Beslag & beklag & rechtshulpverzoek

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1575

Feiten

Bij beschikking van 13 november 2012 heeft de Rechtbank te Amsterdam het beklag, strekkende tot teruggave van onder klager inbeslaggenomen schilderijen, ongegrond verklaard.

De Rechtbank heeft het door de klager ingediende klaagschrift, waarmee hij zich verzet tegen de kennisgeving van de Officier van Justitie voornemens te zijn "de in beslag genomen kunstwerken via de Noorse autoriteiten te retourneren aan de Noorse rechthebbenden", en teruggave verzoekt van de onder hem inbeslaggenomen schilderijen, ongegrond verklaard. De bestreden beschikking houdt daaromtrent het volgende in:

"Klager is eigenaar van Gallery A. Op 28 mei 2010 zijn onder klager voornoemde schilderijen inbeslaggenomen.

Klager heeft de schilderijen op 26 mei 2010 gekocht van een Engelssprekende man die hem de schilderijen te koop aanbod. De schilderijen hadden allemaal een uniek nummer en nog voor de aankoop heeft klager van de Sam Francis Foundation vernomen dat er bij hen geen melding van diefstal van de betrokken schilderijen bekend was. Op 27 mei 2010 is klager gebeld door een man afkomstig uit Hong Kong, die hem ook een schilderij van Sam Francis wilde verkopen. Klager vond het vreemd dat hem in zo'n korte tijd door twee verschillende mensen schilderijen van Sam Francis werden aangeboden. Na verder onderzoek is gebleken dat de schilderijen in Noorwegen zijn gestolen.

Standpunten

De raadsvrouw van klager heeft in raadkamer gepersisteerd bij het klaagschrift tot teruggave van de schilderijen aan klager en ter aanvulling op het klaagschrift aangevoerd - kort samengevat - dat inbeslaggenomen voorwerpen volgens de hoofdregel worden teruggegeven aan degene onder wie zij in beslag zijn genomen. In civielrechtelijke zin mag klager in zijn hoedanigheid als houder c.q. bezitter van de schilderijen als eigenaar worden beschouwd. Er zijn geen stukken in het dossier aanwezig waaruit blijkt dat de Noorse galerie, van wie de schilderijen gestolen zouden zijn, zich als eigenaar bij de politie heeft gemeld en de schilderijen heeft opgeëist. Er bevindt zich een aangifte van diefstal in het dossier, maar niet een rechtelijke beslissing waarin is vastgesteld dat de schilderijen van diefstal afkomstig zijn. De raadsvrouw heeft voorts gesteld dat klager in gesprek is met de verzekeringsmaatschappij van de Noorse galerie en dat de verzekeringsmaatschappij uitbetaling aan klager overweegt. Voor zover er sprake is van een andere rechthebbende dan klager, is dit de verzekeringsmaatschappij en niet de Noorse autoriteiten of de Noorse galerie van wie de schilderijen zijn ontvreemd, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft verklaard dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. De officier verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen schilderijen aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat de Noorse autoriteiten in het kader van internationale rechtshulp om overlegging van de schilderijen hebben verzocht, zodat zij deze aan de eigenaar kunnen teruggeven. De officier van justitie heeft hiertoe een e-mail bericht van betrokkene 1 van 8 mei 2012 aan de rechtbank overgelegd. Niet klager, maar de Noorse eigenaar van wie de schilderijen zijn gestolen kan redelijkerwijs als rechthebbende van de schilderijen worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt het volgende.

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

De officier van justitie heeft verklaard dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat het beslag dient te worden opgeheven.

Nu er voorts sprake is van meer dan één belanghebbende, dient de rechtbank bij de beoordeling van de vraag aan wie het voorwerp dient te worden teruggegeven zich te laten leiden door hetgeen op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. Daarbij mag de rechtbank civielrechtelijke aspecten betrekken, maar van haar kan niet worden verlangd te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties.

Klager heeft de vijf schilderijen als galeriehouder gekocht. Vastgesteld kan worden dat de schilderijen van diefstal afkomstig zijn. Een rechterlijke veroordeling is hiervoor niet vereist, een aangifte van diefstal is voldoende. Door de raadsvrouw is niet betwist dat een dergelijke aangifte is gedaan. Uitgangspunt is dat de officier van justitie in geval van diefstal het inbeslaggenomene retourneert aan de oorspronkelijke eigenaar.

De rechtbank, overweegt voorts dat wellicht thans niet duidelijk is wie als oorspronkelijke eigenaar dient te worden aangemerkt, de Noorse galerie of de verzekeringsmaatschappij, maar dat nu de schilderijen door de Noorse autoriteiten zijn opgeëist, op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel moet worden aangenomen dat de eigenaar de schilderijen bij de Noorse autoriteiten binnen drie jaar na de diefstal heeft opgeëist.

Bij deze stand van zaken kan klager op het eerste gezicht redelijkerwijs niet als rechthebbende worden aangemerkt, ook als ervan wordt uitgegaan dat klager te goeder trouw was toen hij de vijf schilderijen kocht. Omdat klager in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelde, beschermt zijn goede trouw hem immers niet tegen een eis tot teruggave van de eigenaar.

Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard."

Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in:

"De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:

De schilderijen zijn gestolen bij een bedrijfsinbraak, zoals ook blijkt uit een e-mail bericht van 8 mei 2012 van Alvar Krafft Randa. De schilderijen behoren toe aan het bedrijf van betrokkene 2. De Noorse autoriteiten hebben in het kader van internationale rechtshulp om overlegging van het beslag verzocht, zodat zij de schilderijen kunnen overhandigen aan de eigenaar. Dit blijkt uit het bericht van de Noorse officier van justitie. Tevens is bevestigd dat er contact met de verzekeringsmaatschappij is.

De officier overhandigt de rechtbank voornoemd e-mail bericht."

Het door de Officier van Justitie aan de Rechtbank overhandigde e-mailbericht bevindt zich bij de stukken en houdt het volgende in:

"Since our last conversation I have spoken, yesterday, with the lawyer representing betrokkene 2, the owner of the jewllery seized bij the Dutch police.

The case is as follows - and I have so far forgotten one very important piece of information that will make this more easy;

The jewellery, except the six paintings by Sam Francis from june 2010, is owned by betrokkene 2 personally, and are the subject of the fortcoming trial in June.

The six paintings by Sam Francis belongs to the company "KB Presens". According to my information, it is an ongoing process with the insurance company AXA and A Gallery. The insurance company has allegedly accepted responsebility to pay the art gallery, but to decrease their loss - the will sought to retrieve the money from the German Police/Customs.

My suggestion is that we, Norwegian Police, come to Amsterdam and transport the goods back to Norway. After that - we await the result of the insurance company's process with the art gallery. My suggestion is that we try to pick up the items between the 31th of May and 1st of June. Is that ok with you?"

Namens klager heeft mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring van het beklag.

Beoordeling Hoge Raad

Voor zover de Rechtbank in haar overwegingen als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat de kennisgeving van de Officier van Justitie is gegrond op een rechtshulpverzoek waaraan op grond van art. 552k, eerste lid, Sv zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven, wordt het volgende overwogen.

Zowel art. 3 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gesloten te Straatsburg op 20 april 1959 (Trb. 1965, 10), waarbij Noorwegen en Nederland zijn aangesloten, als art. 552h, tweede lid, Sv zien uitsluitend op de overdracht van stukken van overtuiging. Het door de Officier van Justitie bij de behandeling in raadkamer overgelegde e-mailbericht houdt niet een zodanig verzoek in.

Art. 8, eerste lid, van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gesloten te Brussel op 29 mei 2000 (Trb. 2000, 96) (EU-Rechtshulpovereenkomst) houdt in dat de aangezochte lidstaat, op verzoek van de verzoekende lidstaat en onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, de voorwerpen die door een strafbaar feit zijn verkregen, ter beschikking kan stellen van de verzoekende lidstaat met het oog op de teruggave daarvan aan de rechtmatige eigenaar. Zo al moet worden aangenomen - nu Noorwegen geen EU-lidstaat is - dat art. 8 lid 1 van de EU-Rechtshulpovereenkomst van toepassing is, is van belang dat de Memorie van Toelichting bij de goedkeuringswet van dat verdrag inhoudt:

"Het rechtshulpverkeer is gericht op het behulpzaam zijn bij het opsporen en vervolgen van strafbare feiten en er zijn daarbij ook raakvlakken met het slachtoffer. Bijvoorbeeld het horen van een slachtoffer als getuige. Ook ten aanzien van strafrechtelijk in beslag genomen voorwerpen komt het voor dat de dader deze op onrechtmatige wijze heeft onttrokken aan de rechtmatige eigenaar en volgt teruggave aan de laatste. Bij de overdracht van ten behoeve van het buitenland in beslag genomen voorwerpen wordt gewoonlijk bedongen dat deze na het vereiste strafvorderlijke gebruik worden teruggezonden. Van die teruggave kan, ingevolge artikel 552p, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering alleen worden afgezien wanneer duidelijk is dat de rechthebbende niet in Nederland verblijft.

In het eerste lid wordt voor het eerst rechtshulp uitsluitend met het oog op de teruggave van voorwerpen aan het slachtoffer geïntroduceerd. Slechts enkele lidstaten kennen dit type inbeslagneming. Het gaat daarbij wel om voorwerpen of goederen die door een strafbaar feit zijn verkregen. Deze bepaling houdt voor lidstaten, die deze vorm van inbeslagneming niet kennen, overigens geen verplichting in tot invoering daarvan over te gaan - zo is ook in het toelichtend rapport vermeld. Aan de gronden voor inbeslagneming opgenomen in artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, te weten de waarheidsvinding, het aantonen van wederrechtelijke verkregen voordeel, verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer en het conservatoir strafvorderlijke beslag, bedoeld in de artikelen 94a en 94c van het Wetboek van Strafvordering, blijkt dat door Nederland niet kan worden voldaan aan verzoeken, waarvan de uitvoering zou neerkomen op inbeslagneming uitsluitend met het oog op teruggave aan het slachtoffer in het buitenland. Wel is het mogelijk, wanneer er in Nederland een voorwerp om strafvorderlijke redenen in beslag is genomen en een andere lidstaat ons verzoekt om ter beschikking stelling daarvan met het oog op teruggave aan het aldaar wonende slachtoffer, te bezien of daaraan kan worden voldaan. Eenvoudiger lijkt het om naar aanleiding van zulk een verzoek na te gaan of met toepassing van artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering teruggave aan het slachtoffer mogelijk is en vervolgens het slachtoffer rechtstreeks per brief over de teruggave en de wijze waarop dit zal geschieden te informeren. Het antwoord aan de verzoekende lidstaat kan dan beperkt blijven tot een eenvoudig afloopbericht. De onderhavige bepaling staat daaraan niet in de weg, want deze bevat niet de verplichting dat de feitelijke teruggave per se via de autoriteiten van de verzoekende lidstaat dient te verlopen." (Kamerstukken II 2001–2002, 28 350 (R 1720), nr. 3, p. 13-14)

Uit het voorgaande volgt dat aan het Noorse rechtshulpverzoek tot teruggave van de schilderijen aan de rechtmatige eigenaar slechts kan worden voldaan indien het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert en als overigens voldaan is aan het vereiste dat de beslagene op de voet van art. 116, tweede lid, Sv afstand van de schilderijen heeft gedaan, dan wel dat het klaagschrift van de beslagene tegen de schriftelijke kennisgeving als bedoeld in art. 116, derde lid, Sv dat het openbaar ministerie voornemens is de inbeslaggenomen voorwerpen te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene, ongegrond is verklaard.

Uit de kennisgeving van de Officier van Justitie dat hij voornemens is de onder de klager inbeslaggenomen schilderijen via de Noorse autoriteiten te doen teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaar, de Noorse galerie dan wel de verzekeringsmaatschappij, volgt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet langer vordert. Nu de klager tegen die kennisgeving op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de Rechtbank te beoordelen of degene aan wie de Officier van Justitie de schilderijen wil doen teruggeven, redelijkerwijs als rechthebbende van die schilderijen kan worden aangemerkt. Het gaat daarbij om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van die schilderijen (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Voor het antwoord op de vraag of de Noorse galerie (of de betreffende verzekeringsmaatschappij die in haar rechten is getreden) als rechthebbende van de schilderijen moet worden aangemerkt, zoals de Rechtbank heeft geoordeeld, is bepalend of de Noorse galerie op de voet van art. 3:86, derde lid, BW de schilderijen binnen drie jaar te rekenen vanaf de dag van de diefstal als haar eigendom heeft opgeëist.

Het middel klaagt in het bijzonder over het oordeel van de Rechtbank dat de schilderijen gestolen zijn en dat de Noorse galerie die als haar eigendom heeft opgeëist.

Het oordeel van de Rechtbank dat, nu niet betwist is dat aangifte van diefstal is gedaan, ervan kan worden uitgegaan dat de inbeslaggenomen schilderijen van diefstal afkomstig zijn, is niet onbegrijpelijk.

Anders dan in de toelichting bij het middel is betoogd, brengt het vereiste dat de Noorse galerie binnen drie jaar na de diefstal de schilderijen als haar eigendom heeft opgeëist, niet mee dat de Noorse galerie binnen die termijn een klaagschrift moet hebben ingediend. Voldoende is dat vaststaat dat de Noorse galerie zich binnen de vervaltermijn van drie jaren tot de Noorse politie of justitie heeft gewend en te kennen heeft gegeven de inbeslaggenomen schilderijen als haar eigendom te willen opeisen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat "op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel" moet worden aangenomen dat de bestolene de schilderijen bij de Noorse autoriteiten binnen drie jaar na de diefstal heeft opgeëist. Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank haar oordeel doen berusten op het door de Officier van Justitie bij de behandeling in raadkamer gestelde Noorse rechtshulpverzoek en daaruit - niet onbegrijpelijk - afgeleid dat de Noorse galerie aan de Noorse Officier van Justitie te kennen heeft gegeven de schilderijen als haar eigendom te willen opeisen.

Het voorgaande brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF