Particuliere opdrachtgever krijgt taakstraf voor illegale asbestsanering

Een particulier die zelf zijn Wassenaarse villa van asbest heeft ontdaan, heeft van de Haagse rechtbank een taakstraf gekregen van 200 uur of drie maanden celstraf. Niet alleen heeft hij zichzelf in gevaar gebracht met deze werkwijze, maar ook andere mensen die in het huis werkten. Tevens werd door de rechtbank valsheid in geschrifte bewezen.

In november 2012 kreeg de Inspectie SZW een melding dat in een Wassenaarse villa op niet juiste wijze asbest zou zijn verwijderd. Uit een asbestinventarisatie van zijn villa bleek dat er asbest in het huis zat. Volgens de wet moet dat door een gecertificeerd bedrijf worden verwijderd. Gezien de kosten om dit door een gecertificeerd bedrijf te laten doen, besloot de eigenaar het asbest door een niet-gecertificeerd bouwbedrijf te laten verwijderen danwel zelf de handen uit de mouwen te steken.

Daar hij een sloopvergunning wilde aanvragen voor het pand, moest het pand ‘asbestvrij’ verklaard worden. Door hem werd een tweede inventariseerder ingeschakeld. Bij het verlenen van de opdracht gaf de particulier aan dat er geen asbest in het pand aanwezig was of was geweest. Tijdens dit tweede onderzoek bleek echter dat er in het pand nog op diverse plaatsen asbestrestanten waren die hij wederom trachtte zelf weg te halen. Uiteindelijk schakelde hij een derde inventarisatiebureau in.

Dit bureau trof visueel geen asbest meer aan en maakte een rapport waarin stond dat er geen asbest meer aanwezig was. Nadat inspecteurs van de Inspectie SZW kennis hadden genomen van deze praktijken is er een onderzoek gestart. Dit onderzoek is op enig moment overgedragen aan de politie Haaglanden.

Omdat de eigenaar met deze werkwijze tegen de wet in handelde en hiermee niet alleen zijn eigen gezondheid maar ook die van anderen in gevaar heeft gebracht, heeft hij nu een taakstraf gekregen van 200 uur of drie maanden naar de gevangenis. Daarnaast heeft hij nog vier maanden voorwaardelijk gekregen.

Niet alleen de eigenaar is overigens veroordeeld. De werkvoorbereider van een bouwbedrijf en het bouwbedrijf hebben respectievelijk 80 uur taakstraf en een € 15.000,- boete gekregen. Zij waren volgens de rechtbank op de hoogte van deze verkeerde werkwijze en hebben meegewerkt aan het bemiddelen tussen particulier en inventariseerders.

Bron: Inspectie SZW

Print Friendly and PDF ^

Eis: 1 Miljoen euro boete voor Abengoa voor jarenlang overtreden van milieuvergunning

Het Functioneel Parket heeft op 28 januari in de rechtbank in Rotterdam een boete van 1.000.000 euro geëist tegen het bedrijf Abengoa BioEnergy Netherlands B.V. voor het jarenlang overtreden van de milieuvergunning. Hierdoor hadden omwonenden last van stankoverlast. De officier van justitie eiste behalve de boete ook een voorwaardelijke stilleging van zes maanden. Abengoa produceert sinds mei 2010 bio-ethanol in haar inrichting in Rotterdam. Sinds die tijd klagen omwonenden over stankoverlast. Het gaat om meer dan 1000 klachten alleen al in 2013 en 2014. Uit onderzoek door de Politie en metingen van de DCMR blijkt dat Abengoa meer geur uitstootte dan was toegestaan volgens de milieuvergunning.

Woongenot omwonenden aangetast

De officier van justitie noemde de overtredingen op zitting ernstig: “Een milieuvergunning is een zorgvuldig tot stand gekomen balans tussen economische belangen en de belangen van gezondheid, veiligheid en milieu. Door de vergunning te overtreden stelde Abengoa de productie boven het welbevinden van omwonenden. Zelfs de nodige bestuurlijke interventies hebben Abengoa niet tot een andere houding kunnen bewegen.” De officier van justitie stelt dat abengoa met haar wijze van bedrijfsvoeren het woongenot van veel mensen heeft aangetast: “Mensen worden wakker van de geur, vinden het vervelend, misselijkmakend, krijgen er hoofdpijn van, sluiten noodgedwongen hun ramen, voelen zich zelfs genoodzaakt  hun woning tijdelijk te verlaten, worden boos, voelen zich aan het lijntje gehouden als het veelvuldig klagen tot niets leidt, vrezen dat het de waarde van hun huizen aantast.” Pas in 2014 werden de problemen opgelost door het bedrijf. De officier noemde dit op zitting onvoorstelbaar: “Het heeft dus vier jaar moeten duren, vier jaren van klachten uit de omgeving, vier jaren van niet voldoen aan vergunningvoorschriften, voordat Abengoa besluit om het bedrijfsproces te stoppen bij niet toegestane geuremissie.”

Abengoa is eerder door de rechtbank veroordeeld tot een boete van 55.000 euro, vanwege een arbeidsongeval ten gevolge van een slechte veiligheidscultuur bij het bedrijf. Het bedrijf is tegen het vonnis in appel. De houding van het bedrijf is nog steeds hetzelfde als toen, stelde de officier op zitting: “Ten alle tijden productie vòòr omgeving.” Daarom eist de officier van justitie dit maal een boete van 1.000.000 euro en een voorwaardelijke stillegging van zes maanden als stok achter de deur.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

NVWA-IOD houdt verdachten van illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen aan

De Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA-IOD) heeft maandag 18 januari drie verdachten aangehouden in een onderzoek naar de illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen. De mannen uit het oosten van het land zijn in verzekering gesteld. De NVWA-IOD doet onder leiding van het Functioneel Parket onderzoek naar de verkoop en het op de Europese markt brengen van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. De middelen zijn onder meer afkomstig uit China. In september 2014 doorzochten rechercheurs daarom een woning en 2 bedrijfslocaties in het oosten en het westen van Nederland. Zij namen toen een grote hoeveelheid administratie en enkele duizenden kilo's vermoedelijk illegaal gewasbeschermingsmiddel in beslag. Gespecialiseerde rechercheurs hebben diepgravend onderzoek verricht in de inbeslaggenomen administratie.

Illegale handel

Binnen de Europese Unie mogen alleen toegelaten gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze middelen zijn uitgebreid getoetst op mogelijke schadelijke effecten voor het milieu, de volksgezondheid en de arbeidsomstandigheden van de gebruiker. Niet-toegelaten middelen zijn niet getest. Daardoor kan er gevaar ontstaan voor mens, dier en milieu.

Daarnaast is illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen concurrentievervalsend. Bedrijven die de regels ontduiken hoeven minder kosten te maken dan een handelaar die zich wel aan de regels houdt. De economie is gebaat bij eerlijke handel, mede daarom pakt de overheid de illegale handel aan.

Bron: NVWA

 

Print Friendly and PDF ^

'Op naar een algemene boetebevoegdheid in de Omgevingswet'

In deze bijdrage wordt het sanctiestelsel in het voorstel voor een Omgevingswet (zoals aangenomen door de Tweede Kamer) besproken aan de hand van een vergelijking met boetesystemen in andere wetten en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State. Lees verder:

 

Voor het raadplegen van dit artikel dient u te zijn geabonneerd op het Tijdschrift voor Omgevingsrecht. 

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak: Er kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het door de verdachte vervoerde bestratingsmateriaal een afvalstof is in de zin van de Wet Milieubeheer

Gerechtshof Amsterdam 20 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5631

Op 9, 10, 13 en 14 februari 2012 heeft de verdachte ongeveer 6.700 ton gebruikt bestratingsmateriaal, te weten stoeptegels, stenen en trottoirbanden, vervoerd vanuit haar inrichting te Nieuw Vennep naar een terrein te Hillegom en aldaar los gestort. Voor dit transport beschikte de verdachte niet over een begeleidingsbrief zoals bedoeld in artikel 10.39 van de Wet Milieubeheer.

Namens de verdachte heeft haar bestuurder [bestuurder] tegenover de politie meer in het algemeen verklaard dat de verdachte de op haar inrichting te Nieuw Vennep aangevoerde gebruikte tegels, stenen en stoepranden koopt van gemeenten. De verdachte breekt vervolgens de bestrating op en haalt deze uit de grond. Het naar Hillegom vervoerde bestratingsmateriaal heeft zij verkocht aan [bedrijf 2] De koopster had haar verzocht het materiaal af te leveren op het terrein in Hillegom.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de bestuurder verklaard dat het bestratingsmateriaal geschikt is voor hergebruik. Het wordt opgeslagen in haar depot en gaat daarna naar een opdrachtgever, die er een straat van maakt, aldus de bestuurder.

In het kader van een onderzoek door de Provincie Zuid-Holland is namens de koopster verklaard dat het de bedoeling was het bestratingsmateriaal in Hillegom te verpakken en op te slaan.

De vraag die het hof moet beantwoorden is of het door de verdachte vervoerde materiaal afval in de zin van de Wet milieubeheer is. Voor het antwoord op deze vraag dient aansluiting te worden gezocht bij Europese wet- en regelgeving en jurisprudentie.

Ten tijde van het ten laste gelegde was de Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen van toepassing.

Richtlijn 2008/98/EG geeft de volgende relevante definities:

Artikel 3 Definities

“1. afvalstof: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; […]

6. afvalstoffenhouder: de afvalstoffenproducent dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft; […]

14. verwerking: nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende handelingen;

15. nuttige toepassing: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt. Bijlage II bevat een niet-limitatieve lijst van nuttige toepassingen;

17. recycling: elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;

19. verwijdering: iedere handeling die geen nuttige toepassing is zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen. Bijlage I bevat een niet-limitatieve lijst van verwijderingshandelingen.

In het Shell-arrest van het Hof van Justitie van 12 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:821) heeft het Hof over ‘het zich ontdoen van een afvalstof’ overwogen dat voorwerpen of stoffen die voor de houder ervan geen nut hebben of meer hebben, zodat dit voorwerp of deze stof een last is waarvan deze zich wil ontdoen, vallen onder het begrip afvalstof in de zin van de richtlijn 2006/12 (ingetrokken op 12 december 2010 en opgevolgd door Richtlijn 2008/98).

Of stoffen gekwalificeerd kunnen worden als afvalstoffen wordt dus primair bepaald door het gedrag of de intentie van de houder, namelijk of deze zich van de betreffende stoffen ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Niet alleen de intentie van de verdachte als houder is van belang. Ook is van belang hoe de stof bij de verdachte terecht is gekomen. Immers, de kwalificatie ‘afvalstof’ komt pas te vervallen indien de stof een procedé voor nuttige toepassing volledig heeft ondergaan. Derhalve is van belang om te kunnen vaststellen of het door de verdachte vervoerde bestratingsmateriaal reeds als afvalstof was aan te merken op het moment van verkrijging.

Mede bij gebreke van enige aanwijzing in andere zin zal het hof op grond van voornoemde verklaringen van [bestuurder] en hetgeen de raadsman hierover ter terechtzitting in hoger beroep heeft opgemerkt, tot uitgangspunt nemen dat het onderhavige materiaal afkomstig is van gemeenten. Over de intentie van deze gemeenten met betrekking tot het materiaal is echter niets bekend geworden. Hier is geen onderzoek naar gedaan. Hoewel het er alle schijn van heeft dat de betreffende gemeenten het aan de verdachte verkochte bestratingsmateriaal als een last beschouwden waarvan zij zich wilden ontdoen – en het derhalve een afvalstof betrof –, is niet uit te sluiten dat dit niet het geval is en dat de gemeenten het bestratingsmateriaal aan de verdachte hebben verkocht met de intentie dit zonder bewerking te doen hergebruiken. Het hof kan dan ook niet beoordelen of het materiaal op het moment van verkrijging door de verdachte (reeds) een afvalstof was en dientengevolge eerst een behandeling voor nuttige toepassing behoefde om niet langer als afvalstof te kunnen worden gekwalificeerd.

Dat voor de verdachte het bestratingsmateriaal een last was waarvan zij zich wilde ontdoen, is evenmin komen vast te staan. Namens de verdachte is dit ontkend en de verklaring dat zij het materiaal heeft verkocht ten behoeve van hergebruik vindt ondersteuning in de voormelde mededeling namens de koopster aan de Provincie Zuid-Holland.

Bij deze stand van zaken kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het door de verdachte vervoerde bestratingsmateriaal een afvalstof was en zij derhalve een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet Milieubeheer nodig had, respectievelijk zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen heeft ontdaan zoals onder 1 en 2 ten laste gelegd.

Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van hetgeen haar onder 1 en 2 is ten laste gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Omgevings- & Milieurecht 2015-2016

De Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en aanverwante wet- en regelgeving op het gebied van omgevings- en milieurecht. Opgenomen zijn de teksten zoals deze gelden op 1 november 2015. De wetsartikelen zijn in de marge voorzien van toelichtende kopjes.

Praktische Informatie

 

ISBN 9789069167176
Druk 2e druk 2015
Pagina's 714
Prijs 34,50 euro

 

Bekijk Inhoudsopgave

 

Klik hier om te bestellen via Ars Aequi.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak rechtspersoon handelen in strijd met EVOA: koper van dieselolie, die tijdens het transport onbedoeld vermengd is geraakt met MBTE, wordt onder de gegeven omstandigheden niet als ontdoener aangemerkt

Rechtbank Rotterdam 23 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9678 De verdachte rechtspersoon wordt verweten dat zij zich tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in strijd met artikel 26, eerste lid van het EVOA (oud) heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk overbrengen van een afvalstof (gasolie en/of dieselolie verontreinigd met MTBE) van België naar Nederland, zonder kennisgeving aan en toestemming van alle betrokken bevoegde autoriteiten.

Bij dit strafrechtelijk verwijt staat de vraag centraal of de partij diesel bestaande uit Ultra Light Sulphur Diesel (ULSD) (onbedoeld) vermengd geraakt met Methyl Tertiary Butyl Ether (MTBE), onder de toen geldende bepalingen, als afvalstof moet worden aangemerkt.

Procesverloop

Op 12 oktober 2009 heeft de meervoudige kamer voor economische strafzaken in de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst en de zaak verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank voor het horen van getuigen en deskundigen.

Op 27 april 2012 heeft genoemde kamer in deze rechtbank het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen en vervolgens gesloten. Bij tussenvonnis van 11 mei 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de hand van de voorliggende casus prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van het begrip “afvalstof” in de zin van Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (EVOA (oud)).

Bij arrest van 12 december 2013 heeft het Europese Hof van Justitie antwoord gegeven op de gestelde vragen.

De meervoudige kamer voor economische strafzaken in deze rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting op 27 augustus 2015 hervat in de stand waarin het zich bevond en opnieuw geschorst, tot 10 december 2015, voor schriftelijke conclusiewisseling, zoals door de officier van justitie verzocht. Op 10 december 2015 is het onderzoek van de zaak hervat in de stand waarin het zich bevond en is na inhoudelijke behandeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen begrip ‘afvalstof’

De vraag of sprake is van een afvalstof in de zin van richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, rekening houdend met de doelstelling van deze richtlijn en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan.

Met het oog op beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen aan het Europese Hof is aan het Hof de navolgende casus voorgelegd. De daarin vervatte feiten zijn tussen partijen niet in geschil.

Op 3 september 2006 is door het concern zogenaamde Ultra Light Sulphur Diesel (ULSD) in een schip verladen en naar een Belgische klant gebracht. Op het moment van laden van het schip waren de tanks niet helemaal leeg, waardoor de ULSD vermengd is geraakt met Methyl Tertiary Butyl Ether (MTBE).

Gevolg van deze vermenging was dat de ULSD niet aan de overeengekomen productkenmerken voldeed en door de klant niet meer kon worden gebruikt voor het oorspronkelijk beoogde doel, te weten verkoop door de klant als diesel-brandstof aan de pomp. Het vlampunt van het mengsel was daarvoor te laag; op grond van haar milieuvergunning mocht de klant een mengsel met een dergelijk vlampunt niet opslaan. De vermenging van de ULSD met MTBE is pas ontdekt nadat de partij was overgedragen aan de klant. Vervolgens is de partij door het concern teruggehaald naar Nederland, waarna zij de partij heeft laten blenden om het nieuwe mengsel als brandstof te verkopen.

Ter nadere duiding van het concern, genoemd in de casus, wordt opgemerkt dat de partij ULSD door de klant is gekocht van de medeverdachte rechtspersoon. Na ontdekking van de vermenging van de partij ULSD met MTBE is de verdachte rechtspersoon betrokken bij het terughalen van de partij.

Ter beantwoording van de aan hem voorgelegde vragen heeft het Europese Hof van Justitie in zijn arrest onder meer het navolgende overwogen:

“34. Volgens artikel 2, sub a, van verordening nr. 259/93, gelezen in samenhang met artikel 20 van richtlijn 2006/12, wordt onder afvalstof verstaan, een stof die of voorwerp dat als zodanig is omschreven in artikel 1, lid 1, sub a, van deze richtlijn, te weten „elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I [van deze richtlijn] genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen”. (…)

37. Volgens vaste rechtspraak hangt de kwalificatie als afvalstof evenwel vooral af van het gedrag van de houder en van de betekenis van de uitdrukking „zich ontdoen van”.”

Met betrekking tot de vraag of de klant - houder van de partij (vermengde) ULSD - zich daarvan heeft ontdaan heeft het Europese Hof het volgende overwogen:

“43 Met betrekking tot een eventuele verplichting zich van de betrokken partij te ontdoen in" de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12 moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat er a priori geen absolute verplichting is om deze partij te verwijderen, aangezien deze niet bestaat uit een verboden of illegale stof die, of gespecificeerd risicomateriaal dat, de houder moet verwijderen (zie naar analogie arrest van 1 maart 2007, KVZ retec, C‑176/05, Jurispr. blz. I‑1721, punt 59). Zoals naar voren komt uit de verwijzingsbeslissing kon de partij immers zonder bewerking, in de staat waarin zij zich op het moment van teruggave aan het concern bevond, op de markt worden verkocht.

44 In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie niettemin betoogd dat de betrokken partij, daar zij enerzijds ongeschikt was voor het gebruik waarvoor de Belgische klant haar had bestemd en deze anderzijds de partij wegens haar te lage vlampunt niet mocht opslaan, voor deze klant een last was waarvan hij voornemens was zich te ontdoen of zich moest ontdoen.

45 Deze omstandigheden volstaan op zichzelf echter niet om te concluderen dat de partij een afvalstof in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12 was. Eerst moet immers worden nagegaan of de Belgische klant, door de partij aan het concern te retourneren omdat zij niet aan de overeengekomen kenmerken voldeed, zich daadwerkelijk ervan heeft ontdaan in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12.

46 In dat verband is de omstandigheid dat de Belgische klant de non-conforme ULSD aan het concern heeft geretourneerd met het oog op terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst, van bijzonder belang. Een klant die aldus handelt, kan niet worden beschouwd als een persoon die voornemens was de betrokken partij te verwijderen of er een nuttige toepassing voor te vinden, en derhalve heeft hij er zich niet van ontdaan in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12. In omstandigheden als in de hoofdgedingen is het risico dat de houder zich van deze partij ontdoet op een manier die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, bovendien laag. Dat geldt temeer indien de stof of het voorwerp in kwestie een niet onaanzienlijke marktwaarde heeft, zoals in deze zaken.”

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het arrest van het Europese Hof op dit onderdeel niet gevolgd kan worden, omdat de uitzondering zoals geformuleerd in overweging 46 zich niet voordoet en de klant wel degelijk als ontdoener moet worden aangemerkt.

Daartoe is aangevoerd dat - anders dan door het Europees Hof is aangenomen - in de onderhavige zaak geen sprake is van retourneren van de partij (vermengde) ULSD met het oog op terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst. De partij ULSD, is door de medeverdachte rechtspersoon aan de klant geleverd, op de handelsconditie free on board, zodat de eigendom van - en daarmee het houderschap over - die partij ULSD is overgegaan op de klant op het moment dat deze aan boord van het vrachtschip [naam schip] werd gebracht. De verontreiniging van de partij ULSD met MTBE is pas nadien, aan boord van het vrachtschip, ontstaan doordat zich in de tanks van genoemd schip nog resten van een eerder vervoerde lading MTBE bevonden.

In casu was er dan ook geen sprake van een retourneren door koper (de klant) aan verkoper (de medeverdachte rechtspersoon) wegens non-conformiteit op basis van de koopovereenkomst, maar moet de “terugbetaling van de koopprijs” door de medeverdachte rechtspersoon aan de klant juridisch gekwalificeerd worden als betaling van een schadevergoeding, die verschuldigd was wegens een tekortkoming in de nakoming van de tussen de klant en de medeverdachte rechtspersoon gesloten vervoersovereenkomst. De door het Europese Hof (onder punt 46 van voormeld arrest) geformuleerde uitzondering, die betrekking heeft op retourneren wegens non-conformiteit op basis van een koopovereenkomst, doet zich in dit geval dan ook niet voor. De klant moet derhalve worden aangemerkt als ontdoener van de (vermengde) partij ULSD, weshalve die partij als afvalstof moet worden gekwalificeerd. Voor de overbrenging van die partij van België naar Nederland is op grond van de verordening nr. 259/93 kennisgeving en/of toestemming vereist. Nu de overbrenging van de partij door de klant naar Nederland in bewuste en nauwe samenwerking met de verdachte rechtspersoon en de medeverdachte rechtspersoon heeft plaatsgevonden, heeft de verdachte rechtspersoon zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de illegale overbrenging van die partij.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank volgt de officier niet in zijn standpunt dat de klant als ontdoener van de partij moet worden aangemerkt. Naar haar oordeel is de uitleg die door de officier van justitie wordt gegeven aan de in overweging 46 opgenomen de zinsnede “de omstandigheid dat de Belgische klant de non-conforme ULSD aan het concern heeft geretourneerd met het oog op terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst,” te beperkt.

Op zichzelf is het juist dat de partij ULSD ‘free on board’ is geleverd, en vermenging van de partij heeft plaatsgevonden nadat de klant daarvan eigenaar is geworden, zodat niet gesteld kan worden dat de medeverdachte rechtspersoon non-conforme waar geeft geleverd. Dat neemt niet weg dat los van de vraag of de medeverdachte rechtspersoon contractueel gezien verplicht was de partij terug te nemen wegens non-conforme levering, zij in het licht van de bestaande handelsrelatie met de klant als ‘francisenemer’ van het concern, in samenspraak met het concern en de verdachte rechtspersoon, is overeengekomen dat de partij zou worden teruggenomen onder terugbetaling van de koopprijs. Voor die terugbetaling is door de klant een creditnota ontvangen. Partijen hebben aldus handelend - hoewel onverplicht - de koopovereenkomst ongedaan gemaakt, in welk kader aan de klant de door haar krachtens de koopovereenkomst betaalde aankoopprijs is terugbetaald. De enkele omstandigheid dat door het concern ‘free on board’ is geleverd en zij derhalve geen non-conforme ULSD heeft geleverd, staat daaraan niet in de weg.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, overeenkomstig het oordeel van het Europese Hof, de klant onder de gegeven omstandigheden, zich niet van de partij heeft ontdaan als bedoeld in art. 1, eerste lid, onder a, van richtlijn 2006/12 (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1157,AB 2014/235, rov. 4.3).

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de verdachte rechtspersoon, als houder van de partij, voornemens was zich hiervan te ontdoen op het moment dat aan het licht kwam dat de partij vermengd geraakt was.

Dat de verdachte rechtspersoon houder was van de partij wordt door haar erkend en volgt ook uit de tussen partijen overeengekomen retourzending van de partij aan het concern onder terugbetaling van de koopprijs, waarbij de regie van het retourtransport blijkens de diverse verklaringen in handen lag van de verdachte rechtspersoon.

Met betrekking tot de vraag of de verdachte rechtspersoon voornemens was zich van die partij te ontdoen heeft het Europese Hof in zijn arrest van 12 december 2013 onder meer het volgende overwogen:

“49. De door de verwijzende rechter genoemde omstandigheden dat, enerzijds, de betrokken partij zonder bewerking, in de staat waarin zij zich op het moment van teruggave door de Belgische klant aan het concern bevond, op de markt kon worden verkocht, en anderzijds, de marktwaarde van de betrokken partij nagenoeg overeenkomt met de prijs van een product dat wel aan de overeengekomen specificaties voldoet, lijken weliswaar de opvatting te weerleggen dat de partij een last was waarvan het concern probeerde zich te ontdoen, maar deze omstandigheden kunnen niet doorslaggevend zijn, aangezien zij niet aan het licht brengen wat de ware intentie van het concern was. (...)

52. Daarentegen is de omstandigheid dat het concern de betrokken partij heeft teruggenomen met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt in casu van doorslaggevend belang.

53. Het is immers geenszins gerechtvaardigd om goederen, stoffen of producten die de houder, ongeacht enige nuttige toepassing, onder gunstige omstandigheden wil exploiteren of verhandelen, te onderwerpen aan de bepalingen van richtlijn 2006/12, die beogen ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het licht van de verplichting het begrip afvalstof ruim uit te leggen, moet deze redenering evenwel worden beperkt tot situaties waarin het hergebruik van het goed of de stof in kwestie niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder dat vooraf een van de in bijlage II B bij richtlijn 2006/12 bedoelde procedés voor de nuttige toepassing van afvalstoffen hoeft te worden benut, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat (zie naar analogie arrest Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, punt 36, en arrest van 11 september 2003, AvestaPolarit Chrome, C-114/01, Jurispr. p. I-8725, punt 36).

54. Gelet op het voorgaande moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 2, sub a, van verordening nr. 259/93 aldus moet worden uitgelegd dat, in een situatie als die in de hoofdgedingen, een partij diesel die onbedoeld vermengd is geraakt met een andere stof niet onder het begrip afvalstof in de zin van deze bepaling valt, mits de houder ervan daadwerkelijk voornemens is deze met een ander product vermengde partij terug te brengen op de markt, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.”

In het licht van de hiervoor aangehaalde overwegingen zijn voor het antwoord op de vraag of de verdachte rechtspersoon daadwerkelijk voornemens was zich van de vermengde partij te ontdoen de navolgende feiten en omstandigheden, zoals deze zijn komen vast te staan op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting, van belang.

De (vermengde) partij ULSD kon, in de staat waarin die zich bevond op het moment van teruggave door de klant aan het concern, zonder bewerking op de markt worden verkocht, tegen een marktwaarde die nagenoeg overeenkwam met de prijs van het overeengekomen product. De partij (voor zover nog niet door de klant aan derden verkocht) is door het concern onverplicht teruggenomen onder terugbetaling van de koopprijs.

Nog vóór terugname van de partij is deze (aldus getuige [naam getuige] bij de Rechter Commissaris op 8 november 2010) aan de markt getoond, om te beoordelen welke prijs ze kon opbrengen bij het terugbrengen daarvan op de markt. Omdat een hogere waarde voor de partij gerealiseerd kon worden na blenden daarvan, dat wil zeggen het mengen met andere gasolie c.q. dieselolie, is de partij eerst gekocht door een concernmaatschappij om vervolgens aan een derde te worden verkocht. Het blenden van de partij was niet noodzakelijk voor het op de markt brengen daarvan. Het blenden van producten is gangbaar binnen de branche.

Onder deze omstandigheden, bezien in samenhang met de zich in het dossier bevindende verklaringen van diverse betrokkenen, is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat de verdachte rechtspersoon, vanaf het moment dat zij houder is van de onbedoeld vermengd geraakte partij ULSD, daadwerkelijk voornemens is geweest die partij terug te brengen op de markt.

Hergebruik van de partij was niet slechts mogelijk maar zeker, zonder dat vooraf één van de in bijlage II B bij richtlijn 2006/12 bedoelde procedés voor de nuttige toepassing van afvalstoffen hoefde te worden benut. De omstandigheid dat de partij na terugname is geblend alvorens deze aan een derde is geleverd, doet daar in de gegeven omstandigheden niet aan af. Immers, ook in het geval blenden is aan te merken als een van de in de bijlage II B genoemde procedés voor nuttige toepassing, was blenden van de partij in dit geval niet nodig om de partij weer op de markt te kunnen brengen.

De (vermengde) partij ULSD heeft op grond van het voorgaande de status van afvalstof als bedoeld in de EVOA (oud) nooit bereikt. De verdachte rechtspersoon zal dan ook worden vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde feit.

Conclusie

De rechtbank verklaart niet bewezen dat de verdachte rechtspersoon het tenlastegelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe wet- en regelgeving omgevingsrecht per 1 januari 2016

Print Friendly and PDF ^

De punitieve handhaving van de omgevingswet

Op 16 juli 2014 is het voorstel van de Omgevingswet bij de Tweede Kamer ingediend. Verschillende wetten op het terrein van de fysieke leefomgeving worden geheel of gedeeltelijk in deze wet geïntegreerd. De wetten en delen van wetten die de Omgevingswet zal vervangen, hanteren niet allemaal dezelfde handhavingsinstrumenten. Dat geldt ook voor de punitieve handhaving. Zowel het strafrecht als de bestuurlijke boete speelt een rol. Dit boek vormt de neerslag van een onderzoek naar de vraag hoe de punitieve handhaving van voorschriften die bij of krachtens de Omgevingswet gesteld worden, vorm kan worden gegeven. Het onderzoek is verricht in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Praktische Informatie

  • ISBN: 9789462510784
  • Auteur: prof. mr. H.E. Bröring, mr. M.E. Buwalda, mr. dr. drs. A.A. van Dijk, prof. mr. B.F. Keulen, mr. A. Postma
  • Aantal pagina's: 648

 

Bestel hier het boek via Uitgeverij Paris.

Print Friendly and PDF ^

Aangetroffen asbest geen 'gevaarlijke afvalstof' in de zin van artikel 10.37 van de Wet Milieubeheer vanwege een te lage concentratie asbest per kilogram asbesthoudend materiaal

Rechtbank Den Haag 24 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13598 In de periode van 8 april 2013 tot en met 11 april 2013 heeft er in Hazerswoude-Rijndijk een sloop plaatsgevonden op een perceel waar de voormalige veevoederfabriek “De Hoop” (van Tijssen Goed Voor Dieren) was gevestigd. Deze sloop bestond uit het verwijderen van een woonhuis, een opslag en twee silo’s. Verdachte / rechtspersoon B.V. heeft van bedrijf 1 B.V. de opdracht gekregen voor de totale sloop. De sloop vond in onderaanneming plaats met het bedrijf 2 B.V.

Bedrijf 3 B.V. heeft beide silo’s in opdracht van bedrijf 4 B.V. voorafgaand aan de sloop op asbest onderzocht en heeft naar aanleiding van dit onderzoek op 22 januari 2013 een asbestinventarisatierapport opgesteld. Uit dat rapport kwam naar voren dat de nieuwste van de twee silo’s (op basis van één bemonstering op het dak) asbestvrij werd verklaard en dat bij de twee bemonsteringen van een bitumencoating, die was aangebracht op de buitenkant van de oudste van de twee silo’s, asbest was aangetroffen in de vorm van chrysotiel. Een bijzonderheid daarbij was dat de nieuwe silo tegen de oude silo was aangebouwd en een deel van de bitumencoating tussen de silo’s zat. Deze bitumencoating was daardoor enkel benaderbaar vanaf de binnenzijde van de nieuwe silo. De sanering moest daarom bestaan uit een buitensanering in risicoklasse 2 (buitenkant oude silo) en een binnensanering in risicoklasse 2 (binnenkant van de nieuwe silo ten behoeve van de oude silo), die in twee SMA-rt 2009-APR Risicoclassificaties waren neergelegd. Voor de buitensanering moest de locatie worden afgebakend, beschermd en gemarkeerd. Bij de binnensanering moest een ‘containment’ worden aangelegd. Deze moest worden uitgevoerd conform de SC-530 regeling (waarin de eisen op het gebied van asbestverwijdering zijn neergelegd) en door een SC-530 gecertificeerd bedrijf. Verdachte / rechtspersoon B.V. is zo’n bedrijf. De eindcontrole moest geschieden volgens een NEN 2990 protocol. De werkmethode werd als volgt in algemene zin beschreven:

  • de asbestverwijderingswerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd in overeenstemming met de op het formulier aangeven specificaties en omstandigheden. Te allen tijde dient vezelemissie zoveel mogelijk te worden beperkt;
  • voorafgaand aan de werkzaamheden dient een compleet werkplan te worden opgesteld conform SC-530 Bijlage G (werkplan);
  • de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd conform SC-530 Bijlage B (Technische uitvoering).

Reeds op 7 december 2012 had verdachte / rechtspersoon B.V. een “Werkplan Asbestverwijdering” opgesteld.

In opdracht van verdachte / rechtspersoon B.V. werd op 11 maart 2013 door hoger veiligheidsdeskundige (hierna: HVK’er) HVK’er een “asbestadvies” opgesteld. Verdachte / rechtspersoon B.V. had dit advies ingewonnen omdat bleek, nadat was gestart met de binnensanering van de oude silo via de nieuwe silo, dat een binnensanering praktisch niet uitvoerbaar was. De voor de binnensanering benodigde ‘containment’ kon vanwege een slechte bereikbaarheid en onveiligheid binnen de nieuwe silo niet worden gerealiseerd. HVK'er adviseerde dat de nieuwe silo eerst zou worden gesloopt, waarna de gehele bitumencoating op de oude silo (inclusief de binnenwand) gesaneerd kon worden volgens een SC-530 buitensanering in risicoklasse 2. Voorwaarden waren wel dat de ‘conventionele’ sloop van de nieuwe silo met de nodige voorzichtigheid diende te geschieden en dat beschadiging van de asbesthoudende bitumencoating moest worden voorkomen.

Na de sloop van de nieuwe silo is een nieuwe risicoclassificatie gemaakt voor de gehele oude silo, te weten een buitensanering risicoklasse 2, neergelegd in een SMA-rt 2009-APR Risicoclassificatie d.d. 8 april 2013.

Vervolgens is het werkplan op 8 april 2013 aangepast. Daarin werd naar aanleiding van het asbestadvies van HVK’er vermeld:

De saneerders zullen in een hoogwerker met behulp van hakgereedschap de asbesthoudende teerlaag verwijderen. De asbesthoudende teerlaag wordt in delen afgestoken en opgevangen op onderliggend folie. De restanten worden dan dubbel in zakken verpakt en gedeponeerd in de gereedstaande containers.

Uit de handgeschreven opmerkingen in dat werkplan en uit de verklaringen van Deskundig Toezichthouder Asbest DTA’er , Deskundig Asbest Verwijderaar (DAV’er) en kraanmachinist en vertegenwoordiger volgt dat men op 8 april 2013 middels een hoogwerker met hakhamers heeft geprobeerd de bitumencoating af te bikken. Daarbij ontstonden echter onvoorziene gaten in de keramische muur die de stabiliteit van die muur en de gehele silo in gevaar brachten. Na telefonisch overleg tussen DTA’er en vertegenwoordiger is besloten te werken met een lichtere hakhamer, die echter hetzelfde resultaat gaf. Hierop is vertegenwoordiger ter plaatse gekomen en is in overleg met DTA’er vastgesteld dat de muur te instabiel werd als op dezelfde saneerwijze zou worden doorgegaan. In een overleg met DTA’er , Vermeulen en de fysiek sanerende werknemers van verdachte / rechtspersoon B.V. is daarna besproken dat de ‘best beschikbare techniek’ het gecontroleerd slopen met een kraan was. Hierop zijn de muurdelen met een kraan met grijper verwijderd. De muurdelen met de bitumencoating werden (om emissie tegen te gaan) in zo groot mogelijke delen direct in een asbestcontainer gedeponeerd met een kraan die buiten het asbestgebied stond, terwijl er werd beneveld (ook om emissie tegen te gaan). Vervolgens werden overgebleven stukken muur met bitumencoating door “handpicking” verwijderd. Deze werkwijze was anders dan oorspronkelijk in het werkplan stond vermeld en daarom is deze handgeschreven in het werkplan opgenomen.

Door toezichterhouder bij de afdeling Bouw en Wonen van de gemeente Rijnwoude, zijn op 11 april 2013 twee monsters genomen uit een berg puin die buiten het asbestafzettingsgebied lag en die door DTA’er aangemerkt was als ‘schoon puin’. Vervolgens heeft Hop het werk mondeling stilgelegd. Uit onderzoek uitgevoerd op 12 april 2013 is gebleken dat één van die monsters positief werd getest op asbest, te weten chrysotiel. Ook sommige andere monsters van dit terrein zijn positief getest op asbest, het betrof steeds anthofylliet. Daarnaast is sloopafval, dat als ‘schoon’ werd aangemerkt door verdachte / rechtspersoon B.V. en dat uiteindelijk is afgevoerd naar MNO Vervat, bemonsterd. Ook die monsters zijn positief getest op asbest, het betrof amosiet en anthofylliet.

Feit 1

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of door verdachte / rechtspersoon B.V. handelingen (zoals onder 1 ten laste gelegd) met betrekking tot afvalstoffen (asbesthoudende coating) zijn verricht, terwijl zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is betoogd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het aangetroffen asbest afkomstig was van de oude silo. Als het asbest van de niet-asbesthoudende silo afkomstig zou zijn, dan kan volgens de verdediging verdachte / rechtspersoon B.V. geen verwijt kan worden gemaakt.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat verdachte / rechtspersoon B.V. niet wist en ook niet kon weten dat door haar handelen nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Volgens de verdediging is er gesaneerd op een wijze conform een buitensanering SC-530 van risicoklasse 2 en is ook na wijziging van de gebruikte werkwijze (niet meer handmatig maar met een kraan met grijper) gehandeld volgens de ‘best beschikbare technieken’. Volgens de verdediging mocht verdachte / rechtspersoon B.V. haar werkwijze binnen die risicoklasse wijzigen, zolang dit in het werkplan werd aangegeven. De stelling dat zij wederom een HVK’er had moeten raadplegen wordt betwist. HVK'er had volgens de verdediging geen rol bij de wijze waarop de buitensanering in de praktijk werd uitgevoerd, zijn rapport zag enkel op de volgorde van de sloop en bevatte geen enkele aanwijzing ten aanzien van de sloopmethode.

Oordeel rechtbank

Ten aanzien van het aangetroffen asbest overweegt de rechtbank als volgt.

In het asbestinventarisatierapport is vermeld dat de oude silo asbest, te weten chrysotiel, bevatte. De nieuwe silo werd asbestvrij verklaard. In een van de monsters, genomen buiten het asbestafzettingsgebied, is chrysotiel aangetroffen. Op basis van het dossier kan echter niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de aangetroffen chrysotiel uit de bitumencoating van de oude silo afkomstig was. Dat geldt evenzeer voor de op het terrein en/of in het afgevoerde sloopafval aangetroffen amosiet en anthofylliet, nog daargelaten dat deze asbestsoorten niet zijn vermeld in het asbestinventarisatierapport. Niet kan worden uitgesloten dat het aangetroffen asbest uit de nieuwe silo of een ander deel van de oude silo afkomstig was, mede gelet op de werkwijze dat de bitumencoating in zo groot mogelijke delen direct in een asbestcontainer zou worden gedeponeerd. Er is derhalve geen wettig en overtuigend bewijs dat de sloop van de bitumencoating van de oude silo heeft gezorgd voor asbesthoudend materiaal buiten het asbestafzettingsgebied.

Voor zover de officier van justitie (in repliek) heeft betoogd dat de tenlastelegging ziet op de gehele sloop van het complex, is de rechtbank van oordeel dat dit niet uit de tekst van tenlastelegging volgt. Het gaat immers om “een silo” en een “asbesthoudende coating van die silo”. Het is tegen de achtergrond van het dossier evident dat hiermee de oude silo wordt aangeduid.

Ten aanzien van de door verdachte / rechtspersoon B.V. gevolgde werkwijze overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het advies van HVK'er alleen volgt dat de nieuwe silo eerst moest worden verwijderd om daarna tot een volledige buitensanering van de oude silo te kunnen komen. Een sloopinstructie – anders dan dat de nieuwe silo met de nodige voorzichtigheid moest worden verwijderd (om zo de bitumencoating op de oude silo niet te beschadigen) – komt niet voor in dit advies, ook niet – zoals HVK'er later heeft verklaard – dat de bitumencoating met de hand moest worden verwijderd. Ook in de werkmethode zoals omschreven in het asbestinventarisatierapport wordt niet gesteld dat de bitumencoating met de hand moest worden verwijderd en evenmin is gebleken dat dit is opgenomen in SC-530 Bijlage B (Technische uitvoering).

De rechtbank leidt uit het dossier af dat het in beginsel de verantwoordelijkheid van verdachte / rechtspersoon B.V., als SC-530 gecertificeerd bedrijf, was om na het advies van HVK’er een voor de oude silo juiste saneringsmethode te kiezen volgens de ‘best beschikbare technieken’ en dat niet is gebleken dat bij een wijziging van werkwijze van sloophamer naar sloopkraan opnieuw een HVK’er of een andere deskundige had moeten worden geraadpleegd. De rechtbank merkt in dat kader op dat HVK’er bij zijn verhoor heeft gesteld dat hij niet zeker wist of er wel sloophamers mochten worden gebruikt. Dit laatste wekt de indruk dat HVK’er ook niet over de juiste kennis beschikte om over een nieuwe werkwijze te kunnen adviseren.

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus niet gebleken dat de werkwijze van verdachte / rechtspersoon in strijd met de SC-530 regeling is geweest, en ook niet dat verdachte / rechtspersoon B.V. niet heeft gehandeld volgens de ‘best beschikbare technieken’.

Conclusie

Hoewel de meeste gedragingen die in de tenlastelegging zijn opgenomen op zichzelf genomen bewezen zouden kunnen worden, kan gelet op het voorgaande niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte / rechtspersoon B.V. wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat door die gedragingen nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van feit 1.

Feit 2

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de 260 ton puin, afkomstig van de sloop van de opstallen te Hazerswoude-Rijndijk, is aan te merken als gevaarlijke afvalstoffen.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het afgevoerde puin moet worden geclassificeerd onder ‘overig bouw- en sloopafval dat gevaarlijke stoffen bevat’ (17 09 03*c). Uit de hiervoor vermelde regelgeving leidt de rechtbank af dat de laagst mogelijke grenswaarde om dergelijk materiaal als gevaarlijke afvalstof aan te merken op een concentratie van 0,1% of minder ligt. Die waarde komt overeen met 1000 mg/kg droge stof.

bedrijf 5 BV heeft onderzoek uitgevoerd naar de asbestconcentratie van het naar MNO Vervat te Moordrecht afgevoerde puin. Vastgesteld is dat asbest is aangetroffen en dat de concentratie 40 mg/kg droge stof betreft. Nu deze concentratie lager is dan de hiervoor genoemde grenswaarde komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.37 van de Wet milieubeheer.

De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van feit 2.

De rechtbank verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^