Wwft: Bestuurlijke boete opgelegd wegens niet verrichten clientenonderzoek

Rechtbank Rotterdam 6 augustus 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:5650 (Bestuursrecht) Bij besluit van 10 juli 2014 (primaire besluit) heeft het BFT eiseres een bestuurlijke boete van €1.500 opgelegd wegens overtreding van artikel 3 van de WWFT. Dit besluit bevat tevens een waarschuwing aan eiseres wegens overtreding van artikel 5 van de WWFT. Bij besluit van 22 september 2014 (het bestreden besluit) heeft het BFT het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

Feiten

Op 25 april 2013 heeft een medewerker van het BFT op het kantoor van eiseres een onderzoek verricht naar de naleving van de WWFT door eiseres. Daarbij zijn onder meer vijf dossiers van cliënten van eiseres onderzocht. In twee van deze dossiers is geconstateerd dat het op grond van artikel 3 van de WWFT verplichte cliëntenonderzoek niet is verricht. In het dossier betreffende bedrijf 2 ontbrak een kopie van het identiteitsbewijs van de enig aandeelhouder van bedrijf 2 en in het dossier betreffende bedrijf 3. (bedrijf 3) ontbrak een uittreksel van de Luxemburgse Kamer van Koophandel of enige andere informatie waaruit kan worden opgemaakt wie de aandeelhouder(s) is/zijn van de rechtspersoon bedrijf 4 te Luxemburg (de Luxemburgse Holding), die enig aandeelhouder is van de rechtspersoon bedrijf 5, die volgens het in het dossier aanwezige uittreksel van de Nederlandse Kamer van Koophandel enig aandeelhouder is van bedrijf 3.

Eiseres is tot uiterlijk 14 mei 2013 in de gelegenheid gesteld voormeld cliëntenonderzoek alsnog te verrichten. Bij e-mail van 17 mei 2013 heeft eiseres aan het BFT bericht dat het identiteitsbewijs van de enig aandeelhouder van bedrijf 2 inmiddels is ontvangen en dat nog geen informatie is ontvangen over de aandeelhouder(s) van de Luxemburgse Holding. Bij brief van 16 september 2013 heeft eiseres nadere informatie over de Luxemburgse Holding aan het BFT doen toekomen, waaruit echter niet kan worden opgemaakt wie de aandeelhouder(s) van deze Holding zijn.

Op 18 maart 2014 heeft het BFT telefonisch contact opgenomen met eiseres teneinde de stand van zaken te vernemen met betrekking de Luxemburgse Holding. Daarbij heeft eiseres medegedeeld dat er feitelijk geen werkzaamheden zijn verricht voor deze rechtspersoon en heeft het BFT eiseres erop gewezen dat op grond van artikel 5 van de WWFT de cliëntrelatie moet worden verbroken. Eiseres heeft daarop te kennen gegeven dat dit niet met zoveel woorden is gebeurd.

Na op 23 april 2014 het voornemen daartoe aan eiseres kenbaar te hebben gemaakt en kennis te hebben genomen van de zienswijze van eiseres daarop, heeft het BFT eiseres bij het primaire besluit een bestuurlijke boete van €1.500 opgelegd wegens het in strijd met artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de WWFT niet identificeren en niet verifiëren van de uiteindelijk belanghebbende(n) (ook wel 'Ultimate Beneficial Owner(s)' genoemd) van bedrijf 3. Het primaire besluit bevat tevens een herhaling van de bij het voornemen gegeven waarschuwing aan eiseres wegens overtreding van artikel 5 van de WWFT, waarbij eiseres te kennen is gegeven dat zij de zakelijke relatie met bedrijf 3 dient te verbreken en dat zij de schriftelijke vastlegging van die verbreking aan het BFT dient toe te zenden.

Bij het bestreden besluit heeft het BFT het door eiseres gemaakte bezwaar tegen de boeteoplegging en de waarschuwing ongegrond verklaard.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het BFT in het bestreden besluit in reactie op het door eiseres in bezwaar ingenomen (en in beroep herhaalde) standpunt dat geen zakelijke relatie met bedrijf 3 is aangegaan heeft volstaan met de opmerking dat deze bezwaargrond ziet op de niet voor bezwaar vatbare waarschuwing, zodat het bezwaar op dit onderdeel ongegrond wordt verklaard. Gelet hierop ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering. Het standpunt dat geen zakelijke relatie met bedrijf 3 is aangegaan is immers ook relevant voor de door het BFT bij de heroverweging in bezwaar te beantwoorden vraag of in het primaire besluit terecht is geconcludeerd dat sprake is van een overtreding van artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de WWFT, nu op eiseres geen verplichting rust tot het verrichten van een cliëntenonderzoek met betrekking tot bedrijf 3, indien zij met deze rechtspersoon daadwerkelijk geen zakelijke relatie is aangegaan. Voorts kan aan de ongegrondverklaring van het bezwaar voor zover gericht tegen de waarschuwing niet ten grondslag worden gelegd dat de waarschuwing niet vatbaar is voor bezwaar, nu dit niet‑ontvankelijkheid van het bezwaar op dit onderdeel impliceert.

Gezien het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.

