HR herhaalt overwegingen m.b.t. verwerven & voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001

Feiten

Bij arrest van 21 juli 2011 is de verdachte door het Gerechtshof Amsterdam wegens

  1. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, op een luchtvaartterrein, als omschreven in artikel 1 van de Luchtvaartwet;
  2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, op een luchtvaartterrein, als omschreven in artikel 1 van de Luchtvaartwet; en
  3. witwassen.

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Voorts heeft het Hof de verbeurdverklaring uitgesproken en de onttrekking aan het verkeer gelast van verschillende inbeslaggenomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest is vermeld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof heeft miskend dat niet elk "voorhanden hebben" van een voorwerp een gedraging inhoudt die als een vorm van witwassen kan worden gekwalificeerd, althans dat het Hof zijn oordeel dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, onvoldoende dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, rov. 6.4.1, 6.4.2 en 6.5.)

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit de aan dat proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitaantekeningen blijkt dat door of namens de verdachte is aangevoerd dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering, evenmin rechtstreeks voortvloeit dat het geldbedrag afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen in de onderhavige zaak niet van toepassing zijn en dat het middel, dat blijkens de toelichting steunt op de opvatting dat het voorhanden hebben van enig uit misdrijf verkregen goed gericht moet zijn op het uit het zicht houden van dat voorwerp voor politie en justitie, faalt nu die opvatting geen steun vindt in het recht.

Het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt derhalve.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie & cassatie verdachte: Witwassen, art. 420bis Sr

Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002

Feiten

Bij arrest van 15 augustus 2012 heeft het Hof te Arnhem verdachte wegens het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 213 gram cocaïne, het voorhanden hebben van een revolver en een zogenoemde taser alsmede (partieel) witwassen (BMW 528i en € 160.096,63) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden. Voorts heeft het Hof de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ter het onder 4 bewezen verklaarde witwassen voor zover dat betrekking heeft op het witwassen van € 36.060,-; € 5.000,-; € 1.700,-; € 1.120,-; $ 3.702,- en € 600,-. Tevens heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van acht weken.

Tegen dit arrest is cassatieberoep ingesteld door mr. W. Hemstede, advocaat-generaal bij het Hof te Arnhem alsmede, namens de verdachte, door mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem. Het door de advocaat-generaal ingestelde cassatieberoep is beperkt tot het onder 4 ten laste gelegde feit. Het door de raadsman ingestelde cassatieberoep is onbeperkt.

Middel

Het middel van de Advocaat-generaal komt op tegen het door het Hof gegeven ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte met betrekking tot het onder feit 4 bewezenverklaarde wat betreft een aantal van de daar genoemde geldbedragen.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het verwerven of voorhanden hebben van zo'n voorwerp.

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt. Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "verwerven" of "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel verwerven of voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Een vonnis of arrest moet voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. (Vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001)

Onderhavige zaak

Het Hof heeft kennelijk aannemelijk geacht dat de desbetreffende geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf (cocaïnehandel) en dat de verdachte deze gelden slechts heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad. Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat met betrekking tot deze geldbedragen door de verdachte geen handeling is verricht die heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die geldbedragen.

Het Hof heeft gelet op een en ander geoordeeld dat het met betrekking tot die geldbedragen niet tot de kwalificatie witwassen kan komen. Dat oordeel geeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Voor zover het middel berust op de opvatting dat in een geval als het onderhavige "de rechter dan wel het (grond)misdrijf waaraan de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt zoveel mogelijk dient te concretiseren voor wat betreft plaats, tijd en door de verdachte verrichte handelingen", stelt het een eis die het recht niet kent.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beklag, beslag & Verschoningsrecht: Géén geschriften die voorwerp van het s.f. uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend? Géén zeer uitzonderlijke omstandigheden?

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1740

Feiten

De Rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 19 juli 2012 het beklag van klager ex 552a Sv gericht tegen het voortduren van het onder klager gelegde beslag gegrond verklaard en de teruggave aan klager gelast van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Tegen deze beschikking heeft mr. C.E.J. Backer, officier van justitie bij het Functioneel Parket, cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel dat de aantekeningen, gespreksnotities, e-mails en brieven die zich mogelijk in de inbeslaggenomen cliëntendossiers bevinden niet kunnen worden beschouwd als geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend.

Beoordeling Hoge Raad

Ingevolge art. 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen. Wel mogen, ook zonder hun toestemming, in beslag worden genomen brieven of geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, nu dergelijke brieven en geschriften geen object zijn van de aan evenbedoelde personen toekomende bevoegdheid tot verschoning. De aard van de hier aan de orde zijnde bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken, in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is (vgl. HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9694, NJ 1994/537 en HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439).

Het oordeel van de Rechtbank dat zich hier niet het geval voordoet dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat het standpunt van de klager onjuist is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat ook indien zou moeten worden aangenomen dat sprake is van een "verdenking van ernstige strafbare feiten, gepleegd door een verschoningsgerechtigde in de uitoefening van zijn beroep", welke feiten eruit bestaan dat de klager voor zijn cliënten op valse gegevens berustende vergunningsaanvragen heeft verzorgd, die omstandigheden niet zonder meer de conclusie wettigen dat de gehele inhoud van de desbetreffende cliëntendossiers voorwerp uitmaakt van een strafbaar feit of tot het begaan van een dergelijk feit heeft gediend.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Salduz-verweer: het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het consultatierecht van de aangehouden verdachte

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1752

Feiten

Het Gerechtshof te Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 23 december 2011 verdachte wegens ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en tot een werkstraf voor de duur van honderdvijftig uren (subsidiair vijfenzeventig dagen hechtenis).

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Verklaringen cliënt -> schending Salduz -> uitsluiten van het bewijs

Inleiding

1. Alle verklaringen die cliënt bij de politie heeft afgelegd dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat cliënt niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen alvorens hij deze verklaringen aflegde.

2. Op schriftelijke uitnodiging is cliënt op 14 november 2008 op het politiebureau te Heerenveen verschenen. Om 9.10 is cliënt aangehouden. Om 14:45 is cliënt in verzekering gesteld. Cliënt is die dag meerdere keren verhoord. Cliënt is om 18:06 uur heengezonden. Cliënt heeft de hele dag geen advocaat gesproken, terwijl hij bij het verhoor inzake de inverzekeringstelling hier uitdrukkelijk om vraagt.

Telefonisch contact?

3. De verdediging wenst te benadrukken dat de opmerking van cliënt tijdens het tweede verhoor (p. 44) over dat hij zijn advocaat heeft opgebeld niet juist is. Cliënt had op dat moment helemaal geen advocaat en heeft ook niet gebeld. Deze opmerking van cliënt is te kwalificeren als "stoerdoenerij". Uit het dossier volgt ook geenszins dat er contact is geweest met de advocaat.

4. Sterker nog, cliënt geeft duidelijk bij het verhoor terzake de inverzekeringstelling aan dat hij een advocaat wenst te spreken. Als hij al een advocaat had gesproken dan had hij ofwel niet zo expliciet om een advocaat gevraagd bij het verhoor voor de inverzekeringstelling ofwel hij had dan wel de naam van de advocaat genoemd.

5. Ik wens in dit verband nog op te merken dat ik ben benaderd door de echtgenote van cliënt om rechtsbijstand te verlenen. De echtgenote van cliënt heeft via de rechtsbijstand een aantal telefoonnummers van advocaten gekregen. Cliënt zat toen al vast en had geen nummer van een advocaat bij zich.

6. Mocht uw Hof op dit punt opheldering noodzakelijk vinden dan verzoek ik u de zaak aan te houden zodat het logboek van de arrestantenwacht kan worden opgevraagd. Hieruit zal blijken dat er geen contact is geweest met een advocaat.

7. En ook al stelt uw Hof wel vast dat er telefonisch contact is geweest tussen cliënt en een advocaat dan nog is er sprake van schending van het recht om een advocaat te consulteren.

8. Immers, cliënt geeft duidelijk bij zijn verhoor inzake de in verzekering stelling aan dat hij een advocaat wil spreken. (NB dit op een later tijdstip dan de opmerking over de advocaat). Dit verzoek van cliënt is niet gehonoreerd. Er is geen advocaat geweest. Cliënt heeft geen gesprek kunnen voeren met een advocaat.

9. Bovendien blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2009 dat een aangehouden verdachte voor aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Een actieve taak voor de politie dus. Dit is niet gebeurd.

Schending artikel 6 EVRM -> vormverzuim 359a -> bewijsuitsluiting

10. De Hoge Raad (om te beginnen 30 juni 2009) leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een aangehouden verdachte aan artikel 6 EVRM een aanspraak kan ontlenen op rechtsbijstand die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt gegeven om voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat te raadplegen.

11. Uit de uitspraak van 30 juni 2009 volgt dat als een verdachte niet de gelegenheid is geboden overleg te plegen met een advocaat dit een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert.

12. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 september 2011 expliciet overwogen dat een dergelijk vormverzuim, behoudens een tweetal uitzonderingen (waar i.c. geen sprake van is) zonder meer dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Er is, aldus de Hoge Raad geen plaats meer voor een nadere afweging in het licht van de beoordelingsfactoren van het tweede lid van artikel 359a.

13. Kortom, alle verklaringen van cliënt bij de politie zijn afgelegd voordat cliënt is gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Al deze verklaringen dienen derhalve te worden uitgesloten van het bewijs."

Het Hof heeft in het bestreden arrest dienaangaande het volgende overwogen en beslist:

"Overweging met betrekking tot het bewijs

Raadsman bij het verhoor

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door verdachte op 14 november 2008 afgelegde bekennende verklaring ten overstaan van de politie dient te worden uitgesloten voor het bewijs omdat hij door de verbalisanten voorafgaande aan dat verhoor niet in de gelegenheid is gesteld om een advocaat te spreken of te raadplegen. De verdediging verwijst hierbij naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 in de zaak van Salduz tegen Turkije en de daarop volgende uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2009.

Beoordeling

Verdachte is op 14 november 2008, na een schriftelijke uitnodiging, verschenen op het politiebureau te Heerenveen. Hij werd vervolgens omstreeks 09.10 uur aangehouden en is om 09.25 voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Verdachte heeft bij een verhoor op 14 november 2008 om 13.00 verklaard dat hij hoger beroep zou instellen en dat hij contact had gehad met zijn advocaat. Verdachte is op 14 november 2008 om 14.45 uur in verzekering gesteld en heeft toen in het verhoor bij gelegenheid van de inverzekeringstelling aangegeven dat hij een advocaat wenste te spreken. Op 14 november 2008 omstreeks 18.00 uur heeft verdachte, nadat hij tegenover de politie te kennen had gegeven nader te willen verklaren een deels bekennende verklaring afgelegd. Verdachte heeft zijn op die dag bij de politie afgelegde verklaringen ondertekend, nadat deze verklaringen hem waren voorgehouden en hij deze had doorgelezen.

Uit de "Salduz"-jurisprudentie van het Europese hof voor de Rechten van de Mens vloeit voort dat een aangehouden verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie de gelegenheid moet worden geboden om een advocaat te raadplegen. Verzuim hiervan levert een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering, dat, na daartoe strekkend verweer in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen.

Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak door verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor dat is aangevangen om 13.00 uur expliciet is verklaard dat hij zijn advocaat al had gebeld. Nu verdachte voordat hij zich op uitnodiging van de politie op 14 november 2008 op het politiebureau meldde, op de hoogte was van de kwestie waarover de politie hem wilde horen, heeft verdachte ruimschoots de gelegenheid gehad om vóór 14 november 2008 een advocaat te raadplegen. Tegen die achtergrond wekte de opmerking van verdachte dat hij reeds contact had gehad met zijn raadsman dan ook geen bevreemding en lag het eigenlijk ook wel voor de hand dat hij vooraf reeds een raadsman geconsulteerd had gelet op de impact van de zaak en de belangen die voor verdachte op het spel stonden. In het licht daarvan is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim doordat verdachte niet gewezen is op zijn recht om een advocaat te raadplegen nu de politie gelet op de opmerking van verdachte ervan uit mocht gaan dat verdachte vooraf een raadsman had geconsulteerd. Bij die stand van zaken kan de bekennende verklaring die verdachte in een verhoor dat die dag omstreeks 18.00 uur op zijn uitdrukkelijke verzoek heeft plaats gevonden, dan ook zonder meer voor de bewijsvoering worden gebruikt.

Het verweer strekkend tot bewijsuitsluiting van de bij de politie afgelegde verklaringen wordt dan ook verworpen."

Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met een gevoerd verweer de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd zonder dat hij voorafgaand aan het verhoor in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, bij de bewijsvoering heeft betrokken.

Beoordeling Hoge Raad

Een verdachte die door de politie is aangehouden, kan aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. De aangehouden verdachte dient vóór de aanvang van het eerste verhoor te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen (vgl. HR 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3079, NJ 2009/349).

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte nadat hij was aangehouden niet voorafgaand aan zijn eerste verhoor is gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen. Naar het oordeel van het Hof levert dat in het onderhavige geval geen vormverzuim op. Dat oordeel berust op de overwegingen van het Hof dat de verdachte voordat hij zich op uitnodiging van de politie op 14 november 2008 meldde, ruimschoots de gelegenheid heeft gehad een advocaat te raadplegen en dat in het licht daarvan de politie uit de opmerking van de verdachte dat hij reeds contact had gehad met zijn raadsman, ervan mocht uit gaan dat de verdachte vooraf een raadsman had geconsulteerd. Door het verweer op deze grond te verwerpen en de door de verdachte afgelegde verklaring als door de verdediging bedoeld voor het bewijs te bezigen, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het consultatierecht van de aangehouden verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: Het oordeel van de Rb dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1736

Feiten

In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie met machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 126nf Sv op 8 september 2011 een vordering tot het verstrekken van gevoelige gegevens gericht aan de forensische psychiatrische afdeling verslaafden van de Stichting Mondriaan te Heerlen. De vordering betreft gegevens die onder de verantwoordelijkheid vallen van klager, geneesheer-directeur van de Stichting Mondriaan. Omdat klager zich ten aanzien van de gevorderde gegevens op het medisch beroepsgeheim beroept, worden de relevante documenten van de Mondriaan Zorggroep in afwachting van de uitkomst van de beklagprocedure in een verzegelde envelop in bewaring gehouden door de rechter-commissaris.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de op de voet van art. 126nf lid 1 Sv van klager gevorderde gegevens onder het medisch beroepsgeheim vallen.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat tot personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv een vordering als bedoeld in art. 126nf in verbinding met art. 126nd, tweede lid derde volzin, Sv kan worden gericht, maar dat zij niet verplicht zijn aan een dergelijke vordering te voldoen voor zover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn. De beslissing van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, zal door de rechter in beginsel dienen te worden geëerbiedigd. In beginsel, omdat de rechter een marginale toetsing toekomt ten aanzien van het standpunt van de arts dat het gaat om onder het verschoningsrecht vallende gegevens. Indien de rechter oordeelt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat dat standpunt onjuist is, zal hij de beslissing van de arts om de gegevens niet te verstrekken, terzijde kunnen stellen. Dat laatste geldt ook indien naar het oordeel van de rechter sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat, hoewel het gaat om gegevens die object zijn van de aan de arts toekomende bevoegdheid tot verschoning, het verschoningsrecht moet worden doorbroken (vgl. HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979, NJ 2009/263).

Het oordeel van de Rechtbank dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat gegevens over (al dan niet begeleid) verlof en over de vraag wanneer dit verlof heeft plaatsgevonden, betrekking hebben op de behandeling van de patiënt en de wijze waarop die behandeling plaatsvindt. De in de toelichting op het middel genoemde omstandigheid dat uit strafvorderlijk onderzoek reeds was gebleken dat de betrokkene in de inrichting van de klager onder medische behandeling stond, doet aan een en ander niet af.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nijmeegse scooterzaak moet over

De Hoge Raad heeft vandaag geoordeeld dat de Nijmeegse scooterzaak over moet. Het hof in Arnhem sprak de twee verdachten eerder vrij van het doodrijden van een overstekende voetganger. Dit ongeval gebeurde toen de verdachten samen op een scooter op de vlucht waren voor de politie en daarbij een rood stoplicht negeerden. Het hof sprak de verdachten vrij omdat het niet kon vaststellen wie van de twee de scooter bestuurde. Volgens de Hoge Raad hoeft dat aan een veroordeling niet in de weg te staan als de vlucht al was ingecalculeerd bij het beramen van het plan voor een overval.

Beide verdachten waren in januari 2010 op een scooter op pad gegaan met de bedoeling een hotel in Nijmegen gewapend te beroven. Toen zij in de buurt van het hotel politie tegenkwamen, gingen ze er hals over kop vandoor, daarbij alle verkeersregels negerend. Bij deze vluchtpoging reden ze door rood licht en schepten op een zebrapad een voetganger die bij groen licht bezig was over te steken. Deze voetganger overleed later in het ziekenhuis aan de gevolgen van de aanrijding. De rechtbank veroordeelde de verdachte tot acht jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van het voorbereiden van de overval en voor het veroorzaken van het dodelijke ongeval en de medeverdachte tot 16 maanden gevangenisstraf (met vrijspraak van het veroorzaken van het dodelijke ongeval). In hoger beroep sprak het hof beiden vrij van het veroorzaken van het dodelijke ongeval (en veroordeelde hen onder meer voor het voorbereiden van een gewapende overval tot 24 maanden respectievelijk 18 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, gevangenisstraf). Het was volgens het hof niet duidelijk wie van de verdachten de scooter bestuurde en wie de bijrijder was, zodat het aankwam op de vraag of de verdachten als medeplegers verantwoordelijk konden worden gehouden voor het dodelijke ongeval. Dat medeplegen kon volgens het hof niet worden bewezen. Het Openbaar Ministerie stelde tegen deze vrijspraken beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Om de verdachten te kunnen veroordelen voor medeplegen van het veroorzaken van het dodelijke ongeval moet in dit geval worden vastgesteld  dat de wilde vlucht met de gevolgen daarvan onderdeel was  van de samenwerking in het kader van de voorbereiding van de overval.  Volgens het hof was bij de vlucht zelf van een bewuste en nauwe samenwerking niets gebleken. Met dat oordeel van het hof kan de Hoge Raad zich niet verenigen want,  zo stelt de Hoge Raad , het hof had ook moeten nagaan of in het gezamenlijke plan om een gewapende overval te plegen besloten lag dat de verdachten bij betrapping koste wat kost zouden vluchten. De Hoge Raad oordeelt verder dat voor het bewijzen van medeplegen in een situatie waarin niet vaststaat wie de bestuurder was, niet is vereist dat (zoals het hof had overwogen) de rollen van bestuurder en bijrijder volstrekt inwisselbaar zijn.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verwijst de zaak naar het hof in Den Bosch.

Dit is een nieuwsbericht naar aanleiding van de uitspraken van de Hoge Raad van 17 december.

Lees de volledige uitspraken:

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^

Slagende bewijsklacht medeplegen valsheid in geschrifte in het kader van bijstandsfraude

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1750

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 30 september 2011 veroordeeld wegens het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 70 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"Uit de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de sociale recherche Flevoland, genummerd 070059/6017157/0, opgemaakt door [verbalisant 1], sociaal rechercheur in dienst van de gemeente Almere, als zodanig buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 6 augustus 2008:

1. als relaas van verbalisant [verbalisant 1] voornoemd, zakelijk weergegeven (blz. 3 ev):

In de periode 13 maart 2003 tot 6 november 2007 ontving verdachte een uitkering ingevolge de Abw/WWB, norm alleenstaande, middels de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Lelystad.

Aan de toekenning van de uitkering werd onder meer de voorwaarde verbonden dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling maken van alle feiten en omstandigheden, waaronder werkzaamheden en/of inkomsten en wijzigingen in de leefsituatie, waarvan hem/hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht, hoogte en de continuering van de uitkering.

Voor de verstrekking van deze gegevens dienden de verdachten gebruik te maken van verstrekte formulieren, zijnde de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren en/of mutatieformulieren. Voornoemde voorwaarde is bepaald in artikel 65 van de Abw.

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat verdachte [verdachte]:

- in de periode van 24 maart 2003 tot en met 30 juli 2008 al dan niet met onderbrekingen, in de gemeente Lelystad de ten name van [verdachte] gestelde rechtmatigheidsonderzoeksformulieren kennelijk opzettelijk valselijk heeft ingevuld en ondertekend en vervolgens als echt en onvervalst heeft ingeleverd bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Lelystad, waardoor hij een uitkering ontving, waarop hij geen recht had;

2. een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte], opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 14):

Ik ben aangehouden omdat [verdachte] wel eens bij mij is. Ik had een LAT-relatie met [verdachte]. Ik heb een uitkering van de gemeente. Ik heb wel met [verdachte] samengewoond. Ik heb [verdachte] uit de woning gezet en wilde geen relatie meer. [verdachte] en ik zijn nooit echt los van elkaar geweest. [verdachte] is nu veel bij mij. Met veel bedoel ik 3 à 4 dagen per week. Dit is zo sinds een maand of 3 à 4. [verdachte] sliep daarvoor ook vaak bij mij maar nooit de hele week.

3. een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1]. wonende [a-straat 1] te Lelystad, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 17):

Opmerking: verbalisanten tonen de kopie pasfoto's van [verdachte] en [medeverdachte].

Deze personen wonen allebei op de [a-straat 2]. Ik woon al 15 jaar op dit adres. Zij wonen alle twee zeker 14 jaar op de [a-straat 2]. Ze zijn net na mij hier komen wonen. Ik weet dat allemaal omdat ik goed zicht heb op de woning aan [a-straat 2]. De man en de vrouw wonen al 14 jaar onafgebroken op de [a-straat 2]. De man op de foto zie ik dagelijks.

4. een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2], opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden sociaal rechercheur, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 30 juli 2008, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (bijlage 22):

Op [a-straat 2] te Lelystad woont mijn vriendin [betrokkene 3], haar moeder [medeverdachte] en haar stiefvader [verdachte]. [verdachte] staat niet ingeschreven op [a-straat 2]. Ik kom ongeveer al drie jaar bij [betrokkene 3] over de vloer. Sinds die tijd is [verdachte] ook op de [a-straat 2].

5. als schriftelijke bescheiden, rechtmatigheidsonderzoeksformulieren AWB/WWB van de gemeente Lelystad, Afdeling Werk en Inkomen, gericht aan en ondertekend door verdachte en betrekking hebbend op de periode 13 maart 2003 tot en met november 2007 (bijlage 27 - de Hoge Raad leest: 26)."

Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. V.C. van de Velde, advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

Middel

Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring ten aanzien van het 'medeplegen' onvoldoende met redenen is omkleed.

Beoordeling Hoge Raad

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte meermalen "tezamen en in vereniging met een ander" een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift valselijk heeft opgemaakt, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed en is het middel in zoverre derhalve terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Uitleg begrip ‘afvalstoffen’: balen samengeperst oud papier en/of karton

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1571

Feiten

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: "zij in of omstreeks de periode van 12 maart 2009 tot en met 19 maart 2009 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en/of b van de Verordening (EEG) nr 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers was zij doende vijf containers waarvan de inhoud onder andere bestond uit balen samengeperst oud papier en/of karton, in elk geval (een) afvalstoffen) (code B 3020) als bedoeld in Bijlage III van deze verordening, over te brengen van Nederland naar Guatamala, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle/ betrokken autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening."

