Verontschuldigbare termijnoverschrijding bij instellen hoger beroep?

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1557

Feiten

Het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft verdachte op 31 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 april 2008, waarbij verdachte ter zake van “het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door haar gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft” bij verstek is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte met betrekking tot de ontvankelijkheid van de verdachte in het ingestelde hoger beroep het volgende aangevoerd:

"7. Met betrekking tot de ontvankelijkheid concludeert verdachte primaire dan ook dat zij hoger beroep heeft ingesteld binnen de veertien dagentermijn, nadat de einduitspraak bij haar bekend was geworden (...).

8. Mocht u daarentegen tot de conclusie komen dat er wel sprake is van een termijnoverschrijding, dan stelt verdachte zich subsidiair op het standpunt dat er sprake is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding.

9. Immers, zij is op 13 mei 2010 aangehouden in verband met openstaande Wet Mulder-boetes en naar aanleiding daarvan direct opgesloten in de PI Overijssel.

verdachte ontbrak het dan ook aan daadwerkelijke rechtsbijstand. Zo is er pas begin juli 2010 door middel van bemiddeling van het maatschappelijk werk van de PI, door verdachte contact opgenomen met ondergetekende. verdachte stelt dat, doordat zij geen enkele financiële middelen ter beschikking had, zij niet in telefonisch contact kon treden met een raadsman.

10. Daarnaast was zij er ook niet van op de hoogte dat er ook door middel van een verklaring ex artikel 451a Sv hoger beroep kon worden ingesteld. Ook stelt zij dat zij er niet van op de hoogte was dat de hoger beroepstermijn 14 dagen betreft bij politierechterzaken. Met betrekking tot de mogelijkheid van een verklaring ex 451a Sv dan wel dat de hoger beroepstermijn 14 dagen is, heeft haar geen ambtelijke informatie bereikt.

11. Reden waarom verdachte van mening is dat er sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding."

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman voorts het volgende aangevoerd:

"Primair ben ik van mening dat er op 13 mei 2010 geen mededeling uitspraak in deze zaak is uitgereikt. Subsidiair, indien dit wel gebeurd zou zijn, geeft de bijsluiter geen informatie voor het geval cliënt in voorlopige hechtenis zit. Cliënt heeft dus verontschuldigbaar de termijn overschreden."

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het op de voet van art. 451a Sv ingestelde hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Het vonnis waarvan beroep is op 13 mei 2010 aan verdachte in persoon betekend. Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen. Het hoger beroep is pas na het verstrijken van die termijn op 31 mei 2010 ingesteld. Het hof acht uit hetgeen door de raadsman van verdachte ter zitting van het hof is aangevoerd niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden die deze termijnoverschrijding zouden verontschuldigen. Daarom zal verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

Middel

Het middel strekt ten betoge dat het Hof het namens de verdachte gedane beroep op de verontschuldigbaarheid van de overschrijding van de termijn voor het instellen van het hoger beroep ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.

Beoordeling Hoge Raad

Vooropgesteld moet worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. (Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706, NJ 2004/462).

Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door de raadsman een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in voormelde zin. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, noch in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd, noch in het licht van de bij de pleitnota gevoegde bijsluiter bij de aan de verdachte uitgereikte mededeling uitspraak. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof op grond van die bijsluiter, inhoudende onder meer dat het aanwenden van een rechtsmiddel mogelijk is binnen veertien dagen na de uitreiking van de mededeling uitspraak, aangenomen dat indien de verdachte toen gebruik had willen maken van een rechtsmiddel maar niet op de hoogte zou zijn geweest van de wijze waarop zij hoger beroep diende in te stellen, van haar in redelijkheid mocht worden gevergd dat zij tijdig het nodige zou hebben gedaan om zich daarvan op de hoogte te stellen, bijvoorbeeld door zich te wenden tot ter zake deskundige medewerkers van de inrichting, terwijl door de raadsman niet is aangevoerd dat zij zodanige activiteiten heeft ondernomen.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Aanwezigheidsrecht: De vermelding van het adres van de raadsman van verdachte in de schriftelijke volmacht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1569

Feiten

Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 31 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Arnhem van 4 maart 2011, waarbij verdachte ter zake van “diefstal” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. G. Jansen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

Middel

Het middel klaagt over de beslissing van het Hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.

Beoordeling Hoge Raad

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:

(i) een appelakte van 2 mei 2011 waarin als adres van de verdachte is vermeld: zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande;

(ii) een aan voormelde akte gehechte schriftelijke bijzondere volmacht van de raadsman mr. H. Jahae als bedoeld in art. 450, eerste lid onder a, in verband met art. 450, derde lid, Sv, waarin is vermeld dat het kantooradres van Jahae Advocaten, te weten Jollemanhof 26 te Amsterdam, kan worden gebruikt om de verdachte op te roepen cq te dagvaarden;

(iii) een aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte akte van uitreiking, inhoudende dat die dagvaarding op 8 november 2011 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Arnhem omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is, alsmede een tevens aan het dubbel gehechte akte van uitreiking inhoudende dat de dagvaarding op 11 november 2011 tevergeefs is aangeboden op het adres van de verdachte, te weten a-straat 1 te plaats en dat ter plaatse een bericht van aankomst is achtergelaten waarin is vermeld dat de dagvaarding kon worden afgehaald op het in dat bericht genoemde postkantoor en dat de dagvaarding op 30 november 2011 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Arnhem onder toezending van een afschrift van de dagvaarding naar voornoemd adres;

(iv) een tweetal aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte ID-staten SKDB van 8 november 2011 en 5 januari 2012, inhoudende dat een huidig GBA-adres niet beschikbaar is en als laatst opgegeven woon- of verblijfadres op 30 augustus 2011 geregistreerd staat het adres a-straat 1 te plaats;

(v) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat tegen de aldaar niet-verschenen verdachte verstek is verleend.

De vermelding van het adres van de raadsman van de verdachte, Jollemanhof 26 te Amsterdam, in de schriftelijke volmacht kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 588a, eerste lid aanhef en onder c, Sv waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.

Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appeldagvaarding aan dit adres is toegezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a Sv achterwege kon blijven. Daarom had het Hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. (Vgl. HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736, NJ 2012/695).

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bekennende verdachte, art. 359 lid 3 Sv. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1424

Feiten

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 4 januari 2013, onder aanvulling van gronden, het vonnis van de Rechtbank Haarlem van 3 juli 2012 bevestigd, bij welk vonnis de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod” is veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf met aftrek.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof het vonnis van de Rechtbank niet had mogen bevestigen.

Oordeel Hoge Raad

De Rechtbank heeft in het vonnis volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv. De raadsvrouwe van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit.

Uit de overwegingen volgt dat het Hof dit niet heeft miskend. Die overwegingen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden en een opgave van de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Het middel mist dus feitelijke grondslag en kan derhalve niet tot cassatie leiden.

Conclusie AG Vegter

De Rechtbank heeft in haar vonnis volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in de tweede volzin van art. 359, derde lid, Sv. De raadsvrouwe van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep een verweer gevoerd strekkende tot vrijspraak. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Gelet op het voorgaande had het Hof het vonnis van de Rechtbank niet mogen bevestigen dan onder de in art. 423, eerste lid, Sv bedoelde aanvulling van gronden, te weten de in de eerste volzin van art. 359, derde lid, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Falende bewijsklacht medeplichtigheid aan poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en het gebruik maken van een vals geschrift door een poststuk. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1419

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 7 maart 2012 door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens

  1. primair diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd,
  2. subsidiair medeplichtigheid van de voortgezette handeling van poging tot oplichting, meermalen gepleegd,
  3. subsidiair medeplichtigheid van de voortgezette handeling van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en
  4. subsidiair medeplichtigheid van de voortgezette handeling van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Middel

Het derde middel klaagt onder meer dat de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde medeplichtigheid niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

Oordeel Hoge Raad

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte medeplichtig is aan poging tot oplichting, valsheid in geschrift en het gebruik maken van een vals geschrift door een poststuk, te weten de salarisstrook betreffende de maand juni 2008 van de aangever betrokkene 1 uit diens brievenbus aan de a-straat 19c te halen, en de daarop vermelde gegevens alsmede de naam van betrokkene 1, diens geboortedatum en sofi-nummer aan de pleger(s) van voornoemde delicten te verstrekken. Dit oordeel is, mede gelet op de door het Hof vastgestelde omstandigheden dat (i) de verdachte al eerder poststukken uit brievenbussen aan de a-straat had weggenomen, (ii) hij bij zijn aanhouding in het bezit was van een sleutel die past op de brievenbus van betrokkene 1 en (iii) hij een sms-bericht aan een derde persoon had verstuurd met de naam van betrokkene 1, diens geboortedatum en sofinummer, niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is naar de eis der wet met redenen omkleed.

De klacht faalt.