Gelet op artikel 8:72a van de Awb en in het kader van de definitieve beslechting van het geschil zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van eiseres voor zover gericht tegen de waarschuwing, niet-ontvankelijk verklaren en voor zover gericht tegen de boeteoplegging, ongegrond verklaren. Daaraan liggen de volgende overwegingen ten grondslag.

Zoals ook in het bestreden besluit is opgemerkt, is de waarschuwing niet vatbaar voor bezwaar. De waarschuwing berust niet op de wet en is geen handhavingsinstrument maar niet meer dan een, al dan niet juiste, constatering dat eiseres artikel 5 van de WWFT overtreedt zolang zij de zakelijke relatie met bedrijf 3 niet heeft verbroken en dat dit wordt aangemerkt als economisch delict. De waarschuwing legt eiseres, anders dan zij kennelijk meent, geen rechtens bindende verplichting op, onthoudt haar niet enig recht en raakt haar evenmin anderszins direct in haar rechtspositie. Hieruit volgt dat de waarschuwing niet is gericht op enig rechtsgevolg, waardoor deze niet kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar openstaat (vergelijk de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 8 mei 2014, ECLI:NL:CBB:2014:187). Het in het kader van de waarschuwing door eiseres ingenomen standpunt dat met bedrijf 3 geen zakelijke relatie is aangegaan behoeft in zoverre dan ook geen bespreking.

Voor zover eiseres met haar standpunt dat geen zakelijke relatie met bedrijf 3 is aangegaan en er slechts sprake is geweest van voorbereidende werkzaamheden stelt dat zij niet verplicht was tot het verrichten van een cliëntenonderzoek met betrekking tot deze rechtspersoon, volgt de rechtbank haar niet in die stelling. Niet is in geschil dat op 27 januari 2012 (een deel van) de administratie van bedrijf 3 op het kantoor van eiseres is gebracht met het verzoek de jaarrekeningen op te stellen en de fiscale aangiftes te doen. Omdat wegens het ontbreken van de daarvoor benodigde administratie deze werkzaamheden nadien nimmer hebben plaatsgevonden, is volgens eiseres echter nooit sprake geweest van een zakelijke relatie met bedrijf 3. Nog daargelaten dat de in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de WWFT opgenomen definitie van zakelijke relatie geen grond biedt voor het oordeel dat reeds werkzaamheden moeten zijn verricht wil sprake kunnen zijn van een zakelijke relatie, gaat eiseres hiermee eraan voorbij dat bedrijf 3 met een omzet van €2.755 wel op haar ‘omzetlijst klanten’ staat vermeld en dat, zoals zij ter zitting desgevraagd heeft verklaard, wel voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van bedrijf 3 zijn verricht, waarvoor ook tijd is geschreven. Dat pas na de voorbereidende werkzaamheden een zakelijke relatie zou ontstaan omdat dan pas duidelijk is of eiseres iets voor bedrijf 3 zou kunnen betekenen, volgt de rechtbank niet. Bovendien heeft eiseres desgevraagd ter zitting verklaard dat, indien zij alsnog de beschikking zou hebben gekregen over de benodigde administratie voor het vaststellen van jaarrekeningen en het doen van fiscale aangiftes, ook deze werkzaamheden zouden zijn uitgevoerd. Onder deze omstandigheden kan eiseres niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij geen zakelijke relatie met bedrijf 3 is aangegaan en was zij dus wel degelijk verplicht tot het verrichten van een cliëntenonderzoek met betrekking tot deze rechtspersoon.

Reeds nu eiseres niet betwist dat zij heeft nagelaten de uiteindelijk belanghebbende(n) van bedrijf 3 te identificeren en de identiteit te verifiëren, bestaat geen grond voor het oordeel dat het BFT in het primaire besluit ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat eiseres ten aanzien van deze rechtspersoon artikel 3 van de WWFT heeft overtreden.

Gezien deze overtreding is het BFT bevoegd eiseres een bestuurlijke boete op te leggen. De stelling van eiseres dat onevenredig veel tijd is besteed aan het dossier van bedrijf 3 en dat het doel van de controle is ingegeven door het feit dat het BFT via eiseres de identiteit van de aandeelhouders heeft trachten vast te stellen, biedt geen grond voor het oordeel dat het BFT geen gebruik heeft mogen maken van deze bevoegdheid, reeds nu eiseres deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het BFT in de ernst en duur van de overtreding (waarvoor het basisbedrag van €500.000 geldt), dan wel de mate van verwijtbaarheid van eiseres, aanleiding had moeten zien voor verdere matiging van de boete. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat - naar het BFT heeft gesteld en door eiseres niet is weersproken - een Luxemburgse rechtspersoon extra waakzaamheid vereist in verband met het risico op belastingfraude. Dat eiseres een boete van €1.500 niet kan dragen, heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd.

Hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht ten aanzien van de door het BFT geconstateerde overtreding van artikel 3 van het WWFT ten aanzien van bedrijf 2 behoeft geen bespreking, nu deze constatering, zoals blijkt uit het bestreden besluit en de ter zitting door het BFT daarop gegeven toelichting, uiteindelijk geen rol heeft gespeeld bij de boeteoplegging.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het BFT het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt die voor vergoeding op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in aanmerking komen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF