Krantenartikel over witwasdossiers leidt tot Kamervragen

De PvdA heeft Kamervragen gesteld aan minister Van der Steur van Veiligheid en Justitie en minister Dijsselbloem van Financiën over witwasdossiers die blijven liggen bij de Financial Intelligence Unit (FIU). Ook de SP stelde minister Van der Steur Kamervragen over deze kwestie. Beide partijen baseren hun Kamervragen op een artikel uit De Telegraaf, waarin staat dat met de gegevens van de FIU te weinig gebeurt.

 

Print Friendly and PDF ^

Wwft: Bestuurlijke boete opgelegd wegens niet verrichten clientenonderzoek

Rechtbank Rotterdam 6 augustus 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:5650 (Bestuursrecht) Bij besluit van 10 juli 2014 (primaire besluit) heeft het BFT eiseres een bestuurlijke boete van €1.500 opgelegd wegens overtreding van artikel 3 van de WWFT. Dit besluit bevat tevens een waarschuwing aan eiseres wegens overtreding van artikel 5 van de WWFT. Bij besluit van 22 september 2014 (het bestreden besluit) heeft het BFT het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

Feiten

Op 25 april 2013 heeft een medewerker van het BFT op het kantoor van eiseres een onderzoek verricht naar de naleving van de WWFT door eiseres. Daarbij zijn onder meer vijf dossiers van cliënten van eiseres onderzocht. In twee van deze dossiers is geconstateerd dat het op grond van artikel 3 van de WWFT verplichte cliëntenonderzoek niet is verricht. In het dossier betreffende bedrijf 2 ontbrak een kopie van het identiteitsbewijs van de enig aandeelhouder van bedrijf 2 en in het dossier betreffende bedrijf 3. (bedrijf 3) ontbrak een uittreksel van de Luxemburgse Kamer van Koophandel of enige andere informatie waaruit kan worden opgemaakt wie de aandeelhouder(s) is/zijn van de rechtspersoon bedrijf 4 te Luxemburg (de Luxemburgse Holding), die enig aandeelhouder is van de rechtspersoon bedrijf 5, die volgens het in het dossier aanwezige uittreksel van de Nederlandse Kamer van Koophandel enig aandeelhouder is van bedrijf 3.

Eiseres is tot uiterlijk 14 mei 2013 in de gelegenheid gesteld voormeld cliëntenonderzoek alsnog te verrichten. Bij e-mail van 17 mei 2013 heeft eiseres aan het BFT bericht dat het identiteitsbewijs van de enig aandeelhouder van bedrijf 2 inmiddels is ontvangen en dat nog geen informatie is ontvangen over de aandeelhouder(s) van de Luxemburgse Holding. Bij brief van 16 september 2013 heeft eiseres nadere informatie over de Luxemburgse Holding aan het BFT doen toekomen, waaruit echter niet kan worden opgemaakt wie de aandeelhouder(s) van deze Holding zijn.

Op 18 maart 2014 heeft het BFT telefonisch contact opgenomen met eiseres teneinde de stand van zaken te vernemen met betrekking de Luxemburgse Holding. Daarbij heeft eiseres medegedeeld dat er feitelijk geen werkzaamheden zijn verricht voor deze rechtspersoon en heeft het BFT eiseres erop gewezen dat op grond van artikel 5 van de WWFT de cliëntrelatie moet worden verbroken. Eiseres heeft daarop te kennen gegeven dat dit niet met zoveel woorden is gebeurd.

Na op 23 april 2014 het voornemen daartoe aan eiseres kenbaar te hebben gemaakt en kennis te hebben genomen van de zienswijze van eiseres daarop, heeft het BFT eiseres bij het primaire besluit een bestuurlijke boete van €1.500 opgelegd wegens het in strijd met artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de WWFT niet identificeren en niet verifiëren van de uiteindelijk belanghebbende(n) (ook wel 'Ultimate Beneficial Owner(s)' genoemd) van bedrijf 3. Het primaire besluit bevat tevens een herhaling van de bij het voornemen gegeven waarschuwing aan eiseres wegens overtreding van artikel 5 van de WWFT, waarbij eiseres te kennen is gegeven dat zij de zakelijke relatie met bedrijf 3 dient te verbreken en dat zij de schriftelijke vastlegging van die verbreking aan het BFT dient toe te zenden.

Bij het bestreden besluit heeft het BFT het door eiseres gemaakte bezwaar tegen de boeteoplegging en de waarschuwing ongegrond verklaard.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het BFT in het bestreden besluit in reactie op het door eiseres in bezwaar ingenomen (en in beroep herhaalde) standpunt dat geen zakelijke relatie met bedrijf 3 is aangegaan heeft volstaan met de opmerking dat deze bezwaargrond ziet op de niet voor bezwaar vatbare waarschuwing, zodat het bezwaar op dit onderdeel ongegrond wordt verklaard. Gelet hierop ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering. Het standpunt dat geen zakelijke relatie met bedrijf 3 is aangegaan is immers ook relevant voor de door het BFT bij de heroverweging in bezwaar te beantwoorden vraag of in het primaire besluit terecht is geconcludeerd dat sprake is van een overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de WWFT, nu op eiseres geen verplichting rust tot het verrichten van een cliëntenonderzoek met betrekking tot bedrijf 3, indien zij met deze rechtspersoon daadwerkelijk geen zakelijke relatie is aangegaan. Voorts kan aan de ongegrondverklaring van het bezwaar voor zover gericht tegen de waarschuwing niet ten grondslag worden gelegd dat de waarschuwing niet vatbaar is voor bezwaar, nu dit niet‑ontvankelijkheid van het bezwaar op dit onderdeel impliceert.

Gezien het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.

Gelet op artikel 8:72a van de Awb en in het kader van de definitieve beslechting van het geschil zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van eiseres voor zover gericht tegen de waarschuwing, niet-ontvankelijk verklaren en voor zover gericht tegen de boeteoplegging, ongegrond verklaren. Daaraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

Zoals ook in het bestreden besluit is opgemerkt, is de waarschuwing niet vatbaar voor bezwaar. De waarschuwing berust niet op de wet en is geen handhavingsinstrument maar niet meer dan een, al dan niet juiste, constatering dat eiseres artikel 5 van de WWFT overtreedt zolang zij de zakelijke relatie met bedrijf 3 niet heeft verbroken en dat dit wordt aangemerkt als economisch delict. De waarschuwing legt eiseres, anders dan zij kennelijk meent, geen rechtens bindende verplichting op, onthoudt haar niet enig recht en raakt haar evenmin anderszins direct in haar rechtspositie. Hieruit volgt dat de waarschuwing niet is gericht op enig rechtsgevolg, waardoor deze niet kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar openstaat (vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 8 mei 2014, ECLI:NL:CBB:2014:187). Het in het kader van de waarschuwing door eiseres ingenomen standpunt dat met bedrijf 3 geen zakelijke relatie is aangegaan behoeft in zoverre dan ook geen bespreking.

Voor zover eiseres met haar standpunt dat geen zakelijke relatie met bedrijf 3 is aangegaan en er slechts sprake is geweest van voorbereidende werkzaamheden stelt dat zij niet verplicht was tot het verrichten van een cliëntenonderzoek met betrekking tot deze rechtspersoon, volgt de rechtbank haar niet in die stelling. Niet is in geschil dat op 27 januari 2012 (een deel van) de administratie van bedrijf 3 op het kantoor van eiseres is gebracht met het verzoek de jaarrekeningen op te stellen en de fiscale aangiftes te doen. Omdat wegens het ontbreken van de daarvoor benodigde administratie deze werkzaamheden nadien nimmer hebben plaatsgevonden, is volgens eiseres echter nooit sprake geweest van een zakelijke relatie met bedrijf 3. Nog daargelaten dat de in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de WWFT opgenomen definitie van zakelijke relatie geen grond biedt voor het oordeel dat reeds werkzaamheden moeten zijn verricht wil sprake kunnen zijn van een zakelijke relatie, gaat eiseres hiermee eraan voorbij dat bedrijf 3 met een omzet van €2.755 wel op haar ‘omzetlijst klanten’ staat vermeld en dat, zoals zij ter zitting desgevraagd heeft verklaard, wel voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van bedrijf 3 zijn verricht, waarvoor ook tijd is geschreven. Dat pas na de voorbereidende werkzaamheden een zakelijke relatie zou ontstaan omdat dan pas duidelijk is of eiseres iets voor bedrijf 3 zou kunnen betekenen, volgt de rechtbank niet. Bovendien heeft eiseres desgevraagd ter zitting verklaard dat, indien zij alsnog de beschikking zou hebben gekregen over de benodigde administratie voor het vaststellen van jaarrekeningen en het doen van fiscale aangiftes, ook deze werkzaamheden zouden zijn uitgevoerd. Onder deze omstandigheden kan eiseres niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij geen zakelijke relatie met bedrijf 3 is aangegaan en was zij dus wel degelijk verplicht tot het verrichten van een cliëntenonderzoek met betrekking tot deze rechtspersoon.

Reeds nu eiseres niet betwist dat zij heeft nagelaten de uiteindelijk belanghebbende(n) van bedrijf 3 te identificeren en de identiteit te verifiëren, bestaat geen grond voor het oordeel dat het BFT in het primaire besluit ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat eiseres ten aanzien van deze rechtspersoon artikel 3 van de WWFT heeft overtreden.

Gezien deze overtreding is het BFT bevoegd eiseres een bestuurlijke boete op te leggen. De stelling van eiseres dat onevenredig veel tijd is besteed aan het dossier van bedrijf 3 en dat het doel van de controle is ingegeven door het feit dat het BFT via eiseres de identiteit van de aandeelhouders heeft trachten vast te stellen, biedt geen grond voor het oordeel dat het BFT geen gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid, reeds nu eiseres deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het BFT in de ernst en duur van de overtreding (waarvoor het basisbedrag van €500.000 geldt), dan wel de mate van verwijtbaarheid van eiseres, aanleiding had moeten zien voor verdere matiging van de boete. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat - naar het BFT heeft gesteld en door eiseres niet is weersproken - een Luxemburgse rechtspersoon extra waakzaamheid vereist in verband met het risico op belastingfraude. Dat eiseres een boete van €1.500 niet kan dragen, heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd.

Hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht ten aanzien van de door het BFT geconstateerde overtreding van artikel 3 van het WWFT ten aanzien van bedrijf 2 behoeft geen bespreking, nu deze constatering, zoals blijkt uit het bestreden besluit en de ter zitting door het BFT daarop gegeven toelichting, uiteindelijk geen rol heeft gespeeld bij de boeteoplegging.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het BFT het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt die voor vergoeding op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in aanmerking komen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Art. 34 Sr biedt voldoende grondslag voor het verbeurd verklaren van tegoeden op bevroren bankrekeningen in Marokko

Rechtbank Amsterdam 18 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:6616 Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 maart 2012 tot en met 10 december 2013 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen van geldbedragen, welke hij als tegoed op Marokkaanse bankrekeningen had staan, een speedboot gelegen in Marokko en een woning in Marokko.

De officier van justitie heeft met inachtneming van artikel 34, eerste lid, Sr, verbeurdverklaring gevorderd van de tegoeden op de op naam van verdachte bevroren bankrekeningen in Marokko en de niet in beslag genomen speedboot in Marokko met een geschatte waarde tussen de € 35.000 en € 50.000.

Ten aanzien van de vordering tot verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen, stelt de rechtbank voorop dat inbeslagneming geen vereiste is voor verbeurdverklaring en dat artikel 34 Sr daartoe in beginsel de grondslag biedt. Laatstgenoemde wetsbepaling biedt de verdachte de keuze om verbeurd verklaarde voorwerpen uit te leveren of de door de rechter in zijn uitspraak geschatte waarde te betalen, waarna de artikelen 24b, 24c en 25 Sr overeenkomstige toepassing vinden. In geval van bewezenverklaring van witwassen, kan worden gesteld dat het strafbare feit is begaan met betrekking tot deze voorwerpen. In zoverre zijn de voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring ingevolge artikel 33a, lid 1, sub b, Sr.

Vereist voor de verbeurdverklaring is in beginsel dat de voorwerpen aan de verdachte toebehoren (artikel 33a, lid 1 en 2, Sr). Verdachte hoeft geen eigenaar te zijn van de voorwerpen, voldoende is dat hij zeggenschap heeft over en belang heeft bij de voorwerpen dat zijn betrekking tot die voorwerpen in zoverre met die van eigenaar gelijk kan worden gesteld.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte alle geldbedragen op de bankrekeningen in Marokko heeft witgewassen en dat verdachte de speedboot heeft witgewassen. Hoewel de geldbedragen op de rekeningen van de beide dochters van verdachte tijdig zijn onttrokken aan het gelegde beslag en de speedboot niet bij verdachte of elders is aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat de bewijsmiddelen voldoende steun bieden voor het oordeel dat verdachte een zodanige zeggenschap heeft over de niet in beslag genomen geldbedragen en speedboot, dat gezegd kan worden dat deze hem in strafrechtelijke zin toebehoorden.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 34 Sr voldoende grondslag biedt voor het langs deze weg verbeurd verklaren van de tegoeden op de bevroren bankrekeningen in Marokko en de niet in beslag genomen speedboot in Marokko. De vordering van de officier van justitie kan dan ook worden toegewezen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Wetsvoorstel inzake aanpassing witwaswetgeving ingediend bij de Tweede Kamer

Het Wetsvoorstel inzake aanpassing witwaswetgeving is onlangs ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel voorziet — op basis van het in de rechtspraak gemarkeerde onderscheid tussen enerzijds de situatie van een gedraging die niet is gericht op verbergen en verhullen en anderzijds de witwasmisdrjven van de artikelen 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr — in afzonderlijke strafbaarstelling van (schuld)witwassen. Strafbaar wordt gesteld het enkel verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen die afkomstig zijn van door de dader zelf gepleegde misdrijven. De nieuwe strafbaarstellingen kennen een lager strafmaximum, omdat anders dan in het geval van de artikelen 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr door de verdachte nog geen handelingen zijn verricht die daadwerkelijk gericht zijn op het verbergen en verhullen van de criminele herkomst. Met het wetsvoorstel wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie van de leden van de Tweede Kamer Van Oosten en Recourt, ingediend bij de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel ter verruiming van de mogelijkheden tot bestrijding van financieel-economische criminaliteit (Kamerstukken II 20 13/14, 33 685, nr. 12).

 

Print Friendly and PDF ^

Hof veroordeelt verdachte - anders dan de rechtbank - tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden ter zake van gewoontewitwassen

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3565 Bij vonnis waarvan beroep werd verdachte vrijgesproken van het hem onder 4 primair (gewoontewitwassen) en subsidiair (schuldwitwassen) ten laste gelegde, maar veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaren ter zake van:

  • medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging,
  • opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid Sr, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven, en
  • medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven of feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep beperkt zich tot hetgeen aan de verdachte onder 4 is ten laste gelegd.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor het hem onder 4 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek.

De verdediging heeft bepleit:

  • primair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde;
  • subsidiair dat aan verdachte een andere straf zal worden opgelegd dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel hof

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4. primair ten laste gelegde heeft begaan.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 4 primair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat:

  • het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat de in de tenlastelegging genoemde bedragen middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig zijn, in het bijzonder omdat geen sprake is van vermogensbestanddelen waarover men de beschikking had doordat belasting is ontdoken;
  • de opvatting van de officier van justitie dat sprake is van besmetting van het gehele vermogen van vennootschap van verdachte van de hand moet worden gewezen;
  • het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de in de tenlastelegging genoemde bedragen uit misdrijf afkomstig zouden zijn.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De verdediging heeft aangevoerd dat indien de aangiften loonheffing juist waren gedaan, een deel van het aan de uitzendkracht uitbetaalde nettoloon zou zijn afgedragen aan de fiscus, zodat vennootschap van verdachte door een onjuiste aangifte loonheffing geen vermogensbestanddelen ter beschikking heeft gekregen. Het verweer ontbeert evenwel feitelijke grondslag, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat vennootschap van verdachte met uitzendkrachten een nettoloon had afgesproken. Daaruit volgt dat, indien de aangiften loonheffing juist waren gedaan, aan de uitzendkrachten hetzelfde nettoloon zou zijn uitbetaald, terwijl meer loonheffing zou zijn afgedragen aan de Belastingdienst. Het hof is dan ook van oordeel dat vennootschap van verdachte de beschikking had over vermogensbestanddelen doordat – door het doen van onjuiste aangiften – er loonheffing was ontdoken, welke vermogensbestanddelen derhalve afkomstig waren van enig misdrijf in de zin van artikel 420bis Sr.

Aan het verweer dat geen sprake zou zijn van besmetting van het gehele vermogen van vennootschap van verdachte is ten grondslag gelegd dat deze besmetting volstrekt onaanvaardbare implicaties heeft, aangezien in dat geval:

  • het de onderneming onmogelijk zou worden gemaakt om welke betaling dan ook te doen, aangezien elke betaling het overdragen, omzetten of gebruik maken van dat vermogen zou opleveren en dus witwassen zou zijn;
  • de curator, als deze op de hoogte raakt van de fiscale vergrijpen die zich in de onderneming hebben voorgedaan, moet begrijpen dat de boedel daardoor “besmet” is geraakt, zodat hij de boedel niet zou kunnen vereffenen, aangezien daarvoor noodzakelijkerwijs overdrachts- en dus witwashandelingen nodig zijn;
  • de vraag zich voordoet of de Ontvanger van de Belastingdienst, die weet dat in de onderneming fiscale vergrijpen hebben plaatsgevonden, zou mogen meewerken aan het ontvangen van belastingbetalingen uit het besmette vermogen van de onderneming.

Het hof stelt dienaangaande voorop dat uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat in het geval dat van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen die zijn verkregen door middel van legale activiteiten, het aldus vermengde vermogen kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig.

Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het aldus aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafwaardige gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zou kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt vooral wanneer het illegale deel van een vermogen relatief gering is alsook wanneer door vervolgtransacties met (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen het verband met het gronddelict onduidelijk is geworden.

In het licht van het vorenstaande en in aanmerking genomen dat in situaties waarin het gaat om vermogen dat gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig is, een onbegrensde wetstoepassing niet in alle gevallen strookt met de bedoeling van de wetgever, moet worden aangenomen dat bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

In het onderhavige geval zijn de vermogensbestanddelen waarover vennootschap van verdachte de beschikking had doordat loonheffing was ontdoken, vermengd met het overige vermogen van vennootschap van verdachte Die vermogensbestanddelen laten zich in dat vermogen niet meer individualiseren in de zin dat met precisie kan worden aangewezen welk deel van het vermogen van misdrijf afkomstig is. Aldus is het legaal vermogen van vennootschap van verdachte ‘besmet’ geraakt doordat het is vermengd met van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen, zodat het vermogen van vennootschap van verdachte gedeeltelijk van misdrijf afkomstig is.

Door overboeking van geldbedragen naar de rekening van vennootschap van verdachte is haar vermogen vervolgens eveneens ‘besmet’ geraakt, zodat dit vermogen gedeeltelijk middellijk van misdrijf afkomstig was. Dat heeft eveneens te gelden voor het vermogen van verdachte dat ‘besmet’ is geraakt door overboekingen van de rekeningen van vennootschap van verdachte en vennootschap van verdachte naar de rekening op naam van verdachte, welke rekening feitelijk in gebruik was bij verdachte.

Bij dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe zouden nopen de vermogens van respectievelijk vennootschap van verdachte, vennootschap van verdachte en verdachte na de vermenging met het (gedeeltelijk) van misdrijf afkomstige vermogen toch niet aan te merken als ‘gedeeltelijk van misdrijf afkomstig’ in de zin van de witwasbepalingen.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het valselijk opmaken van kilometerregistratielijsten en het ten onrechte uitbetalen van nettoloon in de vorm van onbelaste kilometervergoedingen binnen vennootschap van verdachte in opdracht en onder leiding van verdachte plaatsvond. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat verdachte wist dat de aangiften loonheffing onjuist werden gedaan en derhalve dat loonheffing werd ontdoken. Aldus heeft verdachte geweten dat zich in het vermogen van vennootschap van verdachte vermogensbestanddelen bevonden waarover vennootschap van verdachte de beschikking had doordat belasting was ontdoken en die derhalve van misdrijf afkomstig waren. Verdachte wist derhalve dat het vermogen van vennootschap van verdachte en – na overboeking van gelden vanuit vennootschap van verdachte – het vermogen van vennootschap van verdachte en zijn eigen vermogen gedeeltelijk van misdrijf afkomstig waren.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Het hof ziet zich nog gesteld voor de vraag vanaf welk moment het vermogen van vennootschap van verdachte gedeeltelijk van misdrijf afkomstig was. Daartoe moet het hof vaststellen vanaf welk moment zich in het vermogen van vennootschap van verdachte vermogensbestanddelen hebben bevonden waarover vennootschap van verdachte de beschikking had doordat belasting was ontdoken.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat in ieder geval vanaf week 8 van 2006, zijnde de periode van 20 tot en met 26 februari 2006, kilometerregistratielijsten valselijk werden opgemaakt. vennootschap van verdachte was op grond van artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gehouden op uiterlijk 31 maart 2006 aangifte voor de loonheffing te doen over februari 2006. Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt of en, zo ja, wanneer de aangifte loonheffing over de maand februari 2006 is gedaan. Aldus zijn twee situaties mogelijk:

