verwerpt het standpunt van het Openbaar Ministerie dat het mengen van absoluut gevaarlijke afvalstoffen niet vergund zou kunnen worden. Artikel 10.54a Wet milieubeheer biedt de mogelijkheid om bij vergunning af te wijken van het mengverbod, zonder onderscheid naar type Euralcode.

Voor de bepaling van de Euralcode moet worden gekeken naar de herkomst van de samengestelde stroom. Deze is niet uitsluitend afkomstig van aardgaszuivering. Daarom valt zij niet onder subhoofdstuk 05.07 maar onder 16.10. Gelet op de gemeten kwikconcentraties – maximaal 4,9 mg/l – is geen sprake van gevaarlijk afval. De ontvangst op de OSF was vergund.

Feit 2 – 632 vrachten en NGL-stroom van de RBI

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen begeleidingsbrieven of analysegegevens bevat waaruit de exacte samenstelling van de 632 vrachten kan worden afgeleid. Dat zij bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen zijn gemeld onder Euralcode 05.07.01 acht de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat daadwerkelijk gevaarlijk afval is afgevoerd.

Niet kan worden uitgesloten dat de vrachten bestonden uit één of meer van de in de vergunning genoemde vloeistofstromen. Ook ten aanzien van de NGL-stroom ontbreekt voldoende duidelijkheid over aard en samenstelling. Daarom kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat een gevaarlijke of niet-vergunde afvalstroom is ontvangen.

Feit 3 – 65 vrachten via externe locatie

Ook hier kan de precieze samenstelling niet worden vastgesteld. Het dossier bevat geen analysegegevens. Niet kan worden uitgesloten dat de betreffende stromen vallen onder één of meer van de zeven in de Beschrijving OSF genoemde vloeistofstromen. Het bewijs schiet tekort.

Feit 4 – Spuit- en spoelwater bij sloopwerkzaamheden

De rechtbank stelt vast dat in de ten laste gelegde periode uitsluitend bovengrondse werkzaamheden plaatsvonden. Deskundigen verklaren dat bij dergelijke werkzaamheden eenzelfde afvalwaterstroom ontstaat als bij regulier reinigen van installaties.

De vergunning maakt geen onderscheid tussen regulier reinigen en reinigen in het kader van sloop, voor zover het bovengrondse onderdelen betreft. De ontvangst van deze stroom was daarom niet uitgesloten. Van de aanwezigheid van annulusvloeistoffen is niet gebleken.

Feit 5 – Mengen

Nu niet bewezen is dat gevaarlijke afvalstoffen zijn ontvangen, kan evenmin worden vastgesteld dat gevaarlijke afvalstoffen zijn gemengd in strijd met artikel 10.54a Wet milieubeheer.

Feit 6 – Injectie

Het verwijt onder feit 6 is gebaseerd op dezelfde afvalstromen als onder de feiten 1, 2 en 5. Nu niet is bewezen dat deze stromen gevaarlijk of niet-vergund waren, kan evenmin worden bewezen dat op de injectielocatie gevaarlijke of niet-vergunde afvalstromen zijn geïnjecteerd.

Vrijspraak

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt haar integraal vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^