Falende bewijsklacht medeplichtigheid aan poging tot oplichting, valsheid in geschrifte en het gebruik maken van een vals geschrift door een poststuk. Conclusie AG: anders.

Hoge Raad 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1419

Feiten

Verzoeker is bij arrest van 7 maart 2012 door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens

  1. primair diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd,
  2. subsidiair medeplichtigheid van de voortgezette handeling van poging tot oplichting, meermalen gepleegd,
  3. subsidiair medeplichtigheid van de voortgezette handeling van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en
  4. subsidiair medeplichtigheid van de voortgezette handeling van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Middel

Het derde middel klaagt onder meer dat de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde medeplichtigheid niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

Oordeel Hoge Raad

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte medeplichtig is aan poging tot oplichting, valsheid in geschrift en het gebruik maken van een vals geschrift door een poststuk, te weten de salarisstrook betreffende de maand juni 2008 van de aangever betrokkene 1 uit diens brievenbus aan de a-straat 19c te halen, en de daarop vermelde gegevens alsmede de naam van betrokkene 1, diens geboortedatum en sofi-nummer aan de pleger(s) van voornoemde delicten te verstrekken. Dit oordeel is, mede gelet op de door het Hof vastgestelde omstandigheden dat (i) de verdachte al eerder poststukken uit brievenbussen aan de a-straat had weggenomen, (ii) hij bij zijn aanhouding in het bezit was van een sleutel die past op de brievenbus van betrokkene 1 en (iii) hij een sms-bericht aan een derde persoon had verstuurd met de naam van betrokkene 1, diens geboortedatum en sofinummer, niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is naar de eis der wet met redenen omkleed.

De klacht faalt.

Conclusie AG Hofstee

Hoewel er om verzoeker een geur van verdenking hangt, is wat zijn betrokkenheid als medeplichtige bij de bewezenverklaarde feiten 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair door het Hof enkel kunnen worden vastgesteld dat verzoeker - kennelijk ook in de tenlastegelegde periode van 1 juni tot en met 27 juni 2008, EH - over een sleutel beschikte die op de brievenbus van voornoemde betrokkene 1 (a-straat 19c) paste, en verzoeker derhalve de mogelijkheid had om poststukken uit de brievenbus van betrokkene 1 te halen. De vraag is nu of daarnaast de door het Hof in aanmerking genomen bijkomstige omstandigheden - te weten dat verzoeker op een eerder moment (september/oktober 2007) met behulp van een sleutel poststukken uit de brievenbussen van de flat aan de a-straat heeft gehaald (zoals is bewezenverklaard onder feit 1) en verzoeker op een moment gelegen na de bewezenverklaarde periode (20 juli 2008) aan een derde een sms-bericht met gegevens van betrokkene 1 (inhoudende diens naam, geboortedatum en sofi-nummer) heeft verstuurd – voldoende zijn om ’s Hofs oordeel dat boven redelijke twijfel verheven is dat geen ander dan verzoeker – en dus verzoeker - in de periode van 1 juni tot en met 27 juni 2008 een poststuk (salarisstrook) uit de brievenbus van betrokkene 1 op het adres a-straat 19c heeft gehaald, kunnen dragen.

Hofstee meent dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord, omdat de bewijsconstructie niet toereikend is. Nog afgezien hiervan dat uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen niet een deelnemingsvorm als medeplichtigheid kan worden afgeleid (en dus evenmin het voor medeplichtigheid vereiste dubbele opzet), kan daaruit ook niet de telkens bewezenverklaarde betrokkenheid van verzoeker in de periode van 1 juni t/m 27 juni 2008 volgen. Dat onder verzoeker na zijn aanhouding op 30 juli 2008 sleutels zijn aangetroffen, waarmee onder meer de brievenbus van de woning van betrokkene 1 kon worden geopend, is ook in samenhang met de overige bewijsmiddelen niet (voldoende) redengevend voor het bewijs van de tenlastegelegde medeplichtigheidsfiguur in de periode van 1 juni tot en met 27 juni 2008. Wellicht had verzoeker deze sleutels nog van het half jaar daarvoor, waarover de getuigen betrokkene 5 en betrokkene 6 hebben verklaard, of had hij ze ergens in de maand juli 2008 verkregen. Ook het later (op 20 juli 2008) verstuurde, in bewijsmiddel 15 weergegeven, sms-bericht kan, gelet op de tenlastegelegde medeplichtigheidshandelingen en periode, zijns inziens niet als bewijsmiddel dienen.

Voorts is het de AG niet duidelijk wat het Hof bedoelt te zeggen met de overweging dat concrete feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel nopen door of namens verzoeker niet zijn gesteld. Had het volgens het Hof op de weg van verzoeker gelegen het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijsmateriaal te ontzenuwen? Een dergelijke eis stellen alvorens tot een vrijspraak te komen, zou op gespannen voet staan met de onschuldpresumptie. “De rechter moet oordelen of het beschikbare bewijsmateriaal een veroordeling toelaat, niet of de verdachte het aangedragen bewijsmateriaal voldoende heeft tegengesproken”, schrijft Corstens terecht.

Op grond van het voorgaande zijn de in dit middel bestreden bewezenverklaringen niet naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.

Het middel slaagt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF