HR: Het oordeel van de Rb dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd

Hoge Raad 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1736

Feiten

In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie met machtiging van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 126nf Sv op 8 september 2011 een vordering tot het verstrekken van gevoelige gegevens gericht aan de forensische psychiatrische afdeling verslaafden van de Stichting Mondriaan te Heerlen. De vordering betreft gegevens die onder de verantwoordelijkheid vallen van klager, geneesheer-directeur van de Stichting Mondriaan. Omdat klager zich ten aanzien van de gevorderde gegevens op het medisch beroepsgeheim beroept, worden de relevante documenten van de Mondriaan Zorggroep in afwachting van de uitkomst van de beklagprocedure in een verzegelde envelop in bewaring gehouden door de rechter-commissaris.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de op de voet van art. 126nf lid 1 Sv van klager gevorderde gegevens onder het medisch beroepsgeheim vallen.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat tot personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv een vordering als bedoeld in art. 126nf in verbinding met art. 126nd, tweede lid derde volzin, Sv kan worden gericht, maar dat zij niet verplicht zijn aan een dergelijke vordering te voldoen voor zover de uitlevering met hun plicht tot geheimhouding in strijd zou zijn. De beslissing van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, zal door de rechter in beginsel dienen te worden geëerbiedigd. In beginsel, omdat de rechter een marginale toetsing toekomt ten aanzien van het standpunt van de arts dat het gaat om onder het verschoningsrecht vallende gegevens. Indien de rechter oordeelt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat dat standpunt onjuist is, zal hij de beslissing van de arts om de gegevens niet te verstrekken, terzijde kunnen stellen. Dat laatste geldt ook indien naar het oordeel van de rechter sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat, hoewel het gaat om gegevens die object zijn van de aan de arts toekomende bevoegdheid tot verschoning, het verschoningsrecht moet worden doorbroken (vgl. HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5979, NJ 2009/263).

Het oordeel van de Rechtbank dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde dat zijn verschoningsrecht aan het voldoen aan de vordering in de weg staat, moet worden geëerbiedigd, is toereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat gegevens over (al dan niet begeleid) verlof en over de vraag wanneer dit verlof heeft plaatsgevonden, betrekking hebben op de behandeling van de patiënt en de wijze waarop die behandeling plaatsvindt. De in de toelichting op het middel genoemde omstandigheid dat uit strafvorderlijk onderzoek reeds was gebleken dat de betrokkene in de inrichting van de klager onder medische behandeling stond, doet aan een en ander niet af.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF