Is een opslagtank een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer?

Gerechtshof Leeuwarden 15 april 2013, LJN BZ8112

Feiten

Verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk het verwijderen of onklaar maken van een opslagtank, met de daarbij behorende leidingen en appendages, niet overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument heeft laten geschieden door een bedrijf, dat daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.

Voorts wordt verdachte verweten dat hij opzettelijk, terwijl in de inrichting een brandstoftank is verwijderd, althans een bodembedreigende activiteit is verricht, niet binnen zes maanden na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof en/of afgewerkte olie en/of pekel in een ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit heeft toegezonden aan het college van burgemeester en wethouders, althans aan het bevoegd gezag.

Verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat hij de opslagtank heeft laten leegzuigen door een gecertificeerd bedrijf, bedrijf 1, en dat hij de opslagtank heeft afgevoerd naar een erkend verwerkingsbedrijf, bedrijf 2. Verder is uit een reeds in april 2011 aan de gemeente toegezonden bodemonderzoek gebleken dat de grond rondom de opslagtank niet is verontreinigd. Verdachte is van mening dat hij aldus aan de voor hem geldende verplichtingen heeft voldaan.

Beoordeling hof

Aan verdachte zijn tenlastegelegd overtredingen van voorschriften gesteld krachtens artikel 8:40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, te weten, in het eerste gedeelte van de tenlastelegging, de overtreding van het op artikel 3.30 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer gebaseerde artikel 3.37, vierde lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en, in het tweede gedeelte van de tenlastelegging, de overtreding van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit.

Deze bepalingen gelden slechts indien sprake is van een inrichting. In het tweede gedeelte van de tenlastelegging is het woord inrichting, als te bewijzen onderdeel van de tenlastelegging, opgenomen.

Het begrip inrichting is omschreven in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Onder inrichting wordt verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Bij algemene maatregel van bestuur worden, zo bepaalt artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer vervolgens, categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Dit laatste is gebeurd in het Besluit omgevingsrecht. Artikel 2.1, eerste lid, van dit besluit wijst de in bijlage I bij dit besluit, onderdelen B en C, genoemde categorieën van inrichtingen aan als categorieën van inrichtingen bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.

In onderdeel C is, voor zover hier van belang, opgenomen:

Categorie 5 | 5.1. Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare vloeistoffen.

In het perceel, waarvan verdachte eigenaar is, is een dieselolietank aangetroffen met een inhoud van meer dan 1 m3. In die tank bevond zich een restant olie. Vastgesteld kan worden dat sprake is van een bedrijvigheid, te weten het opslaan van ontvlambare of brandbare vloeistoffen, die binnen een zekere begrenzing (de tank) pleegt (met een zekere tijdsduur) te worden verricht. De vraag of hier ook sprake is van een bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is ondernomen bedrijvigheid, zal het hof niet beantwoorden.

Immers, ook indien deze vraag, veronderstellenderwijs, bevestigend zou worden beantwoord en er mitsdien van wordt uitgegaan dat sprake is van een inrichting in de zin van (artikel 1.1 van) de Wet milieubeheer, dan nog kan niet tot een veroordeling van verdachte worden gekomen.

Niet kan worden vastgesteld dat verdachte, zoals omschreven in het eerste gedeelte van de tenlastelegging, niet overeenkomstig het daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocument heeft gehandeld. In het dossier bevindt zich niet het normdocument waarop de steller van de tenlastelegging het oog heeft en waarin (kennelijk) zou moeten staan dat een ondergrondse brandstoftank moet worden afgevoerd door een bedrijf dat beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Evenmin bevindt zich in het dossier de ministeriële aanwijzing van een dergelijk normdocument op de voet van artikel 25 van het Besluit bodemkwaliteit. In het dossier bevindt zich wat dit betreft slechts, in de brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] van 24 maart 2011, een verwijzing naar een (niet bijgevoegde) beoordelingsrichtlijn.

Het tweede gedeelte van de tenlastelegging kan evenmin worden bewezen, reeds hierom niet nu niet kan worden vastgesteld dat het bodemonderzoek dat verdachte voor het einde van de tenlastgelegde periode aan het college van burgemeester en wethouders heeft doen toekomen, niet kan worden beschouwd als rapport in de zin van artikel 2.11, derde lid, van het Besluit.

Verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen hem is tenlastegelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF