Vrijspraak: Er kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het door de verdachte vervoerde bestratingsmateriaal een afvalstof is in de zin van de Wet Milieubeheer

Gerechtshof Amsterdam 20 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5631

Op 9, 10, 13 en 14 februari 2012 heeft de verdachte ongeveer 6.700 ton gebruikt bestratingsmateriaal, te weten stoeptegels, stenen en trottoirbanden, vervoerd vanuit haar inrichting te Nieuw Vennep naar een terrein te Hillegom en aldaar los gestort. Voor dit transport beschikte de verdachte niet over een begeleidingsbrief zoals bedoeld in artikel 10.39 van de Wet Milieubeheer.

Namens de verdachte heeft haar bestuurder [bestuurder] tegenover de politie meer in het algemeen verklaard dat de verdachte de op haar inrichting te Nieuw Vennep aangevoerde gebruikte tegels, stenen en stoepranden koopt van gemeenten. De verdachte breekt vervolgens de bestrating op en haalt deze uit de grond. Het naar Hillegom vervoerde bestratingsmateriaal heeft zij verkocht aan [bedrijf 2] De koopster had haar verzocht het materiaal af te leveren op het terrein in Hillegom.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de bestuurder verklaard dat het bestratingsmateriaal geschikt is voor hergebruik. Het wordt opgeslagen in haar depot en gaat daarna naar een opdrachtgever, die er een straat van maakt, aldus de bestuurder.

In het kader van een onderzoek door de Provincie Zuid-Holland is namens de koopster verklaard dat het de bedoeling was het bestratingsmateriaal in Hillegom te verpakken en op te slaan.

De vraag die het hof moet beantwoorden is of het door de verdachte vervoerde materiaal afval in de zin van de Wet milieubeheer is. Voor het antwoord op deze vraag dient aansluiting te worden gezocht bij Europese wet- en regelgeving en jurisprudentie.

Ten tijde van het ten laste gelegde was de Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen van toepassing.

Richtlijn 2008/98/EG geeft de volgende relevante definities:

Artikel 3 Definities

“1. afvalstof: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; […]

6. afvalstoffenhouder: de afvalstoffenproducent dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft; […]

14. verwerking: nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende handelingen;

15. nuttige toepassing: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt. Bijlage II bevat een niet-limitatieve lijst van nuttige toepassingen;

17. recycling: elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;

19. verwijdering: iedere handeling die geen nuttige toepassing is zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen. Bijlage I bevat een niet-limitatieve lijst van verwijderingshandelingen.

In het Shell-arrest van het Hof van Justitie van 12 december 2013 (ECLI:EU:C:2013:821) heeft het Hof over ‘het zich ontdoen van een afvalstof’ overwogen dat voorwerpen of stoffen die voor de houder ervan geen nut hebben of meer hebben, zodat dit voorwerp of deze stof een last is waarvan deze zich wil ontdoen, vallen onder het begrip afvalstof in de zin van de richtlijn 2006/12 (ingetrokken op 12 december 2010 en opgevolgd door Richtlijn 2008/98).

Of stoffen gekwalificeerd kunnen worden als afvalstoffen wordt dus primair bepaald door het gedrag of de intentie van de houder, namelijk of deze zich van de betreffende stoffen ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Niet alleen de intentie van de verdachte als houder is van belang. Ook is van belang hoe de stof bij de verdachte terecht is gekomen. Immers, de kwalificatie ‘afvalstof’ komt pas te vervallen indien de stof een procedé voor nuttige toepassing volledig heeft ondergaan. Derhalve is van belang om te kunnen vaststellen of het door de verdachte vervoerde bestratingsmateriaal reeds als afvalstof was aan te merken op het moment van verkrijging.

Mede bij gebreke van enige aanwijzing in andere zin zal het hof op grond van voornoemde verklaringen van [bestuurder] en hetgeen de raadsman hierover ter terechtzitting in hoger beroep heeft opgemerkt, tot uitgangspunt nemen dat het onderhavige materiaal afkomstig is van gemeenten. Over de intentie van deze gemeenten met betrekking tot het materiaal is echter niets bekend geworden. Hier is geen onderzoek naar gedaan. Hoewel het er alle schijn van heeft dat de betreffende gemeenten het aan de verdachte verkochte bestratingsmateriaal als een last beschouwden waarvan zij zich wilden ontdoen – en het derhalve een afvalstof betrof –, is niet uit te sluiten dat dit niet het geval is en dat de gemeenten het bestratingsmateriaal aan de verdachte hebben verkocht met de intentie dit zonder bewerking te doen hergebruiken. Het hof kan dan ook niet beoordelen of het materiaal op het moment van verkrijging door de verdachte (reeds) een afvalstof was en dientengevolge eerst een behandeling voor nuttige toepassing behoefde om niet langer als afvalstof te kunnen worden gekwalificeerd.

Dat voor de verdachte het bestratingsmateriaal een last was waarvan zij zich wilde ontdoen, is evenmin komen vast te staan. Namens de verdachte is dit ontkend en de verklaring dat zij het materiaal heeft verkocht ten behoeve van hergebruik vindt ondersteuning in de voormelde mededeling namens de koopster aan de Provincie Zuid-Holland.

Bij deze stand van zaken kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het door de verdachte vervoerde bestratingsmateriaal een afvalstof was en zij derhalve een begeleidingsbrief als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet Milieubeheer nodig had, respectievelijk zich van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen heeft ontdaan zoals onder 1 en 2 ten laste gelegd.

Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van hetgeen haar onder 1 en 2 is ten laste gelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF