Slagende klacht m.b.t. uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ertoe strekkende dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat de in een door hem opgesteld taxatierapport opgenomen waarde niet vals is

Hoge Raad 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:174 Verzoeker is bij arrest van 20 mei 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren wegens valsheid in geschrift en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.

Namens verzoeker heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het derde en vijfde middel klagen dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ertoe strekkende dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat de in het taxatierapport van 13 april 2005 opgenomen waarde niet vals is.

Het in de middelen bedoelde standpunt is in de conclusie van de Advocaat-Generaal als volgt samengevat:

"Uit vooral het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2013 en de bij die gelegenheid overgelegde pleitaantekeningen blijkt dat door en namens verzoeker uitvoerig is betoogd dat de rapporten van juli 2003 en van december 2005 ten onrechte door de FIOD en in navolging daarvan door de rechtbank op één lijn zijn gesteld met het rapport van 13 april 2005 waarbij de afwijking in het laatstgenoemde rapport de valsheid daarvan zou tonen. De verdediging heeft blijkens de pleitaantekeningen in dit verband het volgende naar voren gebracht (...). De vijf rapporten kunnen niet op één lijn worden gesteld vanwege het feit dat de uitgangspunten en bijzondere aannames die aan het taxatierapport van 13 april 2005 ten grondslag liggen wezenlijk verschillen van de andere vier taxatierapporten. De rapporten van juli 2003 en van december 2005 hanteren, evenals het taxatierapport van [betrokkene 5] d.d. 16 januari 2009, met welke rapporten het taxatierapport van 13 april 2005 is vergeleken, alle de residuele wijze van waardebepaling en dus een andere scenarioberekening dan verzoeker in zijn taxatierapport van 13 april 2005. In die andere rapporten is ervan uitgegaan dat de grond direct voor bebouwing gereed was, terwijl verzoeker in het rapport van 13 april 2005, gezien de onzekerheden omtrent de bebouwing op het stuk grond en hoe die bebouwing er uiteindelijk uit zou gaan zien, ten aanzien van de aard en de omvang van de toekomstige ontwikkeling gekozen heeft voor de comparatieve methode als meest adequate, waarbij een vergelijking is gemaakt met overeenkomstige transacties in de markt. Dat verzoeker de comparatieve methode hanteerde en tot een grondprijswaardering van € 25,- per m² kwam, was gerechtvaardigd, zeker wanneer daarbij betrokken wordt het oordeel van diverse deskundigen die het hanteren van deze methode ondersteunen in het licht van de omstandigheden waaronder verzoeker op dat moment heeft getaxeerd. Hoewel verzoeker erkent dat hij dingen duidelijker had kunnen opschrijven, ontkent hij enige onjuistheid in het rapport van 13 april 2005 te hebben opgenomen."

Beoordeling Hoge Raad

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot de in het taxatierapport van 13 april 2005 opgenomen waarde, erop neerkomende dat en waarom dat rapport niet valselijk is opgemaakt, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht.

Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken, maar heeft in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid, terwijl die redenen ook niet zonder meer blijken uit de bewijsvoering.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof, dat met de verdediging ervan uitgaat dat de rapporten van juli 2003 en december 2005 enerzijds en het rapport van 13 april 2005 anderzijds op verschillende uitgangspunten zijn gebaseerd, niet heeft duidelijk gemaakt waarom het gemotiveerde standpunt van de verdediging dat het hanteren van de zogenoemde comparatieve waardebepaling in het taxatierapport van 13 april 2005 in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is en dat de op grond daarvan berekende grondprijswaardering van € 25,- m² niet vals is, niet opgaat. De omstandigheid die het Hof naar de kern doorslaggevend acht, te weten dat een enorm verschil bestaat tussen de taxatiewaarde in het rapport van 13 april 2005 en die in het door de verdachte opgemaakte rapport van december 2005, biedt zodanige uitleg nog niet.

Vorenbedoeld verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF