Beslag i.v.m. vermoeden onregelmatigheden aanleg geluidswal

Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:173 De Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft bij beschikking van 11 februari 2015 het door klaagster ingediende klaagschrift ex art. 552a Sv gegrond verklaard en de opheffing gelast van het conservatoir beslag gelegd op de in de beschikking aangeduide onroerende goederen. Tegen deze beschikking heeft officier van justitie, mr. D. van Ieperen cassatieberoep ingesteld.

De Rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot opheffing dan wel beperking van de op de voet van art. 94a Sv gelegde beslagen op diverse onroerende zaken, gegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt het volgende in:

"5. De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.

Feiten en omstandigheden

In 2008 is door de gemeente Menameradiel aan [klaagster] een aanlegvergunning verleend voor het aanleggen van een geluidswal gelegen aan de Rijksstraatweg te Menaldum. In december 2012 is geconstateerd dat de geluidswal groter is geworden dan vergund. Daarnaast bestaat het vermoeden dat onder en nabij de geluidswal ontgrondingen hebben plaatsgevonden zonder dat daarvoor een ontgrondingsvergunning was verleend door Gedeputeerde Staten van Friesland.

De rechter-commissaris heeft op 10 juli 2014 op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot verhaal van een op te leggen geldboete en/of een op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of een op te leggen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr. De vordering is door de rechter-commissaris geschat op een bedrag van € 1.239.040,00. Op 24 juli 2014 is door de officier van justitie een bevel tot inbeslagneming uitgevaardigd inzake de onder paragraaf 1 genoemde onroerende zaken.

Maatstaf

In geval van beslag op grond van artikel 94a Sv dient de rechter te beoordelen of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of zich niet het geval voordoet dat hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:38, NJ 2014/66) volgt dat de toe te passen maatstaf niet uitsluit dat de rechtbank, indien de omstandigheden van het geval dat meebrengen, bij de beoordeling van het klaagschrift tevens onderzoekt of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Overwegingen

Klaagster wenst primair de inbeslaggenomen onroerende zaken terug te krijgen en wenst subsidiair dat het beslag wordt beperkt.

De raadkamer overweegt daarover het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat volgens vaste jurisprudentie het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Van de rechter in de beklagprocedure kan niet worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruit loopt op het in de hoofdzaak te geven oordeel. De rechter tekent hier echter bij aan dat moet worden beslist op grond van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval op het moment van het beoordelen van het beklag. Ondanks het summiere karakter van de beklagprocedure dient dus kritisch naar deze feiten en omstandigheden te worden gekeken.

Gelet op alle stukken in het onderhavige dossier, die elkaar op diverse punten tegenspreken, in elk geval geen eenduidige conclusies bevatten met betrekking tot bijvoorbeeld de omvang van de geluidswal en of er, en zo ja in hoeverre, ontgronding zonder vergunning heeft plaatsgevonden alsmede met betrekking tot het bedrag dat door de vermeende strafbare feiten eventueel aan wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn verkregen door klaagster (gedoeld wordt op de bij de stukken gevoegde bescheiden, te weten het rapport van [A] met bijlagen van 18 december 2014, opgemaakt door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , het rapport van het NFI van 31 december 2014 met bijlage, opgemaakt door ir. A.K. van den Eijkel, het rapport van [B] met bijlagen van 22 oktober 2013 met projectnummer [001] , de rapporten van [C] alsmede de beslissing op bezwaar van de gemeente Menameradiel van 12 januari 2015 en het aangepaste besluit op bezwaar van 8 januari 2015, de beslissing op het bezwaarschrift tegen het besluit van 10 april 2014 van de Provincie Friesland en de door de raadsman ter zitting overgelegde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 december 2014 en bescheiden met facturen van [klaagster] ), is de raadkamer van oordeel dat op basis van het opgemaakte proces-verbaal weliswaar aangenomen kan worden dat er een verdenking bestaat jegens [klaagster] van handelen in strijd met bepalingen van de Wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet, voor welke misdrijven een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Echter is in de voornoemde rapportages en overige overgelegde stukken sprake van dermate veel tegenstrijdige feiten, althans van uiteenlopende conclusies die multi-interpretabel zijn, dat om die reden niet zonder meer gezegd kan worden dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend een geldboete dan wel een bedrag ter ontneming van het eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Zo staat niet de exacte omvang vast van het aantal kubieke meters aan aangevoerde industriegrond voor de aanleg van de geluidswal buiten de vergunning om, evenmin als de waarde die die industriegrond in het economisch verkeer vertegenwoordigt waardoor de schatting van het eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel door klaagster een slag in de lucht lijkt te zijn. Daarnaast staat niet vast of niet alsnog een uitbreidingsvergunning door de gemeente zal worden verleend voor het buiten de bestaande vergunning om uitbreiden van de geluidswal. Wat de ontgronding betreft heeft klaagster zich op het standpunt gesteld dat de haar verweten ontgrondingen zonder vergunning niet hebben plaats gevonden. In elk geval is er verschil van opvatting over ontgrondingen voor zover die dieper gaan dan een halve meter onder het maaiveld. Op basis van de thans aanwezige stukken in het dossier heeft de raadkamer niet buiten redelijke twijfel kunnen vaststellen dat dieper is ontgrond dan tot een halve meter onder het maaiveld. De mededeling van de officier van justitie ter zitting - en de korte passage daarover in het zogenoemde start proces-verbaal van de politie - dat de verdenking mede gestoeld is op het eerder in 2012 en 2013 tegen [klaagster] en haar bestuurders uitgevoerde onderzoek onder de naam [D] , kan naar het oordeel van de raadkamer niet dienen ter onderbouwing van het thans gelegde conservatoire beslag, nu aan het onderhavige dossier geen enkel stuk uit dat onderzoek is toegevoegd en het beslag bovendien gelegd is op grond van verdenking van strafbare feiten in het onderhavige onderzoek onder de naam [E] .

Gelet op het hiervoor overwogene is de raadkamer van oordeel dat de vraag of de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit geen bespreking behoeft.

Conclusie

De raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en dat het gelegde conservatoire beslag moet worden opgeheven."

Middel

Het middel klaagt over de gegrondverklaring van het beklag.

Beoordeling Hoge Raad

Het toetsingskader voor de beoordeling van een klaagschrift als het onderhavige brengt mee dat, in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, het klaagschrift afgezien van het antwoord op de vraag van proportionaliteit en subsidiariteit enkel gegrond mag worden verklaard indien zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager (verdachte) een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De Rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard en daartoe overwogen dat "niet zonder meer gezegd kan worden dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend een geldboete dan wel een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen". Aldus heeft de Rechtbank, die weliswaar het juiste toetsingskader heeft vooropgesteld, de beoordelingsmaatstaf niet juist toegepast en als gevolg daarvan is zij niet toegekomen aan de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De beslissing van de Rechtbank is ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Slagende klacht m.b.t. uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ertoe strekkende dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat de in een door hem opgesteld taxatierapport opgenomen waarde niet vals is

Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:174 Verzoeker is bij arrest van 20 mei 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren wegens valsheid in geschrift en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Namens verzoeker heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het derde en vijfde middel klagen dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ertoe strekkende dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat de in het taxatierapport van 13 april 2005 opgenomen waarde niet vals is.

Het in de middelen bedoelde standpunt is in de conclusie van de Advocaat-Generaal als volgt samengevat:

"Uit vooral het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2013 en de bij die gelegenheid overgelegde pleitaantekeningen blijkt dat door en namens verzoeker uitvoerig is betoogd dat de rapporten van juli 2003 en van december 2005 ten onrechte door de FIOD en in navolging daarvan door de rechtbank op één lijn zijn gesteld met het rapport van 13 april 2005 waarbij de afwijking in het laatstgenoemde rapport de valsheid daarvan zou tonen. De verdediging heeft blijkens de pleitaantekeningen in dit verband het volgende naar voren gebracht (...). De vijf rapporten kunnen niet op één lijn worden gesteld vanwege het feit dat de uitgangspunten en bijzondere aannames die aan het taxatierapport van 13 april 2005 ten grondslag liggen wezenlijk verschillen van de andere vier taxatierapporten. De rapporten van juli 2003 en van december 2005 hanteren, evenals het taxatierapport van [betrokkene 5] d.d. 16 januari 2009, met welke rapporten het taxatierapport van 13 april 2005 is vergeleken, alle de residuele wijze van waardebepaling en dus een andere scenarioberekening dan verzoeker in zijn taxatierapport van 13 april 2005. In die andere rapporten is ervan uitgegaan dat de grond direct voor bebouwing gereed was, terwijl verzoeker in het rapport van 13 april 2005, gezien de onzekerheden omtrent de bebouwing op het stuk grond en hoe die bebouwing er uiteindelijk uit zou gaan zien, ten aanzien van de aard en de omvang van de toekomstige ontwikkeling gekozen heeft voor de comparatieve methode als meest adequate, waarbij een vergelijking is gemaakt met overeenkomstige transacties in de markt. Dat verzoeker de comparatieve methode hanteerde en tot een grondprijswaardering van € 25,- per m² kwam, was gerechtvaardigd, zeker wanneer daarbij betrokken wordt het oordeel van diverse deskundigen die het hanteren van deze methode ondersteunen in het licht van de omstandigheden waaronder verzoeker op dat moment heeft getaxeerd. Hoewel verzoeker erkent dat hij dingen duidelijker had kunnen opschrijven, ontkent hij enige onjuistheid in het rapport van 13 april 2005 te hebben opgenomen."

Beoordeling Hoge Raad

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot de in het taxatierapport van 13 april 2005 opgenomen waarde, erop neerkomende dat en waarom dat rapport niet valselijk is opgemaakt, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht.

Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid, terwijl die redenen ook niet zonder meer blijken uit de bewijsvoering.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof, dat met de verdediging ervan uitgaat dat de rapporten van juli 2003 en december 2005 enerzijds en het rapport van 13 april 2005 anderzijds op verschillende uitgangspunten zijn gebaseerd, niet heeft duidelijk gemaakt waarom het gemotiveerde standpunt van de verdediging dat het hanteren van de zogenoemde comparatieve waardebepaling in het taxatierapport van 13 april 2005 in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is en dat de op grond daarvan berekende grondprijswaardering van € 25,- m² niet vals is, niet opgaat. De omstandigheid die het Hof naar de kern doorslaggevend acht, te weten dat een enorm verschil bestaat tussen de taxatiewaarde in het rapport van 13 april 2005 en die in het door de verdachte opgemaakte rapport van december 2005, biedt zodanige uitleg nog niet.

Vorenbedoeld verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR formuleert de door de strafrechter te hanteren maatstaf bij de beoordeling of een inlichting, voorwerp of gegeven als staatsgeheim a.b.i. art. 98 Sr moet worden aangemerkt

Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:168

Op 21 februari 2012 ontving het Nederlands openbaar ministerie vanuit Duitsland een rechtshulpverzoek van de Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof. Uit dit verzoek blijkt dat op 18 oktober 2011 in Duitsland twee verdachten met de aliassen betrokkene 1 en betrokkene 2 zijn aangehouden wegens verdenking van het verrichten van spionageactiviteiten voor een Russische inlichtingendienst.

Als voorlopig resultaat kon worden vastgesteld dat zowel de verdachte alias betrokkene 1 - die onder de codenaam "A" werkte - als de verdachte alias betrokkene 2 - die onder de codenaam "B" werkte - de opdracht had om informatie met betrekking tot politieke, militaire en economische doelen te vergaren en deze informatie aan de inlichtingendienst door te spelen. Naast het verzamelen van informatie lag een verder zwaartepunt van de operationele activiteiten van "A" in het runnen van een andere agent, waarbij hij als instructeur optrad.

Onder betrokkene 1 en 2 zijn meerdere digitale gegevensdragers in beslag genomen. In het elektronisch geheugen van een laptop werden meerdere documenten van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken aangetroffen. Daarnaast werden in de zogenaamde unallocated space van de gegevensdragers verschillende tekstfragmenten aangetroffen, waarin het - ongedateerde - berichtenverkeer tussen [betrokkene 1 en 2] en "de Centrale" wordt weergegeven. Uit deze tekstfragmenten kan onder meer worden afgeleid dat de agent die door "[A]" wordt gerund, wordt aangeduid als "BR". In het Duitse strafrechtelijk onderzoek was het vermoeden gerezen dat "BR" een medewerker van BZ zou kunnen zijn. Aan het Nederlandse openbaar ministerie werd door Duitsland onder meer verzocht te helpen bij de identificatie van de agent genaamd "BR".

Uit het verkregen ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, d.d. 15 februari 2012, bleek dat deze dienst uit hoofde van zijn wettelijke taakuitvoering beschikte over de navolgende informatie:

""BR" betreft hoogstwaarschijnlijk de navolgende persoon: [verdachte], geboren [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats], blijkens de GBA ingeschreven op [a-straat 1], [woonplaats]. Betrokkene is werkzaam op het ministerie van Buitenlandse Zaken te ' s-Gravenhage."

Op basis van deze informatie, alsmede de informatie uit het Duitse rechtshulpverzoek, is op 24 maart 2012 verdachte, aangehouden op Schiphol.

Hem werd verweten dat hij inlichtingen waarvan de geheimhouding door het belang van de staat en/of een of meer van zijn bondgenoten werd geboden zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk heeft verstrekt aan een buitenlandse mogendheid, althans heeft verstrekt aan daartoe niet gerechtigde personen, althans onder zich heeft genomen en gehouden.

Verdachte is door het Gerechtshof te Den Haag onder meer vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde "handelingen plegen ter voorbereiding van: een inlichting als bedoeld in artikel 98 van het Wetboek van Strafrecht zonder daartoe gerechtigd te zijn opzettelijk verstrekken aan een buitenlandse mogendheid, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het een zodanige inlichting betreft".

Het OM heeft tegen deze uitspraak cassatie ingesteld.

Middel

Het middel houdt in dat de vrijspraak van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde berust op onjuiste uitleg van het begrip “een inlichting waarvan de geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden” in de betekenis waarin dit voorkomt in art. 98 Sr.

Beoordeling Hoge Raad

Het onder 1 tenlastegelegde is toegespitst op (primair) overtreding van art. 98a, eerste lid, respectievelijk (subsidiair) art. 98, eerste lid, Sr en (meer subsidiair) art. 98c, eerste lid aanhef en onder 1, Sr. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat het in de tenlastelegging voorkomende begrip "(een inlichting waarvan) de geheimhouding door het belang van de staat of van zijn bondgenoten wordt geboden" daarin is gebruikt in dezelfde betekenis waarin dit voorkomt in art. 98 Sr, naar welk begrip in de art. 98a en 98c Sr wordt verwezen.

De tenlastelegging houdt in dat de zeven daarin nader aangeduide stukken staatsgeheime informatie bevatten. Het middel stelt in het bijzonder de vraag aan de orde welke maatstaf de strafrechter moet hanteren bij de beoordeling of een inlichting, voorwerp of gegeven als staatsgeheim als bedoeld in art. 98 Sr moet worden aangemerkt. Op grond van de hiervoor weergegeven wet- en regelgeving, in het bijzonder het te dezen toepasselijke Vir-bi 2004, met de daarbij aangehaalde toelichtingen, geldt daaromtrent het volgende.

Er is sprake van een staatsgeheim als het gaat om bijzondere informatie waarvan de geheimhouding door het belang van de staat of zijn bondgenoten wordt geboden en indien kennisneming van die informatie door niet-gerechtigden kan leiden tot nadelige gevolgen voor of schade aan deze belangen. Opgemerkt zij, naar volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet waarbij de woorden "of van zijn bondgenoten" zijn toegevoegd aan art. 98 Sr, dat pmet die toevoeging geen principiële verandering in het materiële recht is aangebracht, dat "de art. 98 e.v. Sr gericht zijn op de veiligheid van de staat als zodanig" en dat "het zuiver interne belang van een vreemde staat, die een bondgenootschap met Nederland heeft" niet beschermd wordt.

Of de desbetreffende inlichting, het voorwerp of het gegeven naar zijn inhoud of aard zodanig is dat de geheimhouding door het belang van de staat of diens bondgenoten wordt geboden als bedoeld in art. 98 Sr, staat ter uiteindelijke beoordeling van de strafrechter.

Bij deze beoordeling kan de strafrechter de op de voet van het Vir-bi 2004 toegepaste rubricering van de bijzondere informatie betrekken. Zodanige rubricering moet worden aangemerkt als een aanduiding met een intern karakter, bestemd voor degenen die met die informatie dienen te werken zodat zij weten of en in welke mate de informatie nadelige gevolgen voor of schade aan de belangen van de staat of van zijn bondgenoten kan toebrengen. Het is de 'eigenaar' van de informatie die de rubricering bepaalt. Daarbij zij aangetekend dat de rubricering door de 'eigenaar' van de informatie niet doorslaggevend is voor de beantwoording van de vraag of de informatie als staatsgeheim in de zin van art. 98 Sr heeft te gelden. De rechter dient immers de materiële kwalificatie van de informatie zelfstandig te bepalen, waarbij het aankomt op de aard en inhoud van die informatie, niet op de daaraan gegeven of te geven rubricering. Niettemin kan de rechter aan de rubricering een bruikbare aanwijzing ontlenen voor zijn oordeel.

Het Hof is tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat de desbetreffende in de tenlastelegging genoemde stukken staatsgeheime informatie bevatten, en heeft de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken.

Het middel richt zich in het bijzonder tegen de overwegingen van het Hof onder 6.3.4.1.3 en 6.3.4.1.4. Daarin heeft het Hof overwogen dat - kort gezegd - de 'eigenaar' van de inlichting het niveau van de rubricering vaststelt, welke rubricering door de partners moet worden gerespecteerd, en dat de rechter "terughoudend" dient te zijn bij zijn oordeel om een inlichting in afwijking van de rubricering door de 'eigenaar' niettemin als staatsgeheim te kwalificeren. Volgens de steller van het middel heeft het Hof aldus als maatstaf geformuleerd dat de aan de inlichting gegeven rubricering leidend is voor het door de rechter te geven oordeel, waarmee het art. 98 Sr grotendeels buiten de rechterlijke toetsing heeft geplaatst.

Deze klacht van het middel kan niet tot cassatie leiden, nu zij berust op een onjuiste lezing van de bestreden overwegingen. Naar volgt uit de overwegingen heeft het Hof hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de te hanteren maatstaf niet miskend. Het Hof heeft een zelfstandig onderzoek ingesteld naar de materiële kwalificatie van de in de tenlastelegging genoemde stukken, zonder dat de gevolgde redenering een indicatie geeft dat het Hof de bestaande rubriceringen doorslaggevend heeft geacht. In het licht hiervan heeft het Hof met de overweging dat de rechter "terughoudend" dient te toetsen kennelijk als zijn opvatting kenbaar gemaakt dat de rechter bij zijn toetsing of een niet als zodanig gerubriceerde inlichting als staatsgeheim moet worden gekwalificeerd met behoedzaamheid te werk moet gaan. Die opvatting is niet onjuist en doet geen afbreuk aan de vereiste zelfstandige oordeelsvorming door de rechter.

Het middel klaagt voorts dat het oordeel van het Hof dat de desbetreffende stukken geen staatsgeheimen bevatten niet begrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.

Blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof vastgesteld dat het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken als 'eigenaar' heeft te gelden van de informatie die is vervat in de in de tenlastelegging genoemde stukken en dat deze door het ministerie niet als staatsgeheim maar als "BZ-vertrouwelijk" waren gerubriceerd. Daarbij gaat het om stukken die informatie bevatten die door leden van de Permanente Vertegenwoordiging in Brussel bij bijeenkomsten van de NAVO is vergaard.

Het Hof heeft niet vastgesteld dat de NAVO 'eigenaar' was van die informatie en evenmin dat die stukken waren voorzien van een rubricering door de NAVO.

Het feitelijke oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat de desbetreffende stukken staatsgeheimen bevatten is niet onbegrijpelijk en is, in aanmerking genomen de vaststellingen van het Hof, toereikend gemotiveerd. De omstandigheden dat een aantal stukken (E, F en G) voorkomt in 'damage assessements' van de NAVO waarin de risico's van kennisneming door niet-gerechtigden worden getaxeerd en dat gehoorde deskundigen van mening verschillen over de juistheid van de gegeven rubriceringen, maakt dat niet anders.

De klacht faalt.

Het vorenstaande brengt mee dat het Hof niet heeft blijkgegeven van een onjuiste toepassing en uitleg van art. 98 Sr, zodat het niet heeft vrijgesproken van iets anders dan was tenlastegelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hoge Raad beperkt verschoningsrecht: concept akten notaris aangemerkt als instrumenta delicti

Hoge Raad 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110

Er zijn stukken in beslag genomen, afkomstig uit doorzoekingen bij C BV en D BV en uit een vordering uitlevering ter inbeslagneming. Aan de beslagenen wordt onder meer verweten: het opmaken van een vervalste overeenkomst (de Realisatieovereenkomst) en het opmaken en gebruikmaken van valse facturen in 2009 en 2010. De klager is notaris. Hij heeft aangevoerd dat zich geheimhouderstukken bevinden tussen de inbeslaggenomen stukken en heeft verzocht het beslag in zoverre op te heffen met een last tot teruggave.

De Rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 19 maart 2015 het door klager ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is namens klager cassatieberoep ingesteld.

Namens klager hebben mr. R.W.J. Kerckhoffs en mr. J.N. de Boer, beiden advocaat te Breda, vijf middelen van cassatie ingediend.

Eerste en tweede Middel

Het eerste en het tweede middel klagen dat de Rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent 'brieven of geschriften die tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend' als bedoeld in art. 98, vijfde lid, Sv. Daartoe is onder meer aangevoerd dat voor de vraag of sprake is van een instrumentum delicti enkel relevant is of het document direct onderdeel uitmaakt van het vermeende strafbare feit. De Rechtbank heeft, aldus de middelen, ten onrechte niet alleen van belang geacht of een document "zelfstandige betekenis" heeft gehad bij het plegen van het strafbare feit dat zou zijn begaan, maar tevens betekenis toegekend aan de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de complexiteit van de verdenking. Het derde middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat "instrumenta delicti" zijn "de stukken A-7-I-1-3, A-7-I-1-4, MG36, MG37, MG40, MG41, MG42, MG44 en MG64".

Beoordeling Hoge Raad

Print Friendly and PDF ^

Verzuim door secretaresse ondertekende akte rechtsmiddel kan voor gedekt worden gehouden

Hoge Raad 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:102 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 4 februari 2015 verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Utrecht van 13 oktober 2014.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep op de grond dat het beroep niet is ingesteld op de wijze als bedoeld in HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, NJ 2010/102, aangezien de door de raadsman van de verdachte aan de griffiemedewerker verleende schriftelijke volmacht tot het instellen van hoger beroep niet is ondertekend door de raadsman maar door diens secretaresse.

Middel

Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

Beoordeling Hoge Raad

In voormeld arrest zijn eisen geformuleerd waaraan een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om hoger beroep in te stellen dient te voldoen. Zo moet die volmacht inhouden:

(i) de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van hoger beroep (art. 450, eerste lid sub a, Sv);

(ii) de verklaring van de advocaat dat de verdachte instemt met het door de medewerker ter griffie aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep (art. 450, derde lid, Sv);

(iii) het adres dat door de verdachte is opgegeven voor de toezending van het afschrift van de appeldagvaarding (art. 450, derde lid, Sv).

Die eisen dienen te worden bezien tegen de achtergrond van de aanscherping van de wettelijke regeling voor het instellen van hoger beroep. Die aanscherping had tot doel problemen met betrekking tot de betekening van appeldagvaardingen te voorkomen althans te verminderen. Gelet op deze ratio van de eisen waaraan een door een advocaat verstrekte volmacht moet voldoen, is in zaken waarin ter terechtzitting in hoger beroep noch de verdachte noch een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen, daarom in de regel het door een advocaat door middel van een schriftelijke volmacht aan een griffiemedewerker ingestelde beroep niet-ontvankelijk indien die volmacht niet aan alle voormelde voorwaarden voldoet.

Gelet op diezelfde ratio bestaat evenwel onvoldoende grond voor de niet-ontvankelijkverklaring van het appel op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de hiervoor onder (i) genoemde voorwaarde ingeval ter terechtzitting in hoger beroep wel de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de (onvolkomen) volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen, zodat dat verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999, NJ 2012/426), en evenmin op de grond dat de volmacht niet voldoet aan de onder (ii) en (iii) vermelde voorwaarden ingeval de verdachte dan wel een op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, aangezien het belang dat met die voorwaarden is gediend, in zo een geval niet is geschaad, zodat het verzuim voor gedekt kan worden gehouden (vgl. HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8357, NJ 2013/75).

Het vorenoverwogene geldt op overeenkomstige wijze indien de schriftelijke volmacht van de advocaat niet door deze zelf maar door een ander, zoals in het onderhavige geval door zijn secretaresse, is ondertekend. Ook zo een verzuim kan voor gedekt worden gehouden ingeval de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv gemachtigde raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en deze aldaar - zonodig daarnaar uitdrukkelijk gevraagd - heeft verklaard dat aan de verlening van de niet door de advocaat zelf ondertekende volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen.

Het middel klaagt terecht dat het Hof het voorgaande heeft miskend, nu uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte en zijn raadsman op die terechtzitting zijn verschenen en het aldaar verhandelde bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat aan de verlening van de onderhavige volmacht de wens van de verdachte ten grondslag lag om (op rechtsgeldige wijze) hoger beroep te doen instellen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Ook in geval van voltooide poging kan er nog sprake zijn van vrijwillige terugtred

Hoge Raad 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:109 Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 dagen ter zake van poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een beroep gedaan op vrijwillige terugtred en daartoe het volgende aangevoerd:

"Mocht uw hof tot een bewezenverklaring komen, dan dient cliënte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Er is namelijk sprake van vrijwillige terugtred. De politierechter heeft het beroep hierop verworpen omdat de "verbalisanten" (bedoeld was blijkbaar de beveiligers) de verdachte hebben aangesproken en deze zich wellicht betrapt heeft gevoeld. Uit het dossier blijkt niet dat de beveiligers de verdachten aanspraken. Ze zagen het juist aan, om te zien wat er zou gebeuren. Er is geen indicatie dat mijn cliënte zich betrapt voelde. Cliënte heeft zelf gekozen om weg te gaan, ze deed dat niet uitsluitend onder invloed van een externe prikkel. Ik wijs u op de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 juli 2010 met LJN nummer BN 0993."

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt verworpen:

"Het hof gaat, aan de hand van de verschillende verklaringen die zich in het dossier bevinden, uit van de volgende gang van zaken.

Getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte en haar medeverdachte hem opvielen omdat ze namelijk meteen bij binnenkomst twee schijnbaar willekeurige kledingstukken uit de rekken pakten, zonder er echt naar te kijken. Getuige [getuige 1] heeft voorts bij de politie verklaard (dossierpagina 13) dat de verdachte en haar medeverdachte vervolgens kledingstukken over de tassen van de aangeefsters legden en dat zij de aangeefsters probeerden af te leiden door ze aan te stoten. Ook de aangeefsters hebben verklaard (pagina 9 en 11) dat er twee dames dicht bij hen kwamen staan en dat zij door hen licht werden geduwd. Nadat de verdachte en haar medeverdachte de aangeefsters hadden afgeleid probeerden ze de tas van een van hen open te ritsen, verklaart zowel [getuige 1] als [getuige 2] .

Getuige [getuige 2] verklaart verder (pagina 17) dat de verdachte en haar medeverdachte dicht bij de aangeefsters gingen staan en dat de medeverdachte vervolgens achter hen ging staan en probeerde met haar hand in de tas van één van de aangeefsters te komen.

Het hof is, uitgaande van hetgeen hiervoor is geschetst, van oordeel dat de verdachte en haar medeverdachte in de winkel samen hebben opgetrokken met als doel de inhoud van de tas van (een van) de aangeefster(s) te bemachtigen. Daartoe is geprobeerd een rits van een tas te openen, wat het hof aanmerkt als een uitvoeringshandeling. Er is dan ook sprake van een voltooide poging tot diefstal, zodat van vrijwillige terugtred reeds om die reden geen sprake meer kan zijn."

Middel

Het middel klaagt over de verwerping van een beroep op vrijwillige terugtred.

Beoordeling Hoge Raad

Aan de verwerping door het Hof van het beroep op vrijwillige terugtred ligt het oordeel ten grondslag dat geen plaats is voor vrijwillige terugtred als bedoeld in art. 46b Sr, indien sprake is van een zogenoemde voltooide poging. Die opvatting is onjuist.

Bij vrijwillige terugtred gaat het om het misdrijf waarop de gedragingen van de verdachte waren gericht. Het gaat niet erom of de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat sprake is van een strafbare poging, maar of hij is teruggetreden voordat sprake is van een voltooid misdrijf. In geval van een voltooide poging is derhalve vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Sr niet reeds in zijn algemeenheid uitgesloten.

Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil onafhankelijk zijn, hangt - mede gelet op de aard van het misdrijf - af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij verdient opmerking dat voor het aannemen van vrijwillige terugtred in geval van een voltooide poging veelal een zodanig optreden van de verdachte is vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten (vgl. HR 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2169, NJ 2007/29).

Hoewel het middel terecht klaagt dat de overwegingen van het Hof blijk geven van een onjuiste opvatting omtrent het begrip 'vrijwillige terugtred' als bedoeld in art. 46b Sr, behoeft het niet tot cassatie leiden in verband met het volgende.

Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat het de verdachte niet is gelukt om de tas van de aangeefster open te ritsen teneinde daaruit iets weg te nemen, terwijl aan het beroep op vrijwillige terugtred slechts is ten grondslag gelegd dat de verdachte "zelf (heeft) gekozen om weg te gaan, ze deed dat niet uitsluitend onder invloed van een externe prikkel". Aldus is het beroep op 'vrijwillige terugtred' zodanig ontoereikend onderbouwd dat het Hof het beroep daarop slechts kon verwerpen. Het oordeel van het Hof is dus juist wat er ook zij van de motivering.

Conclusie AG: contrair

7. De omstandigheid dat een poging al dan niet als voltooid kan worden aangemerkt door een uitvoeringshandeling is, anders dan het Hof kennelijk van oordeel is, niet bepalend voor de beoordeling van het beroep op vrijwillige terugtred. De verwerping van het beroep op vrijwillige terugtred is daarom ontoereikend gemotiveerd.

8. Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Niet-onherroepelijke niet-ontvankelijkheid onvoldoende voor succes bij beklag ex art. 552a Sv over beslag art. 94a Sv

Hoge Raad 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:73 De Rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 11 november 2014 het door klager ingediende klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave gelast van, dan wel het beslag opgeheven inzake de inbeslaggenomen onroerende goederen, zaken en/of vorderingen van klager.

Middel

Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een geldboete dan wel een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Beoordeling Hoge Raad

De Rechtbank heeft het namens de klager ingediende klaagschrift strekkende tot opheffing van op de voet van art. 94a Sv gelegde conservatoire beslagen gegrond verklaard en de opheffing van de conservatoire beslagen gelast. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"Nu vaststaat dat zowel de straf- als de ontnemingszaak nog niet definitief zijn geëindigd, dient de rechtbank te beoordelen of het al dan niet hoogst onwaarschijnlijk is dat in de straf- dan wel ontnemingszaak aan klager een geldboete respectievelijk een voordeelsontneming zal worden opgelegd.

Voor de beantwoording van deze vraag verwijst de rechtbank naar onderstaande passages uit het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 juli 2014 (...) en het vonnis van deze rechtbank van 8 oktober 2014.

Gerechtshof Den Haag 2 juli 2014:

"(...)

Conclusie

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden tezamen maken dat (voortzetting van) de vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, waaronder rechtszekerheid, evenredigheid, zorgvuldigheid, en het verbod van willekeur om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de onderhavige vervolging van deze verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Het openbaar ministerie is daarom niet ontvankelijk."

Rechtbank Den Haag 8 oktober 2014:

"(...)

Aangezien betrokkene in de hoofdzaak niet is veroordeeld wegens een strafbaar feit, concludeert de rechtbank dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel."

"Gezien hetgeen het gerechtshof heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat in de straf- dan wel ontnemingszaak aan klager een geldboete respectievelijk een voordeelsontneming zal worden opgelegd. Op deze grond zal de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaren en de daarmee overeenkomende last geven."

Met toepassing van de juiste maatstaf bij de beoordeling van een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag heeft de Rechtbank beoordeeld of zich hier het geval voordoet dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een geldboete of een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De Rechtbank heeft dat hoogst onwaarschijnlijk geacht. Aan dit oordeel heeft de Rechtbank in het bijzonder ten grondslag gelegd dat het Openbaar Ministerie in de strafzaak tegen de klager bij, niet-onherroepelijk, arrest van het Gerechtshof Den Haag van 2 juli 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:2211) niet-ontvankelijk is verklaard in de strafvervolging. De Rechtbank had bij haar oordeel evenwel niet mogen vooruitlopen op de mogelijke uitkomst van de strafzaak.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG onder meer over de vraag wanneer van een motorfiets i.d.z.v. de Wegenverkeerswet 1994 kan worden gesproken

Hoge Raad 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:75 Verzoeker is bij arrest van 10 juli 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens

  1. overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren en een geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, wegens
  2. overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, veroordeeld tot voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren en een voorwaardelijke geldboete van € 390,00, subsidiair zeven dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren, en wegens
  3. als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

Ten laste van verzoeker is onder 2 bewezenverklaard dat:

“hij op 7 oktober 2012 te Hoevelaken, gemeente Nijkerk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) heeft gereden op de weg, de Westerdorpsstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;”

Voorts heeft het Hof ten aanzien van het in het middel bedoelde verweer het volgende overwogen:

“Bewijsoverweging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak bepleit. (…) Wat betreft feit 2 is volgens de raadsman geen sprake van een motor, maar van een scooter, waarvoor een rijbewijs AM volstaat. (…)

Met betrekking tot feit 2 is het hof mede gelet op het proces-verbaal van verbalisanten (p. 4 t/m 8) van oordeel dat sprake is van een motorscooter, waarvoor een rijbewijs A is vereist. Een voertuig dat sneller kan rijden dan 50 kilometer per uur is geen bromfiets (meer), maar een motorfiets. Zie art. 5.6.8 van de Regeling voertuigen. Verdachte beschikte over een rijbewijs AM en B. Er is sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van het rijden zonder rijbewijs.”

Middel

Het middel klaagt over de verwerping van het verweer met betrekking tot feit 2 dat niet kan worden bewezenverklaard dat het betrokken voertuig een motorscooter betreft waarvoor een rijbewijs A is vereist.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.

Conclusie AG

De AG geeft, in verband met het voorgedragen cassatiemiddel, weer (a) de relevante onderdelen van het eerste lid onderdeel e van art. 1 WVW 1994, handelend over de definitie van het begrip bromfiets, (b) de relevante onderdelen van het tweede lid van art. 1.1 Regeling voertuigen, handelend over de definities van het begrip bromfiets en het begrip motorfiets, en (c) art. 5.6.8 Regeling voertuigen.

8. Uit deze omschrijvingen blijkt dat enkel kan worden gesproken van een bromfiets indien deze een door de constructie bepaalde maximumsnelheid heeft van niet meer dan 45 km/h en tevens een verbrandingsmotor heeft met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm³. Een motorvoertuig valt onder de classificatie motorfiets indien het uitgerust is met een motor met inwendige verbranding, met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm³ of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h.

9. Voorts zijn voor de beoordeling van het middel van belang de overwegingen uit het arrest van de Hoge Raad van 6 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0746,NJ 1994/150 (VR 1993/73), waarin de Hoge Raad oordeelt dat wijzigingen aan een motorrijtuig van invloed kunnen zijn op de classificatie van dit motorrijtuig:

“3.4 In het eerste onderdeel van het middel wordt betoogd dat een motorrijtuig dat eenmaal is toegelaten als bromfiets een bromfiets blijft ongeacht de daaraan aangebrachte wijzigingen. Het onderdeel faalt omdat niet valt in te zien en uit art. 1 lid 1 onder d WVR en art. 4 lid 1 onder a RVV ook niet volgt, dat een motorrijtuig dat aanvankelijk onder de omschrijving van bromfiets viel, als gevolg van daaraan aangebrachte wijzigingen niet in een andere categorie terecht zou kunnen komen, waardoor het niet langer als bromfiets kan worden aangemerkt.”

10. Ook enkele beschouwingen uit de conclusie van de A-G Asser vóór het voormelde arrest verdienen vermelding:

“3.14. De rechtbank heeft in r.o. 8 van haar vonnis, waartegen zich middelonderdeel 1 keert, overwogen dat uit de definitie van het begrip bromfiets in WVR en RVV volgt

‘dat er, naast bromfietsen andere motorvoertuigen zijn die weliswaar uiterlijk en qua constructie grote overeenstemming met bromfietsen vertonen, maar toch geen bromfiets in de zin der wet zijn omdat zij bijvoorbeeld over een verbrandingsmotor met een grotere cylinderinhoud dan 50 cm³ beschikken, dan wel omdat daarmee een grotere snelheid bereikt kan worden dan 40 kilometer per uur’.

Ook volgt uit die definitie, aldus de rechtbank,

‘dat een motorvoertuig dat ten tijde van de fabricage daarvan aan de definitie van bromfiets voldeed en daarmee toen als een bromfiets in de zin der wet aangemerkt diende te worden, dat karakter nadien kan verliezen doordat bijvoorbeeld de cylinderinhoud van de verbrandingsmotor daarvan vergroot wordt of doordat er anderszins wijzigingen aan worden aangebracht waardoor een hogere maximumsnelheid dan 40 kilometer per uur bereikt kan worden’.

3.15. Het middelonderdeel betoogt nu dat dit oordeel berust op een onjuiste interpretatie van de genoemde definitie. Reeds een zuiver taalkundige uitleg van de betrokken wettelijke bepalingen noopt, aldus het onderdeel, tot de opvatting dat met name de zinsneden ‘uitgerust met (een verbrandingsmotor met een cylinderinhoud van ten hoogste 50 cm³)’ en ‘geconstrueerd voor (een maximumsnelheid die niet meer bedraagt dan 40 km per uur)’ gedoeld wordt op de uitrusting en constructie van het voertuig ten tijde van de fabricage. Volgens het onderdeel wordt deze opvatting ondersteund door ‘het feit dat bromfietsen na fabricage worden gekeurd en voorzien van een goedkeuringsmerk’. ‘De wettelijke regeling in het WVR en het RVV is’, zo betoogt het onderdeel voorts, ‘gebaseerd op een keuring voor alle voertuigen, op grond van de resultaten van welke keuring deze worden ingedeeld in een bepaalde categorie’. Hieraan verbindt het onderdeel de conclusie dat nadat een voertuig eenmaal is gekeurd als bromfiets en voorzien van een goedkeuringsmerk, geen ‘wisseling van categorie’ meer kan plaatsvinden. ‘(Ook) een opgevoerde bromfiets als waarom het in dit geding gaat, is (en blijft) een bromfiets’, aldus tenslotte het onderdeel dat er aan toevoegt dat de uitleg van de rechtbank van de genoemde bepalingen in het kader van het systeem van de wegenverkeerswetgeving onjuist is.

3.16. Uitgaande van de definitie in art. 1 WVR en in de andere eerdergenoemde besluiten, vind ik geen steun voor dit betoog. Dat het woord ‘geconstrueerd’ zo'n beperkte betekenis heeft als het middelonderdeel stelt en niet tevens zou kunnen slaan op een constructie, gewijzigd nadat de bromfiets door de fabrikant in het verkeer is gebracht, kan ik nergens uit afleiden. Steun daarvoor vind ik in elk geval niet in de geschiedenis van de totstandkoming van die definitie, die zelf ook niet verwijst naar het bepaalde bij of krachtens art. 80a lid 2 aanhef en onder g WVR m.b.t. de keuringseisen en het keurmerk. De gelijkstelling van voertuigen met een gele plaat met bromfietsen wijst eerder in tegenovergestelde richting. Die gelijkstelling, ingevoerd om de handhaving van de voor bromfietsen (en bromfietsers) geldende voorschriften te vergemakkelijken, zou praktisch niet nodig zijn geweest indien juist zou zijn wat het middelonderdeel betoogt, want de problemen bij de opsporing van overtredingen m.b.t. de eisen voor bromfietsen (en bromfietsers) werden en worden nu juist gevormd door de voertuigen die er — ook door het voeren van het in art. 80a onder g WVR bedoelde merk — uitzien als bromfietsen van de goedgekeurde soort met de goedgekeurde motor, maar waaraan niet direct waarneembare wijzigingen zijn aangebracht waardoor zij harder kunnen rijden dan toegestaan, welke wijzigingen slechts door een tijdrovend technisch onderzoek zouden kunnen worden vastgesteld.”

11. Verder heeft de hier relevante lagere rechtspraak aansluiting gezocht bij Richtlijn 95/1/EG, door voor het classificeren van een voertuig als bromfiets in het bijzonder de maximumsnelheid te betrekken. Zie bijvoorbeeld de volgende overwegingen van het Hof Leeuwarden van 2 juli 2003, ECLI:NL:GHLEE:2003:AI1175:

“3.13. Bij Besluit van 24 november 1994, Stb. 603 zijn onder meer art. 3.6.12 (thans 3.6.18) en 5.6.8 VR gewijzigd.

Art. I onder AA van dit Besluit houdt in dat artikel 3.6.12 wordt gewijzigd in:

"Bromfietsen moeten voor wat betreft de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/1/EG."

De Nota van toelichting op dit onderdeel houdt in:

"Een van de bijzondere richtlijnen in het kader van richtlijn 92/61/EEG (goedkeuring twee- of driewielige motorvoertuigen) is richtlijn 95/1/EG (de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen). De implementatie van laatstbedoelde richtlijn geschiedt in artikel 3.6.12. Omdat richtlijn 95/1/EG geen vermogenslimiet stelt, doch slechts de methode waarop het netto-maximumvermogen moet worden bepaald, kan het Voertuigreglement geen vermogenslimiet meer voorschrijven. Ingevolge richtlijn 95/1/EG ligt het zwaartepunt voor bromfietsen bij de door de constructie bepaalde maximum snelheid."

Artikel I onder XX van het besluit houdt onder meer in dat artikel 5.6.8 wordt gewijzigd in:

"- 1. Bromfietsen die zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h, moeten bij voortduring blijven voldoen aan deze door de constructie bepaalde maximumsnelheid.

- 2. (…)"

De Nota van Toelichting op dit onderdeel houdt onder meer in: "De vervanging van art. 5.6.8 houdt verband met de vervanging van artikel 3.6.12 als voorzien bij artikel I onder AA. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij laatstbedoeld artikel. Zoals aldaar vermeld, komt ingevolge richtlijn 95/1/EG het zwaartepunt voor bromfietsen te liggen bij de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, welke beslist niet hoger mag liggen dan 45 km/h dan wel 25 km/h. Ook de in voorbereiding zijnde EG-richtlijn tegen het opvoeren legt voor bromfietsen het zwaartepunt bij de door de constructie bepaalde maximumsnelheid. Blijkt de snelheid overschreden te kunnen worden, dan is dat een indicatie dat de brommer is opgevoerd. Het is derhalve noodzakelijk te bepalen, dat de maximale constructiesnelheid bij voortduring niet overschreden mag worden. Artikel 5.6.8 strekt daartoe.”

12. Gelet op het voorgaande, meen ik dat wanneer een motorvoertuig een maximumsnelheid kan bereiken die hoger is dan 45 km/h, vermeerderd met 5 km/h, en niet in het kentekenregister is geregistreerd als bromfiets, dit motorvoertuig moet worden gekwalificeerd als motorfiets in de zin van de verkeerswetgeving.