Conclusie AG Hofstee

Hoewel er om verzoeker een geur van verdenking hangt, is wat zijn betrokkenheid als medeplichtige bij de bewezenverklaarde feiten 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair door het Hof enkel kunnen worden vastgesteld dat verzoeker - kennelijk ook in de tenlastegelegde periode van 1 juni tot en met 27 juni 2008, EH - over een sleutel beschikte die op de brievenbus van voornoemde betrokkene 1 (a-straat 19c) paste, en verzoeker derhalve de mogelijkheid had om poststukken uit de brievenbus van betrokkene 1 te halen. De vraag is nu of daarnaast de door het Hof in aanmerking genomen bijkomstige omstandigheden - te weten dat verzoeker op een eerder moment (september/oktober 2007) met behulp van een sleutel poststukken uit de brievenbussen van de flat aan de a-straat heeft gehaald (zoals is bewezenverklaard onder feit 1) en verzoeker op een moment gelegen na de bewezenverklaarde periode (20 juli 2008) aan een derde een sms-bericht met gegevens van betrokkene 1 (inhoudende diens naam, geboortedatum en sofi-nummer) heeft verstuurd – voldoende zijn om ’s Hofs oordeel dat boven redelijke twijfel verheven is dat geen ander dan verzoeker – en dus verzoeker - in de periode van 1 juni tot en met 27 juni 2008 een poststuk (salarisstrook) uit de brievenbus van betrokkene 1 op het adres a-straat 19c heeft gehaald, kunnen dragen.

Hofstee meent dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord, omdat de bewijsconstructie niet toereikend is. Nog afgezien hiervan dat uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen niet een deelnemingsvorm als medeplichtigheid kan worden afgeleid (en dus evenmin het voor medeplichtigheid vereiste dubbele opzet), kan daaruit ook niet de telkens bewezenverklaarde betrokkenheid van verzoeker in de periode van 1 juni t/m 27 juni 2008 volgen. Dat onder verzoeker na zijn aanhouding op 30 juli 2008 sleutels zijn aangetroffen, waarmee onder meer de brievenbus van de woning van betrokkene 1 kon worden geopend, is ook in samenhang met de overige bewijsmiddelen niet (voldoende) redengevend voor het bewijs van de tenlastegelegde medeplichtigheidsfiguur in de periode van 1 juni tot en met 27 juni 2008. Wellicht had verzoeker deze sleutels nog van het half jaar daarvoor, waarover de getuigen betrokkene 5 en betrokkene 6 hebben verklaard, of had hij ze ergens in de maand juli 2008 verkregen. Ook het later (op 20 juli 2008) verstuurde, in bewijsmiddel 15 weergegeven, sms-bericht kan, gelet op de tenlastegelegde medeplichtigheidshandelingen en periode, zijns inziens niet als bewijsmiddel dienen.

Voorts is het de AG niet duidelijk wat het Hof bedoelt te zeggen met de overweging dat concrete feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel nopen door of namens verzoeker niet zijn gesteld. Had het volgens het Hof op de weg van verzoeker gelegen het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijsmateriaal te ontzenuwen? Een dergelijke eis stellen alvorens tot een vrijspraak te komen, zou op gespannen voet staan met de onschuldpresumptie. “De rechter moet oordelen of het beschikbare bewijsmateriaal een veroordeling toelaat, niet of de verdachte het aangedragen bewijsmateriaal voldoende heeft tegengesproken”, schrijft Corstens terecht.

Op grond van het voorgaande zijn de in dit middel bestreden bewezenverklaringen niet naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM-cassatie: Uitleg begrip ‘afvalstoffen’ & elektrische en/of elektronische huishoudelijke apparaten

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1564

Feiten

Aan de verdachte is in hoger beroep tenlastegelegd dat:

"1. zij in of omstreeks de periode van 12 juni 2009 tot en met 17 juli 2009 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en/of b van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers was/waren zij en/of (een of meer van) haar mededader(s) doende een container ([001]) waarvan de inhoud bestond uit elektrische en/of elektronische huishoudelijke apparaten die (deels) niet meer functioneerden en waarvan de houder(s) zich had(den) ontdaan, te weten (onder meer) friteuses en/of klokken en/of koffiezetapparaten, in ieder geval elektronische restanten als genoemd onder code GC020 van Bijlage III van voornoemde verordening, over te brengen van Nederland naar Kameroen, terwijl die overbrenging geschiedde zonder een voorafgaande kennisgeving aan en/of (schriftelijke) toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening;

2. zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 17 juli 2009 te Rotterdam en/of te Oldenzaal, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, huishoudelijke apparaten waarvan de houder (s) zich had(den) ontdaan en die (deels) niet meer functioneerden, te weten onder meer friteuses en/of klokken en/of koffiezetapparaten, in ieder geval bedrijfsafvalstoffen, heeft verhandeld, zonder vermelding als handelaar op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars."

Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 20 april 2012 vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting is door de raadsman van de verdachte betoogd dat de inhoud van de in de tenlastelegging bedoelde container niet kan worden aangemerkt als afvalstof in de zin van de Wet Milieubeheer en de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA).

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, overweegt het hof dienaangaande het volgende:

Voor de omschrijving van hetgeen wordt bedoeld met 'afvalstoffen' - in de zin van de EVOA en de Wet Milieubeheer - wordt in artikel 2 van de EVOA verwezen naar de omschrijving in artikel 1, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/12/EG. Daarin wordt bepaald: 'afvalstof': elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (zie thans: artikel 3, aanhef en onder 1, van Richtlijn 2008/98/EG).

Het antwoord op de vraag of sprake is van afvalstof in de zin van genoemde regelgeving hangt vooral af van het gedrag van de houder en van de betekenis van de term 'zich ontdoen van' en moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden. Daarbij moet de uitleg plaatsvinden tegen de achtergrond van enerzijds het hoofddoel van de EVOA en aanverwante regelgeving, namelijk de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu tegen de schadelijke invloeden van het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen, en anderzijds artikel 174, tweede lid, van het EG Verdrag, thans: artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, volgens hetwelk de Gemeenschap in haar milieubeleid streeft naar een hoog niveau van bescherming, waarbij dit beleid berust op onder meer het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen en het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden.

Uit de verklaringen van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat de bewuste container huishoudelijke apparaten bevatte die door consumenten (al dan niet onder de garantieregeling) bij. de leveranciers (detaillisten) waren teruggebracht omdat ze niet bevielen of een klein mankement hadden en voorts restanten van verkoopassortimenten die de detaillisten uit de winkel haalden. De vertegenwoordiger heeft verklaard dat de container voor zestig procent gevuld was met nieuwe artikelen en dat van de overige veertig procent een grote hoeveelheid na een kleine aanpassing weer goed bruikbaar was. Hieruit leidt het hof af dat de onderhavige container gevuld was met nieuwe en nagenoeg nieuwe artikelen. Dit blijkt ook uit de bevindingen van de buitengewoon opsporingsambtenaar

[verbalisant 1]. In haar ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van overdracht, d.d. 17 juli 2009, staat dat zij de container [001] op 22 juni 2009 heeft bekeken samen met de inspecteur van de VROM-inspectie Zuid-West, [verbalisant 2]. Uit haar verklaring daarover blijkt dat de container was beladen met dozen met koffiezetapparaten, klokken en frituurpannen, waarbij de meeste van deze goederen waren voorzien van de originele verpakking. Op een aantal dozen waren stickers bevestigd met de volgende opmerkingen: "defect", "wijzer kapot", "defect, blijft hangen op de 8", "bakje batterij stuk". De tweeëntwintig apparaten die zijn getest op hun werking, werkten allemaal.

Uit voornoemde feiten volgt dat de container geen productie- of consumptieresiduen, noch afgedankte versleten tweedehands goederen bevatte. De container bevatte (nagenoeg) nieuwe producten die in het land van bestemming zonder voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking konden worden gebruikt. Dat er bij een deel van goederen een kleine reparatie nodig was, doet daaraan niet af.

Evenmin vormde de container een ongeordende vergaarbak van zeer verschillende producten. De inhoud van de container was beperkt tot koffiezetapparaten, klokken en frituurpannen, die voor een groot deel nog in hun originele verpakking zaten verpakt.

Voorts acht het hof van belang dat de producten op het moment van het ongedaan maken van de aankoop door de consument en de verkoop door de detaillist nog een substantiële, positieve marktwaarde hadden en nog volledig in het handelsverkeer als voortzetting van het distributieproces waren (vergelijk: gebruikte automobielen tot twee jaar oud). Ook de afnemer in het land van bestemming zou een daarmee corresponderende prijs betalen. De container bevatte geen residu(en) van een productieproces van een andere stof, noch kwam de inhoud van de container voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking. Van een last waarvan de houder zich wilde ontdoen was bij de producten in de onderhavige container geen sprake.

Een en ander tezamen brengt met zich dat het naar het oordeel van het hof in dit geval - gelet op alle omstandigheden die in deze zaak naar voren zijn gekomen - niet gaat om stoffen of voorwerpen die beantwoorden aan de omschrijving van het begrip afvalstof in de zin van de EVOA.

Gelet op het voorgaande is geen handeling verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 van de EVOA, noch sprake van bedrijfsafvalstoffen zoals bedoeld in het onder 2 tenlastegelegde.

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie EU, zoals door de raadsman verzocht, acht het hof geen termen aanwezig."

De AG bij het gerechtshof, mr. J.H.M. van Leijen, heeft cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, eveneens AG bij het hof, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

Middel

Het middel stelt dat het hof het begrip "zich ontdoen van" en “afvalstoffen” te beperkt heeft uitgelegd. De steller wijst erop dat het hof over het hoofd heeft gezien dat de producten waarvan in deze zaak sprake is vallen onder aangewezen categorieën zoals omschreven in Bijlage I bij Richtlijn 2006/12/EG en attendeert in dit verband op de Revised Correspondents Guidelines No. 1, getiteld "Shipments of Waste electrical and Electronic Equipment".

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging van feit 1 en die van feit 2 zijn toegesneden op de Wet Milieubeheer. De daarin voorkomende term (bedrijfs) "afvalstoffen" moet telkens geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in de Wet milieubeheer.

Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' in de Wet milieubeheer moet worden aangesloten bij de in art. 1, eerste lid onder a, van de Richtlijn 2006/12/EG betreffende afvalstoffen (PbEG L 114) gegeven omschrijving, te weten: of de houder zich van de stof of het voorwerp ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Het Hof heeft voor de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' mede verwezen naar hetgeen is bepaald in de Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L 312). Deze Richtlijn heeft met ingang van 12 december 2010 - na de tijdstippen waarop de tenlasteleggingen zien - de Richtlijn 2006/12/EG vervangen. Deze vervanging getuigt niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de voor de inwerkingtreding van de nieuwe Richtlijn begane strafbare feiten (vgl. ECLI:NL:HR:2012, LJN BU3988, rov. 3.2.3). De Richtlijn 2008/98/EG beoogt blijkens de preambule een verduidelijking te geven van hetgeen ten aanzien van het begrip 'afvalstoffen' reeds in de Richtlijn 2006/12/EG hierover is bepaald en beoogt in het bijzonder de definitie van de term 'afvalstoffen' te specificeren wanneer, voor zover hier van belang, een bepaalde stof niet langer een afvalstof is (einde-afval fase). Deze specificatie is in essentie ook onder het regime van de Richtlijn 2006/12/EG in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie ontwikkeld. Daarom kan en mag ook de Richtlijn 2008/98/EG bij de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' worden betrokken.

Het Hof heeft geoordeeld dat de in de tenlastelegging bedoelde elektrische en/of elektronische huishoudelijke apparaten geen stoffen of voorwerpen betreffen die beantwoorden aan de omschrijving van het begrip 'afvalstof'. Dat oordeel berust in het bijzonder op de in zijn overwegingen gedane vaststellingen, die erop neerkomen dat de onderhavige container geen productie- of consumptieresiduen, noch afgedankte versleten tweedehands goederen bevatte, doch dat de container "(nagenoeg) nieuwe producten" bevatte "die in het land van bestemming zonder voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking konden worden gebruikt", en dat daaraan niet afdoet "dat er bij een deel van de goederen een kleine reparatie nodig was". Het Hof heeft voorts geoordeeld dat van een last waarvan de houder zich wilde ontdoen bij deze producten geen sprake was en daarbij in het bijzonder van belang geacht dat de producten nog een substantiële, positieve marktwaarde hadden en het niet ging om producten die voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking kwamen.

Het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat het voor het antwoord op de vraag of sprake is van een 'afvalstof' niet eerst behoefde vast te stellen of de houders van wie de verdachte de voorwerpen heeft betrokken zich van de desbetreffende voorwerpen hebben ontdaan of voornemens waren zich daarvan te ontdoen. Dat oordeel geeft, mede in het licht van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal in de noten 7 tot en met 10 vermelde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, blijk van een onjuiste, want te beperkte uitleg van het begrip 'afvalstof' in de zin van art. 1, eerste lid onder a, Richtlijn 2006/12/EG. Voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet of voornemens is zich te ontdoen zijn immers afvalstoffen, ongeacht of zij bijvoorbeeld substantiële waarde hebben in het economisch verkeer, op zichzelf voor hergebruik geschikt zijn of niet afgedankt en niet versleten zijn, en blijven dat totdat zij de status van afvalstof hebben verloren.

Voorts is het oordeel van het Hof dat (al) de voorwerpen zonder voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking in het land van bestemming konden worden hergebruikt niet begrijpelijk gemotiveerd, nu het Hof ervan is uitgegaan dat bij een deel van de producten nog enige reparatie nodig was en het Hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of de producten zullen worden hergebruikt zonder dat (ook overigens) een verdere voorbehandeling nodig is als omschreven in art. 3 onder 16 van de Richtlijn 2008/98/EG.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Verdachte neemt een fotocamera van aangever mee om “zijn vordering kracht bij te zetten”. Oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening?

Hoge Raad 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1425

Feiten

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens poging tot diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Namens verdachte heeft mr. H.H.M. Van Dijk, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat de verdachte "het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening" had.

Beoordeling Hoge Raad

In art. 310 Sr is als diefstal strafbaar gesteld het met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening wegnemen van een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort. In het bestreden arrest ligt als oordeel van het Hof besloten dat de verdachte door te trachten als heer en meester te beschikken over het in de bewezenverklaring genoemde voorwerp heeft gehandeld met voormeld oogmerk en dat in het onderhavige geval daaraan niet afdoet dat hij heeft gehandeld met de bedoeling die ander te bewegen tot de nakoming van een op hem rustende verplichting. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op de gebezigde bewijsvoering, toereikend gemotiveerd.

Het middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

HR: Uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte "tezamen en in vereniging met een ander" heeft gehandeld

Hoge Raad 19 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1355

Feiten

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 10 mei 2012 verdachte wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 150 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen hechtenis.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2008 tot en met 25 augustus 2008 in de gemeente Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in een pand aan [a-straat 1] een hoeveelheid van moederhennepplanten en hennepstekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0624/08-342363 (pagina's 52 en 53), in de wettelijke vorm opgemaakt op 25 augustus 2008 door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene]:

Ik ben samen met mijn zus eigenaar van recyclingbedrijf [A], welke aan [a-straat 1] gevestigd is. Op ons bedrijfsterrein staat een grote groene loods. Op vrijdag 22 augustus hoorde ik een zoemend geluid vanuit de loods. De loods is verdeeld in drie ruimten. Ik heb die vrijdag de stroom eens van het middelste gedeelte van de loods afgehaald door de stoppen te verwijderen en ik hoorde toen dat het zoemen ophield. Op 24 augustus 2008 ben ik er even geweest om iets te halen en toen heb ik een witte bedrijfsbus naast de loods zien staan. De bus stond bij de schuifdeur die [medeverdachte] gebruikt om binnen te komen. [medeverdachte] huurt sinds 1 januari 2008 het middelste gedeelte van de loods. Hij heeft een schoonmaakbedrijf "[B]".

Ik heb vandaag, maandag 25 augustus 2008, met de boor een klein gaatje geboord in de spaanplaten tussenwand van de loods om te kijken of ik iets kon zien. Ik boorde vanuit mijn gedeelte en ik zag door het kleine gaatje dat er licht brandde in het middelste deel van de loods. Ik dacht toen direct aan een wietkwekerij. Ik heb toen de politie gebeld.

Ik heb dat gedeelte van de loods waar u nu die hennepkwekerij heeft aangetroffen verhuurd aan [medeverdachte]. Volgens mij verhuurt [medeverdachte] een gedeelte van de loods onder aan [verdachte]. [medeverdachte] en [verdachte] kwamen altijd in de avonduren en het weekend. Zij hebben beiden een sleutel van het toegangshek van het terrein.

2. Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, nummer PL08-342363 (pagina's 20 tot en met 26), in de wettelijke vorm opgemaakt op 10 september 2008 door [verbalisant 1], voornoemd, en [verbalisant 2], aspirant van politie, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:

Aanleiding onderzoek

Naar aanleiding van een melding van de eigenaar van de loods, [betrokkene], die meldde dat hij een afzuiger of ventilator hoorde zoemen in de loods en die constant licht zag branden, terwijl de gebruiker van de loods afwezig was, ben ik, verbalisant [verbalisant 1], ter plaatse gegaan op 25 augustus 2008.

Naar aanleiding van genoemde melding hebben wij, verbalisanten, terzake verdenking van een overtreding van de Opiumwet een onderzoek ingesteld betreffende het adres [a-straat 1] te Apeldoorn. Op dit afgesloten bedrijfsterrein staat een loods die in drie delen is verdeeld. Het bleek dat op genoemd adres een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was. In kweekruimte 1 stonden 64 hennepplanten en 3780 hennepstekken, in kweekruimte 2 stonden 1128 hennepstekken en in kweekruimte 3 stonden 160 hennepplanten en 1134 hennepstekken. Er was restafval aanwezig, namelijk oude aarde en lege potten. Tevens zijn er notities aangetroffen, waarbij met zwarte stift op lege gebruikte piepschuimbakken geschreven is de data 14-7 en 18-7.

