Vervoer gevaarlijke afvalstoffen zonder goed ingevulde begeleidingsdocumenten. Verweer ex art. 6 en 13 EVRM.

Rechtbank Alkmaar 5 oktober 2012, LJN BZ5940 (gepubliceerd op 2 april 2013)

Op 4 maart 2010 wordt door een medewerker van de gemeente Wieringen aan de politie gemeld dat op het terrein van perceel te Hippolytushoef (gemeente Wieringen) grond zou worden afgegraven, terwijl op het terrein een ernstige bodemverontreiniging aanwezig was. Uit een bodemonderzoek was gebleken dat een deel van het terrein was verontreinigd met zware metalen. Bij de gemeente was geen melding gedaan van een sanering of voornemen daartoe.

Uit onderzoek bleek dat dit terrein sinds 1 juli 2009 in eigendom toebehoort aan de verdachte. De verdachte gebruikte dit terrein voor de opslag, stalling, reparatie en onderhoud van materiaal ten behoeve van een sloopbedrijf.

De vragen die in deze zaak voorliggen zijn de volgende:

  1. Beschikte verdachte over een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de uitoefening van een dergelijke inrichting? (Feit 1)
  2. Had de verdachte de sanering van dat terrein gemeld bij de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland? (Feit 2)
  3. Heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het verrichten van handelingen met betrekking tot afvalstoffen terwijl zij wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan? (Feit 3)
  4. Heeft de verdachte zich ontdaan van bedrijfsafvalstoffen door deze te vervoeren zonder een op de juiste wijze ingevulde begeleidingsbrief? (Feit 4)

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

Standpunt verdachte

De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging

a. wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM;

De ten laste gelegde feiten betreffen feiten begaan in 2009 en 2010. De zaak is echter in januari 2012 voor het eerst ter terechtzitting aangebracht, drie jaar, in elk geval ruim twee jaar nadat de ten laste gelegde periode was aangevangen.

b. wegens, naar de rechtbank begrijpt, schending van artikel 6, derde lid, onder b van het EVRM;

De verdediging is ernstig in haar belangen geschaad doordat aan verdachte belangrijke – mogelijk ontlastende – stukken uit het proces-dossier zijn onthouden. Dit betreft met name:

  • stukken betreffende de bestuursrechtelijke procedure rondom het verkrijgen van een milieuvergunning voor het perceel  te Hippolytushoef;
  • stukken met betrekking tot het door het Nederlands Forensisch Instituut ingestelde onderzoek.
  • een proces-verbaal met het nummer PL10 MB 2010024896 dat door het openbaar ministerie ondanks het verzoek daartoe van verdachte, niet aan haar is verstrekt;
  • een volledige schriftelijk uitgewerkte versie van de inhoud van de in het kader van dit onderzoek afgeluisterde telefoongesprekken en een kopie van de tape waarop de gesprekken zijn vastgelegd.

c. wegens schending van artikel 13 EVRM en daartoe het volgende aangevoerd.

De voorgaande argumenten beletten verdachte een goede verdediging te voeren en haar onschuld te bewijzen waardoor haar het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM is ontnomen.

Standpunt officier van justitie

Ad a.

Overschrijding van de termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie maar tot strafvermindering. Het onderzoek is aangevangen op 4 maart 2010. Er is aan verdachte een schikking aangeboden om strafvervolging te voorkomen en op 17 januari 2012 is de zaak bij de politierechter aangebracht. Er is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Ad b.

De officier van justitie bepaalt de samenstelling van het strafdossier alsmede welke stukken daaraan worden toegevoegd. Niet is gebleken dat de in het dossier gevoegde ambtsedig opgemaakte processen-verbaal onjuist of onvolledig zouden zijn.

De verbalisant heeft met betrekking tot de aan het dossier toegevoegde foto’s keurig gemeld dat daaraan door hem geen wijzigingen zijn aangebracht.

De stukken met betrekking tot de bestuursrechtelijke procedure betreffende de vergunning verlening voor het perceel te Hippolytushoef bevinden zich bij het bevoegde bestuursrechtelijk orgaan, te weten de provincie Noord-Holland. De officier van justitie beschikt niet over deze stukken.

Aan de verdachte is bericht dat een proces-verbaal met het nummer PL10MB 2010024896 van het strafdossier geen deel uitmaakt omdat dit nummer berust op een verschrijving. Dit niet bestaande stuk kan dus niet aan verdachte worden afgegeven.

De door de verdachte bedoelde verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken zijn op een CD ROM gezet. Aan verdachte is vervolgens aangeboden deze CD te beluisteren. Van die gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

De door het Nederlands Forensisch Instituut met betrekking tot deze zaak opgemaakte rapportage/stukken zijn aan het strafdossier toegevoegd. Verdachte heeft van de inhoud daarvan kennis kunnen nemen.

Verdachte heeft overigens, ondanks een daartoe strekkend verzoek, niet nader gespecificeerd welke stukken uit het strafdossier aan haar zijn onthouden.

De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat er niet is gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM en dat de officier van justitie in haar vervolging kan worden ontvangen.

Beoordeling rechtbank

Ad a.

Bij de behandeling van deze zaak is door het openbaar ministerie en de rechtbank de nodige voortvarendheid is betracht. Van overschrijding van de redelijke termijn is derhalve geen sprake.

Ad b.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het openbaar ministerie de inhoud van het strafdossier bepaalt dat aan de strafrechter wordt voorgelegd. Dit strafdossier is aan de verdachte verstrekt en zij is in de gelegenheid gesteld de in het kader van dit onderzoek opgenomen telefoongesprekken te beluisteren.

Door de verdachte is niet aannemelijk gemaakt dat haar in het strafdossier aanwezige stukken zijn onthouden.

De verdachte heeft gesteld dat de op de bestuursrechtelijke procedure betreffende de vergunningverlening ten aanzien van het perceel te Hippolytushoef betrekking hebbende stukken aan het strafdossier ontbreken. De officier van justitie beschikt echter niet over het bestuursrechtelijk dossier en evenmin heeft de verdachte aangegeven welke stukken uit dat dossier voor haar verdediging relevant konden zijn.

Wel is de verdachte in de gelegenheid gesteld zelf deze stukken aan het strafdossier toe te voegen, van welke mogelijkheid zij geen gebruik heeft gemaakt.

De verbalisant heeft met betrekking tot de door hem aan het dossier toegevoegde foto’s op ambtseed in het proces-verbaal opgenomen dat, hoewel wellicht door middel van fotoshopping wijzigingen in de foto’s aangebracht zouden kunnen worden waardoor deze niet meer betrouwbaar zouden zijn, daarin door hem geen wijzigingen zijn aangebracht.

Aan de verdachte is bericht dat een proces-verbaal met het nummer PL10MB 2010024896 van het strafdossier geen deel uitmaakt omdat dit nummer berust op een verschrijving. Dit niet bestaande stuk kan dus niet aan de verdachte worden afgegeven.

De door het Nederlandse Forensisch Instituut met betrekking tot deze zaak opgemaakte rapportage/stukken zijn aan het strafdossier toegevoegd. De verdachte heeft van de inhoud daarvan kennis kunnen nemen.

Ad c.

De verdachte heeft de mogelijkheid gehad en deze ook aangegrepen om bij de rechtbank verweren te voeren met betrekking tot rechten die worden gewaarborgd door het EVRM. Tegen de in dit vonnis opgenomen beslissingen met betrekking tot deze verweren staat met inachtneming van het gestelde in artikel 404 e.v. Sv een rechtsmiddel voor verdachte open.

Van schending van artikel 13 EVRM is derhalve geen sprake.

Concluderend zal de rechtbank alle verweren van de verdachte verwerpen.

Bewijs

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt verdediging

Feit 1: De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen omdat zij beschikte over een voor het perceel afgegeven milieuvergunning.

Feit 2: De verdachte stelt zich op het standpunt dat vrijspraak moet volgen omdat zij op 26 augustus 2009 aan Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hippolytushoef de oprichting van de onderhavige inrichting heeft gemeld.

Feit 3: De verdachte stelt zich op het standpunt dat indien er 1107,64 ton aan puin en aarde is afgegraven en afgevoerd naar een legaal verwerkingsbedrijf en zowel de ontdoener, de transporteur en de ontvanger/verwerker kennelijk van mening waren dat de transacties volledig conform de vigerende regels hebben plaatsgevonden, het niet zo kan zijn dat achteraf milieuambtenaren kunnen vaststellen dat toch niet aan de regels is voldaan. Ook van dit feit dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Feit 4: De verdachte stelt zich op het standpunt dat de ontdoener, de transporteur en de ontvanger/verwerker van de afvalstoffen bij het vervoer van de afvalstoffen geen problemen hebben gehad met de gebruikte codering, waaruit volgt dat deze codering niet ondeugdelijk was. Ook van dit feit dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Beoordeling rechtbank 

Feit 1:

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de inrichting in werking is en dat het terrein door de verdachte in hoofdzaak wordt gebruikt voor de opslag van voertuigen, materiaal, materieel en containers en voor de opslag en verwerking van afvalstoffen. Deze afvalstoffen zijn vermoedelijk voor het grootste deel afkomstig van eigen werken van de verdachte. Geconstateerd is dat het aangevoerde puin op de onbeschermde bodem is opgeslagen en vermoedelijk wordt gemengd met grond die is ontgraven op het terrein.

Tijdens het onderzoek is ook geconstateerd dat afvalstoffen naar het terrein worden gebracht door derden.

Tevens is vastgesteld dat afvalstoffen van de inrichting worden afgevoerd onder de benaming “renovatie adres” naar het terrein van de inrichting recyclebedrijf te Heerhugowaard.

Gezien het bovenstaande is sprake van een inrichting voor het opslaan, bewerken, verwerken, overslaan en op de bodem brengen van afvalstoffen, een inrichting als bedoeld in de categorieën 28.1 en 28.4 van bijlage I behorende bij het BARIM.

De rechtbank acht op grond van het hiervoor overwogene wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1 van de Wet Milieubeheer, heeft overtreden.

Feit 2:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk een voorschrift gesteld bij artikel 28 van de Wet Bodembescherming heeft overtreden.

Feit 3:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk het voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet Milieubeheer heeft overtreden.

Feit 4:

Uit het onderzoek is gebleken dat het afgevoerde materiaal bestond uit ca. 70% grond en ca 30% puin. Tevens is uit dat onderzoek gebleken dat het ging om ernstig vervuilde grond, vermengd met grof puin.

Deze afvalstroom had derhalve onder de gebruikelijke benaming “grond en stenen die gevaarlijke stoffen bevatten” met Euralcode vervoerd dienen te worden.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk het bij artikel 10.39 van de Wet Milieubeheer gegeven voorschrift heeft overtreden.

Bewezenverklaring

Feit 1: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 2: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 28 van de Wet Bodembescherming, opzettelijk begaan.

Feit 3: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Feit 4: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.39 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 7.500.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF