OM-cassatie: Uitleg begrip ‘afvalstoffen’ & elektrische en/of elektronische huishoudelijke apparaten

Hoge Raad 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1564

Feiten

Aan de verdachte is in hoger beroep tenlastegelegd dat:

"1. zij in of omstreeks de periode van 12 juni 2009 tot en met 17 juli 2009 te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van Europese Gemeenschap, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, (een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 sub a en/of b van Verordening (EG) Nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers was/waren zij en/of (een of meer van) haar mededader(s) doende een container ([001]) waarvan de inhoud bestond uit elektrische en/of elektronische huishoudelijke apparaten die (deels) niet meer functioneerden en waarvan de houder(s) zich had(den) ontdaan, te weten (onder meer) friteuses en/of klokken en/of koffiezetapparaten, in ieder geval elektronische restanten als genoemd onder code GC020 van Bijlage III van voornoemde verordening, over te brengen van Nederland naar Kameroen, terwijl die overbrenging geschiedde zonder een voorafgaande kennisgeving aan en/of (schriftelijke) toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening;

2. zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 17 juli 2009 te Rotterdam en/of te Oldenzaal, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, huishoudelijke apparaten waarvan de houder (s) zich had(den) ontdaan en die (deels) niet meer functioneerden, te weten onder meer friteuses en/of klokken en/of koffiezetapparaten, in ieder geval bedrijfsafvalstoffen, heeft verhandeld, zonder vermelding als handelaar op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars."

Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 20 april 2012 vrijgesproken en daartoe het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting is door de raadsman van de verdachte betoogd dat de inhoud van de in de tenlastelegging bedoelde container niet kan worden aangemerkt als afvalstof in de zin van de Wet Milieubeheer en de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA).

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en hetgeen ter terechtzitting is verhandeld, overweegt het hof dienaangaande het volgende:

Voor de omschrijving van hetgeen wordt bedoeld met 'afvalstoffen' - in de zin van de EVOA en de Wet Milieubeheer - wordt in artikel 2 van de EVOA verwezen naar de omschrijving in artikel 1, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/12/EG. Daarin wordt bepaald: 'afvalstof': elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen (zie thans: artikel 3, aanhef en onder 1, van Richtlijn 2008/98/EG).

Het antwoord op de vraag of sprake is van afvalstof in de zin van genoemde regelgeving hangt vooral af van het gedrag van de houder en van de betekenis van de term 'zich ontdoen van' en moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden. Daarbij moet de uitleg plaatsvinden tegen de achtergrond van enerzijds het hoofddoel van de EVOA en aanverwante regelgeving, namelijk de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu tegen de schadelijke invloeden van het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen, en anderzijds artikel 174, tweede lid, van het EG Verdrag, thans: artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, volgens hetwelk de Gemeenschap in haar milieubeleid streeft naar een hoog niveau van bescherming, waarbij dit beleid berust op onder meer het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen en het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden.

Uit de verklaringen van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat de bewuste container huishoudelijke apparaten bevatte die door consumenten (al dan niet onder de garantieregeling) bij. de leveranciers (detaillisten) waren teruggebracht omdat ze niet bevielen of een klein mankement hadden en voorts restanten van verkoopassortimenten die de detaillisten uit de winkel haalden. De vertegenwoordiger heeft verklaard dat de container voor zestig procent gevuld was met nieuwe artikelen en dat van de overige veertig procent een grote hoeveelheid na een kleine aanpassing weer goed bruikbaar was. Hieruit leidt het hof af dat de onderhavige container gevuld was met nieuwe en nagenoeg nieuwe artikelen. Dit blijkt ook uit de bevindingen van de buitengewoon opsporingsambtenaar

[verbalisant 1]. In haar ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van overdracht, d.d. 17 juli 2009, staat dat zij de container [001] op 22 juni 2009 heeft bekeken samen met de inspecteur van de VROM-inspectie Zuid-West, [verbalisant 2]. Uit haar verklaring daarover blijkt dat de container was beladen met dozen met koffiezetapparaten, klokken en frituurpannen, waarbij de meeste van deze goederen waren voorzien van de originele verpakking. Op een aantal dozen waren stickers bevestigd met de volgende opmerkingen: "defect", "wijzer kapot", "defect, blijft hangen op de 8", "bakje batterij stuk". De tweeëntwintig apparaten die zijn getest op hun werking, werkten allemaal.

Uit voornoemde feiten volgt dat de container geen productie- of consumptieresiduen, noch afgedankte versleten tweedehands goederen bevatte. De container bevatte (nagenoeg) nieuwe producten die in het land van bestemming zonder voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking konden worden gebruikt. Dat er bij een deel van goederen een kleine reparatie nodig was, doet daaraan niet af.

Evenmin vormde de container een ongeordende vergaarbak van zeer verschillende producten. De inhoud van de container was beperkt tot koffiezetapparaten, klokken en frituurpannen, die voor een groot deel nog in hun originele verpakking zaten verpakt.

Voorts acht het hof van belang dat de producten op het moment van het ongedaan maken van de aankoop door de consument en de verkoop door de detaillist nog een substantiële, positieve marktwaarde hadden en nog volledig in het handelsverkeer als voortzetting van het distributieproces waren (vergelijk: gebruikte automobielen tot twee jaar oud). Ook de afnemer in het land van bestemming zou een daarmee corresponderende prijs betalen. De container bevatte geen residu(en) van een productieproces van een andere stof, noch kwam de inhoud van de container voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking. Van een last waarvan de houder zich wilde ontdoen was bij de producten in de onderhavige container geen sprake.

Een en ander tezamen brengt met zich dat het naar het oordeel van het hof in dit geval - gelet op alle omstandigheden die in deze zaak naar voren zijn gekomen - niet gaat om stoffen of voorwerpen die beantwoorden aan de omschrijving van het begrip afvalstof in de zin van de EVOA.

Gelet op het voorgaande is geen handeling verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 van de EVOA, noch sprake van bedrijfsafvalstoffen zoals bedoeld in het onder 2 tenlastegelegde.

Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie EU, zoals door de raadsman verzocht, acht het hof geen termen aanwezig."

De AG bij het gerechtshof, mr. J.H.M. van Leijen, heeft cassatie ingesteld. Mr. H.H.J. Knol, eveneens AG bij het hof, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

Middel

Het middel stelt dat het hof het begrip "zich ontdoen van" en “afvalstoffen” te beperkt heeft uitgelegd. De steller wijst erop dat het hof over het hoofd heeft gezien dat de producten waarvan in deze zaak sprake is vallen onder aangewezen categorieën zoals omschreven in Bijlage I bij Richtlijn 2006/12/EG en attendeert in dit verband op de Revised Correspondents Guidelines No. 1, getiteld "Shipments of Waste electrical and Electronic Equipment".

Beoordeling Hoge Raad

De tenlastelegging van feit 1 en die van feit 2 zijn toegesneden op de Wet Milieubeheer. De daarin voorkomende term (bedrijfs) "afvalstoffen" moet telkens geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in de Wet milieubeheer.

Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat voor de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' in de Wet milieubeheer moet worden aangesloten bij de in art. 1, eerste lid onder a, van de Richtlijn 2006/12/EG betreffende afvalstoffen (PbEG L 114) gegeven omschrijving, te weten: of de houder zich van de stof of het voorwerp ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Het Hof heeft voor de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' mede verwezen naar hetgeen is bepaald in de Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L 312). Deze Richtlijn heeft met ingang van 12 december 2010 - na de tijdstippen waarop de tenlasteleggingen zien - de Richtlijn 2006/12/EG vervangen. Deze vervanging getuigt niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de voor de inwerkingtreding van de nieuwe Richtlijn begane strafbare feiten (vgl. ECLI:NL:HR:2012, LJN BU3988, rov. 3.2.3). De Richtlijn 2008/98/EG beoogt blijkens de preambule een verduidelijking te geven van hetgeen ten aanzien van het begrip 'afvalstoffen' reeds in de Richtlijn 2006/12/EG hierover is bepaald en beoogt in het bijzonder de definitie van de term 'afvalstoffen' te specificeren wanneer, voor zover hier van belang, een bepaalde stof niet langer een afvalstof is (einde-afval fase). Deze specificatie is in essentie ook onder het regime van de Richtlijn 2006/12/EG in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie ontwikkeld. Daarom kan en mag ook de Richtlijn 2008/98/EG bij de uitleg van het begrip 'afvalstoffen' worden betrokken.

Het Hof heeft geoordeeld dat de in de tenlastelegging bedoelde elektrische en/of elektronische huishoudelijke apparaten geen stoffen of voorwerpen betreffen die beantwoorden aan de omschrijving van het begrip 'afvalstof'. Dat oordeel berust in het bijzonder op de in zijn overwegingen gedane vaststellingen, die erop neerkomen dat de onderhavige container geen productie- of consumptieresiduen, noch afgedankte versleten tweedehands goederen bevatte, doch dat de container "(nagenoeg) nieuwe producten" bevatte "die in het land van bestemming zonder voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking konden worden gebruikt", en dat daaraan niet afdoet "dat er bij een deel van de goederen een kleine reparatie nodig was". Het Hof heeft voorts geoordeeld dat van een last waarvan de houder zich wilde ontdoen bij deze producten geen sprake was en daarbij in het bijzonder van belang geacht dat de producten nog een substantiële, positieve marktwaarde hadden en het niet ging om producten die voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking kwamen.

Het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat het voor het antwoord op de vraag of sprake is van een 'afvalstof' niet eerst behoefde vast te stellen of de houders van wie de verdachte de voorwerpen heeft betrokken zich van de desbetreffende voorwerpen hebben ontdaan of voornemens waren zich daarvan te ontdoen. Dat oordeel geeft, mede in het licht van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal in de noten 7 tot en met 10 vermelde jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, blijk van een onjuiste, want te beperkte uitleg van het begrip 'afvalstof' in de zin van art. 1, eerste lid onder a, Richtlijn 2006/12/EG. Voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet of voornemens is zich te ontdoen zijn immers afvalstoffen, ongeacht of zij bijvoorbeeld substantiële waarde hebben in het economisch verkeer, op zichzelf voor hergebruik geschikt zijn of niet afgedankt en niet versleten zijn, en blijven dat totdat zij de status van afvalstof hebben verloren.

Voorts is het oordeel van het Hof dat (al) de voorwerpen zonder voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking in het land van bestemming konden worden hergebruikt niet begrijpelijk gemotiveerd, nu het Hof ervan is uitgegaan dat bij een deel van de producten nog enige reparatie nodig was en het Hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of de producten zullen worden hergebruikt zonder dat (ook overigens) een verdere voorbehandeling nodig is als omschreven in art. 3 onder 16 van de Richtlijn 2008/98/EG.

Het middel is terecht voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF