Enkele recente ontwikkelingen in milieurechtelijke jurisprudentie

In dit artikel worden milieurechtelijke uitspraken gesignaleerd van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en rechtbanken die de auteur het afgelopen jaar zijn opgevallen. Bij de keus van de te selecteren uitspraken is zo veel mogelijk aangesloten bij de onderwerpen die de afgelopen jaren zijn besproken in tijdschrift Bouwrecht in eerdere artikelen over de ontwikkelingen in milieurechtelijke jurisprudentie. Gesignaleerd zijn uitspraken over: de (voorbereidings)procedure van een milieurechtelijk besluit, de omgevingsvergunning voor milieu (milieuvergunning) en andere milieurechtelijkeonderwerpen en de bestuursrechtelijke handhaving. De onder de Wm gewezen uitspraken zijn onverkort relevant in het kader van de Wabo.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG in afvalstoffen-zaak van Shell Nederland en Shell België naar aanleiding van verzoek van de Rechtbank te Rotterdam om een prejudiciële beslissing

In deze zaak gaat het erom of Shell Nederland Verkoopmaatschappij BV en Belgian Shell afvalstoffen hebben overgebracht naar een van hun vestigingen in Nederland, te weten ruim 333 000 kilo van een door een koper in België geretourneerd olieproduct. De koper kon het olieproduct niet opslaan of onder zich houden wegens de onjuiste samenstelling ervan, die was veroorzaakt door een fout tijdens het laden vóór de eerste overbrenging van het product van Nederland naar België. In feite is de vraag of dit olieproduct als „afvalstof” moet worden aangemerkt, de enige kwestie waarvoor de verwijzende nationale rechter een beroep op het Hof doet in het kader van de strafrechtelijke berechting van Shell wegens niet-naleving van de procedurele vereisten van het Nederlandse en het Unierecht betreffende het overbrengen van afvalstoffen.

Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, verlangt dat aan de bevoegde autoriteit van bestemming vooraf kennis wordt gegeven van het overbrengen van afvalstoffen, terwijl artikel 5, lid 1, van verordening nr. 259/93 overbrenging zonder vergunning verbiedt. Beide verplichtingen zijn een uitwerking van het voorzorgsbeginsel van artikel 191, lid 2, VWEU, en het staat vast dat Shell noch aan de bevoegde autoriteiten kennisgeving heeft gedaan van de overbrenging van het product in kwestie, noch hiervoor vergunning had verkregen.

Geschil in het hoofdgeding en prejudiciële vragen

Op 3 september 2006 is door Shell zogenoemde Ultra Light Sulphur Diesel (ULSD) in een schip verladen en naar een Belgische klant (Gebr. Carens BVBA) gebracht. Op het moment van laden van het schip waren de tanks niet helemaal leeg, waardoor de ULSD vermengd is geraakt met Methyl Tertiary Butyl Ether (MTBE).

Het gevolg van deze vermenging was dat de ULSD niet aan de overeengekomen productkenmerken voldeed en door Carens niet meer kon worden gebruikt voor het oorspronkelijk beoogde doel, te weten verkoop door Carens als dieselbrandstof aan de pomp. Het vlampunt van het mengsel was daarvoor te laag; bovendien mocht Carens op grond van haar milieuvergunning een mengsel met een dergelijk vlampunt niet opslaan. De vermenging van de ULSD met MTBE werd pas ontdekt nadat de partij was overgedragen aan Carens in België. Volgens de schriftelijke opmerkingen van de Commissie zond Shell de partij tussen 20 en 22 september 2006 terug naar Nederland, waar zij deze opnieuw heeft laten blenden om het nieuwe mengsel als brandstof te verkopen. Zoals reeds vermeld heeft Shell vóór de overbrenging noch een kennisgeving in de zin van verordening nr. 259/93 gedaan, noch om een vergunning verzocht.

Shell werd daarop strafrechtelijk vervolgd voor de Rechtbank te Rotterdam. Shell wordt ten laste gelegd dat zij in of omstreeks het tijdvak van 20 tot en met 22 september 2006 te Barendrecht en/of te Rotterdam, in elk geval te Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Unie, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26, lid 1, van verordening nr. 259/93, omdat zij in het motortankschip Nimitz afvalstoffen, te weten (ongeveer 333 276 kilogram) gasolie en/of dieselolie verontreinigd met MTBE, in elk geval olieafval, in elk geval een afvalstof als genoemd onder code AC 030 in bijlage III bij verordening nr. 259/93, heeft overgebracht van België naar Nederland, welke overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig verordening nr. 259/93.

In het licht hiervan heeft de Rechtbank verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

1. Moet een partij diesel worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van [verordeningen nr. 259/93 en nr. 1013/2006] in de volgende omstandigheden:

  • de partij bestaat uit Ultra Light Sulphur Diesel, die ongewild vermengd is geraakt met Methyl Tertiary Butyl Ether;
  • de partij blijkt na levering aan een koper – door de vermenging – niet aan de tussen de koper en verkoper overeengekomen specificaties te voldoen (het is daarmee: ,off-spec’);
  • de partij wordt – na reclame door de koper – uit hoofde van de koopovereenkomst teruggenomen door de verkoper en deze betaalt de koopprijs terug;
  • de verkoper heeft de intentie om de partij – al dan niet na vermenging met een ander product – weer op de markt te brengen.

2. Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend is:

  • is er een moment aan te wijzen in bovengenoemde feitelijke omstandigheden vanaf hetwelk dit het geval is?;
  • verandert de status van de partij naar niet-afvalproduct op enig moment tussen de aflevering aan de koper en een nieuwe menging door of namens de verkoper, en zo ja, op welk moment?

3. Is het voor het antwoord op vraag 1 van belang:

  • of de partij op dezelfde wijze gebruikt kon worden als brandstof als pure ULSD, maar door zijn lagere vlampunt niet meer voldeed aan (veiligheids)eisen;
  • of de partij door de nieuwe samenstelling door de koper niet mocht worden opgeslagen onder een milieuvergunning;
  • of de partij door de koper niet gebruikt kon worden voor het doel waarvoor deze was aangekocht, namelijk verkoop als dieselbrandstof aan de pomp;
  • of de wil van de koper wel of niet op teruggave aan de verkoper onder de koopovereenkomst was gericht;
  • of de wil van de verkoper inderdaad was gericht op terugname van de partij met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt;
  • of de partij wel of niet hersteld kan worden, hetzij in de originele beoogde staat, hetzij tot een product dat verhandelbaar is tegen een prijs die de marktwaarde van de oorspronkelijke partij ULSD benadert;
  • of die herstelhandeling een gebruikelijk productieproces is;
  • of de marktwaarde van de partij in de staat waarin het zich bevindt op het moment dat het wordt teruggenomen door de verkoper, (nagenoeg) overeenkomt met de prijs van een product dat wel aan de overeengekomen specificaties voldoet;
  • of de teruggenomen partij in de staat waarin het zich bevindt op het moment dat het wordt teruggenomen, zonder bewerking op de markt kan worden verkocht;
  • of de handel in producten zoals de partij gebruikelijk is en in het handelsverkeer niet als handel in afvalstoffen wordt beschouwd.”

Beoordeling AG JÄÄSKINEN

De AG geeft in overweging op de prejudiciële vragen van de Rechtbank te Rotterdam het volgende antwoord te geven:

„Een partij brandstof die de verkoper terugneemt en bewerkt door menging, met de bedoeling het mengsel weer op de markt te brengen, omdat die brandstof onbedoeld was vermengd met een andere stof en daardoor niet langer voldeed aan veiligheidsvoorschriften en derhalve niet door de koper kon worden opgeslagen uit hoofde van diens milieuvergunning, moet worden aangemerkt als een partij afvalstof in de zin van artikel 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, vanaf het moment van de onbedoelde verontreiniging tot aan de nuttige toepassing door de nieuwe menging ervan.”

Lees hier de volledige conclusie.

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe Omgevingswet vergroot risico’s voor bescherming van milieu en natuur

De voorgestelde nieuwe Omgevingswet levert per saldo meer risico’s dan kansen op voor de milieu- en natuurbescherming. Dit komt door de manier waarop de extra ruimte voor ontwikkelingen in het wetsvoorstel wordt vormgegeven én door de beperkingen aan de procedure voor de milieueffectrapportage. Dat concludeert het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) in zijn vandaag verschenen studie Milieueffectentoets Wetsvoorstel Omgevingswet, dat het uitvoerde op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en de Tweede Kamer (motie Van Veldhoven).

De regering heeft zich tot doel gesteld om met de Omgevingswet, in vergelijking met de huidige wetgeving, een gelijkwaardig beschermingsniveau voor milieu en natuur te waarborgen. De voorgestelde Omgevingswet omvat de kaders voor de belangrijkste materiële en procedurele regels voor ruimtelijke ontwikkeling, gebruik en beheer van de leefomgeving; de uitwerking van de Omgevingswet gebeurt op een later moment in Algemene Maatregelen van Bestuur. Deze latere concrete invulling is bepalend voor het feitelijke beschermingsniveau van milieu en natuur; het PBL kan dan ook alleen in termen van kansen en risico’s voor milieu- en natuurbescherming spreken.

Kansen

Het PBL constateert dat het wetsvoorstel voor de Omgevingswet aansluit bij de maatschappelijke behoefte aan meer flexibiliteit en integraliteit. Het biedt meer afwegingsruimte voor ruimtelijke ontwikkelingen dan de voorgaande wetgeving en verhoogt de mate van integraliteit van de besluitvorming. Bovendien voorziet het in een eenduidige aanpak voor het oplossen van de problemen in de leefomgeving. Hiermee levert het wetsvoorstel kansen op voor de bescherming van milieu en natuur.

Risico’s

Er zijn echter ook risico’s voor de milieu- en natuurbescherming in de voorgestelde Omgevingswet. Zo biedt het wetsvoorstel meer flexibiliteit om te kunnen afwijken van de milieu- en natuurregelgeving. Het stelt hierbij minder eisen aan welke gebiedsontwikkelingen worden toegelaten en biedt daarnaast minder garanties tegen eventuele negatieve milieu- of natuureffecten. Door het beperken van de sturing komt de geboden flexibiliteit onvoldoende ten goede aan het doel van duurzame ontwikkeling dat het wetvoorstel beoogt en levert het voorstel een hoger risico op voor milieu- en natuurbescherming. Het is namelijk onvermijdelijk dat sommige ruimtelijke ontwikkelingen op gespannen voet staan met milieu- en natuurbescherming. Maar vooral de stapeling van de mogelijkheden voor flexibiliteit in combinatie met beperkingen van de procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) levert risico’s op voor de milieu- en natuurbescherming. Bij de m.e.r.-procedure zal het onderzoek naar alternatieven met minder milieueffecten namelijk vaker buiten beeld blijven. Verder nemen de mogelijkheden voor maatschappelijke participatie af en wordt de verplichte onafhankelijke kwaliteitstoets voor de rapportage van een project-m.e.r. geschrapt. De meeste flexibiliteit om van de milieu- en natuurregelgeving af te wijken biedt het instrument ‘projectbesluit’, terwijl het hierbij niet om de minste projecten gaat. Denk bijvoorbeeld aan grote en complexe projecten als snelwegen, windmolenparken en waterbergingsgebieden.

Bron: Planbureau voor de Leefomgeving

Print Friendly and PDF ^

Is een opslagtank een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer?

Gerechtshof Leeuwarden 15 april 2013, LJN BZ8112

Feiten

Verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk het verwijderen of onklaar maken van een opslagtank, met de daarbij behorende leidingen en appendages, niet overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument heeft laten geschieden door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

Voorts wordt verdachte verweten dat hij opzettelijk, terwijl in de inrichting een brandstoftank is verwijderd, althans een bodembedreigende activiteit is verricht, niet binnen zes maanden na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof en/of afgewerkte olie en/of pekel in een ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit heeft toegezonden aan het college van burgemeester en wethouders, althans aan het bevoegd gezag.

Verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat hij de opslagtank heeft laten leegzuigen door een gecertificeerd bedrijf, bedrijf 1, en dat hij de opslagtank heeft afgevoerd naar een erkend verwerkingsbedrijf, bedrijf 2. Verder is uit een reeds in april 2011 aan de gemeente toegezonden bodemonderzoek gebleken dat de grond rondom de opslagtank niet is verontreinigd. Verdachte is van mening dat hij aldus aan de voor hem geldende verplichtingen heeft voldaan.

Beoordeling hof

Aan verdachte zijn tenlastegelegd overtredingen van voorschriften gesteld krachtens artikel 8:40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, te weten, in het eerste gedeelte van de tenlastelegging, de overtreding van het op artikel 3.30 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer gebaseerde artikel 3.37, vierde lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en, in het tweede gedeelte van de tenlastelegging, de overtreding van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit.

Deze bepalingen gelden slechts indien sprake is van een inrichting. In het tweede gedeelte van de tenlastelegging is het woord inrichting, als te bewijzen onderdeel van de tenlastelegging, opgenomen.

Het begrip inrichting is omschreven in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Onder inrichting wordt verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Bij algemene maatregel van bestuur worden, zo bepaalt artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer vervolgens, categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Dit laatste is gebeurd in het Besluit omgevingsrecht. Artikel 2.1, eerste lid, van dit besluit wijst de in bijlage I bij dit besluit, onderdelen B en C, genoemde categorieën van inrichtingen aan als categorieën van inrichtingen bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.

In onderdeel C is, voor zover hier van belang, opgenomen:

Categorie 5 | 5.1. Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen.

In het perceel, waarvan verdachte eigenaar is, is een dieselolietank aangetroffen met een inhoud van meer dan 1 m3. In die tank bevond zich een restant olie. Vastgesteld kan worden dat sprake is van een bedrijvigheid, te weten het opslaan van ontvlambare of brandbare vloeistoffen, die binnen een zekere begrenzing (de tank) pleegt (met een zekere tijdsduur) te worden verricht. De vraag of hier ook sprake is van een bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is ondernomen bedrijvigheid, zal het hof niet beantwoorden.

Immers, ook indien deze vraag, veronderstellenderwijs, bevestigend zou worden beantwoord en er mitsdien van wordt uitgegaan dat sprake is van een inrichting in de zin van (artikel 1.1 van) de Wet milieubeheer, dan nog kan niet tot een veroordeling van verdachte worden gekomen.

Niet kan worden vastgesteld dat verdachte, zoals omschreven in het eerste gedeelte van de tenlastelegging, niet overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument heeft gehandeld. In het dossier bevindt zich niet het normdocument waarop de steller van de tenlastelegging het oog heeft en waarin (kennelijk) zou moeten staan dat een ondergrondse brandstoftank moet worden afgevoerd door een bedrijf dat beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Evenmin bevindt zich in het dossier de ministeriële aanwijzing van een dergelijk normdocument op de voet van artikel 25 van het Besluit bodemkwaliteit. In het dossier bevindt zich wat dit betreft slechts, in de brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] van 24 maart 2011, een verwijzing naar een (niet bijgevoegde) beoordelingsrichtlijn.

Het tweede gedeelte van de tenlastelegging kan evenmin worden bewezen, reeds hierom niet nu niet kan worden vastgesteld dat het bodemonderzoek dat verdachte voor het einde van de tenlastgelegde periode aan het college van burgemeester en wethouders heeft doen toekomen, niet kan worden beschouwd als rapport in de zin van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit.

Verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Rechtspersoon maakt zich schuldig aan medeplegen van storten materialen op bodem en in water. Overwegingen over de begrippen 'inrichting' en 'werk' in de zin van de Wet milieubeheer en 'werk' in de zin van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Gerechtshof Arnhem 16 april 2013, LJN BZ7832

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het jarenlang storten van materialen in en op de locaties C en B, terwijl hij daarvoor niet de vereiste vergunningen had aangevraagd en verkregen. De verdachte heeft daarmee het risico genomen op vervuiling van de bodem en het oppervlaktewater.

Bovendien heeft de verdachte valsheid in geschrifte gepleegd.

Inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (feiten 1 en 2)

Voor zover het de feiten 1 en 2 betreft heeft de raadsman betoogd dat geen sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in ieder geval niet van een inrichting waarvoor de vertegenwoordiger van de verdachte verantwoordelijk was, nu de vertegenwoordiger van de verdachte werkte in opdracht getuige 1 en 2 en zij degenen waren die voor een eventuele vergunning moesten zorgen.

Voor zover het hof van oordeel is dat wel sprake was van een inrichting waarvoor de vertegenwoordiger van de verdachte verantwoordelijk was, heeft de raadsman betoogd dat geen sprake hoefde te zijn van een vergunning. Hij heeft een beroep gedaan op de uitzondering zoals die is neergelegd in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit onderdeel 28.3 onder c omdat sprake was van een werk in de zin van het Bouwstoffenbesluit en ná 1 januari 2009 een toepassing in de zin van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), waardoor de aanvraag en verlening van een vergunning niet nodig was. Alle ambtenaren en derden die bij het project betrokken waren ging daarvan ook uit, terwijl het werk ook geen nadelige gevolgen heeft gehad voor het milieu.

Zo er al afvalstoffen zouden zijn gestort, kan niet bewezen worden dat de aangetroffen materialen door de vertegenwoordiger van de verdachte zijn gestort. De raadsman heeft ter onderbouwing gewezen op de getuigenverklaringen van getuige 1, 2 en 3.

Het standpunt van de advocaat-generaal en de rechtbank dat geen sprake zou zijn van een toepassing en een functionaliteitsvereiste is achterhaald door de legalisatie van het storten van zand.

Ten slotte is ter zake van deze feiten bepleit dat de vertegenwoordiger van de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de overtreding van de Wet milieubeheer omdat de vertegenwoordiger van de verdachte steeds heeft gehandeld in overleg met het bevoegde gezag. Ook op die grond dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Hof: De conclusie op dit punt is dat met de stort van de materialen zoals de vertegenwoordiger van de verdachte heeft gedaan geen sprake was van een werk of toepassing, die van de vergunningplicht van artikel 8.1 Wm was uitgezonderd. Voor zover de raadsman nog heeft betoogd dat de vertegenwoordiger van de verdachte niet de normadressaat is van het artikel faalt dit betoog omdat het artikel is gericht aan een ieder die een inrichting drijft. Dat verdachte daarbij (mede) in opdracht heeft gehandeld van getuige 2 en/of getuige 1 doet daaraan niet af. Het hof acht bewezen dat verdachte samen met getuige 2 en/of getuige 1 de materialen heeft gestort terwijl daarvoor geen vergunning was verkregen, zodat evenmin relevant is of verdachte elke vracht afzonderlijk heeft gestort.

Het gegeven dat de bestaande situatie thans gelegaliseerd wordt doet evenmin af een bewezenverklaring ter zake van de feiten 1 en 2, omdat dit niet betekent dat destijds is gehandeld conform de geldende regelgeving. Het hof ziet zich in dit oordeel gesteund door de brief afkomstig van het Waterschap Rivierenland d.d. 26 april 2012 waarin wordt gemeld dat aan B.V. van getuige 2 in het verleden is verzocht om de gestorte materialen, voor welke stort geen vergunning is verleend, te verwijderen en dat aan het bedrijf thans een last onder dwangsom wordt opgelegd om te bewerkstelligen dat de gestorte materialen worden afgedekt met een schone afdeklaag.

Voor zover nog is betoogd dat de vertegenwoordiger van de verdachte geen opzet had op het overtreden van de Wet milieubeheer geldt dat de vertegenwoordiger van de verdachte wist dat hij geen vergunning had. Opzet op de wederrechtelijkheid is niet vereist.

Afvalstof (feit 3)

De raadsman heeft betoogd dat door de vertegenwoordiger van de verdachte geen afvalstoffen zijn gestort.

  • Er is schone grond en categorie 1 grond toegepast in een waterbouwkundig werk. Bovendien is de uitzondering van artikel 18 lid 1 en 21 lid 1 van het Bouwstoffenbesluit alsook artikel 5 lid 2 van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, zodat de vergunningenplicht niet geldt.
  • Het standpunt dat geen sprake zou zijn van de uitzonderingsbepalingen in de zin van het Bouwstoffenbesluit in verband met het ontbreken van voldoende functionaliteit is achterhaald door de legalisatie van de werkzaamheden.
  • Bovendien had de vertegenwoordiger van de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op de overtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo).
  • Ten slotte is betoogd dat de Wvo voor het inrichtingen- en afvalstoffenbegrip aanhaakt bij de Wet milieubeheer. Gelet op het eerdere betoog dat geen sprake is van een inrichting, noch van afvalstoffen, noch van enige kans op verontreiniging, is de Wvo niet aan de orde en dient ook op grond daarvan vrijspraak te volgen.

Hof: In het onderhavige geval is, zoals hiervoor aan de orde was, sprake van het storten van materialen in een inrichting, zonder dat daarmee een specifiek doel aan ten grondslag lag. Verdachte had de materialen die in/op locatie C en B zijn gestort onder zich, en daarmee in beheer, waarna zij de stort van de materialen aanstuurde of verzorgde. De gestorte materialen zijn daarmee aan te merken als afvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer en de op grond van die wet gedelegeerde wetgeving. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Valsheid in geschrifte (feit 5)

Betoogd is dat de facturen die in de tenlastelegging zijn opgenomen niet vals waren. De beplanting is slechts tijdelijk geplaatst op het privéterrein van de vertegenwoordiger van de verdachte. Verder had de vertegenwoordiger van de verdachte geen opzet op het plegen van valsheid in geschrifte en ontbrak het oogmerk tot benadeling bij hem. Bovendien kan, zo het tenlastegelegde bewezen kan worden, het handelen niet aan de rechtspersoon worden toegerekend omdat dit geheel buiten de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden.

Hof: De vertegenwoordiger van de verdachte was enig aandeelhouder van verdachte en heeft in die hoedanigheid facturen opgemaakt terwijl deze vals waren. Deze gedraging past in beginsel bij de normale bedrijfsvoering van de B.V. met uitzondering van het gegeven dat de facturen die zijn opgemaakt vals waren. De gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest omdat de rechtspersoon bij het opmaken van de valse facturen financieel voordeel had. De rechtspersoon mocht beschikken over het plaatsvinden van de gedraging en deze gedraging werd in zoverre aanvaard dat door de rechtspersoon onvoldoende zorg is betracht om te voorkomen dat facturen werden opgemaakt die vals waren. Het hof is daarom van oordeel dat de gedragingen zeer wel in de sfeer van de rechtspersoon zijn verricht en dat deze aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Het verweer van de raadsman faalt. Het hof acht het onder 5 primair tenlastegelegde bewezen.

Bewezenverklaaring

  • Feit 1 en 2: het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
  • Feit 3:het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
  • Feit 5 primair: het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Beroep op rechtsdwaling 

De raadsman heeft betoogd dat bij de vertegenwoordiger van de verdachte alle schuld afwezig was, omdat hij heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de gedraging.

Door de vertegenwoordiger van de verdachte is gesteld dat diverse overheden hem al die tijd hebben medegedeeld dat er geen probleem was met de stort als de vertegenwoordiger van de verdachte maar schone grond zou storten. Ook zou zijn gezegd dat sprake was van een werk zodat geen vergunning nodig was.

Vaststaat dat de regelgeving die in de onderhavige zaak aan de orde is, complex is.

Uit geen van de door de vertegenwoordiger van de verdachte aangehaalde stukken blijkt dat de vertegenwoordiger van de verdachte expliciet advies heeft ingewonnen over de vraag of wel of geen vergunning vereist was voor de handelingen die hij verrichtte. Gelet op de complexiteit van de regelgeving had het wel op de weg van de vertegenwoordiger van de vertegenwoordiger van de verdachte gelegen om een dergelijk advies in te winnen bij een onafhankelijke en ter zake deskundige adviseur. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de vertegenwoordiger van de verdachte voorafgaand aan deze zaak, in juli 2000, een handhavingsbeschikking van de provincie Gelderland heeft ontvangen over de opslag van grond op het terrein te Kekerdom terwijl daarvoor geen vergunning was aangevraagd. De nadien door de vertegenwoordiger van de verdachte aangevraagde vergunning is afgewezen en een procedure bij de afdeling bestuursrechtspraak Raad van State heeft niet tot een andersluidend oordeel geleid. Op 16 november 2004 is door de gemeente een last onder dwangsom naar de vertegenwoordiger van de verdachte verstuurd en op 18 april 2005 is nogmaals gemeld dat de vertegenwoordiger van de verdachte in strijd met de wetgeving afvalstoffen heeft gestort. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft zijn activiteiten vervolgens verplaatst naar locaties locatie C en B.

Het hof is van oordeel dat de vertegenwoordiger van de verdachte, die zijn bedrijf al jaren uitoefende en al eerder was geconfronteerd met de problematiek die in de onderhavige zaak aan de orde is, niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht om te voorkomen dat hij in strijd met de vigerende regelgeving, illegaal grote hoeveelheden materialen zou storten in en op de bodem en het oppervlaktewater. Het beroep op rechtsdwaling faalt om die reden.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 3.000,- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Geconstateerd is dat de diverse overheden die zicht hadden op de activiteiten die de verdachte ontplooide vanwege de complexiteit van de aan de orde zijnde regelgeving niet steeds helder voor ogen stond wie het bevoegde gezag was om een vergunningaanvraag in behandeling te nemen of om te handhaven. Feitelijk is niet handhavend opgetreden door de overheden. Het heeft lang geduurd voordat uiteindelijk strafrechtelijk is opgetreden. Deze gang van zaken heeft een matigende invloed gehad op de strafoplegging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nalaten milieueffectrapportage geen reden voor schadevergoeding

Het Europees Hof van Justitie heeft op 14 maart 2013 in de zaak Leth bepaald dat de “milieueffectrapportagerichtlijn” overheden niet verplicht om de waardedaling van goederen te beoordelen bij het opstellen van een milieueffectrapportage. De richtlijn strekt zich desondanks uit tot bescherming tegen vermogenschade die direct gevolg is van de milieueffecten van het project. Overheden kunnen aansprakelijk worden gesteld als zij de milieueffectrapportage achterwege laten. Dit betekent niet dat het achterwegen laten van de milieueffectrapportage een reden is voor een schadevergoeding. Een schadevergoeding is volgens het Hof alleen aan de orde als de benadeelde aan kan tonen dat de vermogensschade er niet was geweest als de milieueffectrapportage wel was uitgevoerd.

Print Friendly and PDF ^

Ontnemingszaak Amsterdam Port Services. Beroep op niet-ontvankelijkheid officier van justitie verworpen. Rechtbank veroordeelt APS tot het betalen van € 283.000.

Rechtbank Amsterdam 22 januari 2013, LJN BZ6379

Procesgang

Amsterdam Port Services B.V. is in de aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggende strafzaak tegen 23 juni 2008 gedagvaard voor de meervoudige economische strafkamer van de rechtbank Amsterdam. APS werd ten laste gelegd dat zij zich had schuldig gemaakt aan:

  1. overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 10.37 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon,
  2. valsheid in geschrift en
  3. overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Op 5 februari 2009 is APS veroordeeld wegens de twee ten laste gelegde economische delicten en vrijgesproken van valsheid in geschrift (LJN BH3561). APS heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 10 december 2010 heeft het Hof Amsterdam APS eveneens veroordeeld voor de twee eerdergenoemde economische delicten (LJN BO9652). Het arrest is onherroepelijk.

De officier van justitie heeft APS door middel van een ontnemingsvordering van 8 november 2012 opgeroepen op 11 december 2012 voor de meervoudige economische strafkamer van deze rechtbank te verschijnen. In de desbetreffende vordering staat dat de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 1.014.498,50 schat.

Niet-ontvankelijkheidsverweer

Op 11 december 2012 hebben de mrs. A.J.M. de Swart en C.W. Noorduyn namens de verdediging aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is omdat, kort gezegd, de vordering niet binnen de in artikel 511b Sv genoemde termijn aanhangig is gemaakt. De verdediging heeft ermee ingestemd dat de rechtbank niet onmiddellijk maar bij dit eindvonnis op het niet-ontvankelijkheidsverweer zal beslissen.

Door het onherroepelijk worden van de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 6 september 2012, waarbij de rechtbank heeft uitgesproken dat zij onbevoegd is kennis te nemen van de ontnemingsvordering, is de ontnemingszaak tegen APS tot een einde gekomen. Het had het Openbaar Ministerie in beginsel vrij gestaan een nieuwe ontnemingsvordering tegen APS te doen uitgaan, ware het niet dat de termijn waarbinnen deze vordering ex artikel 511b Sv aanhangig dient te worden gemaakt al op 6 februari 2011 was verstreken. De nieuwe - op 8 november 2012 - aanhangig gemaakte vordering is daarom tardief. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering tot ontneming omdat deze correct en tijdig is uitgebracht en uit alles blijkt dat de onderhavige ontnemingsprocedure een voortzetting is op basis van de oorspronkelijke ontnemingsvordering uit december 2010.

De rechtbank is van oordeel dat hoewel de meervoudige kamer van deze rechtbank door haar onbevoegdheid uit te spreken in formele zin een einduitspraak als bedoeld in artikel 138 Sv in de ontnemingszaak heeft gedaan, de vervolging in de ontnemingszaak door die uitspraak niet definitief is geëindigd. De rechtbank heeft immers niet (ten gronde) over de vordering zelf beslist. Aangezien de beslissing van de rechtbank van 6 september 2012 geen betrekking heeft op de vordering zelf, is geen einde gekomen aan de vervolging (vgl. conclusie AG Knigge overweging 11 tot en met 13 voor het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2009, NJ 2009/121, LJN BG4258). Het stond de officier van justitie daarom vrij APS opnieuw op te roepen ter zake van de - tijdig uitgebrachte - ontnemingsvordering.

Het verweer van de verdediging wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de ontnemingsvordering.

Geen wederrechtelijk voordeel

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen omdat APS geen wederrechtelijk voordeel door strafbare feiten heeft genoten en meer subsidiair verzocht de gevorderde maatregel te matigen tot € 0 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag.

Er is geen sprake van een causaal verband tussen de bewezen verklaarde feiten en het door het Openbaar Ministerie gestelde voordeel. Door de bewezen verklaarde afgifte aan OVA heeft APS geen (wederrechtelijk verkregen) voordeel genoten, aangezien de afgifte aan OVA slechts tot kosten voor APS leidde in verband met de aldaar verrichte ontwatering. Het door het Openbaar Ministerie gestelde voordeel is afkomstig uit de legitieme (door)leveringen aan eindafnemer North Refinery.

Er is geenszins sprake geweest van een kostenbesparing. North Refinery was een tot verwerking bevoegde marktpartij waaraan APS de stromen mocht - en ook rechtstreeks kon - aanbieden. Van enige kostenbesparing door de aflevering aan OVA ter ontwatering is geen sprake geweest. Het bedrijf ATM kan bovendien niet als marktreferentie gelden, nu zij een geheel ander(e) bedrijfsproces en marktpositie heeft vergeleken met North Refinery én andere partijen die eveneens dergelijke stromen kunnen innemen. Daarbij wordt ten onrechte door het Openbaar Ministerie aangenomen dat afgifte aan ATM € 23,75 per ton zou kosten. Er waren, naast North Refinery, ook andere afzetmogelijkheden (bijvoorbeeld Avista) die voor APS tot gelijke inkomsten zouden hebben geleid.

Een aantal specifieke facturen toont eens temeer aan dat het voordeel ontstond door de (door)levering aan North Refinery en niet door de bewezen verklaarde afgifte aan OVA. Daarnaast heeft te gelden dat facturen van MAIN B.V. niet kunnen worden gebruikt als grondslag voor de ontnemingsvordering tegen APS. Het Openbaar Ministerie heeft dit standpunt overigens bij Conclusie van Repliek onderschreven en heeft de vordering met € 29.713,95 verminderd. Ten slotte wordt in dit verband het verweer gevoerd dat in 2007 door APS geen wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen of kan zijn verkregen, omdat APS in dat jaar aantoonbaar geen bedrijfsactiviteiten meer ontplooide. Dit blijkt ook zeer duidelijk uit het ontnemingsdossier. In het dossier bevindt zich ook geen bewijs dat APS in 2007 wel (wederrechtelijk verkregen) voordeel zou hebben verkregen. In het dossier zijn wat betreft het jaar 2007 enkel factuurproeven opgenomen. Dit laatste verweer leidt tot de deelconclusie dat het Openbaar Ministerie in zijn vordering ten onrechte een bedrag van € 107.962,22 heeft meegenomen.

Het Openbaar Ministerie heeft ten onrechte de door APS gemaakte kosten niet in aftrek gebracht. Onder verwijzing naar een bij Conclusie van Antwoord overgelegd rapport van MAIN B.V. en een rapport van registeraccountants van Ernst & Young wordt betoogd dat primair € 652.510, dan wel subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag, in aftrek dient te worden gebracht op een eventueel door de rechtbank vast te stellen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze kosten staan in directe relatie staan tot de voltooiing van het strafbare feit waarvoor veroordeling heeft plaatsgevonden en zijn direct gerelateerd aan de afleveringen aan OVA.

Ten slotte heeft de verdediging zich ten aanzien van de vraag of APS door afgifte van kerosine wederrechtelijk voordeel heeft verkregen aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

Oordeel rechtbank 

Kerosine

Het hof Amsterdam heeft bewezen verklaard dat APS op 16 december 2005 te Amsterdam, opzettelijk, zich door afgifte aan AVR-Industrial Waste B.V. (Locatie OVA), heeft ontdaan van een partij vloeibare gevaarlijke afvalstoffen, aangeduid met lossingnummer A 50990, waarvan het vlampunt lager was dan 55 graden Celsius.

APS heeft OVA voor deze partij kerosine gefactureerd voor een bedrag van 3.209,78 euro.

Aangezien APS de kerosine heeft verkocht aan OVA, een niet vergunde verwerker, en niet heeft afgevoerd naar een erkende verwerker, kan dit bedrag worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Oliehoudende afvalstoffen 

Het Hof Amsterdam heeft onder meer bewezen verklaard dat APS in de periode van januari 2005 tot en met oktober 2007 te Amsterdam, opzettelijk, onder afvalstroomnummer 07K473021648 of 07K473021649 oliehoudende afvalstoffen heeft afgegeven aan AVR-Industrial Waste B.V. (Locatie OVA), terwijl AVR-Industrial Waste B.V. (Locatie OVA) geen vergunninghouder was die deze afvalstoffen door middel van destillatie opwerkt tot brandstof of inzet voor rechtstreekse energieopwekking in installaties die voldoen aan de Regeling verbranden gevaarlijke stoffen.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir terecht opgemerkt dat APS zich op rechtmatige wijze van de twee afvalstromen (drijflagen) met nummers 07K47302 1648 en 07K47302 1649 had kunnen ontdoen door deze te leveren aan een erkende verwerker die kan en mag destilleren en dat North Refinery BV zo'n verwerker is. De officier van justitie is echter ten onrechte ervan uitgegaan dat dit niet tot de mogelijkheden behoorde. Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 17 mei 2011 betreffende het getuigenverhoor van A van North Refinery, blijkt immers het tegendeel. A heeft verklaard dat North Refinery rechtstreeks zaken deed met APS. Het ging dan om scheepvaartolie. North Refinery ontving de oliehoudende afvalstoffen rechtstreeks van APS of via OVA. Het waren mengsels van olie en water. Het mengsel kon bijvoorbeeld variëren van 90% olie en 10% water tot 10% olie en 90% water, aldus A. Het is hem niet bekend, aldus zijn verklaring, dat North Refinery ooit partijen van APS heeft geweigerd. Hij geeft hier naar zijn zeggen ook aan dat de partijen van APS aan hun kwaliteitseisen voldeden en geschikt waren voor hun productieproces. De verdediging heeft met zoveel woorden aangevoerd dat APS voordeel heeft verkregen door de (door)leveringen aan eindafnemer North Refinery en OVA aangemerkt als tussenschakel.

De vraag waar de rechtbank voor staat, is wat het verschil is tussen wat APS aan OVA factureerde voor de oliehoudende afvalstromen en wat zij in rekening zou hebben kunnen brengen als zij deze stromen rechtstreeks bij North Refinery zou hebben afgeleverd. Het verschil tussen wat OVA betaalde en wat North Refinery zou hebben betaald, moet als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt aangezien het APS wel was toegestaan oliehoudende afvalstoffen aan North Refinery af te leveren en dat niet het geval was bij OVA. Het verweer dat er geen causaal verband bestaat tussen de bewezen verklaarde feiten en het verkregen voordeel wordt daarom verworpen.

De rechtbank heeft op grond van de offerte van 26 september 2005 van North Refinery, die als bijlage I aan dit vonnis is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt, berekend wat APS zou hebben ontvangen indien zij de afvalstromen bij North Refinery had afgegeven.

De rechtbank heeft aan de hand van de innameoverzichten van de afvalstroomnummers 07K470021648 en 07K470021649 van OVA over de maanden januari 2005 tot en met augustus 2006, die als bijlage II aan dit vonnis zijn gehecht en waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, gekeken wat in genoemde maanden het brutogewicht was van de leveringen van APS aan OVA en het percentage water van de desbetreffende leveringen. De rechtbank laat de maanden daarna buiten beschouwing omdat in die maanden geen noemenswaardige leveringen hebben plaatsgevonden of omdat APS toen geen bedrijfsactiviteiten meer ontplooide. Op grond van voornoemde offerte, waarin staat dat North Refinery olie accepteert inclusief een watergehalte van maximaal 2%, is telkens 2% van het waterpercentage afgetrokken zodat het nettogewicht van de leveringen kon worden berekend. De prijs die North Refinery hiervoor wilde betalen is berekend op grond van de Platt's, de dollarkoers en de in de offerte opgenomen prijsstaffel. Vervolgens is daarop telkens, overeenkomstig de offerte, de vergoeding die North Refinery rekende in het geval het watergehalte hoger dan 2% lag in mindering gebracht. Ten slotte is gekeken naar de facturen die APS naar OVA heeft gestuurd voor de leveringen van de oliehoudende afvalstoffen, opgenomen in een overzicht dat als bijlage III aan dit vonnis is gehecht en waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt. Daar waar gegevens op de innameoverzichten ontbreken, heeft de rechtbank gekeken naar de gegevens van de maand vóór en de maand na de maand waarover de gegevens niet compleet zijn en van die maanden het gemiddelde genomen. In de berekening worden de maanden waarover de gegevens niet compleet zijn, aangeduid met **.

Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank berekend dat APS door van januari 2005 tot en met augustus 2006 in plaats van oliehoudende afvalstoffen aan North Refinery aan OVA af te leveren in totaal € 285.472,74 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de door de verdediging genoemde kosten niet in aanmerking komen om op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht. APS was een legaal bedrijf dat legale activiteiten ontplooide waarbij zij ook kosten maakte en dat zich heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De opgevoerde kosten die in mindering zouden moeten gebracht, zijn kosten die voor rekening van APS dienen te blijven en die APS ook zou hebben gemaakt als zij zich niet aan de bewezen verklaarde strafbare feiten zou hebben schuldig gemaakt.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft APS door middel van voornoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 288.000,00.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Medeplegen van overtreding van artikel 9 van de Flora- en faunawet

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 april 2013, LJN BZ6386

Het hof acht bewezen dat verdachte samen met zijn mededader in het buitengebied van Tilburg, genaamd De Zwaluwse Bunder, tweemaal opzettelijk een haas, zijnde een beschermde inheemse diersoort, heeft opgespoord met het oog op het doden, verwonden, vangen of bemachtigen van die haas.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Oppositie wil chemiesector laten meebetalen aan toezicht

Chemische bedrijven die onveilig werken moeten zelf gaan meebetalen aan de inspectiekosten. Dat bepleit Van Tongeren (GroenLinks) vanwege de problemen met chemiebedrijf Odfjell. Zij krijgt steun van andere oppositiewoordvoerders.

Lekkende leidingen, chemische dampen en een haperende blusinstallatie. Tankopslagbedrijf Odfjell werd in 2012 stilgelegd vanwege herhaalde schending van de veiligheidsvoorschriften. Wat moet een bedrijf eigenlijk doen om zijn vergunning kwijt te raken?, vraagt Van Tongeren. Zij vindt net als Geurts (CDA) en Van Gerven (SP) dat chemische bedrijven best een bijdrage kunnen leveren aan de inspectiekosten. Staatssecretaris Mansveld (Milieu) wil echter vasthouden aan boetes en dwangsommen, omdat het toezicht "waardenvrij en onafhankelijk" moet zijn.

Strenger toezicht op chemiesector nodig 

Is de kwaliteit van het toezicht op de chemiesector wel voldoende?, vraagt De Graaf (PVV). Van Gerven pleit voor onaangekondigde controles: "Papieren controles zijn niet genoeg." Regionale inspecties moeten zich thematisch specialiseren en meer mankracht krijgen, vindt D66-woordvoerder Van Veldhoven. Staatssecretaris Mansveld wil dat idee onderzoeken. Fokke (PvdA) vraagt of de rijksoverheid niet een grotere rol moet krijgen in het toezicht op grote chemiebedrijven. Maar Mansveld wijst erop dat de provincies allereerst verantwoordelijk zijn voor het toezicht: "Pas bij ernstige nalatigheid van de provincies treed ik op."

Rapport onderzoeksraad is nog niet verschenen 

Voor Dijkstra (VVD) en Fokke komt het debat eigenlijk te vroeg, omdat pas in juni een rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de veiligheid in de chemiesector verschijnt. Ook Mansveld wil nog geen harde conclusies trekken. Waar nodig moet worden opgetreden, aldus Dijkstra, maar hij benadrukt dat Odfjell niet representatief is voor de hele chemiesector. Van Tongeren stelt echter dat Odfjell geen uitzondering is, gelet op de chemiebrand in Moerdijk en de gebrekkige brandveiligheid bij veel bedrijven.

De Kamer stemt op 9 april over de ingediende moties.

Bron: Tweede Kamer

Print Friendly and PDF ^

Vervoer gevaarlijke afvalstoffen zonder goed ingevulde begeleidingsdocumenten. Verweer ex art. 6 en 13 EVRM.

Rechtbank Alkmaar 5 oktober 2012, LJN BZ5940 (gepubliceerd op 2 april 2013)

Op 4 maart 2010 wordt door een medewerker van de gemeente Wieringen aan de politie gemeld dat op het terrein van perceel te Hippolytushoef (gemeente Wieringen) grond zou worden afgegraven, terwijl op het terrein een ernstige bodemverontreiniging aanwezig was. Uit een bodemonderzoek was gebleken dat een deel van het terrein was verontreinigd met zware metalen. Bij de gemeente was geen melding gedaan van een sanering of voornemen daartoe.

Uit onderzoek bleek dat dit terrein sinds 1 juli 2009 in eigendom toebehoort aan de verdachte. De verdachte gebruikte dit terrein voor de opslag, stalling, reparatie en onderhoud van materiaal ten behoeve van een sloopbedrijf.

De vragen die in deze zaak voorliggen zijn de volgende:

  1. Beschikte verdachte over een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de uitoefening van een dergelijke inrichting? (Feit 1)
  2. Had de verdachte de sanering van dat terrein gemeld bij de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland? (Feit 2)
  3. Heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het verrichten van handelingen met betrekking tot afvalstoffen terwijl zij wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan? (Feit 3)
  4. Heeft de verdachte zich ontdaan van bedrijfsafvalstoffen door deze te vervoeren zonder een op de juiste wijze ingevulde begeleidingsbrief? (Feit 4)

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

Standpunt verdachte

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging

a. wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM;

De ten laste gelegde feiten betreffen feiten begaan in 2009 en 2010. De zaak is echter in januari 2012 voor het eerst ter terechtzitting aangebracht, drie jaar, in elk geval ruim twee jaar nadat de ten laste gelegde periode was aangevangen.

b. wegens, naar de rechtbank begrijpt, schending van artikel 6, derde lid, onder b van het EVRM;

De verdediging is ernstig in haar belangen geschaad doordat aan verdachte belangrijke – mogelijk ontlastende – stukken uit het proces-dossier zijn onthouden. Dit betreft met name:

  • stukken betreffende de bestuursrechtelijke procedure rondom het verkrijgen van een milieuvergunning voor het perceel  te Hippolytushoef;
  • stukken met betrekking tot het door het Nederlands Forensisch Instituut ingestelde onderzoek.
  • een proces-verbaal met het nummer PL10 MB 2010024896 dat door het openbaar ministerie ondanks het verzoek daartoe van verdachte, niet aan haar is verstrekt;
  • een volledige schriftelijk uitgewerkte versie van de inhoud van de in het kader van dit onderzoek afgeluisterde telefoongesprekken en een kopie van de tape waarop de gesprekken zijn vastgelegd.

c. wegens schending van artikel 13 EVRM en daartoe het volgende aangevoerd.

De voorgaande argumenten beletten verdachte een goede verdediging te voeren en haar onschuld te bewijzen waardoor haar het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM is ontnomen.

Standpunt officier van justitie

Ad a.

Overschrijding van de termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie maar tot strafvermindering. Het onderzoek is aangevangen op 4 maart 2010. Er is aan verdachte een schikking aangeboden om strafvervolging te voorkomen en op 17 januari 2012 is de zaak bij de politierechter aangebracht. Er is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Ad b.

De officier van justitie bepaalt de samenstelling van het strafdossier alsmede welke stukken daaraan worden toegevoegd. Niet is gebleken dat de in het dossier gevoegde ambtsedig opgemaakte processen-verbaal onjuist of onvolledig zouden zijn.

De verbalisant heeft met betrekking tot de aan het dossier toegevoegde foto’s keurig gemeld dat daaraan door hem geen wijzigingen zijn aangebracht.

De stukken met betrekking tot de bestuursrechtelijke procedure betreffende de vergunning verlening voor het perceel te Hippolytushoef bevinden zich bij het bevoegde bestuursrechtelijk orgaan, te weten de provincie Noord-Holland. De officier van justitie beschikt niet over deze stukken.

Aan de verdachte is bericht dat een proces-verbaal met het nummer PL10MB 2010024896 van het strafdossier geen deel uitmaakt omdat dit nummer berust op een verschrijving. Dit niet bestaande stuk kan dus niet aan verdachte worden afgegeven.

De door de verdachte bedoelde verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken zijn op een CD ROM gezet. Aan verdachte is vervolgens aangeboden deze CD te beluisteren. Van die gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

De door het Nederlands Forensisch Instituut met betrekking tot deze zaak opgemaakte rapportage/stukken zijn aan het strafdossier toegevoegd. Verdachte heeft van de inhoud daarvan kennis kunnen nemen.

Verdachte heeft overigens, ondanks een daartoe strekkend verzoek, niet nader gespecificeerd welke stukken uit het strafdossier aan haar zijn onthouden.

De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat er niet is gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM en dat de officier van justitie in haar vervolging kan worden ontvangen.

Beoordeling rechtbank

Ad a.

Bij de behandeling van deze zaak is door het openbaar ministerie en de rechtbank de nodige voortvarendheid is betracht. Van overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake.

Ad b.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het openbaar ministerie de inhoud van het strafdossier bepaalt dat aan de strafrechter wordt voorgelegd. Dit strafdossier is aan de verdachte verstrekt en zij is in de gelegenheid gesteld de in het kader van dit onderzoek opgenomen telefoongesprekken te beluisteren.

Door de verdachte is niet aannemelijk gemaakt dat haar in het strafdossier aanwezige stukken zijn onthouden.

De verdachte heeft gesteld dat de op de bestuursrechtelijke procedure betreffende de vergunningverlening ten aanzien van het perceel te Hippolytushoef betrekking hebbende stukken aan het strafdossier ontbreken. De officier van justitie beschikt echter niet over het bestuursrechtelijk dossier en evenmin heeft de verdachte aangegeven welke stukken uit dat dossier voor haar verdediging relevant konden zijn.

Wel is de verdachte in de gelegenheid gesteld zelf deze stukken aan het strafdossier toe te voegen, van welke mogelijkheid zij geen gebruik heeft gemaakt.

De verbalisant heeft met betrekking tot de door hem aan het dossier toegevoegde foto’s op ambtseed in het proces-verbaal opgenomen dat, hoewel wellicht door middel van fotoshopping wijzigingen in de foto’s aangebracht zouden kunnen worden waardoor deze niet meer betrouwbaar zouden zijn, daarin door hem geen wijzigingen zijn aangebracht.

Aan de verdachte is bericht dat een proces-verbaal met het nummer PL10MB 2010024896 van het strafdossier geen deel uitmaakt omdat dit nummer berust op een verschrijving. Dit niet bestaande stuk kan dus niet aan de verdachte worden afgegeven.

De door het Nederlandse Forensisch Instituut met betrekking tot deze zaak opgemaakte rapportage/stukken zijn aan het strafdossier toegevoegd. De verdachte heeft van de inhoud daarvan kennis kunnen nemen.

Ad c.

De verdachte heeft de mogelijkheid gehad en deze ook aangegrepen om bij de rechtbank verweren te voeren met betrekking tot rechten die worden gewaarborgd door het EVRM. Tegen de in dit vonnis opgenomen beslissingen met betrekking tot deze verweren staat met inachtneming van het gestelde in artikel 404 e.v. Sv een rechtsmiddel voor verdachte open.

Van schending van artikel 13 EVRM is derhalve geen sprake.

Concluderend zal de rechtbank alle verweren van de verdachte verwerpen.

Bewijs

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt verdediging

Feit 1: De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen omdat zij beschikte over een voor het perceel afgegeven milieuvergunning.

Feit 2: De verdachte stelt zich op het standpunt dat vrijspraak moet volgen omdat zij op 26 augustus 2009 aan Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hippolytushoef de oprichting van de onderhavige inrichting heeft gemeld.

Feit 3: De verdachte stelt zich op het standpunt dat indien er 1107,64 ton aan puin en aarde is afgegraven en afgevoerd naar een legaal verwerkingsbedrijf en zowel de ontdoener, de transporteur en de ontvanger/verwerker kennelijk van mening waren dat de transacties volledig conform de vigerende regels hebben plaatsgevonden, het niet zo kan zijn dat achteraf milieuambtenaren kunnen vaststellen dat toch niet aan de regels is voldaan. Ook van dit feit dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Feit 4: De verdachte stelt zich op het standpunt dat de ontdoener, de transporteur en de ontvanger/verwerker van de afvalstoffen bij het vervoer van de afvalstoffen geen problemen hebben gehad met de gebruikte codering, waaruit volgt dat deze codering niet ondeugdelijk was. Ook van dit feit dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Beoordeling rechtbank 

Feit 1:

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de inrichting in werking is en dat het terrein door de verdachte in hoofdzaak wordt gebruikt voor de opslag van voertuigen, materiaal, materieel en containers en voor de opslag en verwerking van afvalstoffen. Deze afvalstoffen zijn vermoedelijk voor het grootste deel afkomstig van eigen werken van de verdachte. Geconstateerd is dat het aangevoerde puin op de onbeschermde bodem is opgeslagen en vermoedelijk wordt gemengd met grond die is ontgraven op het terrein.

Tijdens het onderzoek is ook geconstateerd dat afvalstoffen naar het terrein worden gebracht door derden.

Tevens is vastgesteld dat afvalstoffen van de inrichting worden afgevoerd onder de benaming “renovatie adres” naar het terrein van de inrichting recyclebedrijf te Heerhugowaard.

Gezien het bovenstaande is sprake van een inrichting voor het opslaan, bewerken, verwerken, overslaan en op de bodem brengen van afvalstoffen, een inrichting als bedoeld in de categorieën 28.1 en 28.4 van bijlage I behorende bij het BARIM.

De rechtbank acht op grond van het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer, heeft overtreden.

Feit 2:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een voorschrift gesteld bij artikel 28 van de Wet Bodembescherming heeft overtreden.

Feit 3:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk het voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet Milieubeheer heeft overtreden.

Feit 4:

Uit het onderzoek is gebleken dat het afgevoerde materiaal bestond uit ca. 70% grond en ca 30% puin. Tevens is uit dat onderzoek gebleken dat het ging om ernstig vervuilde grond, vermengd met grof puin.

Deze afvalstroom had derhalve onder de gebruikelijke benaming “grond en stenen die gevaarlijke stoffen bevatten” met Euralcode vervoerd dienen te worden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk het bij artikel 10.39 van de Wet Milieubeheer gegeven voorschrift heeft overtreden.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 28 van de Wet Bodembescherming, opzettelijk begaan.

Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 4: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.39 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 7.500.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^