3. Het proces-verbaal NARCO-TEST (Hennep), nummer 08-342363 (pagina 2e, als losse bijlage opgenomen voor het stamproces-verbaal), in de wettelijke vorm opgemaakt op 1 september 2008 door [verbalisant 1], voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:

Op maandag 1 september 2008 om 10.15 uur werden door mij, bevoegd tot het testen van verdovende middelen, de in perceel [a-straat 1] te Apeldoorn aangetroffen stoffen op voorgeschreven wijze middels de NARCO-test getest. De stekken en moederplanten werden afzonderlijk getest. Uit de testen van de planten en de stekken bleek dat de planten kennelijk THC bevatten. Met de aanwezigheid van THC werd aangetoond dat het bij de aangetroffen planten om hennep ging. Hennep staat vermeld op lijst II onderdeel B, behorende bij de Opiumwet.

4. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0624/08-342363 (pagina’s 58 en 59), in de wettelijke vorm opgemaakt op 25 augustus 2008 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte]:

U vraagt mij naar de loods op het terrein van [A] op [a-straat 1] te Apeldoorn. Ik huur het middelste gedeelte van deze loods sinds 1 januari 2008 van [betrokkene]. Ik verhuur weer een gedeelte onder aan [verdachte]. Behalve [verdachte] en ik heeft verder niemand een sleutel van dit slot.

5. Het proces-verbaal van verhoor, nummer PL0624/08-342363 (pagina's 64 en 66), in de wettelijke vorm opgemaakt op 26 augustus 2008 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden voornoemd, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [medeverdachte]:

Ongeveer twee maanden geleden ben ik begonnen met het bouwen van de hennepkwekerij. Tijdens het bouwen ben ik begonnen met het stekken van de planten. Ik heb de planten water gegeven, voeding gegeven en de stekken geknipt.

U vraagt mij of [verdachte] kennis had van de kwekerij.

Ja, [verdachte] weet dat er een hennepkwekerij zit, hij is er ook wel eens binnen geweest."

Middel

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring wat het "medeplegen" betreft ontoereikend is gemotiveerd.

Beoordeling Hoge Raad

Aangezien de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, voor zover behelzende dat de verdachte "tezamen en in vereniging met een ander" heeft gehandeld, niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Economische zaak: slagende klacht witwassen

Hoge Raad 19 november 2013,ECLI:NL:HR:2013:1356

Feiten

Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 7 februari 2012 voor de feiten 1, 2, 3 telkens: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd en 4: witwassen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer gelast van in beslag genomen voorwerpen zoals in het arrest opgenomen.

Mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht, heeft cassatie ingesteld.

Middel

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 4 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.

Beoordeling Hoge Raad

Met betrekking tot het witwassen door het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, is in HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655 het volgende overwogen.

Vooropgesteld moet worden dat op zichzelf noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de art. 420bis en 420quater Sr eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepalingen omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens - kort gezegd - (schuld)witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo'n voorwerp (vgl. HR 2 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7923, NJ 2008/16).

Dit betekent niet dat elke gedraging die in de art. 420bis, eerste lid, en 420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de - in beide bepalingen nader omschreven - kwalificatie witwassen onderscheidenlijk schuldwitwassen rechtvaardigt (vgl. in ander verband HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6712, NJ 2006/612). Zo kan ingeval het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het "voorhanden hebben" daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of een dergelijk enkel voorhanden hebben voldoende is om als (schuld)witwassen te worden aangemerkt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen".

Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Aan deze overwegingen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266 het volgende toegevoegd.

Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. Daarom is beslist dat "indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd".

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.

Onderhavige zaak

In het onderhavige geval gaat het onder meer om het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een voorwerp - te weten een geldbedrag - dat naar het oordeel van het Hof vooral afkomstig is uit door de verdachte zelf begane misdrijven (kort gezegd de handel in illegaal vuurwerk) en heeft het Hof geoordeeld dat zulks witwassen oplevert. Aangezien uit de motivering van dat oordeel echter niet kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan het enkele voorhanden hebben van dat geldbedrag doordat de gedragingen van de verdachte ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat geldbedrag, is het oordeel van het Hof ontoereikend gemotiveerd.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bewijsklacht schuldheling en verduistering terecht voorgesteld

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1180

Feiten

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 26 januari 2012 de verdachte ter zake van 2. primair medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, 3. diefstal door twee of meer verenigde personen, en 5. eerste en tweede cumulatief/alternatief schuldheling en verduistering veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Voorts bevat het arrest enkele bijkomende beslissingen.

Beoordeling Hoge Raad

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4-6 is het middel terecht voorgesteld. In het bijzonder klaagt het dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

Conclusie AG Aben

De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat de verdachte betrokken is geweest bij de zware mishandeling van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] in het huis van die [betrokkene 7], alsmede dat de verdachte de sleutelbos en de portemonnee van die beide slachtoffers heeft weggenomen (bewijsmiddelen 1, 2 en 3). Tevens houden de bewijsmiddelen in dat in de woning van de verdachte zijn aangetroffen twee rijbewijzen ten name van [betrokkene 2] en [betrokkene 1], twee paspoorten ten name van [betrokkene 3] en [betrokkene 4], één bankpas ten name van [betrokkene 5] en twee portemonnees met onder andere identiteitskaarten ten name van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] (bewijsmiddel 6). Uit onderzoek van de politie is voorts gebleken van de aangiftes van vermissing van de voornoemde paspoorten en de bankpas, en de aangiftes van diefstal (uit een personenauto) waarbij de rijbewijzen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zouden zijn buitgemaakt (bewijsmiddel 7). De bewijsmiddelen houden evenwel niets in met betrekking tot verdachtes wetenschap van de herkomst van deze goederen en evenmin verschaffen zij uitleg over hoe de verdachte in het bezit van deze goederen is gekomen. Een nadere motivering door het hof wordt hier node gemist. Aldus is het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de rijbewijzen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig waren niet begrijpelijk. Evenmin is zonder nadere motivering, die ontbreekt, begrijpelijk het oordeel van het hof dat de verdachte de paspoorten van [betrokkene 4] en [betrokkene 3] en de bankpas van [betrokkene 5] zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. De bewezenverklaring is dus ontoereikend gemotiveerd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Bevoegdheid economische kamer Hof

Hoge Raad 12 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1182

Feiten

De economische kamer van het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 4 april 2012 voor valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 2500.

Mr. A.M. de Koning, advocaat te 's-Gravenhage heeft cassatie ingesteld.

Middel

Het eerste middel klaagt dat een economische kamer van het hof over het strafbaar feit heeft geoordeeld dat geen economisch delict is, terwijl niet aan de voorwaarden van artikel 39 WED is voldaan. Bovendien was verdachte gedagvaard voor de gewone strafkamer van het hof en de economische kamer heeft over de zaak geoordeeld.

Beoordeling Hoge Raad

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 26 januari 2006 te Dordrecht en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

a. (een) 'melding(en)/verzoek(en) om verklaring Energieinvesteringsaftrek (EIA)', te weten

- op naam van [betrokkene 1], gedateerd 26 januari 2006 (D-018) en/of

- op naam van [betrokkene 2], gedateerd 26 januari 2006 (D-020) en/of,

b. (een) 'melding(en) milieu-investeringsaftrek/willekeurige afschrijving (MIA/VAMIL)',te weten

- op naam van [betrokkene 1], gedateerd 26 januari 2006 (D-021) en/of

- op naam van [betrokkene 2], gedateerd 26 januari 2006 (D-022), -

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, immers heeft verdachte (telkens) valselijk die melding(en) EIA en/of MIA/VAMIL voorzien van de naam van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of een handtekening welke moest doorgaan voor de handtekening van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2], zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

subsidiair: voor zover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 26 januari 2006 te Breda en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

a. 'melding(en)/verzoek(en) om verklaring Energieinvesteringsaftrek (EIA), te weten

- op naam van [betrokkene 1], gedateerd 26 januari 2006 (D-018) en/of

- op naam van [betrokkene 2], gedateerd 26 januari 2006 (D-020) en/of,

b. 'melding(en) milieu – investeringsaftrek/willekeurige afschrijving (MIA/VAMIL)', te weten

- op naam van [betrokkene 1], gedateerd 26 januari 2006 (D-021) en/of

- op naam van [betrokkene 2], gedateerd 26 januari 2006 (D-022),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen –

als ware die/dat geschrift(en) echt en onvervalst, althans (telkens) opzettelijk die valse of vervalste melding(en) EIA en/of MIA/VAMIL voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die/dat geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware(n) het echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken althans dat voorhanden hebben hierin dat verdachte dat/die geschrift (en) heeft toegezonden althans doen toekomen aan Bureau Investeringsregelingen en willekeurige afschrijving te Breda en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat die melding(en) EIA en/of MIA/VAMIL is /zijn voorzien van de naam van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of een handtekening welke moest doorgaan voor de handtekening van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]."

De stukken van het geding houden in dat de verdachte in eerste aanleg is gedagvaard voor de meervoudige economische kamer van de Rechtbank Dordrecht en dat deze kamer de zaak heeft behandeld en uitspraak heeft gedaan op 14 december 2012. Ingevolge art. 52 WED in verbinding met art. 64 RO behandelen en beslissen de gerechtshoven in hoger beroep de zaken waarin door economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen. Dit betekent dat de strafzaak in hoger beroep kon worden behandeld en beslist door de meervoudige economische kamer van het Hof.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^