  1. De aangifte is uiterlijk op 31 maart 2006 gedaan. Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat de aangifte in dat geval opzettelijk onjuist is gedaan. Het daardoor ontdoken bedrag aan loonheffing was van misdrijf afkomstig.
  2. De aangifte is niet uiterlijk op 31 maart 2006 gedaan. De aangifte is aldus opzettelijk niet of niet tijdig gedaan. Het daardoor ontdoken bedrag aan loonheffing was van misdrijf afkomstig.

In beide gevallen bevond zich op 1 april 2006 in het vermogen van vennootschap van verdachte een bedrag dat van misdrijf afkomstig was. Gelet daarop was het vermogen van vennootschap van verdachte vanaf 1 april 2006 gedeeltelijk van misdrijf afkomstig. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 april 2006 tot 31 maart 2008 geldbedragen – kort gezegd – heeft witgewassen.

Partiële vrijspraak

Het onder het derde gedachtestreepje ten laste gelegde ziet op de overboeking van een bedrag of bedragen van (in totaal) 108.822,57 euro van de ene rekening van vennootschap van verdachte naar de andere rekening van vennootschap van verdachte. Het voorhanden bewijs schiet ervoor tekort dat door deze overboeking de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing is verborgen en/of verhuld dan wel is verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit bedrag of deze bedragen was. Evenmin is bewijs voorhanden dat verdachte dit bedrag of deze bedragen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet dan wel daarvan gebruik heeft gemaakt

Ten aanzien van het onder het vijfde gedachtestreepje ten laste gelegde stelt het hof voorop dat eerst nadat op 6 mei 2006 een bedrag van € 35.000,00 is overgeboekt van de rekening van vennootschap van verdachte naar de rekening van vennootschap van verdachte het vermogen van vennootschap van verdachte gedeeltelijk middellijk van misdrijf afkomstig is geweest. Uit het dossier kan niet blijken of het bedrag of de bedragen van (in totaal) 97.497,02 euro voor of na 6 mei 2006 zijn overgeboekt vanaf de rekening van vennootschap van verdachte, zodat het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet dat dit bedrag of deze bedragen afkomstig was of waren uit enig misdrijf. Voorts is de factuur groot 10.387,90 euro reeds op 6 februari 2006 betaald door overboeking van dat bedrag vanaf de rekening van vennootschap van verdachte, zodat niet kan worden bewezen dat dit bedrag van misdrijf afkomstig is.

Bewezenverklaring

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Geld voorhanden hebben op buitenlandse rekening is voldoende om geld uit eigen misdrijf wit te wassen. AG: dat is anders als het om rekening in NL gaat.

Hoge Raad 15 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2639 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 8 november 2013 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren ter zake feit 1) opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en feit 2) van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Middel

Het vierde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, uit een contante storting van een geldbedrag op een rekening in Marokko mede afleidt dat sprake is geweest van witwassen in Nederland.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte onder meer het volgende aangevoerd:

“Verhullen in Marokko

- t.a.v. witwassen van een geldbedrag van 658.789,50 Dirham (€ 58.742,18) verzoekt de verdediging uw Hof om cliënt hiervan vrij te spreken. Volgens de verdediging staat nog steeds niet vast dat cliënt zelf voornoemd bedrag aldaar gestort zou hebben. Voorts stelt de verdediging dat het zgn. witwassen niet heeft plaatsgevonden in Nederland. De storting van het bedrag heeft in Marokko plaatsgevonden. Het feit is sowieso in het buitenland gepleegd. De Nederlandse strafwet is dan ook niet van toepassing en het OM dient dan ook t.a.v. dit feit niet ontvankelijk te worden verklaard. De verdediging wijst erop dat het zgn. verhullen heeft plaatsgevonden in Marokko. Dat er afschriften van deze rekening naar het woonadres zouden zijn gestuurd doet daar niets aan af. Zoals al eerder is betoogd, is het beschikken over gelden van uit enig misdrijf nog geen witwassen. Het gaat erom dat het geld is omgezet c.q. verhuld en dat heeft in Marokko plaatsgevonden.”

Het hof heeft mede in reactie op dit verweer als volgt overwogen:

“* Het tweede gedachtestreepje (een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 658.789,50 dirham (omgerekend 58.742,18 euro, contant gestort bij de Attijariwafabank op rekeningnummer [001] )).

Nu het hof van oordeel is dat het geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is en het contant storten van het bedrag op een rekening in het buitenland als verbergen, verhullen, overdragen dan wel omzetten kan worden aangemerkt, acht het hof het tweede gedachtestreepje bewezen.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde gesteld dat dit feit in het buitenland is gepleegd en dat de Nederlandse strafwet hierop niet van toepassing is.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

In een arrest van 2 februari 2010 (NJ 2010, 89) heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

"2.4 Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (vgl HR 27 oktober 1998, LJN ZD1413, NJ 1999,221)".

Uit de feiten en omstandigheden waaruit het hof afleidt dat er sprake is van witwassen leidt het hof eveneens af dat verdachte het geldbedrag vanuit Nederland naar Marokko heeft gebracht en het daar op een bankrekening heeft gestort. Daarmee is het feit mede in Nederland gepleegd.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.”

Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte het in het middel bedoelde geldbedrag vanuit Nederland naar Marokko heeft gebracht. Uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat op 16 juli 2010 een bedrag van 658.789,50 dirham op de bankrekening ten name van de verdachte is gestort (bewijsmiddel 8, onderdeel 6.3.2). Een blik achter de papieren muurt leert bovendien het volgende. Uit een naar aanleiding van het rechtshulpverzoek verkregen schriftelijk bericht van de Attijariwafa bank blijkt dat de verdachte (in persoon) de rekening bij de desbetreffende bank heeft geopend op 16 juli 2010. Op dezelfde dag is het bedrag op de rekening gestort. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat het de verdachte is geweest die op die dag het desbetreffende bedrag op zijn eigen nieuwe rekening heeft gestort.

Vervolgens rijst de vraag of ook uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte het desbetreffende geldbedrag vanuit Nederland naar Marokko heeft gebracht.

Uit de bewezenverklaring en de hiervoor geciteerde bewijsoverweging volgt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte het bedrag van 658.789,50 dirham in Woerden, althans in Nederland “voorhanden heeft gehad” en dat bedrag vervolgens in Marokko op een bankrekening heeft gestort.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel waarbij de witwasbepalingen zijn geïntroduceerd, is ten aanzien van het “verwerven”, “voorhanden hebben” en “overdragen” als bedoeld in art. 420bis, eerste lid, onder b, opgemerkt dat deze termen feitelijke zeggenschap veronderstellen, maar dat niet is vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt. Aangezien uit het als bewijsmiddel 8 gebezigde proces-verbaal blijkt dat het geldbedrag is gestort op een bankrekening ten name van de verdachte, op zijn woonadres te Woerden, en de verdachte zodoende dus in Woerden het beheer over de rekening voerde en aldus feitelijke zeggenschap over het geldbedrag had, getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte dit geldbedrag in Woerden, althans in Nederland voorhanden heeft gehad en ook de overige ten aanzien van het geldbedrag bewezen verklaarde gedragingen (mede) in Nederland hebben plaatsgevonden niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. In zoverre faalt het middel. Hiermee komt ook het belang te ontvallen aan de in het middel geformuleerde klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat, zoals het hof heeft overwogen, de verdachte het geldbedrag contant vanuit Nederland naar Marokko heeft gebracht en het daar zelf op een bankrekening heeft gestort. Voor het voorhanden hebben van het geldbedrag in Woerden, althans in Nederland, is dat immers niet bepalend.

Resteert de vraag of het oordeel van het hof dat het bewezen verklaarde kan worden aangemerkt als witwassen de toetsing in cassatie kan doorstaan.

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte de geldbedragen heeft voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, waarbij deze termen klaarblijkelijk zijn gebezigd in de betekenis die daaraan ingevolge art. 420bis, eerste lid, onder b Sr toekomt. Het hof heeft overwogen ervan uit te gaan dat de bewezen verklaarde geldbedragen afkomstig zijn uit (mede) door de verdachte begane misdrijven.

De rechtsregels omtrent het verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen uit eigen misdrijf waaruit volgt dat gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht moeten zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van een voorwerp voordat kan worden gesproken van witwassen, gelden in beginsel niet voor gevallen waarin bewezen is verklaard het “omzetten”, “overdragen” en/of “gebruikmaken” van uit eigen misdrijf verkregen voorwerpen. Dit wordt anders indien dit plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen.

In zijn arrest van 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in die gevallen waarin het enkele storten op een eigen bankrekening van contante geldbedragen die onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn kan worden aangemerkt als "omzetten" of "overdragen" in de betekenis van art. 420bis, eerste lid sub b, Sr, in de regel sprake zal zijn van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. Daaruit volgt dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als "witwassen", er sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen gericht karakter heeft.

Uit het voorgaande volgt dat het omzetten of overdragen van een uit eigen misdrijf afkomstig geldbedrag door het op een eigen bankrekening te storten en het voorhanden hebben van dit bedrag nadat het is gestort, niet zonder meer als witwassen kunnen worden gekwalificeerd. Daarvoor zal sprake moeten zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft. Het oordeel van het hof dat in de gegeven omstandigheden sprake is van zodanige gedragingen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdachte het geldbedrag op een buitenlandse bankrekening heeft gestort. Daarmee is het geldbedrag buiten het economisch verkeer van Nederland gebracht. Daardoor kan het zicht op de herkomst worden bemoeilijkt. Het storten van een bedrag op een eigen bankrekening in Nederland kan naar mijn mening in dit opzicht niet worden gelijk geschakeld met het storten van een bedrag op een buitenlandse bankrekening, ook al is de verdachte de begunstigde van die rekening. Daarbij kan zelfs de vraag worden gesteld of zich hier een bijzonder geval voordoet, als bedoeld in de onder 26 besproken jurisprudentie. Als daarvan al sprake is, meen ik dat het oordeel van het hof dat het storten en op de rekening houden van het bedrag van 658.789,50 dirham op de eigen bankrekening in Marokko als verhullend kan worden aangemerkt en dat derhalve het bewezen verklaarde ook in dit opzicht als (gewoonte)witwassen kan worden gekwalificeerd, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Aanhoudingen en doorzoekingen in witwasonderzoek

De politie heeft maandag 7 september jl. een 41-jarige man en een 42-jarige vrouw uit Badhoevedorp aangehouden op verdenking van witwassen. Hun woning in Badhoevedorp, een bedrijfspand in De Kwakel en diverse opslag- en garageboxen in Badhoevedorp, Lijnden, Assendelft en Hoofddorp zijn doorzocht. Onder meer een aantal auto's, een speedboot, een hoeveelheid brillen, diverse horloges, een collectie sigaren en administratie zijn inbeslaggenomen.

Op de korrel

De politie kreeg het stel bij toeval op de korrel, toen een politiemedewerker  op internet een te koop aangeboden speedboot tegenkwam. Bij verder onderzoek stuitte hij op heel veel dure auto’s, boten en andere luxegoederen die zijn argwaan wekten.

Onderzoek

Het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie is in juni 2015 een onderzoek gestart. Al gauw kwamen er onverklaarbare geldstromen aan het licht. Zo blijkt onder meer 600.000 euro vanuit de organisatie waar de man werkt te zijn overgeboekt naar een bedrijf van zijn partner. Ruim 1.9 miljoen is vanuit een andere (handels)onderneming naar het bedrijf van de vrouw gevloeid.

Uit onderzoek blijkt dat de vrouw geen activiteiten verricht ten behoeve van haar bedrijf. Niet gebleken is dat dit bedrijf daadwerkelijk diensten of goederen levert als tegenprestatie voor de ontvangen bedragen.

Luxe leven

Het geld dat binnenstroomt, wordt direct overgeboekt naar de privérekening van het paar en uitgegeven aan hun luxe leven: gokken, weekendjes weg, dure auto’s, speedboten, sieraden en dure brillen.

De rechter-commissaris heeft vandaag de voorlopige hechtenisvan verdachten met 14 dagen verlengd.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht witwassen

Hoge Raad 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1793 De militaire kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bevestigd een vonnis van de militaire kamer van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 30 september 2013, waarbij de verdachte ter zake van feit 1 van het plegen van witwassen een gewoonte maken is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij voorwerpen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet die uit enig misdrijf afkomstig waren. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging dat laatste betwist en, onder verwijzing naar over meerdere jaren gespaarde inkomsten, gesteld dat de voorwerpen een legale herkomst hadden. Gelet hierop is het door het Hof bevestigde oordeel van de Rechtbank dat de "verdachte weigert op hem gestelde vragen te antwoorden en weigert inzicht te geven in zijn financiële uitgavenpatroon (...) of over bronnen van contant geld" zodat het "bij gebreke van een legale inkomstenbron voor de door de verdachte gedane contante uitgaven (...) niet anders [kan] dan dat de verdachte gelden uit enig misdrijf (...) heeft witgewassen", niet zonder meer begrijpelijk. De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Aan art. 420bis lid 1 aanhef en onder b Sr jo. art. 420ter lid 1 Sr ontleende termen “omzetten” en “een gewoonte maken”: Nietige dagvaarding?

Hoge Raad 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1770 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 15 november 2013 de officier van justitie en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 1, 5 en 6 tenlastegelegde en de verdachte wegens 2A), 2B) medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, 2C) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, 3) van het plegen van witwassen een gewoonte maken en 4) oplichting” veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderdduizend euro.

Aan de verdachte is onder 3 tenlastegelegd dat:

"zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 september 2009, te Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere (rechts)personen, althans alleen, een geldbedrag (van in totaal ongeveer € 1.406.180,00, zijnde de stortingen in de kas ad 2.100.000,00 minus het onder verdachte in beslag genomen bedrag ad € 693.820,00) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende zij, verdachte, al dan niet van het plegen van (het) voormelde strafbare feit(en), een gewoonte gemaakt."

Daarvan is bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 10 september 2009, te Emmen althans in Nederland, een geldbedrag (van in totaal ongeveer € 1.406.180,00, zijnde de stortingen in de kas ad 2.100.000,00 minus het onder verdachte in beslag genomen bedrag ad € 693.820,00) heeft overgedragen en heeft omgezet en voorhanden gehad terwijl zij, verdachte, wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, hebbende zij, verdachte, van het plegen van voormelde strafbare feiten, een gewoonte gemaakt."

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld.

Middelen

Het eerste en tweede middel keren zich met verschillende klachten tegen ’s Hofs beslissingen ten aanzien van de in het kader van feit 3 gebruikte bestanddelen ‘omzetten’ en ‘een gewoonte maken’ als bedoeld in art. 420bis Sr respectievelijk art. 420ter Sr.

Eerste middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof het verweer strekkende tot partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit wat betreft het bestanddeel "omzetten" ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 op het standpunt gesteld dat de dagvaarding met betrekking tot het onderdeel "omzetten" nietig dient te worden verklaard, nu dit bestanddeel onvoldoende feitelijk is omschreven en het voor de verdediging onduidelijk is wat de steller van de tenlastelegging voor ogen had.

Het hof overweegt dat bij de beoordeling of een tenlastelegging een opgave van het feit behelst, het er uiteindelijk op aan komt of het aan de hand van de in de tenlastelegging gebezigde woorden, bezien tegen de achtergrond van het procesdossier, voldoende duidelijk kan zijn welke feitelijke gedragingen het strafbare feit zouden moeten uitmaken dat de verdachte wordt verweten.

Zoals door de Hoge Raad eerder is bepaald komt aan de termen "verbergen en/of verhullen" voldoende feitelijke betekenis toe. Het hof is van oordeel dat het begrip "omzetten" tegen de achtergrond van het dossier voldoende feitelijk is omschreven en dat voldoende duidelijk is waar deze handeling op ziet. Uit de memorie van toelichting bij artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat voor de betekenis van "omzetten" aansluiting is gezocht bij de betekenis zoals is omschreven in de Van Dale, te weten het (geld en goederen) verwisselen met een andere geldswaarde of met zekere handelsartikelen. Uit de memorie van toelichting volgt voorts: "Het gaat om die handeling (vervanging, ruil, investering) waardoor de betrokkene een ander voorwerp verkrijgt dat het voordeel uit het oorspronkelijke misdrijf belichaamt. Het hiervoor genoemde kopen van luxegoederen kan dus behalve gebruik maken ook omzetten opleveren. Omzetten zal veelal tot doel hebben de criminele opbrengsten weer in het legale verkeer te investeren."

Het hof is - anders dan de rechtbank en verdediging - van oordeel dat het bestanddeel "omzetten" tegen de achtergrond van het dossier voldoende feitelijk is omschreven. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt."

De tenlastelegging is toegesneden op art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr in verbinding met art. 420ter, eerste lid, Sr. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de in de tenlastelegging gebezigde, aan die bepaling ontleende term "omzetten" onvoldoende feitelijke betekenis toekomt, faalt het daar deze opvatting onjuist is.

Tweede middel

Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof het verweer strekkende tot partiële nietigverklaring van de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit wat betreft het bestanddeel "een gewoonte maken" ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 (...) op het standpunt gesteld dat de dagvaarding met betrekking tot het bestanddeel "gewoontewitwassen" nietig dient te worden verklaard, nu niet nader is omschreven uit welke handelingen die gewoonte heeft bestaan.

Het hof is van oordeel dat het bestanddeel 'gewoontewitwassen' tegen de achtergrond van het dossier voldoende feitelijk is omschreven en dat het voor de verdediging en verdachte voldoende duidelijk is uit welke handelingen die gewoonte heeft bestaan. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dienaangaande."

De tenlastelegging is toegesneden op art. 420bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr in verbinding met art. 420ter, eerste lid, Sr. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de in de tenlastelegging gebezigde, aan die bepaling ontleende term "een gewoonte maken" onvoldoende feitelijke betekenis toekomt, faalt het daar deze opvatting onjuist is.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, vermindert de geldboete in die zin dat deze €497.500 bedraagt en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak van witwassen voor 79-jarige Nijkerker

De rechtbank Gelderland heeft op 9 juli jl. een 79-jarige man uit Nijkerk vrijgesproken van (gewoonte)witwassen. De 79-jarige man en zijn broer en zus hebben een groot buitenlands vermogen geërfd van hun ouders. Het Openbaar Ministerie (OM) denkt dat dit geld afkomstig is van criminele activiteiten die door de vader van de man zijn begaan. De vader is in 1981 veroordeeld voor onder andere fraude door het wegsluizen van geld bij zijn werkgever. De Nijkerker heeft verklaard dat hij tijdens de veroordeling van zijn vader geen goed contact had met zijn familie en ook niet meer bij hen in de buurt woonde. Hij was er wel van op de hoogte dat zijn vader was veroordeeld, maar hij wist niet meer dan dat. Hij geeft aan niet te weten waar het geld vandaan komt. Hij denkt dat het geld gewoon komt van goed zaken doen door zijn vader. Verder had zijn moeder een goed pensioen.

Nauwelijks onderzoek naar herkomst geld

De rechtbank vindt dat het OM in de eerste plaats had moeten onderzoeken of het wettig kan worden bewezen dat het vermogen - dat bij een Zwitserse bank is ondergebracht – uit een misdrijf afkomstig is. Het OM heeft niet of nauwelijks onderzoek gedaan naar waar het buitenlandse geld en het vermogen van de moeder vandaan komt.

Vrijspraak

Dat de vader in een ver verleden is veroordeeld voor onder meer fraude en dat er nu een zeer groot geldbedrag op een buitenlandse bankrekening boven water komt waarvan de herkomst niet helemaal helder is, is volgens de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat het niet anders kan dan dat het geldbedrag uit een misdrijf afkomstig is. De rechtbank spreekt de Nijkerker om die reden vrij van witwassen. De vorderingen van de (ex-)werkgever van zijn vader wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat de 79-jarige man is vrijgesproken. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen nog wel aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

 

Print Friendly and PDF ^