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het haar tenlastegelegde en daartoe het volgende overwogen: "Voor de omschrijving van hetgeen wordt bedoeld met een 'afvalstof' - in de zin van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) en de Wet Milieubeheer - wordt verwezen naar de omschrijving in artikel 1, eerste lid, onder a), van de Richtlijn 2006/12/EG betreffende afvalstoffen (Richtlijn 2006). Deze Richtlijn 2006 is met ingang van 12 december 2010 ingetrokken door de Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (Richtlijn 2008). Daarbij is aan het slot van artikel 41 bepaald dat verwijzingen naar ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar Richtlijn 2008. Artikel 3 aanhef en onder 1 van de Richtlijn 2008 bepaalt dat een afvalstof is elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Blijkens de considerans van de Richtlijn 2008 is met invoering van deze richtlijn bedoeld hetgeen is bepaald in de Richtlijn 2006 - onder meer ter zake van de definitie van afvalstof - te verduidelijken en specificeren. Uitdrukkelijk wordt in de considerans overwogen dat de Richtlijn 2006 moet worden vervangen ten behoeve van de duidelijkheid en de leesbaarheid, waarbij de definitie van afvalstoffen in bepaalde opzichten moet worden gespecificeerd. Naar het oordeel van het hof is derhalve als gevolg van de vervanging van Richtlijn 2006 geen sprake van gewijzigde regelgeving ter zake van de definitie van 'afvalstof', doch enkel van een verduidelijking van hetgeen reeds in de Richtlijn 2006 te dien aanzien is bepaald.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is verhandeld, stelt het hof vast dat de inhoud van de vijf containers die zich op 12 maart 2009 in Rotterdam bevonden ter overbrenging naar Guatemala, bestond uit balen samengeperst papier dat (voornamelijk) wit, schoon en droog was. Kennelijk was geen sprake van een mengsel van stoffen of verontreiniging. Beoogd was deze stof, waar kennelijk een markt voor is, over te brengen naar de 'inrichting voor nuttige toepassing Papelera Int. SA', alwaar deze balen - na enkel verwijdering van de draden om de balen - als gebruikelijke toepassing in het productieproces konden worden gebracht ter verwerking tot - kort gezegd - tissuepapier zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie van dat papierproduct gangbaar is, en zonder ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

Naar het oordeel van het hof kan derhalve - mede in het licht van de verduidelijking van de definitie van 'afvalstof' in de Richtlijn 2008 - het aangetroffen papier bezwaarlijk worden aangemerkt als afvalstof in de zin van de Richtlijn 2006 en de EVOA."

Middel

Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de in de tenlastelegging bedoelde balen samengeperst oud papier en/of karton niet kunnen worden aangemerkt als afvalstoffen.

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging is toegesneden op art. 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende term "afvalstoffen" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in de Wet milieubeheer.

Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' in de Wet milieubeheer moet worden aangesloten bij de in art. 1, eerste lid onder a, van de Richtlijn 2006/12/EG betreffende afvalstoffen (PbEG L 114) gegeven omschrijving, te weten of de houder zich van de stof of het voorwerp ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of moet ontdoen.

Het Hof heeft voor de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' mede betekenis toegekend aan hetgeen is bepaald in de Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L 312). Deze Richtlijn heeft met ingang van 12 december 2010 - na de tijdstippen waarop de tenlastelegging ziet - de Richtlijn 2006/12/EG vervangen. Deze vervanging getuigt niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de voor de inwerkingtreding van de nieuwe Richtlijn begane strafbare feiten (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BU3988, rov. 3.2.3). De Richtlijn 2008/98/EG beoogt blijkens de preambule een verduidelijking te geven van hetgeen ten aanzien van het begrip 'afvalstoffen' reeds in de Richtlijn 2006/12/EG hierover is bepaald en beoogt in het bijzonder de definitie van de term 'afvalstoffen' te specificeren wanneer stoffen of voorwerpen geen afvalstoffen maar bijproducten zijn en wanneer een bepaalde stof niet langer een afvalstof is (einde-afval fase). Deze specificatie is in essentie ook onder het regime van de Richtlijn 2006/12/EG in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie ontwikkeld. Daarom heeft het Hof ook de Richtlijn 2008/98/EG bij de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' kunnen en mogen betrekken.

De hiervoor bedoelde specificatie wordt in de Richtlijn 2008/98/EG ten aanzien van bijproducten gegeven in art. 5 en ten aanzien van de einde-afval fase in art. 6. Deze bepalingen luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 5:

"Bijproducten

1. Een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, kan alleen als een bijproduct en niet als een afvalstof in de zin van artikel 3, punt 1), worden aangemerkt, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;

b) de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;

c) de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en

d) verder gebruik is rechtmatig, m.a.w. de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.

(...)"

Artikel 6:

"Einde-afvalfase

1. Sommige specifieke afvalstoffen zijn niet langer afvalstoffen in de zin van artikel 3, punt 1), wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingsbehandeling, hebben ondergaan en voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden onder de volgende voorwaarden:

a) de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen;

b) er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp;

c) de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; en tevens

d) het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

De criteria omvatten, indien nodig, grenswaarden voor verontreinigende stoffen, en houden rekening met eventuele nadelige milieugevolgen van de stof of het voorwerp."

Voor de betekenis van 'bijproducten' en de 'einde-afval fase' is in het bijzonder de navolgende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van belang.

In zijn uitspraak van 18 april 2002, HvJ EG 18 april 2002, zaak C-9/00, LJN AF0542, NJ 2002/461 (Palin Granit), heeft het Hof van Justitie van ′bijproduct′ de omschrijving gegeven dat het gaat om de situatie waarin het hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk is, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces (par. 36).

In zijn uitspraak van 15 juni 2000, HvJ EG 15 juni 2000, zaken C-418/97 en C-419/97 , LJN AL2947, AB 2000/311 (ARCO) heeft het Hof van Justitie de 'einde-afval fase' omschreven als het moment waarop de nuttige toepassing is voltooid en waardoor de betrokken stof dezelfde eigenschappen en kenmerken als een grondstof heeft verkregen (par. 94). In zijn uitspraak van 19 juni 2003, HvJ EG 19 juni 2003, zaak C-444/00, LJN AM0820 (Mayer Parry), heeft het Hof van Justitie overwogen dat bij omvorming van afval tot een nieuw materiaal of een nieuw product, met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het materiaal waar zij uit voortkomen, dit resultaat van de omvorming niet langer als afval kan worden gekwalificeerd (par. 75).

Het Hof heeft geoordeeld dat de balen samengeperst papier geen afvalstof in de zin van de Richtlijn 2006/12/EG en EVOA zijn en heeft dit oordeel gegrond op de vaststelling dat beoogd was de balen samengeperst, (voornamelijk) wit, schoon en droog papier over te brengen naar een bedrijf in Guatemala waar deze balen als gebruikelijke toepassing in het productieproces konden worden gebracht ter verwerking tot tissuepapier zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie van dat product gangbaar is en zonder ongunstige effecten voor milieu of de menselijke gezondheid.

Met zijn overwegingen heeft het Hof, dat niet heeft vastgesteld dat de houder van wie de verdachte de tenlastegelegde stoffen heeft betrokken zich daarvan heeft ontdaan, voornemens was zich te ontdoen of zich moest ontdoen, ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel zijn oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd.

Indien het Hof van oordeel was dat de tenlastegelegde stoffen moeten worden aangemerkt als 'bijproduct', heeft het Hof niet kenbaar de hiervoor vermelde maatstaf aangelegd. Indien het die maatstaf wel voor ogen heeft gehad, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De enkele omstandigheid immers dat in het land van bestemming geen verdere behandeling nodig is dan aldaar voor de normale productie van tissuepapier gangbaar is, betekent nog niet dat sprake is van hergebruik zonder dat bewerking nodig is en als voortzetting van het productieproces.

Indien het Hof heeft geoordeeld dat de tenlastegelegde stoffen niet langer afvalstoffen zijn ('einde-afval fase'), heeft het niet kenbaar de daarvoor geldende maatstaf aangelegd. Indien het die maatstaf wel voor ogen heeft gehad, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. Het papier diende immers, naar het Hof heeft vastgesteld, nog een behandeling te ondergaan zodat niet begrijpelijk is dat van voltooiing van de nuttige toepassing van de balen samengeperst papier sprake is, terwijl het niet heeft duidelijk gemaakt dat en waarom de balen papier op vergelijkbare wijze als de primaire grondstof konden worden ingezet in het productieproces.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR constateert ambtshalve verjaring t.a.v. schending van een beroepsgeheim en niet-ambtelijke omkoping

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1568

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 22 december 2011 de verdachte ter zake van 2. enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, en 3. anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber, naar aanleiding van hetgeen hij bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, een gift aannemen en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn lastgever, veroordeeld tot dertien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het hof heeft de verdachte daarnaast ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde van het recht van de uitoefening van het beroep van tolk ten behoeve van politie en justitie ontzet voor de duur van vijf jaren.

Het Hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard met dien verstande dat de feiten zijn begaan op tijdstippen in de periode van september en oktober 2001, en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Het hiervoor vermelde feit 2 is bij art. 272 Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar is gesteld. Het hiervoor vermelde feit 3 is bij art. 328ter Sr strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogte twee jaren is gesteld.

Op grond van art. 70, eerste lid aanhef en onder 2º, in verbinding met art. 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavige geval ten hoogste twee maal zes jaren. Wat betreft deze feiten is derhalve het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.

De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak, de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Beslag & beklag & rechtshulpverzoek

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1575

Feiten

Bij beschikking van 13 november 2012 heeft de Rechtbank te Amsterdam het beklag, strekkende tot teruggave van onder klager inbeslaggenomen schilderijen, ongegrond verklaard.

De Rechtbank heeft het door de klager ingediende klaagschrift, waarmee hij zich verzet tegen de kennisgeving van de Officier van Justitie voornemens te zijn "de in beslag genomen kunstwerken via de Noorse autoriteiten te retourneren aan de Noorse rechthebbenden", en teruggave verzoekt van de onder hem inbeslaggenomen schilderijen, ongegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt daaromtrent het volgende in:

"Klager is eigenaar van Gallery A. Op 28 mei 2010 zijn onder klager voornoemde schilderijen inbeslaggenomen.

Klager heeft de schilderijen op 26 mei 2010 gekocht van een Engelssprekende man die hem de schilderijen te koop aanbod. De schilderijen hadden allemaal een uniek nummer en nog voor de aankoop heeft klager van de Sam Francis Foundation vernomen dat er bij hen geen melding van diefstal van de betrokken schilderijen bekend was. Op 27 mei 2010 is klager gebeld door een man afkomstig uit Hong Kong, die hem ook een schilderij van Sam Francis wilde verkopen. Klager vond het vreemd dat hem in zo'n korte tijd door twee verschillende mensen schilderijen van Sam Francis werden aangeboden. Na verder onderzoek is gebleken dat de schilderijen in Noorwegen zijn gestolen.

Standpunten

De raadsvrouw van klager heeft in raadkamer gepersisteerd bij het klaagschrift tot teruggave van de schilderijen aan klager en ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd - kort samengevat - dat inbeslaggenomen voorwerpen volgens de hoofdregel worden teruggegeven aan degene onder wie zij in beslag zijn genomen. In civielrechtelijke zin mag klager in zijn hoedanigheid als houder c.q. bezitter van de schilderijen als eigenaar worden beschouwd. Er zijn geen stukken in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat de Noorse galerie, van wie de schilderijen gestolen zouden zijn, zich als eigenaar bij de politie heeft gemeld en de schilderijen heeft opgeëist. Er bevindt zich een aangifte van diefstal in het dossier, maar niet een rechtelijke beslissing waarin is vastgesteld dat de schilderijen van diefstal afkomstig zijn. De raadsvrouw heeft voorts gesteld dat klager in gesprek is met de verzekeringsmaatschappij van de Noorse galerie en dat de verzekeringsmaatschappij uitbetaling aan klager overweegt. Voor zover er sprake is van een andere rechthebbende dan klager, is dit de verzekeringsmaatschappij en niet de Noorse autoriteiten of de Noorse galerie van wie de schilderijen zijn ontvreemd, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft verklaard dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. De officier verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen schilderijen aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat de Noorse autoriteiten in het kader van internationale rechtshulp om overlegging van de schilderijen hebben verzocht, zodat zij deze aan de eigenaar kunnen teruggeven. De officier van justitie heeft hiertoe een e-mail bericht van betrokkene 1 van 8 mei 2012 aan de rechtbank overgelegd. Niet klager, maar de Noorse eigenaar van wie de schilderijen zijn gestolen kan redelijkerwijs als rechthebbende van de schilderijen worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt het volgende.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

De officier van justitie heeft verklaard dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat het beslag dient te worden opgeheven.

Nu er voorts sprake is van meer dan één belanghebbende, dient de rechtbank bij de beoordeling van de vraag aan wie het voorwerp dient te worden teruggegeven zich te laten leiden door hetgeen op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. Daarbij mag de rechtbank civielrechtelijke aspecten betrekken, maar van haar kan niet worden verlangd te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties.

Klager heeft de vijf schilderijen als galeriehouder gekocht. Vastgesteld kan worden dat de schilderijen van diefstal afkomstig zijn. Een rechterlijke veroordeling is hiervoor niet vereist, een aangifte van diefstal is voldoende. Door de raadsvrouw is niet betwist dat een dergelijke aangifte is gedaan. Uitgangspunt is dat de officier van justitie in geval van diefstal het inbeslaggenomene retourneert aan de oorspronkelijke eigenaar.

De rechtbank, overweegt voorts dat wellicht thans niet duidelijk is wie als oorspronkelijke eigenaar dient te worden aangemerkt, de Noorse galerie of de verzekeringsmaatschappij, maar dat nu de schilderijen door de Noorse autoriteiten zijn opgeëist, op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel moet worden aangenomen dat de eigenaar de schilderijen bij de Noorse autoriteiten binnen drie jaar na de diefstal heeft opgeëist.

Bij deze stand van zaken kan klager op het eerste gezicht redelijkerwijs niet als rechthebbende worden aangemerkt, ook als ervan wordt uitgegaan dat klager te goeder trouw was toen hij de vijf schilderijen kocht. Omdat klager in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelde, beschermt zijn goede trouw hem immers niet tegen een eis tot teruggave van de eigenaar.

Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard."

Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in:

"De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:

De schilderijen zijn gestolen bij een bedrijfsinbraak, zoals ook blijkt uit een e-mail bericht van 8 mei 2012 van Alvar Krafft Randa. De schilderijen behoren toe aan het bedrijf van betrokkene 2. De Noorse autoriteiten hebben in het kader van internationale rechtshulp om overlegging van het beslag verzocht, zodat zij de schilderijen kunnen overhandigen aan de eigenaar. Dit blijkt uit het bericht van de Noorse officier van justitie. Tevens is bevestigd dat er contact met de verzekeringsmaatschappij is.

De officier overhandigt de rechtbank voornoemd e-mail bericht."

Het door de Officier van Justitie aan de Rechtbank overhandigde e-mailbericht bevindt zich bij de stukken en houdt het volgende in:

"Since our last conversation I have spoken, yesterday, with the lawyer representing betrokkene 2, the owner of the jewllery seized bij the Dutch police.

The case is as follows - and I have so far forgotten one very important piece of information that will make this more easy;

The jewellery, except the six paintings by Sam Francis from june 2010, is owned by betrokkene 2 personally, and are the subject of the fortcoming trial in June.

The six paintings by Sam Francis belongs to the company "KB Presens". According to my information, it is an ongoing process with the insurance company AXA and A Gallery. The insurance company has allegedly accepted responsebility to pay the art gallery, but to decrease their loss - the will sought to retrieve the money from the German Police/Customs.

My suggestion is that we, Norwegian Police, come to Amsterdam and transport the goods back to Norway. After that - we await the result of the insurance company's process with the art gallery. My suggestion is that we try to pick up the items between the 31th of May and 1st of June. Is that ok with you?"

Namens klager heeft mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover de Rechtbank in haar overwegingen als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de kennisgeving van de Officier van Justitie is gegrond op een rechtshulpverzoek waaraan op grond van art. 552k, eerste lid, Sv zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, wordt het volgende overwogen.

Zowel art. 3 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gesloten te Straatsburg op 20 april 1959 (Trb. 1965, 10), waarbij Noorwegen en Nederland zijn aangesloten, als art. 552h, tweede lid, Sv zien uitsluitend op de overdracht van stukken van overtuiging. Het door de Officier van Justitie bij de behandeling in raadkamer overgelegde e-mailbericht houdt niet een zodanig verzoek in.

Art. 8, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gesloten te Brussel op 29 mei 2000 (Trb. 2000, 96) (EU-Rechtshulpovereenkomst) houdt in dat de aangezochte lidstaat, op verzoek van de verzoekende lidstaat en onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, de voorwerpen die door een strafbaar feit zijn verkregen, ter beschikking kan stellen van de verzoekende lidstaat met het oog op de teruggave daarvan aan de rechtmatige eigenaar. Zo al moet worden aangenomen - nu Noorwegen geen EU-lidstaat is - dat art. 8 lid 1 van de EU-Rechtshulpovereenkomst van toepassing is, is van belang dat de Memorie van Toelichting bij de goedkeuringswet van dat verdrag inhoudt:

"Het rechtshulpverkeer is gericht op het behulpzaam zijn bij het opsporen en vervolgen van strafbare feiten en er zijn daarbij ook raakvlakken met het slachtoffer. Bijvoorbeeld het horen van een slachtoffer als getuige. Ook ten aanzien van strafrechtelijk in beslag genomen voorwerpen komt het voor dat de dader deze op onrechtmatige wijze heeft onttrokken aan de rechtmatige eigenaar en volgt teruggave aan de laatste. Bij de overdracht van ten behoeve van het buitenland in beslag genomen voorwerpen wordt gewoonlijk bedongen dat deze na het vereiste strafvorderlijke gebruik worden teruggezonden. Van die teruggave kan, ingevolge artikel 552p, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering alleen worden afgezien wanneer duidelijk is dat de rechthebbende niet in Nederland verblijft.

In het eerste lid wordt voor het eerst rechtshulp uitsluitend met het oog op de teruggave van voorwerpen aan het slachtoffer geïntroduceerd. Slechts enkele lidstaten kennen dit type inbeslagneming. Het gaat daarbij wel om voorwerpen of goederen die door een strafbaar feit zijn verkregen. Deze bepaling houdt voor lidstaten, die deze vorm van inbeslagneming niet kennen, overigens geen verplichting in tot invoering daarvan over te gaan - zo is ook in het toelichtend rapport vermeld. Aan de gronden voor inbeslagneming opgenomen in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, te weten de waarheidsvinding, het aantonen van wederrechtelijke verkregen voordeel, verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer en het conservatoir strafvorderlijke beslag, bedoeld in de artikelen 94a en 94c van het Wetboek van Strafvordering, blijkt dat door Nederland niet kan worden voldaan aan verzoeken, waarvan de uitvoering zou neerkomen op inbeslagneming uitsluitend met het oog op teruggave aan het slachtoffer in het buitenland. Wel is het mogelijk, wanneer er in Nederland een voorwerp om strafvorderlijke redenen in beslag is genomen en een andere lidstaat ons verzoekt om ter beschikking stelling daarvan met het oog op teruggave aan het aldaar wonende slachtoffer, te bezien of daaraan kan worden voldaan. Eenvoudiger lijkt het om naar aanleiding van zulk een verzoek na te gaan of met toepassing van artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering teruggave aan het slachtoffer mogelijk is en vervolgens het slachtoffer rechtstreeks per brief over de teruggave en de wijze waarop dit zal geschieden te informeren. Het antwoord aan de verzoekende lidstaat kan dan beperkt blijven tot een eenvoudig afloopbericht. De onderhavige bepaling staat daaraan niet in de weg, want deze bevat niet de verplichting dat de feitelijke teruggave per se via de autoriteiten van de verzoekende lidstaat dient te verlopen." (Kamerstukken II 2001–2002, 28 350 (R 1720), nr. 3, p. 13-14)

Uit het voorgaande volgt dat aan het Noorse rechtshulpverzoek tot teruggave van de schilderijen aan de rechtmatige eigenaar slechts kan worden voldaan indien het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert en als overigens voldaan is aan het vereiste dat de beslagene op de voet van art. 116, tweede lid, Sv afstand van de schilderijen heeft gedaan, dan wel dat het klaagschrift van de beslagene tegen de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv dat het openbaar ministerie voornemens is de inbeslaggenomen voorwerpen te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene, ongegrond is verklaard.

Uit de kennisgeving van de Officier van Justitie dat hij voornemens is de onder de klager inbeslaggenomen schilderijen via de Noorse autoriteiten te doen teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaar, de Noorse galerie dan wel de verzekeringsmaatschappij, volgt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert. Nu de klager tegen die kennisgeving op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de Rechtbank te beoordelen of degene aan wie de Officier van Justitie de schilderijen wil doen teruggeven, redelijkerwijs als rechthebbende van die schilderijen kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van die schilderijen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Voor het antwoord op de vraag of de Noorse galerie (of de betreffende verzekeringsmaatschappij die in haar rechten is getreden) als rechthebbende van de schilderijen moet worden aangemerkt, zoals de Rechtbank heeft geoordeeld, is bepalend of de Noorse galerie op de voet van art. 3:86, derde lid, BW de schilderijen binnen drie jaar te rekenen vanaf de dag van de diefstal als haar eigendom heeft opgeëist.

Het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat de schilderijen gestolen zijn en dat de Noorse galerie die als haar eigendom heeft opgeëist.

Het oordeel van de Rechtbank dat, nu niet betwist is dat aangifte van diefstal is gedaan, ervan kan worden uitgegaan dat de inbeslaggenomen schilderijen van diefstal afkomstig zijn, is niet onbegrijpelijk.

Anders dan in de toelichting bij het middel is betoogd, brengt het vereiste dat de Noorse galerie binnen drie jaar na de diefstal de schilderijen als haar eigendom heeft opgeëist, niet mee dat de Noorse galerie binnen die termijn een klaagschrift moet hebben ingediend. Voldoende is dat vaststaat dat de Noorse galerie zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Noorse politie of justitie heeft gewend en te kennen heeft gegeven de inbeslaggenomen schilderijen als haar eigendom te willen opeisen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat "op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel" moet worden aangenomen dat de bestolene de schilderijen bij de Noorse autoriteiten binnen drie jaar na de diefstal heeft opgeëist. Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank haar oordeel doen berusten op het door de Officier van Justitie bij de behandeling in raadkamer gestelde Noorse rechtshulpverzoek en daaruit - niet onbegrijpelijk - afgeleid dat de Noorse galerie aan de Noorse Officier van Justitie te kennen heeft gegeven de schilderijen als haar eigendom te willen opeisen.

Het voorgaande brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^