13. Het Hof heeft in zijn, hierboven onder 6 geciteerde, overweging slechts verwezen naar art. 5.6.8 Regeling Voertuigen. Uit dit artikel blijkt alleen dat bromfietsen bij voortduring geen hogere snelheid mogen bereiken dan 45 km/h, vermeerderd met 5 km/h. Uit dit artikel blijkt niet waaruit het onderscheid bestaat tussen bromfietsen en motorfietsen. In zoverre zou de steller van het middel kunnen worden toegegeven dat hij een punt heeft.

14. Dat neemt echter niet weg dat het middel enig belang mist en derhalve tevergeefs is voorgesteld. Anders dan de steller van het middel doet voorkomen, is het geen vereiste dat de cilinderinhoud meer dan 50 cm³ moet bevatten om te kunnen spreken van een motorfiets. Blijkens de hiervoor aangehaalde regelgeving en rechtspraak is het hebben van een door constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h, reeds voldoende om een motorvoertuig in te delen in de categorie motorfiets. Zou het Hof de hier toepasselijke regelgeving met meer precisie hebben aangehaald, dan zou het tot dezelfde slotsom zijn gekomen als in de bestreden uitspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. HR herhaalt de aan een appelschriftuur te stellen eisen.

Hoge Raad 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:17 Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch op de voet van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep van een vonnis van de politierechter in de Rechtbank te Maastricht waarbij hij is veroordeeld tot een geldboete van € 250 wegens vernieling.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Gelijk de advocaat-generaal in zijn vordering is het hof van oordeel dat het door verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk is, nu verdachte na het instellen van het hoger beroep noch een schriftuur houdende inhoudelijke grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden. Het hof beschouwt de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg niet als een inhoudelijke grief waardoor het hof zich genoodzaakt zou zien om de zaak inhoudelijk te behandelen."

Middel

Het middel houdt in dat het Hof verdachte ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep omdat het Hof verdachtes bij schriftuur opgegeven reden voor het hoger beroep niet heeft gezien als een grief als bedoeld in art. 416 lid 2 Sv.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad heeft in HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, rov. 2.40 onder meer het volgende overwogen:

"Ingevolge art. 410, eerste lid, Sv dient een appelschriftuur de grieven tegen het vonnis in eerste aanleg te bevatten. In die bepaling worden geen nadere materiële eisen gesteld waaraan de appelschriftuur, die ook door de verdachte zelf kan worden ingediend, dient te voldoen (...) Daarom ligt in de rede aan de formulering van de grieven thans geen hoge eisen te stellen."

Het Hof heeft klaarblijkelijk toepassing gegeven aan art. 416, tweede lid, Sv en daaraan ten grondslag gelegd dat "de enkele schriftelijke opgave van verdachte dat hij wegens een verhuizing niet op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg" niet als een schriftuur houdende grieven kan worden aangemerkt. Dat oordeel geeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4 is overwogen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Profijtontneming: aan te leggen maatstaf bij het verzoek tot het overleggen van bescheiden en stukken van overtuiging

Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:2 Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 27.960,92.

In de hoofdzaak is de betrokkene veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. In de onderhavige ontnemingsprocedure is onder meer de vraag aan de orde of sprake is geweest van een eerdere oogst. Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal inzake wederrechtelijk verkregen voordeel waarbij een verklaring is gevoegd van betrokkene 2, die als fraude-inspecteur werkzaam is bij Stedin Netbeheer BV. Hij verklaart dat er ten minste één hennepkweek heeft plaatsgevonden vóór de aangetroffen hennepkweek. In opdracht van de raadsman van de verdachte heeft betrokkene 1, forensisch analist bij het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau een onderzoeksrapport opgesteld waarin de conclusie in het eerder genoemde proces-verbaal, inclusief de daarbij gevoegde verklaring van betrokkene 2 dat sprake is geweest van een eerdere oogst, aan een toetsing is onderworpen. De raadsman van de verdachte heeft het onderzoeksrapport bij faxbrief van 3 juni 2014 aan het hof toegezonden.

Middel

De middelen betreffen het verzoek van de raadsman het onderzoeksrapport aan het dossier toe te voegen (middelen 1 en 2) en het daaraan verbonden verzoek tot het oproepen van betrokkene 2 als getuige (middel 3).

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge het ook in ontnemingszaken toepasselijke art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv zijn de advocaat-generaal bij het hof en de betrokkene bevoegd voor of bij de behandeling van een zaak in hoger beroep nieuwe bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen. De uitoefening van die bevoegdheid is evenwel onderworpen aan de eisen die voortvloeien uit de beginselen van een behoorlijke procesorde. Een algemene regel daaromtrent valt niet te geven. Van geval tot geval zal dus moeten worden beoordeeld of aan die eisen is voldaan, waarbij mede betekenis toekomt aan de (belastende dan wel ontlastende) aard van de over te leggen bescheiden of stukken en, indien het gaat om belastende bescheiden of stukken, aan de (al dan niet complexe) aard van de te berechten zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt.

Ingeval bij de behandeling van een zaak in hoger beroep door de advocaat-generaal dan wel door de betrokkene het verzoek wordt gedaan om nadere bescheiden of stukken van overtuiging over te leggen, zal de rechter een afwijzende beslissing op een dergelijk verzoek dienen te motiveren aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf. Indien de rechter het verzoek toewijst, zal hij de overgelegde stukken bij zijn beraadslaging dienen te betrekken (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7709, NJ 2010/409).

Het verzoek van de raadsman tot het voegen van het onderzoeksrapport van betrokkene 1 aan het dossier is een verzoek in de zin van art. 414, eerste lid tweede volzin, Sv. Door te oordelen dat dit verzoek wordt afgewezen op de grond dat de "opgemaakte rapportage niet noodzakelijk is voor enige in deze zaak te nemen beslissing" heeft het Hof de aan te leggen maatstaf bij de beoordeling van het verzoek miskend.

Daarbij komt nog het volgende. Het bedoelde rapport bevindt zich bij de stukken van het dossier en is klaarblijkelijk aan het Hof overgelegd als nieuw bescheid in de zin van art. 414, eerste lid, Sv. Daarvan uitgaande, strekken de overwegingen van het Hof kennelijk ertoe als zijn oordeel tot uitdrukking te brengen dat het Hof het rapport niet bij zijn beraadslaging zal betrekken. Daarmee heeft het Hof miskend dat het acht zal moeten slaan op de inhoud van op de voet van art. 414, eerste lid, Sv overgelegde bescheiden.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^